Sefanja 2
Zoek Yahweh voordat de dag komt; het oordeel over de volken rondom
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Zoek Yahweh voordat de dag komt
הִתְקוֹשְׁשׁוּ וָקוֹשּׁוּ (hitqoshshu vaqoshu), ‘verzamel jullie en kom bijeen’: het werkwoord is verwant aan קַשׁ (qash), ‘stoppel’.
Het kan betekenen: ‘zoals stoppels bij elkaar komen’ of ‘onderzoek jezelf’.
Wij kiezen ‘verzamel jullie en kom bijeen’.
לֹא נִכְסָף (lo nikhsaf), ‘dat zich niet schaamt’: het werkwoord kasaf betekent ‘verlangen’; hier kan het ook ‘bleek worden van schaamte’ zijn. De betekenis is onzeker; andere mogelijkheden zijn ‘volk dat niet begeerd wordt’ en ‘volk zonder verlangen’.
לֶדֶת חֹק (ledet choq), ‘geboren wordt het besluit’: letterlijk ‘bij het baren van een besluit’.
Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk.
Wij lezen: voordat het besluit van Yahweh tot leven komt, en voordat de dag als kaf voorbijgaat.
Vergelijk ‘kaf’ in Ps. 1:4.
בְּטֶרֶם לֹא (beterem lo), ‘voordat … niet’: in het Hebreeuws staat bij ‘voordat’ vaak ook ‘niet’. Wij laten dat ‘niet’ weg, zoals in het Nederlands.
חֲרוֹן אַף (charon af), ‘gloeiende toorn’: letterlijk ‘gloed van de neus’; de neus is in het Hebreeuws de plaats van de toorn.
עַנְוֵי הָאָרֶץ (anvei ha’arets), ‘ootmoedigen van het land’: mensen die Yahweh niet hooghartig tegemoet treden.
Vergelijk de Lezing bij Amos 8:4, waar de geschreven tekst ook ‘ootmoedigen’ heeft.
אֲשֶׁר מִשְׁפָּטוֹ פָּעָלוּ (asher mishpato pa’alu), ‘die Zijn recht hebben gedaan’: die Zijn rechtsregels hebben uitgevoerd.
אוּלַי תִּסָּתְרוּ (ulai tissateru), ‘misschien worden jullie verborgen’: verborgen voor de toorn, dus beschermd. De tekst belooft het niet; er staat ‘misschien’.
Oordeel over de Filistijnen
Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land.
Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza.
Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.
Zie Ekron: Ekron wordt gezocht bij Khirbet el-Muqanna, in de kustvlakte.
Het Hebreeuws speelt met de klank van de namen: עַזָּה עֲזוּבָה (Azzah azuvah), ‘Gaza zal verlaten zijn’, en עֶקְרוֹן תֵּעָקֵר (Eqron te’aqer), ‘Ekron wordt ontworteld’.
בַּצָּהֳרַיִם (batsohorayim), ‘op de middag’: midden op de dag, dus plotseling en zonder uitstel.
יְגָרְשׁוּהָ (yegarshuha), ‘men verdrijft haar’: letterlijk ‘zij zullen haar verdrijven’; wij schrijven de lijdende vorm.
Van de vijf steden van de Filistijnen (Joz. 13:3) noemt Sefanja Gaza, Askelon, Asdod en Ekron. Gat wordt niet genoemd; zo ook in Amos 1:6–8.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
חֶבֶל הַיָּם (chevel hayam), ‘de kuststreek’: letterlijk ‘het touw van de zee’; een touw werd gebruikt om land af te meten.
Het is de strook land langs de zee.
כְּרֵתִים (Keretim), ‘de Kerethieten’: een volk dat bij de Filistijnen hoort (1 Sam. 30:14; 2 Sam. 8:18).
כְּנַעַן (Kena’an), ‘Kanaän’: hier de kuststreek van de Filistijnen.
כְּרֹת (kerot), ‘kuilen’: het woord komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker; het kan ook ‘graven’, ‘putten’ of ‘hutten’ zijn.
גְּדֵרוֹת צֹאן (gederot tson), ‘omheiningen voor het kleinvee’: omheiningen voor schapen en geiten, zoals in Num. 32:16.
Zie Askelon: Askelon lag aan de kust van de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza.
יִפְקְדֵם (yifqedem), ‘zal naar hen omzien’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’ en ‘aandacht schenken’.
Hier is het een goede bezoeking.
In 1:8 staat hetzelfde werkwoord met ‘straffen’.
שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: ‘het lot keren’ betekent herstel (vergelijk Joël 4:1).
De geschreven tekst (ketiv) heeft שְׁבוּתָם (shevutam), ‘hun lot’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft שְׁבִיתָם (shevitam), ‘hun lot’.
Het verschil is klein en de betekenis is gelijk.
Wij volgen de qere.
Oordeel over Moab en Ammon
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Het Hebreeuws heeft hier een bijzin (‘waarmee zij …’).
Wij maken er een eigen zin van.
חֶרְפַּת מוֹאָב וְגִדּוּפֵי בְנֵי עַמּוֹן (cherpat Moav vegiduphei bnei Ammon), ‘de smaad van Moab en de hoon van de zonen van Ammon’: Moab en Ammon spotten met Israël.
עַל גְּבוּלָם (al gevulam), ‘over hun grens’: het kan gaan om het gebied van Israël, waar Moab en Ammon zich groot over maakten, of om hun eigen gebied. De tekst zegt het niet.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh op Zichzelf.
צְבָאוֹת (Tsevaot), ‘legers’: ‘Yahweh van de legermachten’ is Yahweh als leider van de hemelse legers en van alle machten.
סְדֹם (Sedom) en עֲמֹרָה (Amorah), ‘Sodom’ en ‘Gomorra’: zie Gen. 19:24–25. Moab en Ammon stammen af van Lot, die uit Sodom werd gered (Gen. 19:30–38).
מִמְשַׁק חָרוּל (mimshaq charul), ‘een plek vol netels’: het Hebreeuws zet dit achter ‘Gomorra’ zonder werkwoord; ‘Zij worden’ vullen wij aan. het woord charul, ‘netels’, staat ook in Spr. 24:31.
מִכְרֵה מֶלַח (mikhreh melach), ‘een zoutgroeve’: een plek waar zout wordt gewonnen; er groeit niets.
De geschreven tekst (ketiv) heeft גוי (goy), ‘volk’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft גּוֹיִי (goyi), ‘mijn volk’.
Wij volgen de qere.
גָּאוֹן (ga’on), ‘hoogmoed’: trots die zich boven anderen verheft.
Vergelijk het werkwoord ‘groot maken’ in vers 8.
רָזָה (razah), ‘wegkwijnen’: letterlijk ‘mager maken’.
Yahweh laat de goden van de volken wegkwijnen: zij verliezen hun kracht.
אִיֵּי הַגּוֹיִם (iyyei hagoyim), ‘kustlanden van de volken’: het woord betekent ook ‘eilanden’: de verre kusten en landen aan de zee.
נוֹרָא (nora), ‘vreeswekkend’: zoals in Joël 2:11.
Kush en Assyrië
כּוּשִׁים (Kushim), ‘Kushieten’: bewoners van Kush, ver in het zuiden, ten zuiden van Egypte.
Vergelijk ‘de Kushieten’ in Amos 9:7.
Het Hebreeuws wisselt van ‘jullie’ naar ‘zij’: ‘Ook jullie, Kushieten, zij zijn verslagenen van Mijn zwaard’.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.
צָפוֹן (tsafon), ‘het noorden’: Assyrië lag vanuit Juda gezien in het noorden en noordoosten.
Nineve: zie ook Jona 1:2 en 3:3.
Nineve wordt een woestenij
כָּל חַיְתוֹ גוֹי (kol chayto goy), ‘alle dieren van een volk’: letterlijk ‘alle dieren van een volk’.
Het kan gaan om dieren van elke soort.
קָאַת (qa’at), ‘pelikaan’: zie Lev. 11:18. קִפֹּד (qippod), ‘egel’: de betekenis is onzeker; sommigen denken aan een ander dier.
כַּפְתֹּרֶיהָ (kaftoreiha), ‘haar kapitelen’: de bovenstukken van de zuilen; vergelijk Amos 9:1.
חֹרֶב (choreb), ‘puin’: letterlijk ‘verwoesting’. Sommige oude vertalingen lezen hier ‘raaf’. Wij volgen de Hebreeuwse tekst.
אַרְזָה עֵרָה (arzah erah), ‘het cederhout heeft Hij blootgelegd’: cederhout was het houtwerk van gebouwen en paleizen. Wie het blootlegt, is niet genoemd; wij schrijven ‘Hij’.
אֲנִי וְאַפְסִי עוֹד (ani ve’afsi od), ‘Ik ben het, en niemand anders meer’: zo spreekt de trotse stad over zichzelf.
Dezelfde woorden spreekt Babel over zichzelf in Jes. 47:8 en 47:10.
שָׁרַק (sharaq), ‘fluiten’: een teken van spot en ontzetting; zie 1 Kon. 9:8.