Elohim Bijbel

Jozua 24

123456789101112131415161718192021222324

Het verbond in Sichem en de dood van Jozua en Eleazar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jozua roept Israël bijeen in Sichem

1Jozua verzamelde alle stammen van Israël in Sichem. Hij riep de oudsten van Israël, zijn hoofden, zijn rechters en zijn opzichters. Zij stelden zich op voor het aangezicht van Elohim.
וַיֶּאֶסֹ֧ף
(vayeesof)
en verzamelde
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
שְׁכֶ֑מָה
(shekhema)
naar Sichem
וַיִּקְרָא֩
(vayiqra)
en riep
לְזִקְנֵ֨י
(leziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
וּלְרָאשָׁ֗יו
(ulerashav)
en zijn hoofden
וּלְשֹֽׁפְטָיו֙
(uleshofetav)
en zijn rechters
וּלְשֹׁ֣טְרָ֔יו
(uleshoterav)
en zijn opzichters
וַיִּֽתְיַצְּב֖וּ
(vayityatsevu)
en zij stelden zich op
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sichem ligt bij Tell Balata, aan de rand van het huidige Nabloes (Westelijke Jordaanoever), tussen de bergen Ebal en Gerizim.

Dat is zeker.

Sichem was al een heilige plaats in de tijd van de vaders (Gen. 12:6–7; 33:18–20) en daar had Israël het altaar gebouwd (Joz. 8:30–35).

Uitleg

De oudsten, hoofden, rechters en opzichters zijn dezelfde groepen als in Joz. 23:2.

Wat Yahweh voor Israël deed

2Jozua zei tegen heel het volk: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Jullie vaders woonden vanouds aan de overkant van de rivier. Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, woonde daar. Zij dienden andere goden.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַנָּהָ֗ר
(hanahar)
de rivier
יָשְׁב֤וּ
(yashevu)
woonden
אֲבֽוֹתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaders
מֵֽעוֹלָ֔ם
(meolam)
vanouds
תֶּ֛רַח
(terach)
Terach
אֲבִ֥י
(avi)
de vader van
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
וַאֲבִ֣י
(vaavi)
en de vader van
נָח֑וֹר
(nachor)
Nachor
וַיַּעַבְד֖וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִֽים
(acherim)
andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jozua spreekt hier namens Yahweh: ‘Zo zegt Yahweh’.

Daarom staan de woorden vanaf ‘Jullie vaders’ tot en met vers 13 rood, binnen Jozua’s toespraak tussen enkele aanhalingstekens.

In vers 14 spreekt Jozua zelf weer.

‘De rivier’ is de Eufraat (Gen. 15:18). Terach is de vader van Abraham en Nachor (Gen. 11:26–32).

Aanvullend

Jasher 9:7–8 en 11:15 bevestigen dat Terach andere goden diende.

3Ik nam jullie vader Abraham van de overkant van de rivier. Ik liet hem door heel het land Kanaän gaan. Ik maakte zijn nageslacht talrijk. Ik gaf hem Isaak.
וָ֠אֶקַּח
(vaeqach)
en Ik nam
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִיכֶ֤ם
(avikhem)
jullie vader
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
מֵעֵ֣בֶר
(meever)
van de overkant van
הַנָּהָ֔ר
(hanahar)
de rivier
וָאוֹלֵ֥ךְ
(vaolekh)
en Ik liet gaan
אוֹת֖וֹ
(oto)
hem
בְּכָל
(bekhal)
door heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וָאַרְבֶּה֙
(vaarbe)
en Ik maakte talrijk
אֶת
(et)
(obj.)
זַרְע֔וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
וָֽאֶתֶּן
(vaeten)
en Ik gaf
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
אֶת
(et)
(obj.)
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

Zie Gen. 12:1–7 en 21:1–3.

4Aan Isaak gaf Ik Jakob en Ezau. Aan Ezau gaf Ik het bergland Seïr om het in bezit te nemen. Jakob en zijn zonen gingen af naar Egypte.
וָאֶתֵּ֣ן
(vaeten)
en Ik gaf
לְיִצְחָ֔ק
(leyitschaq)
aan Isaak
אֶֽת
(et)
(obj.)
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵשָׂ֑ו
(esav)
Ezau
וָאֶתֵּ֨ן
(vaeten)
en Ik gaf
לְעֵשָׂ֜ו
(leesav)
aan Ezau
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֤ר
(har)
het bergland van
שֵׂעִיר֙
(seir)
Seïr
לָרֶ֣שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אוֹת֔וֹ
(oto)
het
וְיַעֲקֹ֥ב
(veyaaqov)
en Jakob
וּבָנָ֖יו
(uvanav)
en zijn zonen
יָרְד֥וּ
(yaredu)
gingen af
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Zie Gen. 25:24–26 voor de geboorte van Jakob en Ezau, Gen. 36:8 voor Ezau in het bergland Seïr en Gen. 46:1–7 voor Jakobs reis naar Egypte.

5Ik zond Mozes en Aäron. Ik trof Egypte, zoals Ik in zijn midden heb gedaan. Daarna leidde Ik jullie uit.
וָאֶשְׁלַ֞ח
(vaeshlach)
en Ik zond
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
וָאֶגֹּ֣ף
(vaegof)
en Ik trof
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
Ik heb gedaan
בְּקִרְבּ֑וֹ
(beqirbo)
in zijn midden
וְאַחַ֖ר
(veachar)
en daarna
הוֹצֵ֥אתִי
(hotseti)
Ik leidde uit
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

נָגַף (nagaf), ‘treffen’: het gaat om de plagen over Egypte (Exod. 7–12).

6Ik leidde jullie vaders uit Egypte, en jullie kwamen bij de zee. De Egyptenaren achtervolgden jullie vaders met wagens en ruiters tot aan de Rietzee.
וָֽאוֹצִ֤יא
(vaotsi)
en Ik leidde uit
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבֽוֹתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaders
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַתָּבֹ֖אוּ
(vatavou)
en jullie kwamen
הַיָּ֑מָּה
(hayama)
naar de zee
וַיִּרְדְּפ֨וּ
(vayirdefu)
en zij achtervolgden
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
Egypte
אַחֲרֵ֧י
(acharei)
achter
אֲבוֹתֵיכֶ֛ם
(avoteikhem)
jullie vaders
בְּרֶ֥כֶב
(berekhev)
met wagens
וּבְפָרָשִׁ֖ים
(uvefarashim)
en met ruiters
יַם
(yam)
de zee van
סֽוּף
(suf)
Suf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Uitleg

Yahweh spreekt hier afwisselend over ‘jullie vaders’ en ‘jullie’.

De huidige generatie wordt aangesproken alsof zij zelf bij de zee stond (Exod. 14:5–31).

7Zij riepen om hulp tot Yahweh. Toen zette Hij duisternis tussen jullie en de Egyptenaren. Hij liet de zee over hen komen en bedekte hen. Jullie ogen zagen wat Ik in Egypte heb gedaan. Jullie bleven lange tijd in de woestijn.
וַיִּצְעֲק֣וּ
(vayitsaqu)
en zij riepen om hulp
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en Hij zette
מַֽאֲפֵ֜ל
(maafel)
duisternis
בֵּינֵיכֶ֣ם
(beineikhem)
tussen jullie
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַמִּצְרִ֗ים
(hamitsrim)
de Egyptenaren
וַיָּבֵ֨א
(vayave)
en Hij liet komen
עָלָ֤יו
(alav)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
וַיְכַסֵּ֔הוּ
(vaykhasehu)
en bedekte hen
וַתִּרְאֶ֨ינָה֙
(vatireina)
en zagen
עֵינֵיכֶ֔ם
(eineikhem)
jullie ogen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
Ik heb gedaan
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וַתֵּשְׁב֥וּ
(vateshevu)
en jullie bleven
בַמִּדְבָּ֖ר
(bamidbar)
in de woestijn
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

In deze zin spreekt Yahweh eerst over Zichzelf in de derde persoon (‘Yahweh … Hij’) en dan weer als ‘Ik’.

Wij houden die wisseling zoals zij in het Hebreeuws staat.

Voor de duisternis, zie Exod. 14:20.

8Ik bracht jullie naar het land van de Amorieten, die aan de overkant van de Jordaan woonden. Zij streden tegen jullie. Ik gaf hen in jullie hand. Jullie namen hun land in bezit. Ik verdelgde hen voor jullie uit.
וָאָבִ֣יא
(vaavi)
en Ik bracht
אֶתְכֶ֗ם
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land van
הָאֱמֹרִי֙
(haemori)
de Amoriet
הַיּוֹשֵׁב֙
(hayoshev)
die woonde
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ
(vayilachamu)
en zij streden
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
tegen jullie
וָאֶתֵּ֨ן
(vaeten)
en Ik gaf
אוֹתָ֤ם
(otam)
hen
בְּיֶדְכֶם֙
(beyedkhem)
in jullie hand
וַתִּֽירְשׁ֣וּ
(vatireshu)
en jullie namen in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָ֔ם
(artsam)
hun land
וָאַשְׁמִידֵ֖ם
(vaashmidem)
en Ik verdelgde hen
מִפְּנֵיכֶֽם
(mipeneikhem)
voor jullie uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

Zie Num. 21:21–35: de strijd tegen Sichon en Og.

9Toen stond Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, op en streed tegen Israël. Hij stuurde mensen en liet Bileam, de zoon van Beor, roepen om jullie te vervloeken.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
בָּלָ֤ק
(balaq)
Balak
בֶּן
(ben)
de zoon van
צִפּוֹר֙
(tsipor)
Sippor
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en streed
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en hij zond
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en riep
לְבִלְעָ֥ם
(levilam)
Bileam
בֶּן
(ben)
de zoon van
בְּע֖וֹר
(beor)
Beor
לְקַלֵּ֥ל
(leqalel)
om te vervloeken
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

Balak liet Israël vervloeken (Num. 22:2–6).

Hij streed niet met wapens, maar zocht een vloek.

Het Hebreeuws zegt hier dat hij ‘streed’.

10Maar Ik wilde niet naar Bileam luisteren. Hij zegende jullie wel degelijk. Zo redde Ik jullie uit zijn hand.
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבִ֖יתִי
(aviti)
Ik wilde
לִשְׁמֹ֣עַ
(lishmoa)
om te luisteren
לְבִלְעָ֑ם
(levilam)
naar Bileam
וַיְבָ֤רֶךְ
(vayvarekh)
en hij zegende
בָּרוֹךְ֙
(barokh)
wel degelijk
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וָאַצִּ֥ל
(vaatsil)
en Ik redde
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִיָּדֽוֹ
(miyado)
uit zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Num. 23:11, 20; 24:10 en Deut. 23:6: Bileam moest zegenen in plaats van vervloeken.

11Jullie staken de Jordaan over en kwamen bij Jericho. Tegen jullie streden de inwoners van Jericho, de Amorieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Hethieten, de Girgasieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Ik gaf hen in jullie hand.
וַתַּעַבְר֣וּ
(vataavru)
en jullie staken over
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּן֮
(hayarden)
de Jordaan
וַתָּבֹ֣אוּ
(vatavou)
en jullie kwamen
אֶל
(el)
naar
יְרִיחוֹ֒
(yericho)
Jericho
וַיִּלָּחֲמ֣וּ
(vayilachamu)
en zij streden
בָכֶ֣ם
(bakhem)
tegen jullie
בַּעֲלֵֽי
(baalei)
de inwoners van
יְ֠רִיחוֹ
(yericho)
Jericho
הָֽאֱמֹרִ֨י
(haemori)
de Amoriet
וְהַפְּרִזִּ֜י
(vehaperizi)
en de Perizziet
וְהַֽכְּנַעֲנִ֗י
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
וְהַֽחִתִּי֙
(vehachiti)
en de Hethiet
וְהַגִּרְגָּשִׁ֔י
(vehagirgashi)
en de Girgasiet
הַֽחִוִּ֖י
(hachivi)
de Chiwwiet
וְהַיְבוּסִ֑י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
וָאֶתֵּ֥ן
(vaeten)
en Ik gaf
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
בְּיֶדְכֶֽם
(beyedkhem)
in jullie hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jericho ligt bij Tell es-Sultan, naast het huidige Jericho in de Westelijke Jordaanoever.

Dat is zeker.

Uitleg

בַּעֲלֵי (ba’alei), ‘inwoners’: letterlijk ‘eigenaars’ of ‘heren’.

De zeven volken staan ook in Deut. 7:1 en 20:17.

Het verhaal van Jericho staat in Joz. 6.

12Ik zond de horzel voor jullie uit. Zij verjoeg hen voor jullie uit, de twee koningen van de Amorieten. Het was niet met jullie zwaard en niet met jullie boog.
וָאֶשְׁלַ֤ח
(vaeshlach)
en Ik zond
לִפְנֵיכֶם֙
(lifneikhem)
voor jullie uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַצִּרְעָ֔ה
(hatsira)
de horzel
וַתְּגָ֤רֶשׁ
(vategaresh)
en zij verjoeg
אוֹתָם֙
(otam)
hen
מִפְּנֵיכֶ֔ם
(mipeneikhem)
voor jullie uit
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הָאֱמֹרִ֑י
(haemori)
de Amoriet
לֹ֥א
(lo)
niet
בְחַרְבְּךָ֖
(becharbekha)
met jullie zwaard
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
בְקַשְׁתֶּֽךָ
(beqashtekha)
met jullie boog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִּרְעָה (tsir’ah), ‘horzel’: zie Exod. 23:28 en Deut. 7:20.

De twee koningen van de Amorieten zijn Sichon en Og (Deut. 3:8; 4:46–47).

Het Hebreeuws heeft in dit vers ‘jouw zwaard’ en ‘jouw boog’ (enkelvoud). Het gaat om het volk als geheel. Wij schrijven ‘jullie’.

13Ik gaf jullie een land waarvoor jullie niet hebben gewerkt, en steden die jullie niet hebben gebouwd. Jullie wonen erin. Jullie eten van wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant.’
וָאֶתֵּ֨ן
(vaeten)
en Ik gaf
לָכֶ֜ם
(lakhem)
aan jullie
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waarvoor
לֹֽא
(lo)
niet
יָגַ֣עְתָּ
(yagata)
je hebt gewerkt
בָּ֗הּ
(bah)
erin
וְעָרִים֙
(vearim)
en steden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
בְנִיתֶ֔ם
(benitem)
jullie hebben gebouwd
וַתֵּשְׁב֖וּ
(vateshevu)
en jullie wonen
בָּהֶ֑ם
(bahem)
erin
כְּרָמִ֤ים
(keramim)
wijngaarden
וְזֵיתִים֙
(vezeitim)
en olijfbomen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
נְטַעְתֶּ֔ם
(netatem)
jullie hebben geplant
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
אֹכְלִֽים
(okhelim)
eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Deut. 6:10–11.

Kies wie jullie willen dienen

14Heb dus ontzag voor Yahweh en dien Hem onberispelijk en in waarheid. Doe de goden weg die jullie vaders aan de overkant van de rivier en in Egypte hebben gediend. Dien Yahweh.
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
יְר֧אוּ
(yeru)
heb ontzag voor
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעִבְד֥וּ
(veivdu)
en dien
אֹת֖וֹ
(oto)
Hem
בְּתָמִ֣ים
(betamim)
onberispelijk
וּבֶֽאֱמֶ֑ת
(uveemet)
en in waarheid
וְהָסִ֣ירוּ
(vehasiru)
en doe weg
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
de goden
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
עָבְד֨וּ
(avedu)
hebben gediend
אֲבוֹתֵיכֶ֜ם
(avoteikhem)
jullie vaders
בְּעֵ֤בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַנָּהָר֙
(hanahar)
de rivier
וּבְמִצְרַ֔יִם
(uvemitsrayim)
en in Egypte
וְעִבְד֖וּ
(veivdu)
en dien
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

תָּמִים (tamim), ‘onberispelijk’: zonder gebrek, helemaal toegewijd.

אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: wat betrouwbaar is.

15Als het jullie slecht lijkt om Yahweh te dienen, kies dan vandaag wie jullie zullen dienen. Kies de goden die jullie vaders aan de overkant van de rivier hebben gediend, of de goden van de Amorieten, in wier land jullie wonen. Maar ik en mijn huis, wij zullen Yahweh dienen.”
וְאִם֩
(veim)
en als
רַ֨ע
(ra)
slecht
בְּֽעֵינֵיכֶ֜ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
לַעֲבֹ֣ד
(laavod)
om te dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּחֲר֨וּ
(bacharu)
kies
לָכֶ֣ם
(lakhem)
voor jullie
הַיּוֹם֮
(hayom)
vandaag
אֶת
(et)
(obj.)
מִ֣י
(mi)
wie
תַעֲבֹדוּן֒
(taavodun)
jullie zullen dienen
אִ֣ם
(im)
of
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהִ֞ים
(Elohim)
de goden
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָבְד֣וּ
(avedu)
hebben gediend
אֲבוֹתֵיכֶ֗ם
(avoteikhem)
jullie vaders
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
מֵעֵ֣בֶר
(meever)
van de overkant van
הַנָּהָ֔ר
(hanahar)
de rivier
וְאִם֙
(veim)
of
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
הָאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
in wier land
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
יֹשְׁבִ֣ים
(yoshevim)
wonen
בְּאַרְצָ֑ם
(beartsam)
in hun land
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
maar ik
וּבֵיתִ֔י
(uveiti)
en mijn huis
נַעֲבֹ֖ד
(naavod)
wij zullen dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Het volk antwoordde: „Wij zouden Yahweh nooit verlaten om andere goden te dienen!
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en antwoordde
הָעָם֙
(haam)
het volk
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en zei
חָלִ֣ילָה
(chalila)
verre
לָּ֔נוּ
(lanu)
van ons
מֵעֲזֹ֖ב
(meazov)
dat wij verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲבֹ֖ד
(laavod)
om te dienen
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִֽים
(acherim)
andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָלִילָה (chalilah), ‘verre van ons’: een sterke afwijzing.

Zie Joz. 22:29.

17Want Yahweh, onze Elohim, is het die ons en onze vaders uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft geleid. Hij heeft deze grote tekenen voor onze ogen gedaan. Hij heeft ons bewaard op heel de weg die wij zijn gegaan en onder alle volken door wier midden wij zijn getrokken.
כִּ֚י
(ki)
want
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הוּא֩
(hu)
Hij
הַמַּעֲלֶ֨ה
(hamaale)
die opvoerde
אֹתָ֧נוּ
(otanu)
ons
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲבוֹתֵ֛ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
עֲבָדִ֑ים
(avadim)
slaven
וַאֲשֶׁ֧ר
(vaasher)
en die
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed
לְעֵינֵ֗ינוּ
(leeineinu)
voor onze ogen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֹת֤וֹת
(haotot)
de tekenen
הַגְּדֹלוֹת֙
(hagedolot)
grote
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וַֽיִּשְׁמְרֵ֗נוּ
(vayishmerenu)
en Hij bewaarde ons
בְּכָל
(bekhal)
op heel
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָלַ֣כְנוּ
(halakhnu)
wij zijn gegaan
בָ֔הּ
(bah)
erop
וּבְכֹל֙
(uvekhol)
en onder alle
הָֽעַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
door wie
עָבַ֖רְנוּ
(avarnu)
wij zijn getrokken
בְּקִרְבָּֽם
(beqirbam)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בֵּית עֲבָדִים (beit avadim), ‘huis van slaven’: Egypte.

Zie Exod. 13:3.

18Yahweh heeft alle volken voor ons uit verjaagd, ook de Amorieten die in het land woonden. Ook wij zullen Yahweh dienen, want Hij is onze Elohim.”
וַיְגָ֨רֶשׁ
(vaygaresh)
en verjoeg
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָעַמִּ֗ים
(haamim)
de volken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֱמֹרִ֛י
(haemori)
de Amoriet
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
die woonde in
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
מִפָּנֵ֑ינוּ
(mipaneinu)
voor ons uit
גַּם
(gam)
ook
אֲנַ֨חְנוּ֙
(anachnu)
wij
נַעֲבֹ֣ד
(naavod)
zullen dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּי
(ki)
want
ה֖וּא
(hu)
Hij
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Jozua waarschuwt het volk

19Jozua zei tegen het volk: „Jullie kunnen Yahweh niet dienen. Want Hij is een heilige Elohim. Hij is een na-ijverige El. Hij zal jullie overtredingen en jullie zonden niet vergeven.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
לֹ֤א
(lo)
niet
תֽוּכְלוּ֙
(tukhelu)
jullie kunnen
לַעֲבֹ֣ד
(laavod)
om te dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
een Elohim
קְדֹשִׁ֖ים
(qedoshim)
heilige
ה֑וּא
(hu)
Hij
אֵֽל
(el)
een El
קַנּ֣וֹא
(qano)
na-ijverige
ה֔וּא
(hu)
Hij
לֹֽא
(lo)
niet
יִשָּׂ֥א
(yisa)
zal vergeven
לְפִשְׁעֲכֶ֖ם
(lefishakhem)
jullie overtredingen
וּלְחַטֹּאותֵיכֶֽם
(ulechatovteikhem)
en jullie zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהִים קְדֹשִׁים (Elohim qedoshim), ‘heilige Elohim’: het woord ‘heilig’ staat in het meervoud, terwijl het werkwoord enkelvoud is.

Zo wordt de volheid van Elohim benadrukt.

קַנּוֹא (qanno), ‘na-ijverig’: Yahweh duldt geen andere goden naast Zich (Exod. 20:5; 34:14).

נָשָׂא (nasa), ‘dragen’, hier ‘vergeven’: Hij zal de schuld niet wegnemen. Zie Exod. 23:21.

20Als jullie Yahweh verlaten en vreemde goden dienen, dan keert Hij Zich om. Hij zal jullie kwaad doen en een einde aan jullie maken, nadat Hij jullie goed heeft gedaan.”
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תַֽעַזְבוּ֙
(taazvu)
jullie verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַעֲבַדְתֶּ֖ם
(vaavadtem)
en jullie dienen
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
נֵכָ֑ר
(nekhar)
vreemden
וְשָׁ֨ב
(veshav)
dan zal Hij terugkeren
וְהֵרַ֤ע
(vehera)
en kwaad doen
לָכֶם֙
(lakhem)
aan jullie
וְכִלָּ֣ה
(vekhila)
en een einde maken
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
aan jullie
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
nadat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הֵיטִ֥יב
(heitiv)
Hij goed gedaan heeft
לָכֶֽם
(lakhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְכִלָּה (vekhalah), ‘een einde maken’: zie Deut. 7:22.

21Het volk zei tegen Jozua: „Nee, wij zullen Yahweh dienen!”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
לֹ֕א
(lo)
nee
כִּ֥י
(ki)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נַעֲבֹֽד
(naavod)
wij zullen dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Jozua zei tegen het volk: „Jullie zijn getuigen tegen jezelf dat jullie zelf Yahweh hebben gekozen om Hem te dienen.” Zij zeiden: „Wij zijn getuigen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
עֵדִ֤ים
(edim)
getuigen
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
בָּכֶ֔ם
(bakhem)
tegen jezelf
כִּֽי
(ki)
dat
אַתֶּ֞ם
(atem)
jullie
בְּחַרְתֶּ֥ם
(bechartem)
hebben gekozen
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲבֹ֣ד
(laavod)
om te dienen
אוֹת֑וֹ
(oto)
Hem
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
עֵדִֽים
(edim)
getuigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De getuigen zijn de mensen zelf.

Zij getuigen tegen zichzelf als zij hun woord breken.

23„Doe nu dan de vreemde goden weg die in jullie midden zijn. Richt jullie hart op Yahweh, de Elohim van Israël.”
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
הָסִ֛ירוּ
(hasiru)
doe weg
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de goden van
הַנֵּכָ֖ר
(hanekhar)
de vreemden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּקִרְבְּכֶ֑ם
(beqirbekhem)
in jullie midden
וְהַטּוּ֙
(vehatu)
en richt
אֶת
(et)
(obj.)
לְבַבְכֶ֔ם
(levavkhem)
jullie hart
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Gen. 35:2–4: Jakob liet de vreemde goden begraven onder de eik bij Sichem.

24Het volk zei tegen Jozua: „Yahweh, onze Elohim, zullen wij dienen en naar Zijn stem zullen wij luisteren.”
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zei
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
נַעֲבֹ֔ד
(naavod)
wij zullen dienen
וּבְקוֹל֖וֹ
(uveqolo)
en naar Zijn stem
נִשְׁמָֽע
(nishma)
zullen wij luisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het verbond en de steen in Sichem

25Jozua sloot die dag een verbond met het volk. Hij stelde hun in Sichem een voorschrift en een recht.
וַיִּכְרֹ֨ת
(vayikhrot)
en sloot
יְהוֹשֻׁ֧עַ
(yehoshua)
Jozua
בְּרִ֛ית
(berit)
een verbond
לָעָ֖ם
(laam)
met het volk
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en hij stelde
ל֛וֹ
(lo)
hun
חֹ֥ק
(choq)
een voorschrift
וּמִשְׁפָּ֖ט
(umishpat)
en een recht
בִּשְׁכֶֽם
(bishkhem)
in Sichem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Uitleg

חֹק (choq), ‘voorschrift’ en מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: Dezelfde twee woorden staan bij Mara in Exod. 15:25.

Aanvullend

Jasher 90:37 bevestigt dat Jozua toen een verbond sloot met het volk.

26Jozua schreef deze woorden in het boek van de wet van Elohim. Hij nam een grote steen en richtte die daar op, onder de eik die bij het heiligdom van Yahweh stond.
וַיִּכְתֹּ֤ב
(vayikhtov)
en schreef
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
בְּסֵ֖פֶר
(besefer)
in het boek van
תּוֹרַ֣ת
(torat)
de wet van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en nam
אֶ֣בֶן
(even)
een steen
גְּדוֹלָ֔ה
(gedola)
grote
וַיְקִימֶ֣הָ
(vayqimeha)
en richtte hem op
שָּׁ֔ם
(sham)
daar
תַּ֚חַת
(tachat)
onder
הָֽאַלָּ֔ה
(haala)
de eik
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּמִקְדַּ֥שׁ
(bemiqdash)
bij het heiligdom van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘het boek van de wet van Elohim’.

Het zegt niet of dit hetzelfde boek is als ‘het boek van de wet van Mozes’ (Joz. 1:8; 8:31; 23:6).

Het Hebreeuws heeft ‘in het heiligdom van Yahweh’. Wij vertalen ‘bij het heiligdom’: de tekst bedoelt een heilige plek bij Sichem, geen gebouw dat wij kennen. De eik bij Sichem staat ook in Gen. 12:6 en 35:4.

27Jozua zei tegen heel het volk: „Zie, deze steen zal een getuige tegen ons zijn. Want hij heeft alle woorden van Yahweh gehoord die Hij met ons heeft gesproken. Hij zal een getuige tegen jullie zijn, zodat jullie je Elohim niet ontkennen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
הָאֶ֤בֶן
(haeven)
de steen
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
תִּֽהְיֶה
(tihye)
zal zijn
בָּ֣נוּ
(banu)
tegen ons
לְעֵדָ֔ה
(leeda)
tot getuige
כִּֽי
(ki)
want
הִ֣יא
(hi)
zij
שָׁמְעָ֗ה
(shamea)
heeft gehoord
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
אִמְרֵ֣י
(imrei)
woorden van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
דִּבֶּ֖ר
(diber)
Hij heeft gesproken
עִמָּ֑נוּ
(imanu)
met ons
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zij zal zijn
בָכֶם֙
(bakhem)
tegen jullie
לְעֵדָ֔ה
(leeda)
tot getuige
פֶּֽן
(pen)
opdat niet
תְּכַחֲשׁ֖וּן
(tekhachashun)
jullie ontkennen
בֵּאלֹהֵיכֶֽם
(beloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dat een steen ‘heeft gehoord’, is een beeld: de steen is een getuige die blijft staan.

Zie ook Joz. 22:27, 34.

28Jozua stuurde het volk weg, ieder naar zijn erfdeel.
וַיְשַׁלַּ֤ח
(vayshalach)
en stuurde weg
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
לְנַחֲלָתֽוֹ
(lenachalato)
naar zijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookRe 2:6

De dood van Jozua

29Na deze dingen stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Yahweh. Hij was 110 jaar oud.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de dingen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וַיָּ֛מָת
(vayamat)
en stierf
יְהוֹשֻׁ֥עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
de zoon van
נ֖וּן
(nun)
Nun
עֶ֣בֶד
(eved)
de dienaar van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בֶּן
(ben)
zoon van
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וָעֶ֖שֶׂר
(vaeser)
en tien
שָׁנִֽים
(shanim)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jozua wordt hier voor het eerst ‘dienaar van Yahweh’ genoemd; dat was eerder de titel van Mozes (Joz. 1:1).

Zie ook Richt. 2:8.

Aanvullend

Jasher 90:47 noemt dezelfde leeftijd.

30Zij begroeven hem op het gebied van zijn erfdeel, in Timnat-Serach, in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs.
וַיִּקְבְּר֤וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
בִּגְב֣וּל
(bigvul)
op het gebied van
נַחֲלָת֔וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
בְּתִמְנַת
(betimnat)
in Timnat
סֶ֖רַח
(serach)
Serach
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּהַר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
מִצְּפ֖וֹן
(mitsefon)
ten noorden van
לְהַר
(lehar)
de berg
גָּֽעַשׁ
(gaash)
Gaäs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Timnat-Serach ligt waarschijnlijk bij Khirbet Tibnah, ten zuidwesten van Nabloes (Westelijke Jordaanoever).

De berg Gaäs is onbekend.

Richt. 2:9 noemt de plaats Timnat-Cheres.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Zie Beekdalen van Gaäs (ligging onzeker): De berg en de beekdalen van Gaäs lagen in het bergland van Efraïm, bij Timnat-Serach.

De precieze plaats is niet zeker.

Lezing

De Septuaginta heeft in dit vers een toevoeging over wat er bij Jozua’s graf werd gelegd.

Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

Aanvullend

Jasher 90:49 bevestigt dit.

31Israël diende Yahweh al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die na Jozua lang bleven leven. Zij kenden al het werk van Yahweh dat Hij voor Israël had gedaan.
וַיַּעֲבֹ֤ד
(vayaavod)
en diende
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
הַזְּקֵנִ֗ים
(hazeqenim)
de oudsten
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֶאֱרִ֤יכוּ
(heerikhu)
lang maakten
יָמִים֙
(yamim)
dagen
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en die
יָדְע֗וּ
(yadeu)
kenden
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
het werk van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשָׂ֖ה
(asa)
Hij had gedaan
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
voor Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Richt. 2:7.

Aanvullend

Jasher 91:11 bevestigt dit.

De beenderen van Jozef en de dood van Eleazar

32De beenderen van Jozef, die de zonen van Israël uit Egypte hadden meegebracht, begroeven zij in Sichem. Dat was in het stuk land dat Jakob van de zonen van Hamor, de vader van Sichem, had gekocht voor honderd kesita’s. Het werd een erfdeel voor de zonen van Jozef.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַצְמ֣וֹת
(atsmot)
de beenderen van
י֠וֹסֵף
(yosef)
Jozef
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֶעֱל֨וּ
(heelu)
hadden opgevoerd
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
מִמִּצְרַיִם֮
(mimitsrayim)
uit Egypte
קָבְר֣וּ
(qaveru)
begroeven zij
בִשְׁכֶם֒
(bishkhem)
in Sichem
בְּחֶלְקַ֣ת
(bechelqat)
in het stuk van
הַשָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
קָנָ֧ה
(qana)
kocht
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
מֵאֵ֛ת
(meet)
van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
חֲמ֥וֹר
(chamor)
Hamor
אֲבִֽי
(avi)
de vader van
שְׁכֶ֖ם
(shekhem)
Sichem
בְּמֵאָ֣ה
(bemea)
voor honderd
קְשִׂיטָ֑ה
(qesita)
kesita
וַיִּֽהְי֥וּ
(vayihyu)
en zij werden
לִבְנֵֽי
(livnei)
voor de zonen van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לְנַחֲלָֽה
(lenachala)
tot erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Uitleg

Dit vervult de eed van Jozef (Gen. 50:25; Exod. 13:19; Hebr. 11:22).

Het stuk land dat Jakob kocht, staat in Gen. 33:19.

Een kesita (קְשִׂיטָה, qesitah) is een betaalmiddel van onbekende waarde.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier ‘zij werden’ (meervoud).

Wij lezen dit als: het stuk land, en wat daarin lag, werd een erfdeel voor de zonen van Jozef.

Wij vertalen ‘het werd’.

Aanvullend

Jasher 90:45 bevestigt dit.

33Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Zij begroeven hem op de heuvel van Pinechas, zijn zoon, die hem in het bergland van Efraïm was gegeven.
וְאֶלְעָזָ֥ר
(veelazar)
en Eleazar
בֶּֽן
(ben)
de zoon van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
מֵ֑ת
(met)
stierf
וַיִּקְבְּר֣וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
בְּגִבְעַת֙
(begivat)
op de heuvel van
פִּֽינְחָ֣ס
(pinechas)
Pinechas
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִתַּן
(nitan)
was gegeven
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
בְּהַ֥ר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De heuvel van Pinechas is onbekend.

Een traditie plaatst Eleazars graf bij Awarta, ten zuidoosten van Nabloes (Westelijke Jordaanoever); dat is onzeker.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

Pinechas volgt zijn vader op als priester (Num. 25:11–13).

Hij komt nog voor in Richt. 20:28.

Hier houdt het boek Jozua op; het verhaal gaat verder in Richt. 1:1, ‘na de dood van Jozua’.

Lezing

De Septuaginta heeft hier extra tekst over Israël en de ark.

Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

Aanvullend

Jasher 90:50 bevestigt dit.