Elohim Bijbel

Genesis 22

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

De binding van Isaak

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elohim stelt Abraham op de proef

1Na deze dingen stelde Elohim Abraham op de proef. Hij zei tegen hem: „Abraham!” Hij zei: „Hier ben ik.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחַר֙
(achar)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וְהָ֣אֱלֹהִ֔ים
(vehaelohim)
en de Elohim
נִסָּ֖ה
(nisa)
stelde op de proef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִסָּה (nissah), ‘Hij stelde op de proef’: een beproeving laat zien wat in iemand leeft (zie Heb. 11:17).

הִנֵּנִי (hinneni), ‘hier ben ik’: Abrahams antwoord als hij geroepen wordt, ook in vers 7 en 11 (zie 22:7; 22:11).

Aanvullend

Jubileeën 17:15–18 vertelt dat Mastema, de aanklager, bij Elohim voorstelde Abraham te beproeven.

Jasher 23:1–2 zegt dat het woord van Yahweh tot Abraham kwam.

2Hij zei: „Neem toch je zoon, je enige, die je liefhebt, Isaak. Ga naar het land Moria en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik je zal noemen.”
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
קַח
(qach)
neem
נָ֠א
(na)
toch
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּנְךָ֨
(binkha)
je zoon
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְחִֽידְךָ֤
(yechidekha)
je enige
אֲשֶׁר
(asher)
die
אָהַ֨בְתָּ֙
(ahavta)
je liefhebt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
וְלֶךְ
(velekh)
en ga
לְךָ֔
(lekha)
jezelf
אֶל
(el)
naar
אֶ֖רֶץ
(erets)
land van
הַמֹּרִיָּ֑ה
(hamoriya)
Moria
וְהַעֲלֵ֤הוּ
(vehaalehu)
en offer hem op
שָׁם֙
(sham)
daar
לְעֹלָ֔ה
(leola)
als brandoffer
עַ֚ל
(al)
op
אַחַ֣ד
(achad)
een van
הֶֽהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
אֹמַ֥ר
(omar)
Ik zal zeggen
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

הַמֹּרִיָּה (haMoriyyah), ‘Moria’: de berg Moria wordt in 2 Kron. 3:1 gelijkgesteld met de berg waarop de tempel in Jeruzalem stond.

Jeruzalem ligt ongeveer 70 km ten noordoosten van Beër-Sjeba.

De Samaritanen zoeken de plaats bij de berg Gerizim.

Uitleg

יְחִידְךָ (yechidkha), ‘je enige’: Isaak is de enige zoon van Sarah en de erfgenaam van de belofte (zie 21:12).

Abraham heeft ook Ismaël (zie 16:15).

וְלֶךְ לְךָ (lekh lekha), ‘ga jezelf’: dezelfde woorden als bij Abrahams eerste roeping (zie 12:1).

Aanvullend

Jubileeën 18:13 noemt de plaats ‘de berg Sion’.

Jasher 23:3–19 vertelt dat Abraham tegen Sarah zei dat hij Isaak naar Sem en Eber bracht om te leren, en dat zij hen met tranen uitgeleide deed.

3Abraham stond 's morgens vroeg op en zadelde zijn ezel. Hij nam twee van zijn jonge bedienden met zich mee, en zijn zoon Isaak. Hij kloofde hout voor het brandoffer. Daarna maakte hij zich op en ging naar de plaats die Elohim hem genoemd had.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַֽיַּחֲבֹשׁ֙
(vayachavosh)
en hij zadelde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֲמֹר֔וֹ
(chamoro)
zijn ezel
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee van
נְעָרָיו֙
(nearav)
zijn jonge bedienden
אִתּ֔וֹ
(ito)
met zich
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
וַיְבַקַּע֙
(vayvaqa)
en hij kloofde
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
עֹלָ֔ה
(ola)
brandoffer
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
וַיֵּ֔לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
die
אָֽמַר
(amar)
Hij had gezegd
ל֥וֹ
(lo)
tot hem
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְעָרָיו (ne’arav), ‘zijn jonge bedienden’: zie 18:7.

Aanvullend

Jasher 23:21 noemt de twee Ismaël en Eliëzer.

4Op de derde dag sloeg Abraham zijn ogen op en zag de plaats van ver.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֗י
(hashelishi)
de derde
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en hij sloeg op
אַבְרָהָ֧ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵינָ֛יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en hij zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
מֵרָחֹֽק
(merachoq)
van ver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי (bayom hashelishi), ‘op de derde dag’: de reis van Beër-Sjeba naar de berg duurt drie dagen (zie 22:19).

Aanvullend

Jasher 23:41–42 vertelt dat Abraham de plaats van ver zag, met een vuurkolom en een wolk.

5Abraham zei tegen zijn jonge bedienden: „Blijf hier met de ezel. De jongen en ik gaan daarheen. Wij zullen ons neerbuigen en dan komen wij weer naar jullie terug.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֶל
(el)
tot
נְעָרָ֗יו
(nearav)
zijn jonge bedienden
שְׁבוּ
(shevu)
blijf
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
פֹּה֙
(po)
hier
עִֽם
(im)
met
הַחֲמ֔וֹר
(hachamor)
de ezel
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
וְהַנַּ֔עַר
(vehanaar)
en de jongen
נֵלְכָ֖ה
(nelekha)
laten we gaan
עַד
(ad)
tot
כֹּ֑ה
(ko)
daar
וְנִֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה
(venishtachave)
en laten we ons neerbuigen
וְנָשׁ֥וּבָה
(venashuva)
en laten we terugkeren
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
naar jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִשְׁתַּחֲוֶה וְנָשׁוּבָה (venishtachaveh venashuvah), ‘wij zullen ons neerbuigen en terugkeren’: Abraham spreekt in het meervoud: ook Isaak komt terug.

Heb. 11:19 zegt dat Abraham rekende op Elohim, die zelfs uit de doden kan opwekken.

6Abraham nam het hout voor het brandoffer en legde het op zijn zoon Isaak. Hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij gingen beiden samen verder.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
הָעֹלָ֗ה
(haola)
het brandoffer
וַיָּ֨שֶׂם֙
(vayasem)
en hij legde
עַל
(al)
op
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַֽמַּאֲכֶ֑לֶת
(hamaakhelet)
het mes
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
שְׁנֵיהֶ֖ם
(sheneihem)
beiden
יַחְדָּֽו
(yachdav)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּאֲכֶלֶת (hamma’akhelet), ‘het mes’: een slachtmes, ook in vers 10 (zie Richt. 19:29).

7Isaak zei tegen zijn vader Abraham: „Mijn vader!” Hij zei: „Hier ben ik, mijn zoon.” Hij zei: „Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יִצְחָ֜ק
(yitschaq)
Isaak
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֤ם
(avraham)
Abraham
אָבִיו֙
(aviv)
zijn vader
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֶּ֣נִּֽי
(hineni)
hier ben ik
בְנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הָאֵשׁ֙
(haesh)
het vuur
וְהָ֣עֵצִ֔ים
(vehaetsim)
en het hout
וְאַיֵּ֥ה
(veaye)
en waar
הַשֶּׂ֖ה
(hase)
het lam
לְעֹלָֽה
(leola)
voor brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Abraham zei: „Elohim zal voor Zich het lam voor het brandoffer voorzien, mijn zoon.” Zij gingen beiden samen verder.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אֱלֹהִ֞ים
(Elohim)
Elohim
יִרְאֶה
(yire)
zal zien
לּ֥וֹ
(lo)
voor Zich
הַשֶּׂ֛ה
(hase)
het lam
לְעֹלָ֖ה
(leola)
voor brandoffer
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
שְׁנֵיהֶ֖ם
(sheneihem)
beiden
יַחְדָּֽו
(yachdav)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהִים יִרְאֶה לּוֹ (Elohim yireh lo), ‘Elohim zal voor Zich zien’: yireh, ‘zal zien’, betekent hier ‘voorzien’, zorgen voor wat nodig is.

Hetzelfde werkwoord staat in vers 14 (zie 22:14).

De binding van Isaak

9Zij kwamen bij de plaats die Elohim hem genoemd had. Abraham bouwde daar het altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, bovenop het hout.
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אֶֽל
(el)
naar
הַמָּקוֹם֮
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָֽמַר
(amar)
Hij had gezegd
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
הָאֱלֹהִים֒
(haElohim)
de Elohim
וַיִּ֨בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
שָׁ֤ם
(sham)
daar
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
וַֽיַּעֲרֹ֖ךְ
(vayaarokh)
en hij schikte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָעֵצִ֑ים
(haetsim)
het hout
וַֽיַּעֲקֹד֙
(vayaaqod)
en hij bond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
מִמַּ֖עַל
(mimaal)
bovenop
לָעֵצִֽים
(laetsim)
het hout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּעֲקֹד (vaya’aqod), ‘en hij bond’: een zeldzaam werkwoord.

In de Joodse overlevering heet dit verhaal de Aqedah, ‘de binding’.

Aanvullend

Jubileeën 18:8 en Jasher 23:58–65 vertellen dat Abraham het altaar bouwde en Isaak vastbond; volgens Jasher vroeg Isaak zelf om stevig gebonden te worden.

10Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en hij strekte uit
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
וַיִּקַּ֖ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַֽמַּאֲכֶ֑לֶת
(hamaakhelet)
het mes
לִשְׁחֹ֖ט
(lishchot)
om te slachten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De engel houdt Abraham tegen

11Toen riep de engel van Yahweh hem vanuit de hemel toe: „Abraham, Abraham!” Hij zei: „Hier ben ik.”
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij riep
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
מַלְאַ֤ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘engel van Yahweh’: zie 16:7.

In dit hoofdstuk wisselt de naam van Elohim (vers 1–9) naar Yahweh (vers 11–16).

אַבְרָהָם אַבְרָהָם (Avraham Avraham), de naam tweemaal: ook bij Jakob in 46:2 en bij Mozes in Ex. 3:4.

Aanvullend

Jubileeën 18:9–10 zegt dat de engel riep terwijl Mastema beschaamd werd.

12Hij zei: „Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets. Nu weet Ik dat je Elohim vreest, want je hebt je zoon, je enige, niet voor Mij achtergehouden.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַל
(al)
niet
תִּשְׁלַ֤ח
(tishlach)
strek uit
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
je hand
אֶל
(el)
naar
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
וְאַל
(veal)
en niet
תַּ֥עַשׂ
(taas)
doe
ל֖וֹ
(lo)
hem
מְא֑וּמָּה
(meuma)
iets
כִּ֣י
(ki)
want
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
יָדַ֗עְתִּי
(yadati)
Ik weet
כִּֽי
(ki)
dat
יְרֵ֤א
(yere)
vrezend
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
חָשַׂ֛כְתָּ
(chasakhta)
je hebt achtergehouden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּנְךָ֥
(binkha)
je zoon
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְחִידְךָ֖
(yechidekha)
je enige
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
van Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְרֵא אֱלֹהִים (yere Elohim), ‘Elohim vrezend’: ontzag voor Elohim (zie 20:11).

De engel spreekt hier als Elohim zelf: ‘voor Mij’ (mimmeni).

Abrahams gehoorzaamheid maakt zijn vertrouwen zichtbaar (zie Jak. 2:21–22).

13Abraham sloeg zijn ogen op en zag, en zie: achter hem hing een ram met zijn hoorns vast in het struikgewas. Abraham ging erheen, nam de ram en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en hij sloeg op
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּרְא֙
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
אַ֔יִל
(ayil)
ram
אַחַ֕ר
(achar)
achter
נֶאֱחַ֥ז
(neechaz)
vastgegrepen
בַּסְּבַ֖ךְ
(basevakh)
in het struikgewas
בְּקַרְנָ֑יו
(beqarnav)
met zijn hoorns
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאַ֔יִל
(haayil)
de ram
וַיַּעֲלֵ֥הוּ
(vayaalehu)
en hij offerde hem op
לְעֹלָ֖ה
(leola)
als brandoffer
תַּ֥חַת
(tachat)
in plaats van
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַחַר (acher), ‘achter’: een ram, achter hem.

Lezing

Lezing: hier gelezen zoals de Hebreeuwse tekst.

Veel handschriften, de Samaritaanse tekst en de oude vertalingen hebben echad, ‘één ram’.

Aanvullend

Jubileeën 18:12 en Jasher 23:70–73 vertellen over de ram; volgens Jasher hield Satan hem vast in het struikgewas.

14Abraham noemde die plaats „Yahweh zal erin voorzien”. Daarom zegt men tot op deze dag: „Op de berg van Yahweh wordt erin voorzien.”
וַיִּקְרָ֧א
(vayiqra)
en hij noemde
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
שֵֽׁם
(shem)
naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
יִרְאֶ֑ה
(yire)
zal zien
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
יֵאָמֵ֣ר
(yeamer)
wordt gezegd
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יֵרָאֶֽה
(yerae)
zal gezien worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה יִרְאֶה (Yahweh yireh), ‘Yahweh zal zien’, hier ‘Yahweh zal erin voorzien’ (zie 22:8).

בְּהַר יְהוָה יֵרָאֶה (behar Yahweh yera’eh), ‘op de berg van Yahweh wordt erin voorzien’: een gezegde dat tot ‘vandaag’ gebruikt werd; zie ‘de berg van Yahweh’ in Ps. 24:3 en Jes. 2:3.

Aanvullend

Jubileeën 18:13 noemt het ‘Yahweh heeft gezien’ en zegt dat dit de berg Sion is.

De belofte onder ede

15De engel van Yahweh riep Abraham een tweede keer vanuit de hemel toe
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en hij riep
מַלְאַ֥ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
שֵׁנִ֖ית
(shenit)
tweede keer
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 18:14
16en zei: „Ik zweer bij Mijzelf, spreekt Yahweh: omdat je dit gedaan hebt en je zoon, je enige, niet achtergehouden hebt,
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בִּ֥י
(bi)
bij Mijzelf
נִשְׁבַּ֖עְתִּי
(nishbati)
Ik zweer
נְאֻם
(neum)
spreking van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֗י
(ki)
want
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשִׂ֨יתָ֙
(asita)
je hebt gedaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
חָשַׂ֖כְתָּ
(chasakhta)
je hebt achtergehouden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּנְךָ֥
(binkha)
je zoon
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְחִידֶֽךָ
(yechidekha)
je enige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִשְׁבַּעְתִּי (nishba’ti), ‘ik heb gezworen’: Elohim zweert bij Zichzelf, omdat niemand groter is (zie Heb. 6:13–14).

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘spreking van Yahweh’: een profetische formule.

Aanvullend

Jubileeën 18:15 geeft dezelfde belofte.

17zal Ik je rijkelijk zegenen en je nageslacht sterk vermeerderen, als de sterren aan de hemel en als het zand aan de oever van de zee. Je nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen.
כִּֽי
(ki)
dat
בָרֵ֣ךְ
(barekh)
zegenen
אֲבָרֶכְךָ֗
(avarekhkha)
Ik zal je zegenen
וְהַרְבָּ֨ה
(veharba)
en vermeerderen
אַרְבֶּ֤ה
(arbe)
Ik zal vermeerderen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
כְּכוֹכְבֵ֣י
(kekhokhevei)
als de sterren van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְכַח֕וֹל
(vekhachol)
en als het zand
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
שְׂפַ֣ת
(sefat)
oever van
הַיָּ֑ם
(hayam)
de zee
וְיִרַ֣שׁ
(veyirash)
en zal bezitten
זַרְעֲךָ֔
(zarakha)
je nageslacht
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
אֹיְבָֽיו
(oyevav)
zijn vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁעַר אֹיְבָיו (sha’ar oyevav), ‘de poort van zijn vijanden’: de stadspoort staat voor de stad; ‘in bezit nemen’ betekent de steden van de vijanden veroveren (zie 24:60).

De sterren en het zand: zie 15:5.

18In je nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat je naar Mijn stem geluisterd hebt.”
וְהִתְבָּרֲכ֣וּ
(vehitbarakhu)
en zullen zich gezegend noemen
בְזַרְעֲךָ֔
(bezarakha)
in je nageslacht
כֹּ֖ל
(kol)
alle
גּוֹיֵ֣י
(goyei)
volken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
עֵ֕קֶב
(eqev)
omdat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׁמַ֖עְתָּ
(shamata)
je hebt geluisterd
בְּקֹלִֽי
(beqoli)
naar Mijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהִתְבָּרֲכוּ (vehitbarakhu), ‘zullen gezegend worden’: de werkwoordsvorm kan ook ‘zich gezegend noemen’ betekenen (zie 12:3; 18:18).

Hand. 3:25 haalt dit vers aan.

Aanvullend

Jubileeën 18:16 geeft dezelfde belofte.

19Abraham ging terug naar zijn jonge bedienden. Ze maakten zich op en gingen samen naar Beër-Sjeba. Abraham woonde in Beër-Sjeba.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
אֶל
(el)
tot
נְעָרָ֔יו
(nearav)
zijn jonge bedienden
וַיָּקֻ֛מוּ
(vayaqumu)
en ze stonden op
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
אֶל
(el)
naar
בְּאֵ֣ר
(beer)
put van
שָׁ֑בַע
(shava)
zeven
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
בִּבְאֵ֥ר
(biver)
in Beër
שָֽׁבַע
(shava)
Sjeba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Aanvullend

Jubileeën 18:17–19 vertelt dat Abraham bij de Put van de Eed woonde en elk jaar zeven dagen feest vierde.

De zonen van Nachor

20Na deze dingen werd aan Abraham verteld: „Zie, ook Milka heeft zonen gebaard aan Nachor, je broer:
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחֲרֵי֙
(acharei)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וַיֻּגַּ֥ד
(vayugad)
en het werd verteld
לְאַבְרָהָ֖ם
(leavraham)
aan Abraham
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
הִ֠נֵּה
(hine)
zie
יָלְדָ֨ה
(yaleda)
heeft gebaard
מִלְכָּ֥ה
(milka)
Milka
גַם
(gam)
ook
הִ֛וא
(hi)
zij
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
לְנָח֥וֹר
(lenachor)
aan Nachor
אָחִֽיךָ
(achikha)
je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָלְדָה מִלְכָּה (yaldah Milkah), ‘Milka heeft gebaard’: Milka was Nachors vrouw en de dochter van Haran (zie 11:29).

Dit bericht bereidt de komst van Rebekka voor (zie 24:15).

21Us, zijn eerstgeborene, Bus, zijn broer, Kemuël, de vader van Aram,
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
ע֥וּץ
(uts)
Us
בְּכֹר֖וֹ
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בּ֣וּז
(buz)
Bus
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
קְמוּאֵ֖ל
(qemuel)
Kemuël
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עוּץ (Uts), ‘Us’: ook een zoon van Aram heet Us (zie 10:23).

בּוּז (Buz), ‘Bus’: later een stam of streek (zie Jer. 25:23).

קְמוּאֵל אֲבִי אֲרָם (Qemu’el avi Aram), ‘Kemuël, de vader van Aram’: een andere Aram dan de zoon van Sem (zie 10:22).

22Kesed, Chazo, Pildasj, Jidlaf en Betuël.”
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כֶּ֣שֶׂד
(kesed)
Kesed
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
חֲז֔וֹ
(chazo)
Chazo
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
פִּלְדָּ֖שׁ
(pildash)
Pildasj
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יִדְלָ֑ף
(yidlaf)
Jidlaf
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּתוּאֵֽל
(betuel)
Betuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֶּשֶׂד (Kesed), ‘Kesed’: de naam klinkt als Kasdim, ‘Chaldeeën’ (zie 11:28).

בְּתוּאֵל (Betu’el), ‘Betuël’: vader van Rebekka (vers 23) en Laban (zie 24:29).

23Betuël werd de vader van Rebekka. Deze acht heeft Milka aan Nachor, de broer van Abraham, gebaard.
וּבְתוּאֵ֖ל
(uvetuel)
en Betuël
יָלַ֣ד
(yalad)
verwekte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֑ה
(rivqa)
Rebekka
שְׁמֹנָ֥ה
(shemona)
acht
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
deze
יָלְדָ֣ה
(yaleda)
heeft gebaard
מִלְכָּ֔ה
(milka)
Milka
לְנָח֖וֹר
(lenachor)
aan Nachor
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
אַבְרָהָֽם
(avraham)
Abraham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִבְקָה (Rivqah), ‘Rebekka’: zij wordt Isaaks vrouw (zie 24:15).

24Zijn bijvrouw, die Reüma heette, baarde ook: Tebach, Gacham, Tachasj en Maächa.
וּפִֽילַגְשׁ֖וֹ
(ufilagsho)
en zijn bijvrouw
וּשְׁמָ֣הּ
(ushemah)
en haar naam
רְאוּמָ֑ה
(reuma)
Reüma
וַתֵּ֤לֶד
(vateled)
en ze baarde
גַּם
(gam)
ook
הִוא֙
(hi)
zij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
טֶ֣בַח
(tevach)
Tebach
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
גַּ֔חַם
(gacham)
Gacham
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
תַּ֖חַשׁ
(tachash)
Tachasj
וְאֶֽת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
מַעֲכָֽה
(maakha)
Maächa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּפִילַגְשׁוֹ (pilagsho), ‘zijn bijvrouw’: een pilegesh is een vrouw met een lagere status dan de echtgenote (zie 25:6; 35:22).

Aanvullend

Jasher 22:18 heeft als tweede naam Nacham waar Genesis Gacham heeft.