Elohim Bijbel

Sefanja 2

123

Zoek Yahweh voordat de dag komt; het oordeel over de volken rondom

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zoek Yahweh voordat de dag komt

1Verzamel jullie en kom bijeen, volk dat zich niet schaamt.
הִֽתְקוֹשְׁשׁ֖וּ
(hitqosheshu)
verzamel jullie
וָק֑וֹשּׁוּ
(vaqoshu)
en kom bijeen
הַגּ֖וֹי
(hagoy)
volk
לֹ֥א
(lo)
dat niet
נִכְסָֽף
(nikhsaf)
zich schaamt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִתְקוֹשְׁשׁוּ וָקוֹשּׁוּ (hitqoshshu vaqoshu), ‘verzamel jullie en kom bijeen’: het werkwoord is verwant aan קַשׁ (qash), ‘stoppel’.

Het kan betekenen: ‘zoals stoppels bij elkaar komen’ of ‘onderzoek jezelf’.

Wij kiezen ‘verzamel jullie en kom bijeen’.

לֹא נִכְסָף (lo nikhsaf), ‘dat zich niet schaamt’: het werkwoord kasaf betekent ‘verlangen’; hier kan het ook ‘bleek worden van schaamte’ zijn. De betekenis is onzeker; andere mogelijkheden zijn ‘volk dat niet begeerd wordt’ en ‘volk zonder verlangen’.

2Voordat het besluit geboren wordt, voordat de dag als kaf voorbijgaat. Voordat de gloeiende toorn van Yahweh over jullie komt, voordat de dag van de toorn van Yahweh over jullie komt.
בְּטֶ֨רֶם֙
(beterem)
voordat
לֶ֣דֶת
(ledet)
geboren wordt
חֹ֔ק
(choq)
het besluit
כְּמֹ֖ץ
(kemots)
als kaf
עָ֣בַר
(avar)
gaat voorbij
י֑וֹם
(yom)
de dag
בְּטֶ֣רֶם
(beterem)
voordat
לֹא
(lo)
(niet)
יָב֣וֹא
(yavo)
komt
עֲלֵיכֶ֗ם
(aleikhem)
over jullie
חֲרוֹן֙
(charon)
de gloeiende
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּטֶ֨רֶם֙
(beterem)
voordat
לֹא
(lo)
(niet)
יָב֣וֹא
(yavo)
komt
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
over jullie
י֖וֹם
(yom)
de dag van
אַף
(af)
de toorn van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֶדֶת חֹק (ledet choq), ‘geboren wordt het besluit’: letterlijk ‘bij het baren van een besluit’.

Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk.

Wij lezen: voordat het besluit van Yahweh tot leven komt, en voordat de dag als kaf voorbijgaat.

Vergelijk ‘kaf’ in Ps. 1:4.

בְּטֶרֶם לֹא (beterem lo), ‘voordat … niet’: in het Hebreeuws staat bij ‘voordat’ vaak ook ‘niet’. Wij laten dat ‘niet’ weg, zoals in het Nederlands.

חֲרוֹן אַף (charon af), ‘gloeiende toorn’: letterlijk ‘gloed van de neus’; de neus is in het Hebreeuws de plaats van de toorn.

3Zoek Yahweh, alle ootmoedigen van het land, die Zijn recht hebben gedaan. Zoek gerechtigheid, zoek ootmoed. Misschien worden jullie verborgen op de dag van de toorn van Yahweh.
בַּקְּשׁ֤וּ
(baqeshu)
zoekt
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
alle
עַנְוֵ֣י
(anvei)
ootmoedigen van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מִשְׁפָּט֖וֹ
(mishpato)
Zijn recht
פָּעָ֑לוּ
(paalu)
hebben gedaan
בַּקְּשׁוּ
(baqeshu)
zoekt
צֶ֨דֶק֙
(tsedeq)
gerechtigheid
בַּקְּשׁ֣וּ
(baqeshu)
zoekt
עֲנָוָ֔ה
(anava)
ootmoed
אוּלַי֙
(ulay)
misschien
תִּסָּ֣תְר֔וּ
(tisateru)
worden jullie verborgen
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
אַף
(af)
de toorn van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַנְוֵי הָאָרֶץ (anvei ha’arets), ‘ootmoedigen van het land’: mensen die Yahweh niet hooghartig tegemoet treden.

Vergelijk de Lezing bij Amos 8:4, waar de geschreven tekst ook ‘ootmoedigen’ heeft.

אֲשֶׁר מִשְׁפָּטוֹ פָּעָלוּ (asher mishpato pa’alu), ‘die Zijn recht hebben gedaan’: die Zijn rechtsregels hebben uitgevoerd.

אוּלַי תִּסָּתְרוּ (ulai tissateru), ‘misschien worden jullie verborgen’: verborgen voor de toorn, dus beschermd. De tekst belooft het niet; er staat ‘misschien’.

Oordeel over de Filistijnen

4Want Gaza zal verlaten zijn en Askelon een woestenij. Asdod wordt op de middag verdreven en Ekron wordt ontworteld.
כִּ֤י
(ki)
want
עַזָּה֙
(aza)
Gaza
עֲזוּבָ֣ה
(azuva)
verlaten
תִֽהְיֶ֔ה
(tihye)
zal zijn
וְאַשְׁקְל֖וֹן
(veashqelon)
en Askelon
לִשְׁמָמָ֑ה
(lishmama)
tot woestenij
אַשְׁדּ֗וֹד
(ashdod)
Asdod
בַּֽצָּהֳרַ֨יִם֙
(batsahorayim)
op de middag
יְגָ֣רְשׁ֔וּהָ
(yegareshuha)
men zal haar verdrijven
וְעֶקְר֖וֹן
(veeqron)
en Ekron
תֵּעָקֵֽר
(teaqer)
wordt ontworteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land.

Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza.

Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.

Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte.

Uitleg

Het Hebreeuws speelt met de klank van de namen: עַזָּה עֲזוּבָה (Azzah azuvah), ‘Gaza zal verlaten zijn’, en עֶקְרוֹן תֵּעָקֵר (Eqron te’aqer), ‘Ekron wordt ontworteld’.

בַּצָּהֳרַיִם (batsohorayim), ‘op de middag’: midden op de dag, dus plotseling en zonder uitstel.

יְגָרְשׁוּהָ (yegarshuha), ‘men verdrijft haar’: letterlijk ‘zij zullen haar verdrijven’; wij schrijven de lijdende vorm.

Van de vijf steden van de Filistijnen (Joz. 13:3) noemt Sefanja Gaza, Askelon, Asdod en Ekron. Gat wordt niet genoemd; zo ook in Amos 1:6–8.

5Wee, bewoners van de kuststreek, volk van de Kerethieten! Het woord van Yahweh is tegen jullie. „Kanaän, land van de Filistijnen, Ik zal je vernietigen, zodat er geen bewoner is.”
ה֗וֹי
(hoy)
wee
יֹֽשְׁבֵ֛י
(yoshevei)
bewoners van
חֶ֥בֶל
(chevel)
de kuststreek van
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
גּ֣וֹי
(goy)
volk van
כְּרֵתִ֑ים
(keretim)
de Kerethieten
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֗ם
(aleikhem)
tegen jullie
כְּנַ֨עַן֙
(kenaan)
Kanaän
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְהַאֲבַדְתִּ֖יךְ
(vehaavadtikh)
en Ik zal je vernietigen
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
יוֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

חֶבֶל הַיָּם (chevel hayam), ‘de kuststreek’: letterlijk ‘het touw van de zee’; een touw werd gebruikt om land af te meten.

Het is de strook land langs de zee.

כְּרֵתִים (Keretim), ‘de Kerethieten’: een volk dat bij de Filistijnen hoort (1 Sam. 30:14; 2 Sam. 8:18).

כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: hier de kuststreek van de Filistijnen.

6De kuststreek wordt weidegrond: kuilen voor herders en omheiningen voor het kleinvee.
וְֽהָיְתָ֞ה
(vehayeta)
en zij zal worden
חֶ֣בֶל
(chevel)
de kuststreek van
הַיָּ֗ם
(hayam)
de zee
נְוֺ֛ת
(nevot)
weidegrond
כְּרֹ֥ת
(kerot)
kuilen
רֹעִ֖ים
(roim)
voor herders
וְגִדְר֥וֹת
(vegidrot)
en omheiningen van
צֹֽאן
(tson)
het kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּרֹת (kerot), ‘kuilen’: het woord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker; het kan ook ‘graven’, ‘putten’ of ‘hutten’ zijn.

גְּדֵרוֹת צֹאן (gederot tson), ‘omheiningen voor het kleinvee’: omheiningen voor schapen en geiten, zoals in Num. 32:16.

7De kuststreek is voor de overgeblevenen van het huis van Juda. Zij zullen er weiden. In de huizen van Askelon zullen zij ’s avonds neerliggen. Want Yahweh, hun Elohim, zal naar hen omzien en hun lot keren.
וְהָ֣יָה
(vehaya)
en het zal zijn
חֶ֗בֶל
(chevel)
de kuststreek
לִשְׁאֵרִ֛ית
(lisherit)
voor de overgeblevenen van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
daarop
יִרְע֑וּן
(yirun)
zullen zij weiden
בְּבָתֵּ֣י
(bevatei)
in de huizen van
אַשְׁקְל֗וֹן
(ashqelon)
Askelon
בָּעֶ֨רֶב֙
(baerev)
in de avond
יִרְבָּצ֔וּן
(yirbatsun)
zullen zij neerliggen
כִּ֧י
(ki)
want
יִפְקְדֵ֛ם
(yifqedem)
zal naar hen omzien
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun Elohim
וְשָׁ֥ב
(veshav)
en Hij zal keren
שְׁבִיתָֽם
(shevitam)
hun lot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza.

Uitleg

יִפְקְדֵם (yifqedem), ‘zal naar hen omzien’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’ en ‘aandacht schenken’.

Hier is het een goede bezoeking.

In 1:8 staat hetzelfde werkwoord met ‘straffen’.

שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: ‘het lot keren’ betekent herstel (vergelijk Joël 4:1).

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft שְׁבוּתָם (shevutam), ‘hun lot’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft שְׁבִיתָם (shevitam), ‘hun lot’.

Het verschil is klein en de betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

Oordeel over Moab en Ammon

8„Ik heb de smaad van Moab gehoord en de hoon van de zonen van Ammon. Zij hebben Mijn volk beschimpt en zich groot gemaakt over hun grens.
שָׁמַ֨עְתִּי֙
(shamati)
Ik heb gehoord
חֶרְפַּ֣ת
(cherpat)
de smaad van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְגִדּוּפֵ֖י
(vegidufei)
en de hoon van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarmee
חֵֽרְפוּ֙
(cherefu)
zij hebben beschimpt
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וַיַּגְדִּ֖ילוּ
(vayagdilu)
en zij hebben zich groot gemaakt
עַל
(al)
over
גְּבוּלָֽם
(gevulam)
hun grens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier een bijzin (‘waarmee zij …’).

Wij maken er een eigen zin van.

חֶרְפַּת מוֹאָב וְגִדּוּפֵי בְנֵי עַמּוֹן (cherpat Moav vegiduphei bnei Ammon), ‘de smaad van Moab en de hoon van de zonen van Ammon’: Moab en Ammon spotten met Israël.

עַל גְּבוּלָם (al gevulam), ‘over hun grens’: het kan gaan om het gebied van Israël, waar Moab en Ammon zich groot over maakten, of om hun eigen gebied. De tekst zegt het niet.

9Daarom, zo waar Ik leef, godsspraak van Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Moab zal worden als Sodom en de zonen van Ammon als Gomorra. Zij worden een plek vol netels, een zoutgroeve en een woestenij voor eeuwig. De overgeblevenen van Mijn volk zullen hen plunderen en de rest van Mijn volk zal hen beërven.”
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
חַי
(chay)
levend is
אָ֡נִי
(ani)
Ik
נְאֻם֩
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
voorzeker
מוֹאָ֞ב
(moav)
Moab
כִּסְדֹ֤ם
(kisdom)
als Sodom
תִּֽהְיֶה֙
(tihye)
zal zijn
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en de zonen van
עַמּוֹן֙
(amon)
Ammon
כַּֽעֲמֹרָ֔ה
(kaamora)
als Gomorra
מִמְשַׁ֥ק
(mimshaq)
een plek van
חָר֛וּל
(charul)
netels
וּמִכְרֵה
(umikhre)
en een groeve van
מֶ֥לַח
(melach)
zout
וּשְׁמָמָ֖ה
(ushemama)
en een woestenij
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
שְׁאֵרִ֤ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
יְבָזּ֔וּם
(yevazum)
zullen hen plunderen
וְיֶ֥תֶר
(veyeter)
en de rest van
גּוֹיִ֖י
(goyi)
Mijn volk
יִנְחָלֽוּם
(yinchalum)
zal hen beërven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh op Zichzelf.

צְבָאוֹת (Tsevaot), ‘legers’: ‘Yahweh van de legermachten’ is Yahweh als leider van de hemelse legers en van alle machten.

סְדֹם (Sedom) en עֲמֹרָה (Amorah), ‘Sodom’ en ‘Gomorra’: zie Gen. 19:24–25. Moab en Ammon stammen af van Lot, die uit Sodom werd gered (Gen. 19:30–38).

מִמְשַׁק חָרוּל (mimshaq charul), ‘een plek vol netels’: het Hebreeuws zet dit achter ‘Gomorra’ zonder werkwoord; ‘Zij worden’ vullen wij aan. het woord charul, ‘netels’, staat ook in Spr. 24:31.

מִכְרֵה מֶלַח (mikhreh melach), ‘een zoutgroeve’: een plek waar zout wordt gewonnen; er groeit niets.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft גוי (goy), ‘volk’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft גּוֹיִי (goyi), ‘mijn volk’.

Wij volgen de qere.

10Dit krijgen zij voor hun hoogmoed. Want zij hebben het volk van Yahweh van de legermachten beschimpt en zich tegen hen groot gemaakt.
זֹ֥את
(zot)
dit
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
גְּאוֹנָ֑ם
(geonam)
hun hoogmoed
כִּ֤י
(ki)
want
חֵֽרְפוּ֙
(cherefu)
zij hebben beschimpt
וַיַּגְדִּ֔לוּ
(vayagdilu)
en zich groot gemaakt
עַל
(al)
tegen
עַ֖ם
(am)
het volk van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּאוֹן (ga’on), ‘hoogmoed’: trots die zich boven anderen verheft.

Vergelijk het werkwoord ‘groot maken’ in vers 8.

11Yahweh is vreeswekkend voor hen, want Hij laat alle goden van de aarde wegkwijnen. Zij zullen zich voor Hem neerwerpen, ieder vanuit zijn plaats, alle kustlanden van de volken.
נוֹרָ֤א
(nora)
vreeswekkend
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
voor hen
כִּ֣י
(ki)
want
רָזָ֔ה
(raza)
Hij laat wegkwijnen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
goden van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְיִשְׁתַּֽחֲווּ
(veyishtachavu)
en zij zullen zich neerwerpen
לוֹ֙
(lo)
voor Hem
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
מִמְּקוֹמ֔וֹ
(mimeqomo)
vanuit zijn plaats
כֹּ֖ל
(kol)
alle
אִיֵּ֥י
(iyei)
kustlanden van
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָזָה (razah), ‘wegkwijnen’: letterlijk ‘mager maken’.

Yahweh laat de goden van de volken wegkwijnen: zij verliezen hun kracht.

אִיֵּי הַגּוֹיִם (iyyei hagoyim), ‘kustlanden van de volken’: het woord betekent ook ‘eilanden’: de verre kusten en landen aan de zee.

נוֹרָא (nora), ‘vreeswekkend’: zoals in Joël 2:11.

Kush en Assyrië

12„Ook jullie, Kushieten: zij zijn verslagenen van Mijn zwaard.”
גַּם
(gam)
ook
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
כּוּשִׁ֔ים
(kushim)
Kushieten
חַֽלְלֵ֥י
(challei)
verslagenen van
חַרְבִּ֖י
(charbi)
Mijn zwaard
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כּוּשִׁים (Kushim), ‘Kushieten’: bewoners van Kush, ver in het zuiden, ten zuiden van Egypte.

Vergelijk ‘de Kushieten’ in Amos 9:7.

Het Hebreeuws wisselt van ‘jullie’ naar ‘zij’: ‘Ook jullie, Kushieten, zij zijn verslagenen van Mijn zwaard’.

13Hij zal Zijn hand uitstrekken tegen het noorden en Assyrië vernietigen. Hij zal Nineve tot een woestenij maken, dor als de woestijn.
וְיֵ֤ט
(veyet)
en Hij zal uitstrekken
יָדוֹ֙
(yado)
Zijn hand
עַל
(al)
tegen
צָפ֔וֹן
(tsafon)
het noorden
וִֽיאַבֵּ֖ד
(viabed)
en Hij zal vernietigen
אֶת
(et)
(obj.)
אַשּׁ֑וּר
(ashur)
Assyrië
וְיָשֵׂ֤ם
(veyasem)
en Hij zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
נִֽינְוֵה֙
(nineve)
Nineve
לִשְׁמָמָ֔ה
(lishmama)
tot woestenij
צִיָּ֖ה
(tsiya)
dor
כַּמִּדְבָּֽר
(kamidbar)
als de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.

Uitleg

צָפוֹן (tsafon), ‘het noorden’: Assyrië lag vanuit Juda gezien in het noorden en noordoosten.

Nineve: zie ook Jona 1:2 en 3:3.

Nineve wordt een woestenij

14In haar midden zullen kudden neerliggen, alle dieren van een volk. Zelfs de pelikaan, zelfs de egel overnachten op haar kapitelen. Een stem zingt in het venster, puin ligt op de drempel, want het cederhout heeft Hij blootgelegd.
וְרָבְצ֨וּ
(veravetsu)
en zullen neerliggen
בְתוֹכָ֤הּ
(betokhah)
in haar midden
עֲדָרִים֙
(adarim)
kudden
כָּל
(kal)
alle
חַיְתוֹ
(chayto)
dieren van
ג֔וֹי
(goy)
een volk
גַּם
(gam)
zelfs
קָאַת֙
(qaat)
de pelikaan
גַּם
(gam)
zelfs
קִפֹּ֔ד
(qipod)
de egel
בְּכַפְתֹּרֶ֖יהָ
(bekhaftoreiha)
op haar kapitelen
יָלִ֑ינוּ
(yalinu)
overnachten zij
ק֠וֹל
(qol)
een stem
יְשׁוֹרֵ֤ר
(yeshorer)
zingt
בַּֽחַלּוֹן֙
(bachalon)
in het venster
חֹ֣רֶב
(chorev)
puin
בַּסַּ֔ף
(basaf)
op de drempel
כִּ֥י
(ki)
want
אַרְזָ֖ה
(arza)
het cederhout
עֵרָֽה
(era)
Hij heeft blootgelegd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּל חַיְתוֹ גוֹי (kol chayto goy), ‘alle dieren van een volk’: letterlijk ‘alle dieren van een volk’.

Het kan gaan om dieren van elke soort.

קָאַת (qa’at), ‘pelikaan’: zie Lev. 11:18. קִפֹּד (qippod), ‘egel’: de betekenis is onzeker; sommigen denken aan een ander dier.

כַּפְתֹּרֶיהָ (kaftoreiha), ‘haar kapitelen’: de bovenstukken van de zuilen; vergelijk Amos 9:1.

חֹרֶב (choreb), ‘puin’: letterlijk ‘verwoesting’. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘raaf’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

אַרְזָה עֵרָה (arzah erah), ‘het cederhout heeft Hij blootgelegd’: cederhout was het houtwerk van gebouwen en paleizen. Wie het blootlegt, is niet genoemd; wij schrijven ‘Hij’.

15Dit is de uitgelaten stad, die zorgeloos woonde en in haar hart zei: „Ik ben het, en niemand anders meer.” Hoe is zij een ontzetting geworden, een rustplaats voor wilde dieren! Ieder die langs haar komt, fluit en schudt zijn hand.
זֹ֞֠את
(zot)
dit
הָעִ֤יר
(hair)
is de stad
הָעַלִּיזָה֙
(haaliza)
de uitgelaten
הַיּוֹשֶׁ֣בֶת
(hayoshevet)
die woonde
לָבֶ֔טַח
(lavetach)
zorgeloos
הָאֹֽמְרָה֙
(haomera)
die zei
בִּלְבָבָ֔הּ
(bilvavah)
in haar hart
אֲנִ֖י
(ani)
ik
וְאַפְסִ֣י
(veafsi)
en niemand anders
ע֑וֹד
(od)
meer
אֵ֣יךְ
(eikh)
hoe
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
is zij geworden
לְשַׁמָּ֗ה
(leshama)
tot een ontzetting
מַרְבֵּץ֙
(marbets)
een rustplaats
לַֽחַיָּ֔ה
(lachaya)
voor wilde dieren
כֹּ֚ל
(kol)
ieder
עוֹבֵ֣ר
(over)
die langskomt
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
bij haar
יִשְׁרֹ֖ק
(yishroq)
fluit
יָנִ֥יעַ
(yania)
schudt
יָדֽוֹ
(yado)
zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲנִי וְאַפְסִי עוֹד (ani ve’afsi od), ‘Ik ben het, en niemand anders meer’: zo spreekt de trotse stad over zichzelf.

Dezelfde woorden spreekt Babel over zichzelf in Jes. 47:8 en 47:10.

שָׁרַק (sharaq), ‘fluiten’: een teken van spot en ontzetting; zie 1 Kon. 9:8.