Elohim Bijbel

Deuteronomium 24

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Echtscheiding, pand, loon en hulp aan de zwakken

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Scheiding en hertrouwen

1Wanneer een man een vrouw neemt en haar man wordt, en zij geen gunst vindt in zijn ogen. Want hij heeft iets schaamtevols bij haar gevonden. En hij schrijft haar een scheidingsbrief, geeft die in haar hand en stuurt haar uit zijn huis weg.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִקַּ֥ח
(yiqach)
neemt
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
אִשָּׁ֖ה
(isha)
een vrouw
וּבְעָלָ֑הּ
(uvealah)
en haar man wordt
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
לֹ֧א
(lo)
niet
תִמְצָא
(timtsa)
zij vindt
חֵ֣ן
(chen)
gunst
בְּעֵינָ֗יו
(beeinav)
in zijn ogen
כִּי
(ki)
omdat
מָ֤צָא
(matsa)
hij vond
בָהּ֙
(bah)
bij haar
עֶרְוַ֣ת
(ervat)
naaktheid van
דָּבָ֔ר
(davar)
iets
וְכָ֨תַב
(vekhatav)
en schrijft
לָ֜הּ
(lah)
haar
סֵ֤פֶר
(sefer)
een brief van
כְּרִיתֻת֙
(keritut)
scheiding
וְנָתַ֣ן
(venatan)
en geeft
בְּיָדָ֔הּ
(beyadah)
in haar hand
וְשִׁלְּחָ֖הּ
(veshilechah)
en stuurt haar weg
מִבֵּיתֽוֹ
(mibeito)
uit zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶרְוַת דָּבָר (ervat davar), letterlijk ‘naaktheid van iets’: iets onbehoorlijks of schaamtevols.

Wat er precies bedoeld wordt, zegt de tekst niet.

Het woord ‘naaktheid’ is hetzelfde als in Lev. 18.

סֵפֶר כְּרִיתֻת (sefer keritut), ‘scheidingsbrief’: letterlijk ‘brief van afsnijding’.

Zie ook Jes. 50:1 en Matt. 19:7–8.

De tekst beschrijft in vers 1–3 een geval en geeft in vers 4 pas de regel.

2En zij gaat uit zijn huis, gaat heen en wordt de vrouw van een andere man.
וְיָצְאָ֖ה
(veyatsea)
en zij gaat uit
מִבֵּית֑וֹ
(mibeito)
zijn huis
וְהָלְכָ֖ה
(vehalekha)
en gaat heen
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en wordt
לְאִישׁ
(leish)
van een man
אַחֵֽר
(acher)
ander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3En de laatste man haat haar, schrijft haar een scheidingsbrief, geeft die in haar hand en stuurt haar uit zijn huis weg. Of de laatste man die haar tot vrouw nam, sterft,
וּשְׂנֵאָהּ֮
(useneah)
en haat haar
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הָאַחֲרוֹן֒
(haacharon)
de laatste
וְכָ֨תַב
(vekhatav)
en schrijft
לָ֜הּ
(lah)
haar
סֵ֤פֶר
(sefer)
een brief van
כְּרִיתֻת֙
(keritut)
scheiding
וְנָתַ֣ן
(venatan)
en geeft
בְּיָדָ֔הּ
(beyadah)
in haar hand
וְשִׁלְּחָ֖הּ
(veshilechah)
en stuurt haar weg
מִבֵּית֑וֹ
(mibeito)
uit zijn huis
א֣וֹ
(o)
of
כִ֤י
(ki)
als
יָמוּת֙
(yamut)
sterft
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הָאַחֲר֔וֹן
(haacharon)
de laatste
אֲשֶׁר
(asher)
die
לְקָחָ֥הּ
(leqachah)
haar nam
ל֖וֹ
(lo)
voor zich
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Dan mag haar eerste man, die haar wegstuurde, haar niet opnieuw nemen om zijn vrouw te zijn, nadat zij onrein is gemaakt. Want dat is een gruwel voor het aangezicht van Yahweh. Je mag het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel, niet tot zonde brengen.
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֣ל
(yukhal)
mag
בַּעְלָ֣הּ
(balah)
haar man
הָרִאשׁ֣וֹן
(harishon)
de eerste
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
שִׁ֠לְּחָהּ
(shilechah)
haar wegstuurde
לָשׁ֨וּב
(lashuv)
om terug te keren
לְקַחְתָּ֜הּ
(leqachtah)
haar te nemen
לִהְי֧וֹת
(lihyot)
om te zijn
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּׁ֗ה
(leisha)
tot vrouw
אַחֲרֵי֙
(acharei)
nadat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
zij
הֻטַּמָּ֔אָה
(hutamaa)
onrein gemaakt is
כִּֽי
(ki)
want
תוֹעֵבָ֥ה
(toeva)
gruwel
הִ֖וא
(hi)
het is
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תַחֲטִיא֙
(tachati)
zul je tot zonde brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
die geeft
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
נַחֲלָֽה
(nachala)
als erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֻטַּמָּאָה (huttammaah), ‘onrein gemaakt’: de vrouw is door het tweede huwelijk voor haar eerste man onrein geworden.

תַחֲטִיא (tachtia), ‘tot zonde brengen’: het land wordt door zo’n handeling ontheiligd, vergelijk Lev. 18:25.

Een nieuwe echtgenoot

5Wanneer een man een nieuwe vrouw neemt, mag hij niet met het leger uittrekken en mag hem geen enkele taak worden opgelegd. Een jaar lang is hij vrij voor zijn huis. Hij moet zijn vrouw blij maken, die hij genomen heeft.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִקַּ֥ח
(yiqach)
neemt
אִישׁ֙
(ish)
een man
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
חֲדָשָׁ֔ה
(chadasha)
nieuwe
לֹ֤א
(lo)
niet
יֵצֵא֙
(yetse)
zal uittrekken
בַּצָּבָ֔א
(batsava)
met het leger
וְלֹא
(velo)
en niet
יַעֲבֹ֥ר
(yaavor)
zal komen
עָלָ֖יו
(alav)
over hem
לְכָל
(lekhal)
voor enige
דָּבָ֑ר
(davar)
zaak
נָקִ֞י
(naqi)
vrij
יִהְיֶ֤ה
(yihye)
zal hij zijn
לְבֵיתוֹ֙
(leveito)
voor zijn huis
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
אֶחָ֔ת
(echat)
één
וְשִׂמַּ֖ח
(vesimach)
en hij zal blij maken
אֶת
(et)
(obj.)
אִשְׁתּ֥וֹ
(ishto)
zijn vrouw
אֲשֶׁר
(asher)
die
לָקָֽח
(laqach)
hij nam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָקִי (naqi), ‘vrij’: vrij van legerdienst en andere taken.

Vergelijk Deut. 20:7.

Een molen in pand

6Men mag geen molen of bovenste molensteen in pand nemen, want dan neemt men een leven in pand.
לֹא
(lo)
niet
יַחֲבֹ֥ל
(yachavol)
zal men in pand nemen
רֵחַ֖יִם
(rechayim)
molen
וָרָ֑כֶב
(varakhev)
en bovenste molensteen
כִּי
(ki)
want
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
een leven
ה֥וּא
(hu)
hij
חֹבֵֽל
(chovel)
neemt in pand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵחַיִם (rechayim), ‘molen’, en רֶכֶב (rekhev), ‘bovenste molensteen’.

Met een molen maakte een gezin elke dag zijn brood; wie hem in pand neemt, neemt het levensonderhoud van de ander (‘een leven’) in pand.

Mensenroof

7Wanneer een man wordt gevonden die iemand steelt van zijn broers, van de zonen van Israël, en hem als koopwaar behandelt en verkoopt. Dan moet die dief sterven. Zo doe je het kwaad uit je midden weg.
כִּי
(ki)
wanneer
יִמָּצֵ֣א
(yimatse)
gevonden wordt
אִ֗ישׁ
(ish)
een man
גֹּנֵ֨ב
(gonev)
die steelt
נֶ֤פֶשׁ
(nefesh)
een mens
מֵאֶחָיו֙
(meechav)
van zijn broers
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְהִתְעַמֶּר
(vehitamer)
en hem behandelt als koopwaar
בּ֖וֹ
(bo)
met hem
וּמְכָר֑וֹ
(umekharo)
en hem verkoopt
וּמֵת֙
(umet)
en sterft
הַגַּנָּ֣ב
(haganav)
de dief
הַה֔וּא
(hahu)
die
וּבִֽעַרְתָּ֥
(uviarta)
en je zult wegdoen
הָרָ֖ע
(hara)
het kwaad
מִקִּרְבֶּֽךָ
(miqirbekha)
uit je midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּנֵב נֶפֶשׁ (goneb nefesh), ‘iemand stelen’: mensenroof.

Zie Exod. 21:16.

הִתְעַמֵּר (hit’ammer), ‘als koopwaar behandelen’: zie de voetnoot bij Deut. 21:14.

Voor ‘wegdoen’ zie Deut. 19:13.

Melaatsheid

8Wees op je hoede bij de plaag van melaatsheid: bewaar heel zorgvuldig en doe alles wat de priesters, de Levieten, je leren. Zoals ik hun geboden heb, zo moet je het bewaren en doen.
הִשָּׁ֧מֶר
(hishamer)
wees op je hoede
בְּנֶֽגַע
(benega)
bij de plaag van
הַצָּרַ֛עַת
(hatsaraat)
de melaatsheid
לִשְׁמֹ֥ר
(lishmor)
om te bewaren
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וְלַעֲשׂ֑וֹת
(velaasot)
en om te doen
כְּכֹל֩
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יוֹר֨וּ
(yoru)
zullen onderrichten
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
הַכֹּהֲנִ֧ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּ֛ם
(halviyim)
de Levieten
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוִּיתִ֖ם
(tsivitim)
ik gebood hen
תִּשְׁמְר֥וּ
(tishmeru)
zullen jullie bewaren
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
om te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָרַעַת (tsara’at), ‘melaatsheid’: zoals in Lev. 13 en 14.

De priesters, de Levieten, onderwijzen daarover.

9Denk eraan wat Yahweh, je Elohim, met Mirjam heeft gedaan op de weg, toen je uit Egypte trok.
זָכ֕וֹר
(zakhor)
denk eraan
אֵ֧ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֛ה
(asa)
deed
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְמִרְיָ֑ם
(lemiryam)
met Mirjam
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
בְּצֵאתְכֶ֥ם
(betsetkhem)
bij jullie uittocht
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Mirjam werd melaats nadat zij tegen Mozes had gesproken (Num. 12:10–15).

Het pand van een arme

10Wanneer je je naaste iets leent, mag je niet zijn huis binnengaan om zijn pand te nemen.
כִּֽי
(ki)
wanneer
תַשֶּׁ֥ה
(tashe)
je leent
בְרֵֽעֲךָ
(bereakha)
aan je naaste
מַשַּׁ֣את
(mashat)
een lening van
מְא֑וּמָה
(meuma)
iets
לֹא
(lo)
niet
תָבֹ֥א
(tavo)
zul je binnengaan
אֶל
(el)
in
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
לַעֲבֹ֥ט
(laavot)
om te nemen
עֲבֹטֽוֹ
(avoto)
zijn pand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲבוֹט (avot), ‘pand’: een voorwerp dat de lener als zekerheid geeft.

Vergelijk Exod. 22:25–26.

11Je moet buiten blijven staan. De man aan wie je leent, brengt het pand naar buiten tot bij jou.
בַּח֖וּץ
(bachuts)
buiten
תַּעֲמֹ֑ד
(taamod)
zul je blijven staan
וְהָאִ֗ישׁ
(vehaish)
en de man
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
aan wie
אַתָּה֙
(ata)
jij
נֹשֶׁ֣ה
(noshe)
leent
ב֔וֹ
(bo)
hem
יוֹצִ֥יא
(yotsi)
zal naar buiten brengen
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
naar jou
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַעֲב֖וֹט
(haavot)
het pand
הַחֽוּצָה
(hachutsa)
naar buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Als hij een arm man is, mag je niet gaan slapen met zijn pand.
וְאִם
(veim)
en als
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
עָנִ֖י
(ani)
arm
ה֑וּא
(hu)
hij is
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשְׁכַּ֖ב
(tishkav)
zul je gaan slapen
בַּעֲבֹטֽוֹ
(baavoto)
met zijn pand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Je moet hem het pand zeker teruggeven bij zonsondergang. Dan slaapt hij in zijn mantel en zegent hij je. Het zal voor jou gerechtigheid zijn voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim.
הָשֵׁב֩
(hashev)
teruggeven
תָּשִׁ֨יב
(tashiv)
zul je teruggeven
ל֤וֹ
(lo)
aan hem
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַעֲבוֹט֙
(haavot)
het pand
כְּבֹ֣א
(kevo)
bij het ondergaan van
הַשֶּׁ֔מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
וְשָׁכַ֥ב
(veshakhav)
en hij slaapt
בְּשַׂלְמָת֖וֹ
(besalmato)
in zijn mantel
וּבֵֽרֲכֶ֑ךָּ
(uverakheka)
en zegent je
וּלְךָ֙
(ulekha)
en voor jou
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
צְדָקָ֔ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’.

Wie de armen zijn pand teruggeeft, doet wat gerecht is voor Yahweh.

Het loon van een arme

14Je mag een arme en behoeftige loonarbeider niet uitbuiten. Of hij nu een van je broers is of een vreemdeling die in je land, in je poorten, woont.
לֹא
(lo)
niet
תַעֲשֹׁ֥ק
(taashoq)
zul je uitbuiten
שָׂכִ֖יר
(sakhir)
loonarbeider
עָנִ֣י
(ani)
arm
וְאֶבְי֑וֹן
(veevyon)
en behoeftig
מֵאַחֶ֕יךָ
(meacheikha)
van je broers
א֧וֹ
(o)
of
מִגֵּרְךָ֛
(migerekha)
van je vreemdeling
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּאַרְצְךָ֖
(beartsekha)
in je land
בִּשְׁעָרֶֽיךָ
(bishareikha)
in je poorten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָשַׁק (ashaq), ‘uitbuiten’: iemand zijn recht onthouden.

שָׂכִיר (sakhir), ‘loonarbeider’: zie ook Lev. 19:13.

15Op zijn dag moet je hem zijn loon geven; de zon mag er niet over ondergaan. Want hij is arm en zijn leven hangt ervan af. Anders roept hij over jou tot Yahweh en dan rust er zonde op je.
בְּיוֹמוֹ֩
(beyomo)
op zijn dag
תִתֵּ֨ן
(titen)
zul je geven
שְׂכָר֜וֹ
(sekharo)
zijn loon
וְֽלֹא
(velo)
en niet
תָב֧וֹא
(tavo)
zal komen
עָלָ֣יו
(alav)
over hem
הַשֶּׁ֗מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
כִּ֤י
(ki)
want
עָנִי֙
(ani)
arm
ה֔וּא
(hu)
hij is
וְאֵלָ֕יו
(veelav)
en naar het
ה֥וּא
(hu)
hij
נֹשֵׂ֖א
(nose)
tilt
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn leven
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִקְרָ֤א
(yiqra)
roept hij
עָלֶ֨יךָ֙
(aleikha)
over jou
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְךָ֖
(bekha)
bij jou
חֵֽטְא
(chete)
zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֹשֵׂא אֶת נַפְשׁוֹ (nose et nafsho), letterlijk ‘hij tilt zijn leven ernaartoe’: hij verlangt ernaar en leeft ervan.

Vergelijk Lev. 19:13.

Eigen schuld

16Vaders mogen niet gedood worden voor hun zonen en zonen mogen niet gedood worden voor hun vaders. Ieder moet gedood worden voor zijn eigen zonde.
לֹֽא
(lo)
niet
יוּמְת֤וּ
(yumetu)
zullen gedood worden
אָבוֹת֙
(avot)
vaders
עַל
(al)
voor
בָּנִ֔ים
(banim)
zonen
וּבָנִ֖ים
(uvanim)
en zonen
לֹא
(lo)
niet
יוּמְת֣וּ
(yumetu)
zullen gedood worden
עַל
(al)
voor
אָב֑וֹת
(avot)
vaders
אִ֥יש
(ish)
ieder
בְּחֶטְא֖וֹ
(becheto)
voor zijn zonde
יוּמָֽתוּ
(yumatu)
zullen gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elke persoon draagt zijn eigen schuld.

Zie ook Jer. 31:30 en Ezech. 18:20.

Dit sluit niet uit dat Yahweh de schuld van vaders bezoekt aan kinderen (Exod. 34:7).

Vreemdeling, wees en weduwe

17Je mag het recht van een vreemdeling en een wees niet verdraaien en je mag het kleed van een weduwe niet in pand nemen.
לֹ֣א
(lo)
niet
תַטֶּ֔ה
(tate)
zul je verdraaien
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
recht van
גֵּ֣ר
(ger)
een vreemdeling
יָת֑וֹם
(yatom)
een wees
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַחֲבֹ֔ל
(tachavol)
zul je in pand nemen
בֶּ֖גֶד
(beged)
kleed van
אַלְמָנָֽה
(almana)
een weduwe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 22:20–21 en Exod. 23:6, 9.

18Denk eraan dat je een slaaf was in Egypte en dat Yahweh, je Elohim, je daar vrijgekocht heeft. Daarom gebied ik je dit woord te doen.
וְזָכַרְתָּ֗
(vezakharta)
en je zult denken
כִּ֣י
(ki)
dat
עֶ֤בֶד
(eved)
slaaf
הָיִ֨יתָ֙
(hayita)
je was
בְּמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וַֽיִּפְדְּךָ֛
(vayifdekha)
en kocht je vrij
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
מִשָּׁ֑ם
(misham)
vandaar
עַל
(al)
daarom
כֵּ֞ן
(ken)
zo
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
ik
מְצַוְּךָ֙
(metsavekha)
gebied je
לַעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, zoals in Deut. 13:6 en 15:15.

Israël moet zich herinneren dat het zelf slaaf was.

Het nalezen voor de zwakken

19Wanneer je je oogst in je veld maait en je vergeet een schoof in het veld, dan mag je niet teruggaan om hem te halen. Hij is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe, zodat Yahweh, je Elohim, je zegent in al het werk van je handen.
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תִקְצֹר֩
(tiqtsor)
je maait
קְצִֽירְךָ֨
(qetsirekha)
je oogst
בְשָׂדֶ֜ךָ
(besadekha)
in je veld
וְשָֽׁכַחְתָּ֧
(veshakhachta)
en je vergeet
עֹ֣מֶר
(omer)
een schoof
בַּשָּׂדֶ֗ה
(basade)
in het veld
לֹ֤א
(lo)
niet
תָשׁוּב֙
(tashuv)
zul je teruggaan
לְקַחְתּ֔וֹ
(leqachto)
om hem te nemen
לַגֵּ֛ר
(lager)
voor de vreemdeling
לַיָּת֥וֹם
(layatom)
voor de wees
וְלָאַלְמָנָ֖ה
(velaalmana)
en voor de weduwe
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zal het zijn
לְמַ֤עַן
(lemaan)
opdat
יְבָרֶכְךָ֙
(yevarekhkha)
zegent je
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in al
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
יָדֶֽיךָ
(yadeikha)
je handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹמֶר (omer), ‘schoof’: een bos graan.

Zie ook Lev. 23:10.

De regel past bij Lev. 19:9–10 en Lev. 23:22.

20Wanneer je je olijfbomen afslaat, mag je daarna de takken niet nog eens nalopen. Wat overblijft is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תַחְבֹּט֙
(tachbot)
je afslaat
זֵֽיתְךָ֔
(zeitekha)
je olijfboom
לֹ֥א
(lo)
niet
תְפָאֵ֖ר
(tefaer)
zul je nalopen
אַחֲרֶ֑יךָ
(achareikha)
achter je
לַגֵּ֛ר
(lager)
voor de vreemdeling
לַיָּת֥וֹם
(layatom)
voor de wees
וְלָאַלְמָנָ֖ה
(velaalmana)
en voor de weduwe
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal het zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָבַט (chavat), ‘afslaan’: de olijven met een stok van de boom slaan.

תְּפָאֵר (tefa’er), ‘nalopen’: de takken nog eens afzoeken; betekenis niet geheel zeker.

Zie ookLev 19:10
21Wanneer je de druiven van je wijngaard plukt, mag je niet nalezen. Wat overblijft is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תִבְצֹר֙
(tivtsor)
je plukt
כַּרְמְךָ֔
(karmekha)
je wijngaard
לֹ֥א
(lo)
niet
תְעוֹלֵ֖ל
(teolel)
zul je nalezen
אַחֲרֶ֑יךָ
(achareikha)
achter je
לַגֵּ֛ר
(lager)
voor de vreemdeling
לַיָּת֥וֹם
(layatom)
voor de wees
וְלָאַלְמָנָ֖ה
(velaalmana)
en voor de weduwe
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal het zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עוֹלֵל (olel), ‘nalezen’: de overgebleven druiven plukken.

22Denk eraan dat je een slaaf was in het land Egypte. Daarom gebied ik je dit woord te doen.
וְזָ֣כַרְתָּ֔
(vezakharta)
en je zult denken
כִּי
(ki)
dat
עֶ֥בֶד
(eved)
slaaf
הָיִ֖יתָ
(hayita)
je was
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
daarom
כֵּ֞ן
(ken)
zo
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
ik
מְצַוְּךָ֙
(metsavekha)
gebied je
לַעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.