Elohim Bijbel

Ezechiël 4

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Tekenhandelingen over de belegering van Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De baksteen en de belegering

1„En jij, mensenkind, neem een baksteen. Leg die voor je neer en teken daarop een stad: Jeruzalem.
וְאַתָּ֤ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָם֙
(adam)
mens
קַח
(qach)
neem
לְךָ֣
(lekha)
voor jezelf
לְבֵנָ֔ה
(levena)
baksteen
וְנָתַתָּ֥ה
(venatata)
en leg
אוֹתָ֖הּ
(otah)
haar
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je
וְחַקּוֹתָ֥
(vechaqota)
en teken
עָלֶ֛יהָ
(aleiha)
daarop
עִ֖יר
(ir)
stad
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לְבֵנָה (levenah), ‘baksteen’: een stuk gedroogde of gebakken klei, zoals in Babel veel werd gebruikt (vergelijk Gen. 11:3).

Ezechiël moet er een stad op tekenen.

וְחַקּוֹתָ (vechaqqota), ‘en teken’: het werkwoord betekent letterlijk ‘insnijden’ of ‘erin kerven’.

Dit is de eerste van de tekenhandelingen in dit boek: Ezechiël doet iets wat de ballingen zien. De woorden van Yahweh in dit hoofdstuk zijn een voortzetting van 3:25–27 en staan rood.

2Leg tegen haar een belegering aan. Bouw tegen haar een belegeringswal, werp tegen haar een aarden helling op, zet legerkampen tegen haar neer en plaats stormrammen rondom tegen haar.
וְנָתַתָּ֨ה
(venatata)
en leg aan
עָלֶ֜יהָ
(aleiha)
tegen haar
מָצ֗וֹר
(matsor)
belegering
וּבָנִ֤יתָ
(uvanita)
en bouw
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
tegen haar
דָּיֵ֔ק
(dayeq)
belegeringswal
וְשָׁפַכְתָּ֥
(veshafakhta)
en werp op
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
tegen haar
סֹֽלְלָ֑ה
(solela)
aarden helling
וְנָתַתָּ֨ה
(venatata)
en zet neer
עָלֶ֧יהָ
(aleiha)
tegen haar
מַחֲנ֛וֹת
(machanot)
legerkampen
וְשִׂים
(vesim)
en plaats
עָלֶ֥יהָ
(aleiha)
tegen haar
כָּרִ֖ים
(karim)
stormrammen
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vijf onderdelen van een belegering: מָצוֹר (matsor), ‘belegering’; דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’ (zoals in 2 Kon. 25:1); סֹלְלָה (solelah), ‘aarden helling’, opgeworpen om de muur te bereiken; מַחֲנוֹת (machanot), ‘legerkampen’; en כָּרִים (karim), ‘stormrammen’, letterlijk ‘rammen’.

Wat elk onderdeel precies was, is niet helemaal zeker.

3En jij, neem een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen jou en de stad. Richt je gezicht op haar. Zij zal onder belegering staan en jij zult haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël.
וְאַתָּ֤ה
(veata)
en jij
קַח
(qach)
neem
לְךָ֙
(lekha)
voor jezelf
מַחֲבַ֣ת
(machavat)
bakplaat van
בַּרְזֶ֔ל
(barzel)
ijzer
וְנָתַתָּ֤ה
(venatata)
en zet
אוֹתָהּ֙
(otah)
haar
קִ֣יר
(qir)
muur van
בַּרְזֶ֔ל
(barzel)
ijzer
בֵּינְךָ֖
(beinekha)
tussen jou
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַהֲכִינֹתָה֩
(vahakhinota)
en richt
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנֶ֨יךָ
(paneikha)
je gezicht
אֵלֶ֜יהָ
(eleiha)
naar haar
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zij zal zijn
בַמָּצוֹר֙
(bamatsor)
onder belegering
וְצַרְתָּ֣
(vetsarta)
en jij zult belegeren
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
haar
א֥וֹת
(ot)
teken
הִ֖יא
(hi)
zij is
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַחֲבַת בַּרְזֶל (machavat barzel), ‘ijzeren bakplaat’: een platte plaat waarop men graanoffers bakte (Lev. 2:5).

Hier staat zij als een ijzeren muur tussen Ezechiël en de stad.

Waar de bakplaat voor staat, zegt de tekst niet.

אוֹת (ot), ‘teken’: de hele handeling is een teken voor het huis van Israël.

Liggen op de linkerzij en de rechterzij

4En jij, ga op je linkerzij liggen en leg de schuld van het huis van Israël daarop. Naar het aantal dagen dat je erop ligt, zul je hun schuld dragen.
וְאַתָּ֤ה
(veata)
en jij
שְׁכַב֙
(shekhav)
ga liggen
עַל
(al)
op
צִדְּךָ֣
(tsidekha)
je zijde
הַשְּׂמָאלִ֔י
(hasemali)
de linker
וְשַׂמְתָּ֛
(vesamta)
en leg
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֥ן
(avon)
schuld van
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עָלָ֑יו
(alav)
daarop
מִסְפַּ֤ר
(mispar)
naar het aantal van
הַיָּמִים֙
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּשְׁכַּ֣ב
(tishkav)
je zult liggen
עָלָ֔יו
(alav)
daarop
תִּשָּׂ֖א
(tisa)
je zult dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנָֽם
(avonam)
hun schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁכַב עַל־צִדְּךָ הַשְּׂמָאלִי (shekhav al tsiddekha hasseme’li), ‘ga op je linkerzij liggen’: Ezechiël draagt zo de schuld van het huis van Israël.

‘Een schuld dragen’ is hetzelfde als in Lev. 5:1.

In vers 6 volgt het huis van Juda op de rechterzij.

5Ik heb je de jaren van hun schuld gegeven, naar het aantal dagen: 390 dagen. En je zult de schuld van het huis van Israël dragen.
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en Ik
נָתַ֤תִּֽי
(natati)
heb gegeven
לְךָ֙
(lekha)
aan je
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֣י
(shenei)
jaren van
עֲוֺנָ֔ם
(avonam)
hun schuld
לְמִסְפַּ֣ר
(lemispar)
naar het aantal van
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
שְׁלֹשׁ
(shelosh)
drie
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
וְתִשְׁעִ֖ים
(vetishim)
en negentig
י֑וֹם
(yom)
dagen
וְנָשָׂ֖אתָ
(venasata)
en je zult dragen
עֲוֺ֥ן
(avon)
schuld van
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁנֵי עֲוֺנָם (shenei avonam), ‘de jaren van hun schuld’: de 390 dagen staan voor 390 jaren.

Sommige oude vertalingen hebben hier een ander getal.

Wat de 390 jaren precies aangeven, zegt de tekst niet.

6Als je deze hebt voltooid, ga dan voor de tweede keer op je rechterzij liggen. Dan zul je de schuld van het huis van Juda dragen: 40 dagen. Een dag voor een jaar, een dag voor een jaar heb Ik het je gegeven.
וְכִלִּיתָ֣
(vekhilita)
en je zult voltooien
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֗לֶּה
(ele)
deze
וְשָׁ֨כַבְתָּ֜
(veshakhavta)
en je zult liggen
עַל
(al)
op
צִדְּךָ֤
(tsidekha)
je zijde
הַיְמָנִי֙
(haymani)
de rechter
שֵׁנִ֔ית
(shenit)
tweede maal
וְנָשָׂ֖אתָ
(venasata)
en je zult dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
י֔וֹם
(yom)
dagen
י֧וֹם
(yom)
dag
לַשָּׁנָ֛ה
(lashana)
voor het jaar
י֥וֹם
(yom)
dag
לַשָּׁנָ֖ה
(lashana)
voor het jaar
נְתַתִּ֥יו
(netativ)
Ik heb het gegeven
לָֽךְ
(lakh)
aan je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹם לַשָּׁנָה (yom lashanah), ‘een dag voor een jaar’: dagen staan voor jaren, zoals in Num. 14:34.

7Richt je gezicht op de belegering van Jeruzalem, met ontblote arm, en profeteer tegen haar.
וְאֶל
(veel)
en naar
מְצ֤וֹר
(metsor)
belegering van
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushalaim)
Jeruzalem
תָּכִ֣ין
(takhin)
je zult richten
פָּנֶ֔יךָ
(paneikha)
je gezicht
וּֽזְרֹעֲךָ֖
(uzeroakha)
en je arm
חֲשׂוּפָ֑ה
(chasufa)
ontbloot
וְנִבֵּאתָ֖
(venibeta)
en je zult profeteren
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

זְרוֹעַ חֲשׂוּפָה (zero’a chasufah), ‘ontblote arm’: iemand met een ontblote arm is klaar om te handelen.

Vergelijk Jes. 52:10.

8Zie, Ik leg touwen op je. Je zult je niet van de ene zij op de andere zij omdraaien, totdat je de dagen van je belegering hebt voltooid.
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gelegd
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
op je
עֲבוֹתִ֑ים
(avotim)
touwen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תֵהָפֵ֤ךְ
(tehafekh)
je zult je omdraaien
מִֽצִּדְּךָ֙
(mitsidekha)
van je zijde
אֶל
(el)
naar
צִדֶּ֔ךָ
(tsidekha)
je zijde
עַד
(ad)
tot
כַּלּוֹתְךָ֖
(kalotekha)
je voltooid hebt
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
מְצוּרֶֽךָ
(metsurekha)
je belegering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEzech 3:25

Het brood tijdens de belegering

9En jij, neem tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt. Doe ze in één vat en maak er brood van voor jezelf. Naar het aantal dagen dat je op je zij ligt, 390 dagen, zul je ervan eten.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
קַח
(qach)
neem
לְךָ֡
(lekha)
voor jezelf
חִטִּ֡ין
(chitin)
tarwe
וּ֠שְׂעֹרִים
(useorim)
en gerst
וּפ֨וֹל
(ufol)
en bonen
וַעֲדָשִׁ֜ים
(vaadashim)
en linzen
וְדֹ֣חַן
(vedochan)
en gierst
וְכֻסְּמִ֗ים
(vekhusemim)
en spelt
וְנָתַתָּ֤ה
(venatata)
en doe
אוֹתָם֙
(otam)
ze
בִּכְלִ֣י
(bikhli)
in een vat
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וְעָשִׂ֧יתָ
(veasita)
en maak
אוֹתָ֛ם
(otam)
ze
לְךָ֖
(lekha)
voor jezelf
לְלָ֑חֶם
(lelachem)
tot brood
מִסְפַּ֨ר
(mispar)
naar het aantal van
הַיָּמִ֜ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
die
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
שׁוֹכֵ֣ב
(shokhev)
liggend
עַֽל
(al)
op
צִדְּךָ֗
(tsidekha)
je zijde
שְׁלֹשׁ
(shelosh)
drie
מֵא֧וֹת
(meot)
honderd
וְתִשְׁעִ֛ים
(vetishim)
en negentig
י֖וֹם
(yom)
dagen
תֹּאכֲלֶֽנּוּ
(tokhalenu)
je zult het eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zes soorten graan en peulvruchten: חִטִּין (chittin), ‘tarwe’; שְׂעֹרִים (se’orim), ‘gerst’; פּוֹל (pol), ‘bonen’; עֲדָשִׁים (adashim), ‘linzen’; דֹּחַן (dochan), ‘gierst’; כֻּסְּמִים (kussemim), ‘spelt’ (zoals in Exod. 9:32).

Het getal 390 is hetzelfde als in vers 5. De 40 dagen van Juda (vers 6) worden hier niet genoemd.

10Het voedsel dat je eet, zal naar gewicht zijn: 20 sikkels per dag. Van tijd tot tijd zul je het eten.
וּמַאֲכָֽלְךָ֙
(umaakhalekha)
en je voedsel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תֹּאכֲלֶ֔נּוּ
(tokhalenu)
je zult eten
בְּמִשְׁק֕וֹל
(bemishqol)
naar gewicht
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
שֶׁ֖קֶל
(sheqel)
sikkel
לַיּ֑וֹם
(layom)
per dag
מֵעֵ֥ת
(meet)
van tijd
עַד
(ad)
tot
עֵ֖ת
(et)
tijd
תֹּאכֲלֶֽנּוּ
(tokhalenu)
je zult het eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram. 20 sikkels is dus ongeveer 230 gram brood per dag.

Dat is weinig voedsel.

מֵעֵת עַד־עֵת (me’et ad et), ‘van tijd tot tijd’: op vaste tijden, waarschijnlijk elke dag op dezelfde tijd.

11Ook water zul je afgemeten drinken: een zesde hin. Van tijd tot tijd zul je het drinken.
וּמַ֛יִם
(umayim)
en water
בִּמְשׂוּרָ֥ה
(bimsura)
afgemeten
תִשְׁתֶּ֖ה
(tishte)
je zult drinken
שִׁשִּׁ֣ית
(shishit)
een zesde van
הַהִ֑ין
(hahin)
de hin
מֵעֵ֥ת
(meet)
van tijd
עַד
(ad)
tot
עֵ֖ת
(et)
tijd
תִּשְׁתֶּֽה
(tishte)
je zult drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִין (hin): een inhoudsmaat van ongeveer 3,7 liter.

Een zesde hin is dus ongeveer 0,6 liter water per dag.

12Als gerstekoeken zul je het eten, en je zult die bakken met mensenmest, voor hun ogen.”
וְעֻגַ֥ת
(veugat)
en koek van
שְׂעֹרִ֖ים
(seorim)
gerst
תֹּֽאכֲלֶ֑נָּה
(tokhalena)
je zult het eten
וְהִ֗יא
(vehi)
en zij
בְּגֶֽלְלֵי֙
(begellei)
met mest van
צֵאַ֣ת
(tseat)
wat uitgaat van
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
תְּעֻגֶ֖נָה
(teugena)
je zult haar bakken
לְעֵינֵיהֶֽם
(leeineihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּלָלִים (gelalim), ‘mest’: hier mest van mensen, gebruikt als brandstof.

Het woord is verwant met גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’, een scheldnaam voor afgoden (zie 6:4).

Zie voor uitwerpselen ook Deut. 23:13–15.

13Yahweh zei: „Zo zullen de zonen van Israël hun brood onrein eten, onder de volken waarheen Ik hen verdrijf.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּ֣כָה
(kakha)
zo
יֹאכְל֧וּ
(yokhlu)
zullen eten
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
לַחְמָ֖ם
(lachmam)
hun brood
טָמֵ֑א
(tame)
onrein
בַּגּוֹיִ֕ם
(bagoyim)
onder de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarheen
אַדִּיחֵ֖ם
(adichem)
Ik verdrijf hen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Ik zei: „Ach, Heer Yahweh! Zie, mijn leven is niet verontreinigd. Van mijn jeugd tot nu toe heb ik geen kadaver en geen verscheurd dier gegeten, en nooit is verwerpelijk vlees in mijn mond gekomen.”
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en ik zei
אֲהָהּ֙
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn leven
לֹ֣א
(lo)
niet
מְטֻמָּאָ֑ה
(metumaa)
verontreinigd
וּנְבֵלָ֨ה
(unevela)
en kadaver
וּטְרֵפָ֤ה
(uterefa)
en verscheurd dier
לֹֽא
(lo)
niet
אָכַ֨לְתִּי֙
(akhalti)
heb ik gegeten
מִנְּעוּרַ֣י
(mineuray)
van mijn jeugd
וְעַד
(vead)
en tot
עַ֔תָּה
(ata)
nu
וְלֹא
(velo)
en niet
בָ֥א
(ba)
kwam
בְּפִ֖י
(befi)
in mijn mond
בְּשַׂ֥ר
(besar)
vlees van
פִּגּֽוּל
(pigul)
verwerpelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn leven’: letterlijk ‘mijn ziel’; Ezechiël spreekt over zichzelf, ‘mijn persoon’.

Wij vertalen nefesh met ‘leven’, zoals in 3:19.

נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’, en טְרֵפָה (terefah), ‘verscheurd dier’: dieren die vanzelf gestorven of door een wild dier gedood zijn. Zie Lev. 17:15 en Exod. 22:30.

פִּגּוּל (piggul), ‘verwerpelijk’: zoals in Lev. 19:7. Ezechiël is priester (1:3) en heeft zich altijd aan de reinheidsregels gehouden.

15Hij zei tot mij: „Zie, Ik geef je rundermest in plaats van mensenmest. Daarop zul je je brood maken.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
רְאֵ֗ה
(ree)
zie
נָתַ֤תִּֽי
(natati)
Ik heb gegeven
לְךָ֙
(lekha)
aan je
אֶת
(et)
(obj.)
צְפִיעֵ֣י
(tsefiei)
mest van
הַבָּקָ֔ר
(habaqar)
de runderen
תַּ֖חַת
(tachat)
in plaats van
גֶּלְלֵ֣י
(gellei)
mest van
הָֽאָדָ֑ם
(haadam)
de mens
וְעָשִׂ֥יתָ
(veasita)
en je zult maken
אֶֽת
(et)
(obj.)
לַחְמְךָ֖
(lachmekha)
je brood
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
daarop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De staf van het brood wordt gebroken

16Hij zei tot mij: „Mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem. Zij zullen brood eten naar gewicht en met zorg, en water drinken afgemeten en in ontzetting.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָם֙
(adam)
mens
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
שֹׁבֵ֤ר
(shover)
brekend
מַטֵּה
(mate)
staf van
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushalaim)
in Jeruzalem
וְאָכְלוּ
(veakhelu)
en zij zullen eten
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood
בְּמִשְׁקָ֖ל
(bemishqal)
naar gewicht
וּבִדְאָגָ֑ה
(uvidaga)
en met zorg
וּמַ֕יִם
(umayim)
en water
בִּמְשׂוּרָ֥ה
(bimsura)
afgemeten
וּבְשִׁמָּמ֖וֹן
(uveshimamon)
en in ontzetting
יִשְׁתּֽוּ
(yishtu)
zij zullen drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מַטֵּה־לֶחֶם (matteh lechem), ‘staf van het brood’: het brood is de steun van het leven, zoals een staf iemand steunt (Lev. 26:26).

בִּדְאָגָה (bidagah), ‘met zorg’, en בְּשִׁמָּמוֹן (bishammamon), ‘in ontzetting’: de angst en de schrik bij het eten en het drinken.

17Zo zullen zij gebrek hebben aan brood en water. Zij zullen ontzet zijn, ieder samen met zijn broer, en wegkwijnen in hun schuld.”
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
יַחְסְר֖וּ
(yachseru)
zij zullen tekortkomen
לֶ֣חֶם
(lechem)
aan brood
וָמָ֑יִם
(vamayim)
en water
וְנָשַׁ֨מּוּ֙
(venashamu)
en zij zullen ontzet zijn
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
וְאָחִ֔יו
(veachiv)
en zijn broer
וְנָמַ֖קּוּ
(venamaqu)
en zij zullen wegkwijnen
בַּעֲוֺנָֽם
(baavonam)
in hun schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנָמַקּוּ (venamaqqu), ‘en zij zullen wegkwijnen’: het werkwoord betekent ‘wegteren’.

Zie ook 24:23 en 33:10.