Elohim Bijbel

Jozua 5

123456789101112131415161718192021222324

De besnijdenis bij Gilgal en de aanvoerder van het leger van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De koningen verliezen de moed

1Alle koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan, in het westen, en alle koningen van de Kanaänieten bij de zee hoorden het. Yahweh had het water van de Jordaan voor de zonen van Israël drooggelegd, tot zij waren overgestoken. Toen werd hun hart moedeloos. Er was geen moed meer in hen, vanwege de zonen van Israël.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
כִשְׁמֹ֣עַ
(kishmoa)
toen hoorden
כָּל
(kal)
alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הָאֱמֹרִ֡י
(haemori)
de Amorieten
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
בְּעֵ֨בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֜ן
(hayarden)
de Jordaan
יָ֗מָּה
(yama)
westwaarts
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַלְכֵ֤י
(malkhei)
koningen van
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaänieten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
aan
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
אֵ֠ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הוֹבִ֨ישׁ
(hovish)
had drooggelegd
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֵ֧י
(mei)
het water van
הַיַּרְדֵּ֛ן
(hayarden)
de Jordaan
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַד
(ad)
tot
עָבְרָ֑ם
(averam)
zij overstaken
וַיִּמַּ֣ס
(vayimas)
en het smolt
לְבָבָ֗ם
(levavam)
hun hart
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֨יָה
(haya)
was
בָ֥ם
(bam)
in hen
עוֹד֙
(od)
nog
ר֔וּחַ
(ruach)
geest
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

וַיִּמַּס (vayimmas), ‘moedeloos worden’: letterlijk ‘smelten’.

Wij vertalen zoals in Joz. 2:11 en Deut. 1:28.

רוּחַ (ruach), ‘moed’: letterlijk ‘geest’. Er is geen kracht meer in hen om zich te verzetten.

Lezing

Het Hebreeuwse woord in de tekst is עָבְרָם (avram), ‘tot zij overstaken’.

De lezing die naast de tekst staat, is עָבְרֵנוּ (avrenu), ‘tot wij overstaken’.

Wij volgen de tekst: ‘tot zij waren overgestoken’.

De besnijdenis bij Gilgal

2In die tijd zei Yahweh tegen Jozua: „Maak voor jezelf messen van vuursteen. Besnijd de zonen van Israël opnieuw, voor de tweede keer.”
בָּעֵ֣ת
(baet)
in tijd
הַהִ֗יא
(hahi)
die
אָמַ֤ר
(amar)
zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
עֲשֵׂ֥ה
(ase)
maak
לְךָ֖
(lekha)
voor jezelf
חַֽרְב֣וֹת
(charvot)
messen van
צֻרִ֑ים
(tsurim)
vuursteen
וְשׁ֛וּב
(veshuv)
en keer terug
מֹ֥ל
(mol)
besnijd
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
שֵׁנִֽית
(shenit)
voor de tweede keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַרְבוֹת צֻרִים (charvot tsurim), ‘messen van vuursteen’: letterlijk ‘zwaarden van vuursteen’.

Het gaat om scherpe stenen messen.

Vergelijk Exod. 4:25.

שֵׁנִית (shenit), ‘voor de tweede keer’: het volk dat uit Egypte kwam, was besneden (vers 5). Nu wordt de nieuwe generatie besneden, zodat het volk als geheel voor de tweede keer wordt besneden. Zie Gen. 17:10–14.

3Jozua maakte voor zich messen van vuursteen. Hij besneed de zonen van Israël bij de Heuvel van de Voorhuiden.
וַיַּעַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
ל֥וֹ
(lo)
voor zich
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
חַֽרְב֣וֹת
(charvot)
messen van
צֻרִ֑ים
(tsurim)
vuursteen
וַיָּ֨מָל֙
(vayamal)
en hij besneed
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
bij
גִּבְעַ֖ת
(givat)
de heuvel van
הָעֲרָלֽוֹת
(haaralot)
de voorhuiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

גִּבְעַת הָעֲרָלוֹת (givat ha-aralot), ‘Heuvel van de Voorhuiden’, ligt vlak bij Gilgal.

De plek is niet bekend.

4Dit was de reden dat Jozua hen besneed. Heel het volk dat uit Egypte was getrokken, de mannen, alle krijgslieden, waren in de woestijn gestorven, onderweg, bij hun uittocht uit Egypte.
וְזֶ֥ה
(veze)
en dit
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
אֲשֶׁר
(asher)
waarom
מָ֣ל
(mal)
besneed
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַיֹּצֵא֩
(hayotse)
dat uittrok
מִמִּצְרַ֨יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
הַזְּכָרִ֜ים
(hazekharim)
de mannen
כֹּ֣ל
(kol)
alle
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de oorlog
מֵ֤תוּ
(metu)
waren gestorven
בַמִּדְבָּר֙
(bamidbar)
in de woestijn
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
onderweg
בְּצֵאתָ֖ם
(betsetam)
bij hun uittocht
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

5Want heel het volk dat was uitgetrokken, was besneden. Maar heel het volk dat in de woestijn was geboren, onderweg, bij hun uittocht uit Egypte, was niet besneden.
כִּֽי
(ki)
want
מֻלִ֣ים
(mulim)
besneden
הָי֔וּ
(hayu)
waren
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הַיֹּֽצְאִ֑ים
(hayotseim)
dat uittrok
וְכָל
(vekhal)
maar heel
הָ֠עָם
(haam)
het volk
הַיִּלֹּדִ֨ים
(hayilodim)
dat geboren was
בַּמִּדְבָּ֥ר
(bamidbar)
in de woestijn
בַּדֶּ֛רֶךְ
(baderekh)
onderweg
בְּצֵאתָ֥ם
(betsetam)
bij hun uittocht
מִמִּצְרַ֖יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
לֹא
(lo)
niet
מָֽלוּ
(malu)
had men besneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

6Want veertig jaar lang waren de zonen van Israël door de woestijn getrokken, totdat heel het volk was verdwenen. Dat waren de krijgslieden die uit Egypte waren getrokken. Zij hadden niet geluisterd naar de stem van Yahweh. Yahweh had hun gezworen dat Hij hun het land niet zou laten zien. Dat land had Yahweh aan hun vaders gezworen ons te geven, een land dat overvloeit van melk en honing.
כִּ֣י
(ki)
want
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
liepen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
בַּמִּדְבָּר֒
(bamidbar)
in de woestijn
עַד
(ad)
tot
תֹּ֨ם
(tom)
was ten einde
כָּל
(kal)
heel
הַגּ֜וֹי
(hagoy)
het volk
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de oorlog
הַיֹּצְאִ֣ים
(hayotseim)
die uittrokken
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
hadden geluisterd
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
aan wie
נִשְׁבַּ֤ע
(nishba)
had gezworen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
לְבִלְתִּ֞י
(levilti)
dat niet
הַרְאוֹתָ֣ם
(harotam)
Hij hen zou laten zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֨ע
(nishba)
had gezworen
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לַֽאֲבוֹתָם֙
(laavotam)
aan hun vaders
לָ֣תֶת
(latet)
te geven
לָ֔נוּ
(lanu)
aan ons
אֶ֛רֶץ
(erets)
een land
זָבַ֥ת
(zavat)
dat overvloeit van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָֽשׁ
(udevash)
en honing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Zie Num. 14:29–33 en Deut. 2:14–16 over de veertig jaar en het wegvallen van die generatie.

זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ (zavat chalav udvash), ‘overvloeiend van melk en honing’: een vaste uitdrukking voor het goede land (Exod. 3:8; Deut. 6:3).

7Hun zonen, die Hij in hun plaats had laten opstaan, besneed Jozua. Zij waren namelijk onbesneden, omdat men hen onderweg niet had besneden.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֵיהֶם֙
(beneihem)
hun zonen
הֵקִ֣ים
(heqim)
Hij had laten opstaan
תַּחְתָּ֔ם
(tachtam)
in hun plaats
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
מָ֣ל
(mal)
besneed
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
כִּי
(ki)
want
עֲרֵלִ֣ים
(arelim)
onbesneden
הָי֔וּ
(hayu)
waren zij
כִּ֛י
(ki)
omdat
לֹא
(lo)
niet
מָ֥לוּ
(malu)
had men besneden
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
בַּדָּֽרֶךְ
(badarekh)
onderweg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Toen heel het volk besneden was, bleven zij op hun plaats in het kamp, tot zij weer gezond waren.
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het gebeurde
כַּאֲשֶׁר
(kaasher)
toen
תַּ֥מּוּ
(tamu)
waren klaar
כָל
(kal)
heel
הַגּ֖וֹי
(hagoy)
het volk
לְהִמּ֑וֹל
(lehimol)
met besneden worden
וַיֵּשְׁב֥וּ
(vayeshevu)
en zij bleven
תַחְתָּ֛ם
(tachtam)
op hun plaats
בַּֽמַּחֲנֶ֖ה
(bamachane)
in het kamp
עַ֥ד
(ad)
tot
חֲיוֹתָֽם
(chayotam)
zij weer gezond waren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 34:25
9Yahweh zei tegen Jozua: „Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van jullie afgerold.” Daarom noemde men die plaats Gilgal, tot op deze dag.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
גַּלּ֛וֹתִי
(galoti)
heb Ik afgerold
אֶת
(et)
(obj.)
חֶרְפַּ֥ת
(cherpat)
de smaad van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
מֵעֲלֵיכֶ֑ם
(mealeikhem)
van jullie
וַיִּקְרָ֞א
(vayiqra)
en men noemde
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
הַמָּק֤וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַהוּא֙
(hahu)
die
גִּלְגָּ֔ל
(gilgal)
Gilgal
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gilgal ligt volgens Joz. 4:19 aan de oostkant van Jericho, bij de Jordaan.

De precieze plek is niet bekend (ligging onzeker).

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

גַּלְגַּל (Gilgal) klinkt als גַּלּוֹתִי (galloti), ‘Ik heb afgerold’, van גָּלַל (galal), ‘rollen’.

Wat met ‘de smaad van Egypte’ precies bedoeld is, zegt de tekst niet.

Wij vertalen de woorden zoals ze staan.

Het Pesach en het einde van het manna

10De zonen van Israël sloegen hun kamp op bij Gilgal. Op de veertiende dag van de maand, 's avonds, hielden zij het Pesach in de vlakten van Jericho.
וַיַּחֲנ֥וּ
(vayachanu)
en zij sloegen kamp op
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בַּגִּלְגָּ֑ל
(bagilgal)
in Gilgal
וַיַּעֲשׂ֣וּ
(vayaasu)
en zij hielden
אֶת
(et)
(obj.)
הַפֶּ֡סַח
(hapesach)
het Pesach
בְּאַרְבָּעָה֩
(bearbaa)
op de vier
עָשָׂ֨ר
(asar)
tien
י֥וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֛דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
בָּעֶ֖רֶב
(baerev)
's avonds
בְּעַֽרְב֥וֹת
(bearvot)
in de vlakten van
יְרִיחֽוֹ
(yericho)
Jericho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

עַרְבוֹת יְרִיחוֹ (arvot Yeriycho), ‘de vlakten van Jericho’: het dal bij de Jordaan.

Jericho ligt bij het huidige Jericho (Tel es-Soeltan) op de Westelijke Jordaanoever, ongeveer 10 kilometer ten westen van de Jordaan.

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Vlakten van Jericho: De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho.

Uitleg

הַפֶּסַח (ha-Pesach), ‘het Pesach’.

De veertiende dag van de eerste maand is de vaste dag (Exod. 12:6; Lev. 23:5).

Zie ook Joz. 4:19.

11De dag na het Pesach aten zij van de opbrengst van het land: ongezuurde broden en geroosterd graan. Dat deden zij op diezelfde dag.
וַיֹּ֨אכְל֜וּ
(vayokhlu)
en zij aten
מֵעֲב֥וּר
(meavur)
van de opbrengst van
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
מִמָּֽחֳרַ֥ת
(mimachorat)
de dag na
הַפֶּ֖סַח
(hapesach)
het Pesach
מַצּ֣וֹת
(matsot)
ongezuurde broden
וְקָל֑וּי
(veqaluy)
en geroosterd graan
בְּעֶ֖צֶם
(beetsem)
op dezelfde
הַיּ֥וֹם
(hayom)
dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲבוּר הָאָרֶץ (avur ha-arets), ‘de opbrengst van het land’: de oogst van het land.

Wat de dag na het Pesach wordt gegeten, is de eerste oogst in Kanaän.

Vergelijk Lev. 23:14.

קָלוּי (qalui), ‘geroosterd graan’: graan dat in het vuur is geroosterd.

12Op de dag nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten, hield het manna op. Er was voor de zonen van Israël geen manna meer. In dat jaar aten zij van de oogst van het land Kanaän.
וַיִּשְׁבֹּ֨ת
(vayishbot)
en het hield op
הַמָּ֜ן
(haman)
het manna
מִֽמָּחֳרָ֗ת
(mimachorat)
de dag na
בְּאָכְלָם֙
(beakhelam)
toen zij aten
מֵעֲב֣וּר
(meavur)
van de opbrengst van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֥יָה
(haya)
was
ע֛וֹד
(od)
meer
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מָ֑ן
(man)
manna
וַיֹּאכְל֗וּ
(vayokhlu)
en zij aten
מִתְּבוּאַת֙
(mitevuat)
van de oogst van
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
בַּשָּׁנָ֖ה
(bashana)
in het jaar
הַהִֽיא
(hahi)
dat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

הַמָּן (ha-man), ‘het manna’: het voedsel dat Elohim veertig jaar gaf (Exod. 16:35).

Vanaf deze dag eten zij van de oogst van het land.

De aanvoerder van het leger van Yahweh

13Jozua was bij Jericho. Hij sloeg zijn ogen op en zag een man tegenover zich staan, met zijn zwaard getrokken in zijn hand. Jozua ging naar hem toe en zei tegen hem: „Ben jij voor ons of voor onze tegenstanders?”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
בִּֽהְי֣וֹת
(bihyot)
toen was
יְהוֹשֻׁעַ֮
(yehoshua)
Jozua
בִּירִיחוֹ֒
(biricho)
bij Jericho
וַיִּשָּׂ֤א
(vayisa)
en hij sloeg op
עֵינָיו֙
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֔רְא
(vayar)
en zag
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
אִישׁ֙
(ish)
een man
עֹמֵ֣ד
(omed)
stond
לְנֶגְדּ֔וֹ
(lenegdo)
tegenover hem
וְחַרְבּ֥וֹ
(vecharbo)
en zijn zwaard
שְׁלוּפָ֖ה
(shelufa)
getrokken
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem toe
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֔וֹ
(lo)
tegen hem
הֲלָ֥נוּ
(halanu)
ben je voor ons
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
אִם
(im)
of
לְצָרֵֽינוּ
(letsareinu)
voor onze tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

De man met het getrokken zwaard noemt zich in vers 14 de aanvoerder van het leger van Yahweh.

Vergelijk Num. 22:23, waar de engel van Yahweh met een getrokken zwaard staat.

14Hij zei: „Nee, maar Ik ben de aanvoerder van het leger van Yahweh. Nu ben Ik gekomen.” Toen viel Jozua met zijn gezicht op de grond en boog zich neer. Hij zei tegen Hem: „Wat zegt mijn Heer tot Zijn dienaar?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֗א
(lo)
nee
כִּ֛י
(ki)
maar
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
שַׂר
(sar)
aanvoerder van
צְבָֽא
(tseva)
het leger van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
בָ֑אתִי
(bati)
ben Ik gekomen
וַיִּפֹּל֩
(vayipol)
en viel
יְהוֹשֻׁ֨עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
op
פָּנָ֥יו
(panav)
zijn gezicht
אַ֨רְצָה֙
(artsa)
naar de grond
וַיִּשְׁתָּ֔חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֔וֹ
(lo)
tegen Hem
מָ֥ה
(ma)
wat
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn Heer
מְדַבֵּ֥ר
(medaber)
spreekt
אֶל
(el)
tot
עַבְדּֽוֹ
(avdo)
Zijn dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂר־צְבָא־יְהוָה (sar-tseva-Yahweh), ‘aanvoerder van het leger van Yahweh’.

Jozua buigt zich voor hem neer, en de man laat dit toe.

Hij noemt de plaats heilig (vers 15), net als Yahweh bij de doornstruik (Exod. 3:2–6).

Daarom zetten wij zijn woorden in rood, en schrijven wij de voornaamwoorden met een hoofdletter.

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: een aanspreking.

15De aanvoerder van het leger van Yahweh zei tegen Jozua: „Trek je sandalen van je voeten, want de plaats waar je staat is heilig.” Jozua deed dat.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
שַׂר
(sar)
de aanvoerder van
צְבָ֨א
(tseva)
het leger van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
שַׁל
(shal)
trek uit
נַֽעַלְךָ֙
(naalkha)
je sandaal
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
רַגְלֶ֔ךָ
(raglekha)
je voet
כִּ֣י
(ki)
want
הַמָּק֗וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
עֹמֵ֥ד
(omed)
staat
עָלָ֖יו
(alav)
daarop
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
heilig
ה֑וּא
(hu)
is zij
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het uittrekken van de sandalen is een teken van eerbied voor de heilige plaats.

Zie Exod. 3:5.