Elohim Bijbel

Ezechiël 29

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Het oordeel over farao en Egypte, en Egypte als loon voor Nebukadnezar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Tegen farao, het grote monster

1In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij:
בַּשָּׁנָה֙
(bashana)
in het jaar
הָעֲשִׂירִ֔ית
(haasirit)
het tiende
בָּעֲשִׂרִ֕י
(baasiri)
in het tiende
בִּשְׁנֵ֥ים
(bishneim)
op twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ezechiël telt de jaren vanaf de ballingschap van Jojachin (zie Ezech. 1:2).

Dit woord is gedateerd vóór het woord van 26:1 (het elfde jaar). De oordeelswoorden zijn in dit boek naar onderwerp geordend: eerst Tyrus (26–28), nu Egypte (29–32).

2„Mensenkind, richt je gezicht op farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
שִׂ֣ים
(sim)
zet
פָּנֶ֔יךָ
(paneikha)
je gezicht
עַל
(al)
tegen
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהִנָּבֵ֣א
(vehinave)
en profeteer
עָלָ֔יו
(alav)
tegen hem
וְעַל
(veal)
en tegen
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
כֻּלָּֽהּ
(kulah)
geheel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

פרעה (Par’oh), ‘farao’: de titel van de koning van Egypte.

Wij schrijven ‘farao’ met kleine letter, zoals in de eerdere boeken.

3Spreek en zeg: Zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik ben tegen je, farao, koning van Egypte, het grote monster dat midden in zijn Nijlarmen ligt. Hij zegt: ‘Mijn Nijl is van mij en ik heb mijzelf gemaakt.’
דַּבֵּ֨ר
(daber)
spreek
וְאָמַרְתָּ֜
(veamarta)
en je zult zeggen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Ik
עָלֶ֨יךָ֙
(aleikha)
tegen jou
פַּרְעֹ֣ה
(paro)
farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
הַתַּנִּים֙
(hatanim)
het monster
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
het grote
הָרֹבֵ֖ץ
(harovets)
dat ligt
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
יְאֹרָ֑יו
(yeorav)
zijn Nijlarmen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אָמַ֛ר
(amar)
zei
לִ֥י
(li)
van mij
יְאֹרִ֖י
(yeori)
mijn Nijl
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en ik
עֲשִׂיתִֽנִי
(asitini)
ik heb mij gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Uitleg

התנים (hattannim), ‘het monster’: een groot waterdier.

In Gen. 1:21 heten de tanninim ‘grote zeedieren’; in Exod. 7:9–12 is het een slang.

Hier is farao het monster dat in de Nijl ligt.

יאריו (ye’orav), ‘zijn Nijlarmen’: יאר (ye’or) is een woord voor de Nijl dat uit het Egyptisch komt. Het meervoud staat voor de armen en kanalen van de rivier.

עשׂיתני (asitani), ‘ik heb mijzelf gemaakt’: letterlijk ‘ik heb mij gemaakt’. In vers 9 staat alleen ‘ik heb gemaakt’. Wij volgen in beide verzen de Masoretische tekst.

4Ik doe haken in je kaken en laat de vissen van je Nijlarmen aan je schubben kleven. Ik haal je op uit het midden van je Nijlarmen, samen met alle vissen van je Nijlarmen die aan je schubben kleven.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
חַחִים֙
(chachim)
haken
בִּלְחָיֶ֔יךָ
(bilchayeikha)
in je kaken
וְהִדְבַּקְתִּ֥י
(vehidbaqti)
en Ik zal laten kleven
דְגַת
(degat)
vis van
יְאֹרֶ֖יךָ
(yeoreikha)
je Nijlarmen
בְּקַשְׂקְשֹׂתֶ֑יךָ
(beqasqesoteikha)
aan je schubben
וְהַעֲלִיתִ֨יךָ֙
(vehaalitikha)
en Ik zal je ophalen
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
יְאֹרֶ֔יךָ
(yeoreikha)
je Nijlarmen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
דְּגַ֣ת
(degat)
vis van
יְאֹרֶ֔יךָ
(yeoreikha)
je Nijlarmen
בְּקַשְׂקְשֹׂתֶ֖יךָ
(beqasqesoteikha)
aan je schubben
תִּדְבָּֽק
(tidbaq)
zal kleven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חחים (chachim), ‘haken’: zoals men een gevangen dier meevoert.

De vissen kleven aan zijn schubben als hij uit het water wordt getrokken.

5Ik werp je de woestijn in, jou en alle vissen van je Nijlarmen. Je valt op het open veld. Je wordt niet verzameld en niet bijeengebracht. Ik geef je als voedsel aan de dieren van de aarde en aan de vogels van de hemel.
וּנְטַשְׁתִּ֣יךָ
(unetashtikha)
en Ik zal je neerwerpen
הַמִּדְבָּ֗רָה
(hamidbara)
naar de woestijn
אוֹתְךָ֙
(otekha)
jou
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
דְּגַ֣ת
(degat)
vis van
יְאֹרֶ֔יךָ
(yeoreikha)
je Nijlarmen
עַל
(al)
op
פְּנֵ֤י
(penei)
het oppervlak van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
תִּפּ֔וֹל
(tipol)
je zult vallen
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵאָסֵ֖ף
(teasef)
je zult verzameld worden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִקָּבֵ֑ץ
(tiqavets)
je zult bijeengebracht worden
לְחַיַּ֥ת
(lechayat)
aan het dier van
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
de aarde
וּלְע֥וֹף
(uleof)
en aan de vogel van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
נְתַתִּ֥יךָ
(netatikha)
Ik geef je
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
tot voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het beeld van het monster gaat over in dat van een gevangen dier dat dood in de woestijn blijft liggen; wie sterft zonder begraven te worden, wordt voedsel voor dieren.

6Dan zullen alle bewoners van Egypte weten dat Ik Yahweh ben, omdat zij voor het huis van Israël een rietstaf zijn geweest.
וְיָֽדְעוּ֙
(veyadeu)
en zij zullen weten
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
כִּ֖י
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֧עַן
(yaan)
omdat
הֱיוֹתָ֛ם
(heyotam)
hun zijn
מִשְׁעֶ֥נֶת
(mishenet)
steun van
קָנֶ֖ה
(qane)
riet
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

משׁענת קנה (mish’enet qaneh), ‘rietstaf’: een riet breekt als men erop leunt; zie ook Jes. 36:6.

7Als zij je met de hand grepen, brak je en scheurde je hun hele schouder open. Als zij op je leunden, brak je en liet je al hun heupen wankelen.
בְּתָפְשָׂ֨ם
(betafesam)
bij hun grijpen
בְּךָ֤
(bekha)
je
בַכַּף֙
(bakaf)
met de hand
תֵּר֔וֹץ
(terots)
je brak
וּבָקַעְתָּ֥
(uvaqata)
en je scheurde open
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
כָּל
(kal)
heel
כָּתֵ֑ף
(katef)
schouder
וּבְהִֽשָּׁעֲנָ֤ם
(uvehishaanam)
en bij hun leunen
עָלֶ֨יךָ֙
(aleikha)
op jou
תִּשָּׁבֵ֔ר
(tishaver)
je brak
וְהַעֲמַדְתָּ֥
(vehaamadta)
en je liet staan
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
כָּל
(kal)
heel
מָתְנָֽיִם
(matenayim)
heupen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תרוץ (tarots), ‘je brak’, en ובקעת (uvaqa’at), ‘en je scheurde open’: Egypte bleek een steun die brak en wondde.

והעמדת (vehe’emadta), ‘en je liet staan’: dit is de Masoretische tekst. Sommige oude vertalingen lezen een ander woord; wij vertalen ‘liet wankelen’.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat בכפך (bekhappekha), ‘in je hand’.

De voorgelezen tekst (qere) is בכף (bakkaf), ‘met de hand’.

Wij volgen de qere.

Egypte wordt veertig jaar woest

8Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik breng het zwaard over je en snijd mens en dier van je af.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֛י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֥יא
(mevi)
brengend
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
over jou
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
וְהִכְרַתִּ֥י
(vehikhrati)
en Ik zal afsnijden
מִמֵּ֖ךְ
(mimekh)
van jou
אָדָ֥ם
(adam)
mens
וּבְהֵמָֽה
(uvehema)
en dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Egypte wordt hier door het zwaard getroffen.

Het vers noemt niet wie het zwaard brengt; zie vers 19.

9Het land Egypte wordt een woestenij en een ruïne. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, omdat hij zei: ‘De Nijl is van mij, en ik heb hem gemaakt.’
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
אֶֽרֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
לִשְׁמָמָ֣ה
(lishmama)
tot verwoesting
וְחָרְבָּ֔ה
(vecharba)
en ruïne
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֧עַן
(yaan)
omdat
אָמַ֛ר
(amar)
hij zei
יְאֹ֥ר
(yeor)
Nijl
לִ֖י
(li)
van mij
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en ik
עָשִֽׂיתִי
(asiti)
ik heb gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

10Daarom, zie, Ik ben tegen jou en tegen je Nijlarmen. Ik maak het land Egypte tot puinhopen, ruïnes en verwoesting, van Migdol tot Sevene, tot aan de grens van Kush.
לָכֵ֛ן
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Ik
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tegen jou
וְאֶל
(veel)
en tegen
יְאֹרֶ֑יךָ
(yeoreikha)
je Nijlarmen
וְנָתַתִּ֞י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְחָרְבוֹת֙
(lecharevot)
tot ruïnes van
חֹ֣רֶב
(chorev)
ruïne
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
verwoesting
מִמִּגְדֹּ֥ל
(mimigdol)
van Migdol
סְוֵנֵ֖ה
(sevene)
Sevene
וְעַד
(vead)
en tot
גְּב֥וּל
(gevul)
grens van
כּֽוּשׁ
(kush)
Kush
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Migdol: Migdol (‘toren, fort’) was een grensfort in het oosten van de Nijldelta.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.

Uitleg

לחרבות חרב שׁממה (lecharvot cherev shemamah) zijn drie woorden voor verwoesting op een rij; wij vertalen ‘puinhopen, ruïnes en verwoesting’.

ממגדל סונה (miMigdol Sevenah), ‘van Migdol tot Sevene’: Migdol ligt in het noordoosten van Egypte (zie Exod. 14:2) en Sevene (Syene, het huidige Aswan) in het zuiden. De uitdrukking betekent: heel Egypte, van noord naar zuid.

כושׁ (Kush): het land ten zuiden van Egypte.

11Geen mensenvoet gaat erdoor en geen dierenvoet gaat erdoor. Veertig jaar wordt het niet bewoond.
לֹ֤א
(lo)
niet
תַעֲבָר
(taavar)
zal doorgaan
בָּהּ֙
(bah)
erdoor
רֶ֣גֶל
(regel)
voet van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
וְרֶ֥גֶל
(veregel)
en voet van
בְּהֵמָ֖ה
(behema)
dier
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעֲבָר
(taavar)
zal doorgaan
בָּ֑הּ
(bah)
erdoor
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תֵשֵׁ֖ב
(teshev)
zal bewoond worden
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Veertig jaar’ is een ronde periode in de Schrift.

Het Hebreeuws zegt niet vanaf wanneer.

12Ik maak het land Egypte tot een woestenij midden onder verwoeste landen. Haar steden zullen veertig jaar een woestenij zijn midden onder verwoeste steden. Ik verspreid de Egyptenaren onder de volken en strooi hen uit over de landen.
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
אֶרֶץ֩
(erets)
land van
מִצְרַ֨יִם
(mitsrayim)
Egypte
שְׁמָמָ֜ה
(shemama)
verwoesting
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
אֲרָצ֣וֹת
(aratsot)
landen
נְשַׁמּ֗וֹת
(neshamot)
verwoeste
וְעָרֶ֨יהָ֙
(veareiha)
en haar steden
בְּת֨וֹךְ
(betokh)
te midden van
עָרִ֤ים
(arim)
steden
מָֽחֳרָבוֹת֙
(machoravot)
in puin liggende
תִּֽהְיֶ֣יןָ
(tihyeina)
zij zullen zijn
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
verwoesting
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַהֲפִצֹתִ֤י
(vahafitsoti)
en Ik zal verspreiden
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
וְֽזֵרִיתִ֖ים
(vezeritim)
en Ik zal hen uitstrooien
בָּאֲרָצֽוֹת
(baaratsot)
in de landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

13Want zo zegt Heer Yahweh: Aan het einde van veertig jaar verzamel Ik de Egyptenaren uit de volken waarheen zij verspreid waren.
כִּ֛י
(ki)
want
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִקֵּ֞ץ
(miqets)
vanaf het einde van
אַרְבָּעִ֤ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
אֲקַבֵּ֣ץ
(aqabets)
Ik zal verzamelen
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
מִן
(min)
uit
הָעַמִּ֖ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
נָפֹ֥צוּ
(nafotsu)
zij verspreid waren
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Egypte wordt na veertig jaar hersteld, maar op kleine schaal (vers 14–15).

14Ik keer het lot van Egypte en breng hen terug naar het land Patros, het land van hun herkomst. Daar zullen zij een gering koninkrijk zijn.
וְשַׁבְתִּי֙
(veshavti)
en Ik zal laten terugkeren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁב֣וּת
(shevut)
lot van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַהֲשִׁבֹתִ֤י
(vahashivoti)
en Ik zal hen terugbrengen
אֹתָם֙
(otam)
hen
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
פַּתְר֔וֹס
(patros)
Patros
עַל
(al)
naar
אֶ֖רֶץ
(erets)
land van
מְכֽוּרָתָ֑ם
(mekhuratam)
hun herkomst
וְהָ֥יוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
שָׁ֖ם
(sham)
daar
מַמְלָכָ֥ה
(mamlakha)
koninkrijk
שְׁפָלָֽה
(shefala)
laag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Patros (Opper-Egypte): Patros is Opper-Egypte, het zuiden van Egypte langs de Nijl, ten zuiden van de delta.

De grenzen zijn niet scherp te trekken.

Uitleg

שׁבות מצרים (shevut Mitsrayim), ‘het lot van Egypte’: dezelfde uitdrukking als in Ps. 126:1, daar over Sion.

פתרוס (Patros), ‘Patros’: Opper-Egypte, het zuiden van het land.

ארץ מכורתם (erets mekhoratam), ‘het land van hun herkomst’: het land waar zij oorspronkelijk vandaan komen.

15Het zal lager zijn dan de andere koninkrijken en zich niet meer boven de volken verheffen. Ik maak hen klein, zodat zij niet meer over de volken heersen.
מִן
(min)
van
הַמַּמְלָכוֹת֙
(hamamlakhot)
de koninkrijken
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
het zal zijn
שְׁפָלָ֔ה
(shefala)
laag
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִתְנַשֵּׂ֥א
(titnase)
het zal zich verheffen
ע֖וֹד
(od)
meer
עַל
(al)
boven
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וְהִ֨מְעַטְתִּ֔ים
(vehimattim)
en Ik zal hen klein maken
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
opdat niet
רְד֥וֹת
(redot)
heersen
בַּגּוֹיִֽם
(bagoyim)
over de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘van de koninkrijken’ (מן, min).

Wij vertalen ‘lager dan de andere koninkrijken’: Egypte zal het geringste zijn.

16Het zal voor het huis van Israël geen vertrouwen meer zijn. Het herinnert hen aan hun schuld wanneer zij zich naar hen wenden. Dan zullen zij weten dat Ik Heer Yahweh ben.”
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִֽהְיֶה
(yihye)
het zal zijn
עוֹד֩
(od)
meer
לְבֵ֨ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
לְמִבְטָח֙
(lemivtach)
tot vertrouwen
מַזְכִּ֣יר
(mazkir)
herinnerend aan
עָוֺ֔ן
(avon)
schuld
בִּפְנוֹתָ֖ם
(bifnotam)
bij hun zich wenden
אַחֲרֵיהֶ֑ם
(achareihem)
achter hen
וְיָ֣דְע֔וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּ֥י
(ki)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מזכיר עון (mazkir avon), ‘die aan de schuld herinnert’: Israël zocht eerder steun bij Egypte.

Wie zich weer tot Egypte wendt, wordt aan die schuld herinnerd.

אדני יהוה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4.

Egypte als loon voor Nebukadnezar

17In het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij:
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בְּעֶשְׂרִ֤ים
(beesrim)
in twintig
וָשֶׁ֨בַע֙
(vasheva)
en zeven
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
בָּֽרִאשׁ֖וֹן
(barishon)
in de eerste
בְּאֶחָ֣ד
(beechad)
op één
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit woord is later gedateerd dan de woorden in 26:1 en 29:1.

Het staat hier omdat het Tyrus en Egypte met elkaar verbindt.

18„Mensenkind, Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft zijn leger een zware dienst laten verrichten tegen Tyrus. Elk hoofd is kaal geworden en elke schouder is kaalgeschuurd. Maar loon heeft hij noch zijn leger van Tyrus gekregen voor de dienst die hij tegen haar verrichtte.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּ֠בֶל
(bavel)
Babel
הֶעֱבִ֨יד
(heevid)
liet dienen
אֶת
(et)
(obj.)
חֵיל֜וֹ
(cheilo)
zijn leger
עֲבֹדָ֤ה
(avoda)
dienst
גְדֹלָה֙
(gedola)
zware
אֶל
(el)
tegen
צֹ֔ר
(tsor)
Tyrus
כָּל
(kal)
elk
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd
מֻקְרָ֔ח
(muqrach)
kaalgemaakt
וְכָל
(vekhal)
en elke
כָּתֵ֖ף
(katef)
schouder
מְרוּטָ֑ה
(meruta)
kaalgeschuurd
וְ֠שָׂכָר
(vesakhar)
en loon
לֹא
(lo)
niet
הָ֨יָה
(haya)
was
ל֤וֹ
(lo)
voor hem
וּלְחֵילוֹ֙
(ulecheilo)
en voor zijn leger
מִצֹּ֔ר
(mitsor)
van Tyrus
עַל
(al)
voor
הָעֲבֹדָ֖ה
(haavoda)
de dienst
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָבַ֥ד
(avad)
hij deed
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Uitleg

מקרח (maqrach), ‘kaal’, en מרוטה (meruta), ‘kaalgeschuurd’: de soldaten droegen zo lang en zwaar dat hun hoofden kaal werden van de helmen en hun schouders stuk waren van de lasten.

Het leger heeft zwaar gewerkt tegen Tyrus (zie 26:7–14) en kreeg daarvoor geen loon.

19Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik geef het land Egypte aan Nebukadnezar, de koning van Babel. Hij voert haar rijkdom weg. Hij plundert haar buit en rooft haar roof. Dat zal het loon zijn voor zijn leger.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Ik
נֹתֵ֛ן
(noten)
gevend
לִנְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר
(linvukhadretsar)
aan Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְנָשָׂ֨א
(venasa)
en hij zal wegdragen
הֲמֹנָ֜הּ
(hamonah)
haar rijkdom
וְשָׁלַ֤ל
(veshalal)
en hij zal plunderen
שְׁלָלָהּ֙
(shelalah)
haar buit
וּבָזַ֣ז
(uvazaz)
en hij zal roven
בִּזָּ֔הּ
(bizah)
haar roof
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en het zal zijn
שָׂכָ֖ר
(sakhar)
loon
לְחֵילֽוֹ
(lecheilo)
voor zijn leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

המנה (hamonah), ‘haar rijkdom’: van המון (hamon), ‘menigte’ of ‘rijkdom’.

Het kan ook ‘haar menigte’ betekenen.

20Als loon voor zijn werk, dat hij tegen haar verricht heeft, geef Ik hem het land Egypte, omdat zij het voor Mij gedaan hebben, godsspraak van Heer Yahweh.
פְּעֻלָּתוֹ֙
(peulato)
zijn loon
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָ֣בַד
(avad)
hij diende
בָּ֔הּ
(bah)
tegen haar
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik gaf
ל֖וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁר֙
(asher)
omdat
עָ֣שׂוּ
(asu)
zij deden
לִ֔י
(li)
voor Mij
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

נאם אדני יהוה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11.

Yahweh noemt Nebukadnezars leger als Zijn werktuig: zij hebben ‘voor Mij’ gewerkt.

21Op die dag laat Ik een hoorn uitspruiten voor het huis van Israël. Jou geef Ik een geopende mond in hun midden. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
אַצְמִ֤יחַ
(atsmiach)
Ik zal laten uitspruiten
קֶ֨רֶן֙
(qeren)
hoorn
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּלְךָ֛
(ulekha)
en aan jou
אֶתֵּ֥ן
(eten)
Ik zal geven
פִּתְחֽוֹן
(pitchon)
opening van
פֶּ֖ה
(pe)
mond
בְּתוֹכָ֑ם
(betokham)
in hun midden
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קרן (qeren), ‘hoorn’: een beeld van kracht en macht, zoals bij een stier.

פתחון פה (pitchon peh), ‘een geopende mond’: Ezechiël mag vrijuit spreken; zie Ezech. 24:27 en 33:22.