Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De dromen van de farao
1Na twee volle jaren droomde de farao, en zie, hij stond bij de Nijl.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
מִקֵּ֖ץ
(miqets)
aan het einde van
שְׁנָתַ֣יִם
(shenatayim)
twee jaren
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וּפַרְעֹ֣ה
(ufaro)
en farao
חֹלֵ֔ם
(cholem)
droomde
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
עֹמֵ֥ד
(omed)
staande
עַל
(al)
bij
הַיְאֹֽר
(hayor)
de Nijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
Uitleg
מקץ שׁנתים ימים (miqets shenatayim yamim), ‘na twee volle jaren’: letterlijk ‘aan het einde van twee jaren van dagen’; zie 40:23.
היאר (hayye’or), ‘de Nijl’: ye’or is een Egyptisch leenwoord voor ‘rivier’; zie Ex. 7:15.
Aanvullend
Jasher 46:20 zegt dat Jozef daardoor twee jaar langer in de gevangenis bleef.
Jasher 48:2–5 vertelt de twee dromen met dezelfde beelden.
3En zie, zeven andere koeien kwamen na hen op uit de Nijl, lelijk van aanzien en mager van vlees, en ze gingen naast de andere koeien aan de oever van de Nijl staan.
וְהִנֵּ֞ה
(vehine)
en zie
שֶׁ֧בַע
(sheva)
zeven
פָּר֣וֹת
(parot)
koeien
אֲחֵר֗וֹת
(acherot)
andere
עֹל֤וֹת
(olot)
opkomend
אַחֲרֵיהֶן֙
(achareihen)
na hen
מִן
(min)
uit
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
רָע֥וֹת
(raot)
slecht
מַרְאֶ֖ה
(mare)
van aanzien
וְדַקּ֣וֹת
(vedaqot)
en mager
בָּשָׂ֑ר
(basar)
van vlees
וַֽתַּעֲמֹ֛דְנָה
(vataamodena)
en ze gingen staan
אֵ֥צֶל
(etsel)
naast
הַפָּר֖וֹת
(haparot)
de koeien
עַל
(al)
aan
שְׂפַ֥ת
(sefat)
oever van
הַיְאֹֽר
(hayor)
de Nijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
8Toen het ochtend werd, was zijn geest ontsteld. Hij liet alle magiërs van Egypte en al zijn wijzen roepen. De farao vertelde hun zijn droom, maar er was niemand die ze aan de farao kon uitleggen.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
בַבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
in de ochtend
וַתִּפָּ֣עֶם
(vatipaem)
en werd verontrust
רוּח֔וֹ
(rucho)
zijn geest
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en hij stuurde
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en hij riep
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
חַרְטֻמֵּ֥י
(chartumei)
magiërs van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
חֲכָמֶ֑יהָ
(chakhameiha)
haar wijzen
וַיְסַפֵּ֨ר
(vaysaper)
en hij vertelde
פַּרְעֹ֤ה
(paro)
farao
לָהֶם֙
(lahem)
aan hen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֲלֹמ֔וֹ
(chalomo)
zijn droom
וְאֵין
(veein)
en niet was
פּוֹתֵ֥ר
(poter)
een uitlegger
אוֹתָ֖ם
(otam)
ze
לְפַרְעֹֽה
(lefaro)
voor farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
חרטמי (chartummei), ‘magiërs’: een Egyptisch woord voor schriftgeleerde priesters; zie vers 24; Exod. 7:11, 22; 8:3.
Aanvullend
Jasher 48:6–29 vertelt dat de magiërs de droom verkeerd uitlegden, bijvoorbeeld als zeven dochters die zouden sterven, dat de farao dat afwees en dat hij alle magiërs wilde laten doden.
12Er was bij ons een Hebreeuwse jongen, een slaaf van de bevelhebber van de lijfwacht. We vertelden hem onze dromen en hij legde ze voor ons uit; ieder legde hij uit volgens zijn droom.
וְשָׁ֨ם
(vesham)
en daar
אִתָּ֜נוּ
(itanu)
met ons
נַ֣עַר
(naar)
jongen
עִבְרִ֗י
(ivri)
Hebreeuwse
עֶ֚בֶד
(eved)
slaaf
לְשַׂ֣ר
(lesar)
van overste van
הַטַּבָּחִ֔ים
(hatabachim)
de slachters
וַנְּ֨סַפֶּר
(vanesaper)
en we vertelden
ל֔וֹ
(lo)
hem
וַיִּפְתָּר
(vayiftar)
en hij legde uit
לָ֖נוּ
(lanu)
ons
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֲלֹמֹתֵ֑ינוּ
(chalomoteinu)
onze dromen
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
כַּחֲלֹמ֖וֹ
(kachalomo)
volgens zijn droom
פָּתָֽר
(patar)
hij legde uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נער עברי עבד (na’ar Ivri eved), ‘een Hebreeuwse jongen, een slaaf’: zie 39:14, 17; 40:15.
15De farao zei tegen Jozef: „Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand die hem uitlegt. Maar ik heb over je horen zeggen dat je een droom hoort om hem uit te leggen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
פַּרְעֹה֙
(paro)
farao
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
חֲל֣וֹם
(chalom)
een droom
חָלַ֔מְתִּי
(chalamti)
ik heb gedroomd
וּפֹתֵ֖ר
(ufoter)
en een uitlegger
אֵ֣ין
(ein)
niet is
אֹת֑וֹ
(oto)
voor hem
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en ik
שָׁמַ֤עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
עָלֶ֨יךָ֙
(aleikha)
over jou
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
תִּשְׁמַ֥ע
(tishma)
je hoort
חֲל֖וֹם
(chalom)
een droom
לִפְתֹּ֥ר
(liftor)
om uit te leggen
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תשׁמע חלום לפתר אתו (tishma chalom liftor oto), ‘je hoort een droom om hem uit te leggen’.
19En zie, zeven andere koeien kwamen na hen op, schraal en zeer lelijk van gestalte en mager van vlees. Zulke heb ik in heel het land Egypte nooit gezien, zo slecht.
וְהִנֵּ֞ה
(vehine)
en zie
שֶֽׁבַע
(sheva)
zeven
פָּר֤וֹת
(parot)
koeien
אֲחֵרוֹת֙
(acherot)
andere
עֹל֣וֹת
(olot)
opkomend
אַחֲרֵיהֶ֔ן
(achareihen)
na hen
דַּלּ֨וֹת
(dalot)
schraal
וְרָע֥וֹת
(veraot)
en slecht
תֹּ֛אַר
(toar)
van gestalte
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וְרַקּ֣וֹת
(veraqot)
en mager
בָּשָׂ֑ר
(basar)
van vlees
לֹֽא
(lo)
niet
רָאִ֧יתִי
(raiti)
ik heb gezien
כָהֵ֛נָּה
(kahena)
zoals zij
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לָרֹֽעַ
(laroa)
in slechtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
20De magere en lelijke koeien aten de zeven eerste, vlezige koeien op.
וַתֹּאכַ֨לְנָה֙
(vatokhalna)
en ze aten
הַפָּר֔וֹת
(haparot)
de koeien
הָרַקּ֖וֹת
(haraqot)
de magere
וְהָרָע֑וֹת
(veharaot)
en de slechte
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֶׁ֧בַע
(sheva)
zeven
הַפָּר֛וֹת
(haparot)
de koeien
הָרִאשֹׁנ֖וֹת
(harishonot)
de eerste
הַבְּרִיאֹֽת
(haberiot)
de vlezige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ze kwamen in hun buik, maar men merkte niet dat ze in hun buik gekomen waren, want hun aanzien bleef slecht als in het begin. Toen werd ik wakker.
וַתָּבֹ֣אנָה
(vatavona)
en ze kwamen
אֶל
(el)
in
קִרְבֶּ֗נָה
(qirbena)
hun buik
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
נוֹדַע֙
(noda)
het werd bekend
כִּי
(ki)
dat
בָ֣אוּ
(bau)
ze waren gekomen
אֶל
(el)
in
קִרְבֶּ֔נָה
(qirbena)
hun buik
וּמַרְאֵיהֶ֣ן
(umareihen)
en hun aanzien
רַ֔ע
(ra)
slecht
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
בַּתְּחִלָּ֑ה
(batechila)
in het begin
וָאִיקָֽץ
(vaiqats)
en ik werd wakker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De zeven magere en lelijke koeien die na hen opkwamen zijn zeven jaren, en de zeven lege aren, verschroeid door de oostenwind, zullen zeven jaren van hongersnood zijn.
וְשֶׁ֣בַע
(vesheva)
en zeven
הַ֠פָּרוֹת
(haparot)
de koeien
הָֽרַקּ֨וֹת
(haraqot)
de magere
וְהָרָעֹ֜ת
(veharaot)
en de slechte
הָעֹלֹ֣ת
(haolot)
de opkomende
אַחֲרֵיהֶ֗ן
(achareihen)
na hen
שֶׁ֤בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִים֙
(shanim)
jaren
הֵ֔נָּה
(hena)
zij
וְשֶׁ֤בַע
(vesheva)
en zeven
הַֽשִׁבֳּלִים֙
(hashibolim)
de aren
הָרֵק֔וֹת
(hareqot)
de lege
שְׁדֻפ֖וֹת
(shedufot)
verschroeid
הַקָּדִ֑ים
(haqadim)
door de oostenwind
יִהְי֕וּ
(yihyu)
ze zullen zijn
שֶׁ֖בַע
(sheva)
zeven
שְׁנֵ֥י
(shenei)
jaren van
רָעָֽב
(raav)
honger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Zie, er komen zeven jaren van grote overvloed in heel het land Egypte.
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
בָּא֑וֹת
(baot)
komend
שָׂבָ֥ע
(sava)
overvloed
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שׂבע גדול (sava gadol), ‘grote overvloed’: Jubileeën 40:12 zegt dat de aarde in de zeven jaren van overvloed overvloedig voortbracht, één maat achttienhonderd maten.
30Na hen zullen zeven jaren van hongersnood opstaan, en al die overvloed zal vergeten worden in het land Egypte, en de hongersnood zal het land verteren.
וְ֠קָמוּ
(veqamu)
en ze zullen opstaan
שֶׁ֜בַע
(sheva)
zeven
שְׁנֵ֤י
(shenei)
jaren van
רָעָב֙
(raav)
honger
אַחֲרֵיהֶ֔ן
(achareihen)
na hen
וְנִשְׁכַּ֥ח
(venishkach)
en hij zal vergeten worden
כָּל
(kal)
alle
הַשָּׂבָ֖ע
(hasava)
de overvloed
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְכִלָּ֥ה
(vekhila)
en hij zal verteren
הָרָעָ֖ב
(haraav)
de honger
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
35Laat hen al het voedsel van deze goede jaren die komen verzamelen en graan opslaan onder het gezag van de farao, als voedsel in de steden, en laat hen het bewaren.
וְיִקְבְּצ֗וּ
(veyiqbetsu)
en ze zullen verzamelen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
אֹ֨כֶל֙
(okhel)
voedsel van
הַשָּׁנִ֣ים
(hashanim)
de jaren
הַטֹּבֹ֔ת
(hatovot)
de goede
הַבָּאֹ֖ת
(habaot)
die komen
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וְיִצְבְּרוּ
(veyitsberu)
en ze zullen opstapelen
בָ֞ר
(bar)
graan
תַּ֧חַת
(tachat)
onder
יַד
(yad)
hand van
פַּרְעֹ֛ה
(paro)
farao
אֹ֥כֶל
(okhel)
voedsel
בֶּעָרִ֖ים
(bearim)
in de steden
וְשָׁמָֽרוּ
(veshamaru)
en ze zullen bewaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Het voedsel zal als voorraad dienen voor het land in de zeven jaren van hongersnood die in het land Egypte zullen komen, zodat het land niet door de hongersnood wordt weggevaagd.”
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal zijn
הָאֹ֤כֶל
(haokhel)
het voedsel
לְפִקָּדוֹן֙
(lefiqadon)
tot voorraad
לָאָ֔רֶץ
(laarets)
voor het land
לְשֶׁ֨בַע֙
(lesheva)
voor zeven
שְׁנֵ֣י
(shenei)
jaren van
הָרָעָ֔ב
(haraav)
de honger
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תִּהְיֶ֖יןָ
(tihyeina)
ze zullen zijn
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִכָּרֵ֥ת
(tikaret)
het zal worden afgesneden
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
בָּרָעָֽב
(baraav)
door de honger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
37De zaak was goed in de ogen van de farao en in de ogen van al zijn dienaren.
וַיִּיטַ֥ב
(vayitav)
en het was goed
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
פַרְעֹ֑ה
(paro)
farao
וּבְעֵינֵ֖י
(uveeinei)
en in de ogen van
כָּל
(kal)
al
עֲבָדָֽיו
(avadav)
zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend
Jasher 49:1–11 zegt dat de farao zijn hoge ambtenaren raadpleegde en dat zij bezwaar maakten, omdat niemand tweede man van Egypte kon zijn die niet alle zeventig talen sprak.
Jasher 49:13–17 zegt dat een engel van Yahweh Jozef die nacht alle talen leerde en hem Jehosef noemde (zie Ps. 81:6).
40Jij zult over mijn huis zijn, en op je woord zal heel mijn volk zich schikken. Alleen de troon zal ik groter zijn dan jij.”
אַתָּה֙
(ata)
jij
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
je zult zijn
עַל
(al)
over
בֵּיתִ֔י
(beiti)
mijn huis
וְעַל
(veal)
en op
פִּ֖יךָ
(pikha)
je mond
יִשַּׁ֣ק
(yishaq)
zal zich schikken
כָּל
(kal)
heel
עַמִּ֑י
(ami)
mijn volk
רַ֥ק
(raq)
alleen
הַכִּסֵּ֖א
(hakise)
de troon
אֶגְדַּ֥ל
(egdal)
zal ik groter zijn
מִמֶּֽךָּ
(mimeka)
dan jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ועל פיך ישׁק (ve’al pikha yishshaq kol ammi), ‘en op je woord zal heel mijn volk zich schikken’: de betekenis van yishshaq is onzeker: ‘zich schikken’ of ‘kussen’.
רק הכסא אגדל ממך (raq hakkisse eggdal mimmekha), ‘alleen de troon zal ik groter zijn dan jij’.
Aanvullend
Jasher 49:21–22 geeft dezelfde woorden van de farao.
42De farao trok zijn zegelring van zijn hand en deed die aan de hand van Jozef. Hij liet hem kleren van fijn linnen aantrekken en deed een gouden keten om zijn hals.
וַיָּ֨סַר
(vayasar)
en hij nam weg
פַּרְעֹ֤ה
(paro)
farao
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
טַבַּעְתּוֹ֙
(tabato)
zijn zegelring
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en hij gaf
אֹתָ֖הּ
(otah)
hem
עַל
(al)
op
יַ֣ד
(yad)
hand van
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וַיַּלְבֵּ֤שׁ
(vayalbesh)
en hij kleedde
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
בִּגְדֵי
(bigdei)
kleren van
שֵׁ֔שׁ
(shesh)
fijn linnen
וַיָּ֛שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
רְבִ֥ד
(revid)
keten van
הַזָּהָ֖ב
(hazahav)
het goud
עַל
(al)
op
צַוָּארֽוֹ
(tsavaro)
zijn hals
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
את טבעתו (et tabba’to), ‘zijn zegelring’: Jasher 49:23 noemt ring, kleed en gouden keten; Jubileeën 40:7 noemt kleding van fijn linnen en een gouden keten om zijn nek.
45De farao noemde Jozef Safnat-Paänea en gaf hem Asenat, de dochter van Potifera, de priester van On, tot vrouw. Zo trok Jozef uit over het land Egypte.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij noemde
פַרְעֹ֣ה
(paro)
farao
שֵׁם
(shem)
naam van
יוֹסֵף֮
(yosef)
Jozef
צָֽפְנַ֣ת
(tsafenat)
Safnat
פַּעְנֵחַ֒
(paneach)
Paänea
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֣וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָֽסְנַ֗ת
(asenat)
Asenat
בַּת
(bat)
dochter van
פּ֥וֹטִי
(poti)
Poti
פֶ֛רַע
(pera)
Fera
כֹּהֵ֥ן
(kohen)
priester van
אֹ֖ן
(on)
On
לְאִשָּׁ֑ה
(leisha)
tot vrouw
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en hij ging uit
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
עַל
(al)
over
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie On: On (Heliopolis) lag in het noorden van Egypte, ten noordoosten van het huidige Caïro.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
צפנת פענח (Tsafnat Pa’neach), ‘Safnat-Paänea’: een Egyptische naam van onzekere betekenis; vaak uitgelegd als ‘God spreekt en leeft’.
אסנת בת פוטי פרע כהן אן (Asenat bat Poti Fera kohen On), ‘Asenat, dochter van Potifera, priester van On’: On is Heliopolis, ongeveer 10 km ten noordoosten van het centrum van het huidige Caïro.
Aanvullend
Jubileeën 40:10 noemt hem Sefantifans.
Jasher 49:36 zegt dat de farao Potifera, de zoon van Ahiram, priester van On, liet komen en zijn jonge dochter Asenat aan Jozef gaf.
46Jozef was dertig jaar oud toen hij voor de farao, de koning van Egypte, stond. Jozef ging van het aangezicht van de farao weg en trok door heel het land Egypte.
וְיוֹסֵף֙
(veyosef)
en Jozef
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
בְּעָמְד֕וֹ
(beamedo)
bij zijn staan
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
פַּרְעֹ֣ה
(paro)
farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en hij ging uit
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
van voor
פַרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וַֽיַּעְבֹ֖ר
(vayavor)
en hij trok door
בְּכָל
(bekhal)
heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
בן שׁלשׁים שׁנה (ben sheloshim shanah), ‘dertig jaar oud’: zie 37:2.
Aanvullend
Jasher 49:38 en Jubileeën 40:11 zeggen ook dat Jozef dertig was.
Jasher 58:1 noemt Jozef eenenzeventig jaar, tweeëndertig jaar nadat Israël naar Egypte afdaalde; dat past bij Genesis 41:46 en 45:6.
48Hij verzamelde al het voedsel van de zeven jaren die er in het land Egypte waren en legde voedsel op in de steden: in elke stad het voedsel van de velden rondom die stad.
וַיִּקְבֹּ֞ץ
(vayiqbots)
en hij verzamelde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
אֹ֣כֶל
(okhel)
voedsel van
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֗ים
(shanim)
jaren
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הָיוּ֙
(hayu)
ze waren
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij legde
אֹ֖כֶל
(okhel)
voedsel
בֶּעָרִ֑ים
(bearim)
in de steden
אֹ֧כֶל
(okhel)
voedsel van
שְׂדֵה
(sede)
veld van
הָעִ֛יר
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
סְבִיבֹתֶ֖יהָ
(sevivoteiha)
rondom haar
נָתַ֥ן
(natan)
hij legde
בְּתוֹכָֽהּ
(betokhah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
49Jozef stapelde graan op als het zand van de zee, zeer veel, tot men ophield met tellen, want er was geen getal aan.
וַיִּצְבֹּ֨ר
(vayitsbor)
en hij stapelde op
יוֹסֵ֥ף
(yosef)
Jozef
בָּ֛ר
(bar)
graan
כְּח֥וֹל
(kechol)
als zand van
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
הַרְבֵּ֣ה
(harbe)
zeer veel
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
עַ֛ד
(ad)
tot
כִּי
(ki)
dat
חָדַ֥ל
(chadal)
hij ophield
לִסְפֹּ֖ר
(lispor)
om te tellen
כִּי
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is
מִסְפָּֽר
(mispar)
getal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כחול הים (kechol hayyam), ‘als het zand van de zee’: zie 22:17; 32:13.
Aanvullend
Jasher 50:10–14 zegt dat Jozef zoveel graan opsloeg dat het niet te tellen was, dat de Egyptenaren ook zelf opsloegen, maar niet zoals hij, en dat Jozef de schuren sloot en bewakers plaatste.
54De zeven jaren van hongersnood begonnen te komen, zoals Jozef gezegd had. Er was hongersnood in alle landen, maar in heel het land Egypte was er brood.
וַתְּחִלֶּ֜ינָה
(vatechileina)
en ze begonnen
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שְׁנֵ֤י
(shenei)
jaren van
הָרָעָב֙
(haraav)
de honger
לָב֔וֹא
(lavo)
om te komen
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
אָמַ֣ר
(amar)
hij had gezegd
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
רָעָב֙
(raav)
honger
בְּכָל
(bekhal)
in alle
הָ֣אֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
וּבְכָל
(uvekhal)
en in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
הָ֥יָה
(haya)
was
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
ויהי רעב בכל הארצות (vayehi ra’av bekhol ha’aratsot), ‘er was hongersnood in alle landen’: zie 12:10; 26:1; 47:13.
Aanvullend
Jasher 48:1 zegt dat Yahweh na Isaaks dood een hongersnood over de aarde beval.
Jasher 50:18–24 zegt dat het voedsel dat de Egyptenaren zelf hadden opgeslagen vol ongedierte bleek te zijn.
55Toen heel het land Egypte honger kreeg, riep het volk de farao om brood. De farao zei tegen heel Egypte: „Ga naar Jozef; wat hij jullie zegt, doe dat.”
וַתִּרְעַב֙
(vatirav)
en het kreeg honger
כָּל
(kal)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיִּצְעַ֥ק
(vayitsaq)
en het riep
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
לַלָּ֑חֶם
(lalachem)
om brood
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
פַּרְעֹ֤ה
(paro)
farao
לְכָל
(lekhal)
tot heel
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
לְכ֣וּ
(lekhu)
gaat
אֶל
(el)
naar
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֹאמַ֥ר
(yomar)
hij zal zeggen
לָכֶ֖ם
(lakhem)
tot jullie
תַּעֲשֽׂוּ
(taasu)
jullie zullen doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
לכו אל יוסף אשׁר יאמר לכם תעשׂו (lekhu el Yosef asher yomar lakhem ta’asu), ‘ga naar Jozef; wat hij jullie zegt, doe dat’: Jasher 50:25 zegt dat de farao het volk naar Jozef stuurde.
56De hongersnood was over heel het aardoppervlak. Jozef opende alles wat daarin was en verkocht graan aan Egypte, want de hongersnood werd zwaar in het land Egypte.
וְהָרָעָ֣ב
(veharaav)
en de honger
הָיָ֔ה
(haya)
was
עַ֖ל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
פְּנֵ֣י
(penei)
oppervlak van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיִּפְתַּ֨ח
(vayiftach)
en hij opende
יוֹסֵ֜ף
(yosef)
Jozef
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
בָּהֶם֙
(bahem)
in hen
וַיִּשְׁבֹּ֣ר
(vayishbor)
en hij verkocht graan
לְמִצְרַ֔יִם
(lemitsrayim)
aan Egypte
וַיֶּחֱזַ֥ק
(vayechezaq)
en hij werd sterk
הָֽרָעָ֖ב
(haraav)
de honger
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
ויפתח יוסף את כל אשׁר בהם (vayiftach Yosef et kol asher bahem), ‘Jozef opende alles wat daarin was’: wat geopend werd, staat er niet; gewoonlijk gelezen als de voorraadschuren.