Joël 3
De uitstorting van de Geest
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh stort Zijn Geest uit
In het Hebreeuws heeft Joël vier hoofdstukken.
Hebr. 3:1–5 is in Nederlandse bijbels Joël 2:28–32, en Hebr. 4:1–21 is Nederlands 3:1–21.
De app zet de kruisverwijzingen zelf om.
בָּשָׂר (basar), ‘vlees’: het woord staat voor levende mensen, in het bijzonder voor mensen als zwakke, sterfelijke wezens. Wij laten ‘vlees’ staan.
רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: ruach betekent ook ‘wind’ of ‘adem’. Hier is het de Geest van Yahweh zelf; daarom schrijven wij Geest met een hoofdletter. Vergelijk Num. 11:29.
De toespraak van Yahweh uit Joël 2:25–27 loopt hier door; daarom begint dit vers niet met een aanhalingsteken. Zij eindigt in vers 3.
נִבְּאוּ (nibbe’u), ‘zij zullen profeteren’: namens Elohim spreken.
שְׁפָחוֹת (shefachot), ‘slavinnen’: dezelfde vertaling als in Exod. 11:5.
Naast de vrouwen staan de עֲבָדִים (avadim), ‘dienaren’.
מוֹפְתִים (moftim), ‘wonderen’: tekenen die verbazing wekken en op iets groters wijzen, zoals in Exod. 4:21 en 7:3.
תִּימְרוֹת עָשָׁן (timrot ashan), ‘zuilen van rook’: dezelfde uitdrukking als in Hoogl. 3:6.
De dag van Yahweh en de ontkomenen
Dit vers is niet rood: de profeet spreekt hier over Yahweh in de derde persoon (‘de dag van Yahweh’).
יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh ingrijpt. Zie ook Joël 2:1, 2:11 en 4:14.
נוֹרָא (nora), ‘vreeswekkend’: wat ontzag en vrees wekt (zo ook in Joël 2:11).
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
יִמָּלֵט (yimmalet), ‘zal ontkomen’: ontsnappen, in veiligheid komen.
Dit vers is niet rood: de profeet verwijst naar wat Yahweh gezegd heeft.
פְּלֵיטָה (peletah) en שָׂרִיד (sarid): zij die ontkomen en wie overblijft na de ramp. Wie Yahweh ‘roept’ hoort bij hen.
Hand. 2:17–21 haalt dit gedeelte aan.