Elohim Bijbel

Genesis 45

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jozef maakt zich bekend

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jozef maakt zich bekend

1Jozef kon zich niet langer bedwingen tegenover allen die bij hem stonden en riep: „Laat iedereen van mij weggaan!” Er bleef niemand bij hem toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָכֹ֨ל
(yakhol)
kon
יוֹסֵ֜ף
(yosef)
Jozef
לְהִתְאַפֵּ֗ק
(lehitapeq)
zich bedwingen
לְכֹ֤ל
(lekhol)
tegenover allen
הַנִּצָּבִים֙
(hanitsavim)
die bij hem stonden
עָלָ֔יו
(alav)
bij hem
וַיִּקְרָ֕א
(vayiqra)
en hij riep
הוֹצִ֥יאוּ
(hotsiu)
laat uitgaan
כָל
(kal)
ieder
אִ֖ישׁ
(ish)
man
מֵעָלָ֑י
(mealay)
van mij
וְלֹא
(velo)
en niet
עָ֤מַד
(amad)
stond
אִישׁ֙
(ish)
een man
אִתּ֔וֹ
(ito)
bij hem
בְּהִתְוַדַּ֥ע
(behitvada)
bij zich bekend maken van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
aan
אֶחָֽיו
(echav)
zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

להתאפק (lehit’appeq), ‘zich bedwingen’: zie 43:31.

בהתודע יוסף אל אחיו (behitvadda Yosef el echav), ‘toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte’: dezelfde wortel (yada) als in 42:7–8, waar zij hem niet herkenden.

Aanvullend

Jasher 54:51–53 vertelt dat Jozef bang was dat de broers heel Egypte zouden verwoesten, en dat Manasse Juda's woede stilde.

Jubileeën 43:14 zegt dat Jozef zag dat zij allen in het goede overeenstemden.

2Hij huilde zo hard dat de Egyptenaren het hoorden, en het huis van de farao hoorde het.
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en hij gaf
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קֹל֖וֹ
(qolo)
zijn stem
בִּבְכִ֑י
(bivkhi)
in geween
וַיִּשְׁמְע֣וּ
(vayishmeu)
en ze hoorden
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיִּשְׁמַ֖ע
(vayishma)
en hoorde
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
פַּרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קלו בבכי (qolo bevikhi), ‘zijn stem in geween’: zie 43:30; 46:29.

Aanvullend

Jasher 54:71–73 vertelt dat Benjamin als eerste op Jozef toeliep en dat het geluid in het huis van de farao gehoord werd.

3Jozef zei tegen zijn broers: „Ik ben Jozef. Leeft mijn vader nog?” Maar zijn broers konden hem niet antwoorden, want zij waren ontsteld voor zijn aangezicht.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יוֹסֵ֤ף
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
אֲנִ֣י
(ani)
ik
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
הַע֥וֹד
(haod)
nog
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
חָ֑י
(chay)
levend
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָכְל֤וּ
(yakhelu)
konden
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
לַעֲנ֣וֹת
(laanot)
antwoorden
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
כִּ֥י
(ki)
want
נִבְהֲל֖וּ
(nivhalu)
ze waren ontsteld
מִפָּנָֽיו
(mipanav)
voor zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אני יוסף העוד אבי חי (ani Yosef ha’od avi chai), ‘ik ben Jozef; leeft mijn vader nog?’: zie 43:27.

נבהלו (nivhalu), ‘zij waren ontsteld’: dezelfde wortel als in 1 Sam. 28:21.

Aanvullend

Jasher 54:66–70 laat Jozef hardop roepen en dan zeggen: ‘Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte hebben verkocht.’

Jubileeën 43:15 zegt dat Jozef in de Hebreeuwse taal tot hen sprak.

4Jozef zei tegen zijn broers: „Kom toch dichter bij mij.” Zij kwamen dichterbij. Hij zei: „Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte verkocht hebben.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יוֹסֵ֧ף
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
אֶחָ֛יו
(echav)
zijn broers
גְּשׁוּ
(geshu)
kom naar voren
נָ֥א
(na)
toch
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
וַיִּגָּ֑שׁוּ
(vayigashu)
en ze kwamen naar voren
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲנִי֙
(ani)
ik
יוֹסֵ֣ף
(yosef)
Jozef
אֲחִיכֶ֔ם
(achikhem)
jullie broer
אֲשֶׁר
(asher)
die
מְכַרְתֶּ֥ם
(mekhartem)
jullie verkocht hebben
אֹתִ֖י
(oti)
mij
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אשׁר מכרתם אתי מצרימה (asher mekhartem oti Mitsrayma), ‘die jullie naar Egypte verkocht hebben’: zie 37:28; 39:1.

5Maar nu, wees niet bedroefd en laat het niet kwaad zijn in jullie ogen dat jullie mij hierheen verkocht hebben, want om levend te houden heeft Elohim mij voor jullie uit gezonden.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
אַל
(al)
niet
תֵּעָ֣צְב֗וּ
(teatsevu)
wees bedroefd
וְאַל
(veal)
en niet
יִ֨חַר֙
(yichar)
laat ontbranden
בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
כִּֽי
(ki)
dat
מְכַרְתֶּ֥ם
(mekhartem)
jullie verkocht hebben
אֹתִ֖י
(oti)
mij
הֵ֑נָּה
(hena)
hierheen
כִּ֣י
(ki)
want
לְמִֽחְיָ֔ה
(lemichya)
om in leven te houden
שְׁלָחַ֥נִי
(shelachani)
heeft mij gezonden
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לִפְנֵיכֶֽם
(lifneikhem)
voor jullie uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

למחיה שׁלחני אלהים לפניכם (lemichyah shelachani Elohim lifnekhem), ‘om levend te houden heeft Elohim mij voor jullie uit gezonden’: zie 50:20.

Aanvullend

Jasher 54:69 zegt dat Elohim hem voor hen uit gezonden heeft om in de hongersnood leven te geven.

6Want dit is het tweede jaar van de hongersnood in het land, en er zijn nog vijf jaren waarin geen ploegen en oogsten is.
כִּי
(ki)
want
זֶ֛ה
(ze)
dit
שְׁנָתַ֥יִם
(shenatayim)
twee jaren
הָרָעָ֖ב
(haraav)
de honger
בְּקֶ֣רֶב
(beqerev)
in het midden van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְעוֹד֙
(veod)
en nog
חָמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
אֵין
(ein)
niet is
חָרִ֖ישׁ
(charish)
ploegen
וְקָצִּֽיר
(veqatsir)
en oogsten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁנתים הרעב (shenatayim hara’av), ‘het tweede jaar van de hongersnood’: zie 41:30, 54.

חרישׁ וקציר (charish vqatsir), ‘ploegen en oogsten’: zie Exod. 34:21.

Aanvullend

Jubileeën 43:17 noemt hetzelfde: nog vijf jaar zonder oogst of vrucht.

7Elohim heeft mij voor jullie uit gezonden om voor jullie een overblijfsel op aarde te stellen en jullie in leven te houden tot een grote ontkoming.
וַיִּשְׁלָחֵ֤נִי
(vayishlacheni)
en Hij zond mij
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
לִפְנֵיכֶ֔ם
(lifneikhem)
voor jullie uit
לָשׂ֥וּם
(lasum)
om te stellen
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
שְׁאֵרִ֖ית
(sheerit)
overblijfsel
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
op aarde
וּלְהַחֲי֣וֹת
(ulehachayot)
en om in leven te houden
לָכֶ֔ם
(lakhem)
jullie
לִפְלֵיטָ֖ה
(lifleita)
tot ontkoming
גְּדֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁארית (she’erit), ‘overblijfsel’: een restgroep die blijft; zie 2 Kon. 19:31.

לפליטה גדלה (lifleita gedolah), ‘tot een grote ontkoming’.

8Nu dan, jullie hebben mij niet hierheen gezonden, maar Elohim; Hij heeft mij tot vader van de farao gesteld, tot heer over heel zijn huis en tot heerser over het hele land Egypte.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
לֹֽא
(lo)
niet
אַתֶּ֞ם
(atem)
jullie
שְׁלַחְתֶּ֤ם
(shelachtem)
hebben gezonden
אֹתִי֙
(oti)
mij
הֵ֔נָּה
(hena)
hierheen
כִּ֖י
(ki)
maar
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וַיְשִׂימֵ֨נִֽי
(vaysimeni)
en Hij heeft mij gesteld
לְאָ֜ב
(leav)
tot vader
לְפַרְעֹ֗ה
(lefaro)
voor farao
וּלְאָדוֹן֙
(uleadon)
en tot heer
לְכָל
(lekhal)
over heel
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וּמֹשֵׁ֖ל
(umoshel)
en tot heerser
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

לאב לפרעה (le’av lePar’oh), ‘tot vader van de farao’: een titel voor de hoogste raadsman van de koning.

9Haast je, trek op naar mijn vader en zeg tegen hem: ‘Zo zegt uw zoon Jozef: Elohim heeft mij tot heer over heel Egypte gesteld; kom af naar mij, wacht niet.
מַהֲרוּ֮
(maharu)
haast je
וַעֲל֣וּ
(vaalu)
en trek op
אֶל
(el)
naar
אָבִי֒
(avi)
mijn vader
וַאֲמַרְתֶּ֣ם
(vaamartem)
en zeg
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
בִּנְךָ֣
(binkha)
uw zoon
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
שָׂמַ֧נִי
(samani)
heeft mij gesteld
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
לְאָד֖וֹן
(leadon)
tot heer
לְכָל
(lekhal)
over heel
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
רְדָ֥ה
(reda)
kom af
אֵלַ֖י
(elay)
naar mij
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲמֹֽד
(taamod)
wacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

לאדון לכל מצרים (ladon lekhol Mitsrayim), ‘tot heer over heel Egypte’: zie 41:40–41.

Aanvullend

Jubileeën 43:19 zegt dat Yahweh hem heeft aangesteld als een vader van Farao en als heerser in zijn huis.

10U zult wonen in het land Gosen en dicht bij mij zijn, u, uw zonen, de zonen van uw zonen, uw kleinvee, uw runderen en alles wat u hebt.
וְיָשַׁבְתָּ֣
(veyashavta)
en u zult wonen
בְאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land
גֹּ֗שֶׁן
(goshen)
Gosen
וְהָיִ֤יתָ
(vehayita)
en u zult zijn
קָרוֹב֙
(qarov)
dichtbij
אֵלַ֔י
(elay)
mij
אַתָּ֕ה
(ata)
u
וּבָנֶ֖יךָ
(uvaneikha)
en uw zonen
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
בָנֶ֑יךָ
(baneikha)
uw zonen
וְצֹאנְךָ֥
(vetsonkha)
en uw kleinvee
וּבְקָרְךָ֖
(uveqarekha)
en uw runderen
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָֽךְ
(lakh)
is van u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

Uitleg

בארץ גשׁן (be’erets Goshen), ‘in het land Gosen’: het grensgebied in de oostelijke Nijldelta, zie 46:28–34; 47:1–6, 27.

11Daar zal ik u verzorgen, want er zijn nog vijf jaren hongersnood, opdat u niet verarmt, u, uw huis en alles wat u hebt.’
וְכִלְכַּלְתִּ֤י
(vekhilkalti)
en ik zal u verzorgen
אֹֽתְךָ֙
(otekha)
u
שָׁ֔ם
(sham)
daar
כִּי
(ki)
want
ע֛וֹד
(od)
nog
חָמֵ֥שׁ
(chamesh)
vijf
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
רָעָ֑ב
(raav)
honger
פֶּן
(pen)
opdat niet
תִּוָּרֵ֛שׁ
(tivaresh)
u verarmt
אַתָּ֥ה
(ata)
u
וּבֵֽיתְךָ֖
(uveitekha)
en uw huis
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָֽךְ
(lakh)
is van u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וכלכלתי אתך (vekhilkalti otekha), ‘ik zal u verzorgen’: zie 47:12; 50:21.

פן תורשׁ (pen tivvaresh), ‘opdat u niet verarmt’.

12En zie, jullie ogen zien het, en de ogen van mijn broer Benjamin, dat het mijn mond is die tot jullie spreekt.
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
עֵֽינֵיכֶם֙
(eineikhem)
jullie ogen
רֹא֔וֹת
(root)
zien
וְעֵינֵ֖י
(veeinei)
en de ogen van
אָחִ֣י
(achi)
mijn broer
בִנְיָמִ֑ין
(binyamin)
Benjamin
כִּי
(ki)
dat
פִ֖י
(pi)
mijn mond
הַֽמְדַבֵּ֥ר
(hamdaber)
die spreekt
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
tot jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פי המדבר אליכם (pi hamdabber aleikhem), ‘mijn mond die tot jullie spreekt’: in het Hebreeuws, zonder tolk; zie 42:23.

Aanvullend

Jubileeën 43:16 noemt ook ‘de ogen van mijn broer Benjamin’, die het zien.

13Vertel mijn vader van heel mijn heerlijkheid in Egypte en van alles wat jullie gezien hebben, en haast jullie en breng mijn vader hierheen.”
וְהִגַּדְתֶּ֣ם
(vehigadtem)
en vertelt
לְאָבִ֗י
(leavi)
aan mijn vader
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
כְּבוֹדִי֙
(kevodi)
mijn heerlijkheid
בְּמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
רְאִיתֶ֑ם
(reitem)
jullie gezien hebben
וּמִֽהַרְתֶּ֛ם
(umihartem)
en haast jullie
וְהוֹרַדְתֶּ֥ם
(vehoradtem)
en breng af
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
הֵֽנָּה
(hena)
hierheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

14Hij viel Benjamin, zijn broer, om de hals en weende; en Benjamin weende om zijn hals.
וַיִּפֹּ֛ל
(vayipol)
en hij viel
עַל
(al)
op
צַוְּארֵ֥י
(tsaverei)
nekken van
בִנְיָמִֽן
(binyamin)
Benjamin
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
וַיֵּ֑בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
וּבִנְיָמִ֔ן
(uvinyamin)
en Benjamin
בָּכָ֖ה
(bakha)
weende
עַל
(al)
op
צַוָּארָֽיו
(tsavarav)
zijn nek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויפל על צוארי בנימן (vayyippol al tsavverei Binyamin), ‘hij viel Benjamin om de hals’: zie 33:4; 46:29.

Aanvullend

Jasher 54:71–72 zegt dat Benjamin Jozef om de hals viel en dat de andere broers daarna volgden.

15Hij kuste al zijn broers en weende om hen. Daarna spraken zijn broers met hem.
וַיְנַשֵּׁ֥ק
(vaynasheq)
en hij kuste
לְכָל
(lekhal)
alle
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
וַיֵּ֣בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
om hen
וְאַ֣חֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֔ן
(ken)
zo
דִּבְּר֥וּ
(diberu)
spraken
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דברו אחיו אתו (dibberu echav ito), ‘zijn broers spraken met hem’: voor het eerst sinds 37:4, toen zij niet vreedzaam met hem konden spreken.

De farao nodigt Jakobs familie uit

16Het bericht werd gehoord in het huis van de farao: „De broers van Jozef zijn gekomen.” Het was goed in de ogen van de farao en in de ogen van zijn dienaren.
וְהַקֹּ֣ל
(vehaqol)
en de stem
נִשְׁמַ֗ע
(nishma)
werd gehoord
בֵּ֤ית
(beit)
huis van
פַּרְעֹה֙
(paro)
farao
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
בָּ֖אוּ
(bau)
ze zijn gekomen
אֲחֵ֣י
(achei)
broers van
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וַיִּיטַב֙
(vayitav)
en het was goed
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
פַרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וּבְעֵינֵ֖י
(uveeinei)
en in de ogen van
עֲבָדָֽיו
(avadav)
zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

באו אחי יוסף (ba’u achei Yosef), ‘de broers van Jozef zijn gekomen’.

Aanvullend

Jasher 54:73–75 zegt dat de farao verheugd was omdat hij bang voor hen was geweest.

17De farao zei tegen Jozef: „Zeg tegen je broers: doe dit: laad jullie lastdieren op en ga, trek naar het land Kanaän,
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
פַּרְעֹה֙
(paro)
farao
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
אַחֶ֖יךָ
(acheikha)
je broers
זֹ֣את
(zot)
dit
עֲשׂ֑וּ
(asu)
doet
טַֽעֲנוּ֙
(taanu)
belaadt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּעִ֣ירְכֶ֔ם
(beirekhem)
jullie lastdieren
וּלְכוּ
(ulekhu)
en gaat
בֹ֖אוּ
(bou)
komt
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

טענו את בעירכם (ta’anu et be’irkhem), ‘laad jullie lastdieren op’: be’ir is vee dat lasten draagt.

18haal jullie vader en jullie huisgezinnen en kom naar mij; dan zal ik jullie het goede van het land Egypte geven, en jullie zullen het vette van het land eten.
וּקְח֧וּ
(uqechu)
en neemt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲבִיכֶ֛ם
(avikhem)
jullie vader
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בָּתֵּיכֶ֖ם
(bateikhem)
jullie huizen
וּבֹ֣אוּ
(uvou)
en komt
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וְאֶתְּנָ֣ה
(veetena)
en ik zal geven
לָכֶ֗ם
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
טוּב֙
(tuv)
het goede van
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְאִכְל֖וּ
(veikhlu)
en eet
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֵ֥לֶב
(chelev)
het vette van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

ואתנה לכם את טוב ארץ מצרים (ve’ettenah lakhem et tuv erets Mitsrayim), ‘ik zal jullie het goede van het land Egypte geven’: zie vers 20.

חלב הארץ (chelev ha’arets), ‘het vette van het land’: het beste, letterlijk ‘het vet’.

19En jij, je bent gelast: doe dit: neem voor jullie uit het land Egypte wagens voor jullie kleinen en jullie vrouwen, en haal jullie vader en kom.
וְאַתָּ֥ה
(veata)
en jij
צֻוֵּ֖יתָה
(tsuveita)
je bent gelast
זֹ֣את
(zot)
dit
עֲשׂ֑וּ
(asu)
doet
קְחוּ
(qechu)
neemt
לָכֶם֩
(lakhem)
voor jullie
מֵאֶ֨רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
Egypte
עֲגָל֗וֹת
(agalot)
wagens
לְטַפְּכֶם֙
(letapekhem)
voor jullie kleinen
וְלִנְשֵׁיכֶ֔ם
(velinsheikhem)
en voor jullie vrouwen
וּנְשָׂאתֶ֥ם
(unesatem)
en jullie dragen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲבִיכֶ֖ם
(avikhem)
jullie vader
וּבָאתֶֽם
(uvatem)
en jullie komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

עגלות (agalot), ‘wagens’: Egyptische lastwagens; zie vers 21, 27; 46:5.

Aanvullend

Jasher 54:80 zegt dat Jozef elf wagens van de farao gaf, en zijn eigen kroningswagen.

20Heb geen oog voor jullie bezit, want het goede van heel het land Egypte is van jullie.”
וְעֵ֣ינְכֶ֔ם
(veeinekhem)
en jullie oog
אַל
(al)
niet
תָּחֹ֖ס
(tachos)
heb medelijden
עַל
(al)
over
כְּלֵיכֶ֑ם
(keleikhem)
jullie spullen
כִּי
(ki)
want
ט֛וּב
(tuv)
het goede van
כָּל
(kal)
heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
הֽוּא
(hu)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

ועינכם אל תחס על כליכם (ve’eynekhem al tachos al keleikhem), ‘heb geen oog voor jullie bezit’: laat het niet spijten wat achterblijft; letterlijk ‘laat uw oog niet sparen’.

21De zonen van Israël deden dat. Jozef gaf hun wagens op bevel van de farao en gaf hun proviand voor de reis.
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en ze deden
כֵן֙
(ken)
zo
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij gaf
לָהֶ֥ם
(lahem)
hun
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
עֲגָל֖וֹת
(agalot)
wagens
עַל
(al)
op
פִּ֣י
(pi)
bevel van
פַרְעֹ֑ה
(paro)
farao
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en hij gaf
לָהֶ֛ם
(lahem)
hun
צֵדָ֖ה
(tseda)
reisproviand
לַדָּֽרֶךְ
(ladarekh)
voor de weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 54:76–85 vertelt dat Jozef zijn broers koninklijke gewaden gaf, en aan elk van hen tien mannen als dienaren; dat hij aan Benjamin tien stellen kleren voor zijn tien zonen gaf, en aan zijn zus Dina kostbare kleren en balsems stuurde.

Jubileeën 43:21–22 noemt de wagens, de reisproviand, de veelkleurige kleding en de tien ezels.

22Aan hen allen gaf hij ieder een stel feestkleren, en aan Benjamin gaf hij driehonderd zilverstukken en vijf stel feestkleren.
לְכֻלָּ֥ם
(lekhulam)
aan hen allen
נָתַ֛ן
(natan)
hij gaf
לָאִ֖ישׁ
(laish)
aan ieder
חֲלִפ֣וֹת
(chalifot)
stellen van
שְׂמָלֹ֑ת
(semalot)
gewaden
וּלְבִנְיָמִ֤ן
(ulevinyamin)
en aan Benjamin
נָתַן֙
(natan)
hij gaf
שְׁלֹ֣שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
וְחָמֵ֖שׁ
(vechamesh)
en vijf
חֲלִפֹ֥ת
(chalifot)
stellen van
שְׂמָלֹֽת
(semalot)
gewaden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חלפות שׂמלת (chalifot semalot), ‘stellen kleren’: kleren om te verwisselen, feestkleding.

שׁלשׁ מאות כסף (shelosh me’ot kesef), ‘driehonderd zilverstukken’: zie 37:28 (twintig).

Aanvullend

Jasher 54:77 noemt honderd zilverstukken voor ieder en driehonderd voor Benjamin.

23En aan zijn vader zond hij als volgt: tien ezels beladen met het beste van Egypte en tien ezelinnen beladen met graan, brood en voedsel voor zijn vader voor de reis.
וּלְאָבִ֞יו
(uleaviv)
en aan zijn vader
שָׁלַ֤ח
(shalach)
hij zond
כְּזֹאת֙
(kezot)
zoals dit
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
חֲמֹרִ֔ים
(chamorim)
ezels
נֹשְׂאִ֖ים
(noseim)
dragend
מִטּ֣וּב
(mituv)
van het goede van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְעֶ֣שֶׂר
(veeser)
en tien
אֲתֹנֹ֡ת
(atonot)
ezelinnen
נֹֽ֠שְׂאֹת
(noseot)
dragend
בָּ֣ר
(bar)
graan
וָלֶ֧חֶם
(valechem)
en brood
וּמָז֛וֹן
(umazon)
en voedsel
לְאָבִ֖יו
(leaviv)
voor zijn vader
לַדָּֽרֶךְ
(ladarekh)
voor de weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אתנת נשׂאת (atonot nosot), ‘ezelinnen beladen’: zie 12:16.

Aanvullend

Jasher 54:83 en Jubileeën 43:22 noemen ook tien ezels die voedsel droegen.

24Zo liet hij zijn broers gaan, en zij vertrokken. Hij zei tegen hen: „Wees niet in beroering onderweg.”
וַיְשַׁלַּ֥ח
(vayshalach)
en hij liet gaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
וַיֵּלֵ֑כוּ
(vayelekhu)
en ze gingen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
אַֽל
(al)
niet
תִּרְגְּז֖וּ
(tirgezu)
wees in beroering
בַּדָּֽרֶךְ
(badarekh)
onderweg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אל תרגזו (al tirgezu baderekh), ‘wees niet in beroering onderweg’: ragaz betekent ‘beroerd zijn’, ‘beven’ of ‘ruzie maken’; de bedoeling is niet zeker.

Aanvullend

Jasher 54:88 geeft: ‘twist niet onderweg’.

Jakob hoort dat Jozef leeft

25Zij trokken op uit Egypte en kwamen in het land Kanaän bij hun vader Jakob.
וַֽיַּעֲל֖וּ
(vayaalu)
en ze trokken op
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en ze kwamen
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אֲבִיהֶֽם
(avihem)
hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie ookJub 43:23
26Zij vertelden hem: „Jozef leeft nog, en hij is zelfs heerser over het hele land Egypte.” Maar zijn hart bleef koud, want hij geloofde hen niet.
וַיַּגִּ֨דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
ל֜וֹ
(lo)
hem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
ע֚וֹד
(od)
nog
יוֹסֵ֣ף
(yosef)
Jozef
חַ֔י
(chay)
levend
וְכִֽי
(vekhi)
en dat
ה֥וּא
(hu)
hij
מֹשֵׁ֖ל
(moshel)
heerser
בְּכָל
(bekhal)
over heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיָּ֣פָג
(vayafag)
en het verstijfde
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
כִּ֥י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
הֶאֱמִ֖ין
(heemin)
hij geloofde
לָהֶֽם
(lahem)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

ויפג לבו (vayyafag libbo), ‘zijn hart bleef koud’: het ging stil, het verstijfde; zie Hab. 1:4.

27Zij spraken tot hem alle woorden van Jozef die hij tot hen gesproken had. Toen hij de wagens zag die Jozef gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op.
וַיְדַבְּר֣וּ
(vaydaberu)
en ze spraken
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
woorden van
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
דִּבֶּ֣ר
(diber)
hij gesproken had
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
וַיַּרְא֙
(vayar)
en hij zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָ֣עֲגָל֔וֹת
(haagalot)
de wagens
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥ח
(shalach)
hij had gezonden
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לָשֵׂ֣את
(laset)
om te dragen
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
וַתְּחִ֕י
(vatechi)
en leefde op
ר֖וּחַ
(ruach)
geest van
יַעֲקֹ֥ב
(yaaqov)
Jakob
אֲבִיהֶֽם
(avihem)
hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותחי רוח (vattechi ruach Ya’aqov), ‘de geest van Jakob leefde op’: zijn levenskracht kwam terug.

Aanvullend

Jasher 54:92–99 vertelt dat Serach, de dochter van Aser, op de harp speelde en zong dat Jozef leeft, en dat Jakob haar zegende.

Jasher 54:100–104 zegt dat de zonen kwamen met de geschenken en dat Jakob het toen geloofde.

Jubileeën 43:23–24 zegt dat zij het hun vader berichtten en dat hij het niet geloofde, omdat hij in zijn gedachten verbijsterd was.

28Israël zei: „Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog. Ik ga hem zien voordat ik sterf.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
רַ֛ב
(rav)
genoeg
עוֹד
(od)
nog
יוֹסֵ֥ף
(yosef)
Jozef
בְּנִ֖י
(beni)
mijn zoon
חָ֑י
(chay)
levend
אֵֽלְכָ֥ה
(elekha)
ik zal gaan
וְאֶרְאֶ֖נּוּ
(veerenu)
en ik zal hem zien
בְּטֶ֥רֶם
(beterem)
voordat
אָמֽוּת
(amut)
ik sterf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רב (rav), ‘genoeg’: zie Deut. 3:26.

אלכה ואראנו בטרם אמות (elekhah ve’ere’ennu betterem amut), ‘ik ga hem zien voordat ik sterf’.

Aanvullend

Jasher 54:105 zegt hetzelfde.