Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Isaak in Gerar
1Er kwam hongersnood in het land, een andere dan de eerste hongersnood in de dagen van Abraham. Isaak ging naar Abimelech, de koning van de Filistijnen, in Gerar.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
רָעָב֙
(raav)
hongersnood
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
מִלְּבַד֙
(milevad)
behalve
הָרָעָ֣ב
(haraav)
de hongersnood
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָיָ֖ה
(haya)
was
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
יִצְחָ֛ק
(yitschaq)
Isaak
אֶל
(el)
naar
אֲבִימֶּ֥לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
גְּרָֽרָה
(gerara)
naar Gerar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
גררה (Gerarah), ‘naar Gerar’: Gerar lag in de Negev, ten zuidoosten van het huidige Gaza (zie 20:1).
Uitleg
רעב (ra’av), ‘hongersnood’: het vers noemt dit uitdrukkelijk een andere hongersnood dan die in Abrahams dagen (zie 12:10).
Abimelech heet hier ‘koning van de Filistijnen’ (zie 21:32); het kan dezelfde koning zijn als in 20:2 of een latere koning met dezelfde titel.
Aanvullend
Jubileeën 24:8 en Jasher 28:1–3 vertellen dat Isaak naar Egypte wilde gaan, zoals Abraham deed.
3Verblijf als vreemdeling in dit land. Ik zal met je zijn en je zegenen, want aan jou en aan je nageslacht zal Ik al deze landen geven. Zo zal Ik de eed bevestigen die Ik aan je vader Abraham gezworen heb.
גּ֚וּר
(gur)
verblijf als vreemdeling
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְאֶֽהְיֶ֥ה
(veehye)
en Ik zal zijn
עִמְּךָ֖
(imekha)
met je
וַאֲבָרְכֶ֑ךָּ
(vaavarekheka)
en Ik zal je zegenen
כִּֽי
(ki)
want
לְךָ֣
(lekha)
aan je
וּֽלְזַרְעֲךָ֗
(ulezarakha)
en aan je nageslacht
אֶתֵּן֙
(eten)
zal Ik geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָֽאֲרָצֹ֣ת
(haaratsot)
de landen
הָאֵ֔ל
(hael)
deze
וַהֲקִֽמֹתִי֙
(vahaqimoti)
en Ik zal bevestigen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשְּׁבֻעָ֔ה
(hashevua)
de eed
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֖עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
אָבִֽיךָ
(avikha)
je vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גור (gur), ‘verblijf als vreemdeling’: zie 12:10; 20:1.
הארצת האל (ha’aratsot ha’el), ‘al deze landen’: een oude vorm van ‘deze’ (el in plaats van elleh); het meervoud ‘landen’ wijst op de streken van het beloofde land (zie 15:18–21).
את השׁבעה (et hashevu’ah), ‘de eed’: zie 22:16–18; 24:7.
4Ik zal je nageslacht talrijk maken als de sterren van de hemel. Aan je nageslacht zal Ik al deze landen geven, en in je nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,
וְהִרְבֵּיתִ֤י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
כְּכוֹכְבֵ֣י
(kekhokhevei)
als sterren van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal geven
לְזַרְעֲךָ֔
(lezarakha)
aan je nageslacht
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָאֲרָצֹ֖ת
(haaratsot)
de landen
הָאֵ֑ל
(hael)
deze
וְהִתְבָּרֲכ֣וּ
(vehitbarakhu)
en ze zullen gezegend worden
בְזַרְעֲךָ֔
(bezarakha)
in je nageslacht
כֹּ֖ל
(kol)
alle
גּוֹיֵ֥י
(goyei)
volken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ככוכבי השׁמים (keKokhve hashamayim), ‘als de sterren van de hemel’: zie 15:5; 22:17.
7De mannen van die plaats vroegen naar zijn vrouw. Hij zei: „Zij is mijn zus.” Hij was namelijk bang om te zeggen: „Mijn vrouw.” De mannen van deze plaats zouden hem anders doden vanwege Rebekka, want zij was mooi om te zien.
וַֽיִּשְׁאֲל֞וּ
(vayishalu)
en ze vroegen
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
לְאִשְׁתּ֔וֹ
(leishto)
naar zijn vrouw
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲחֹ֣תִי
(achoti)
mijn zus
הִ֑וא
(hi)
zij
כִּ֤י
(ki)
want
יָרֵא֙
(yare)
hij was bang
לֵאמֹ֣ר
(lemor)
om te zeggen
אִשְׁתִּ֔י
(ishti)
mijn vrouw
פֶּן
(pen)
opdat niet
יַֽהַרְגֻ֜נִי
(yaharguni)
ze zullen doden mij
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
עַל
(al)
om
רִבְקָ֔ה
(rivqa)
Rebekka
כִּֽי
(ki)
want
טוֹבַ֥ת
(tovat)
goed van
מַרְאֶ֖ה
(mare)
aanzien
הִֽיא
(hi)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויאמר אחתי הוא (achoti hi), ‘zij is mijn zus’: Isaak herhaalt wat zijn vader deed (zie 12:13; 20:2).
Anders dan Sarah, die Abrahams halfzus was (zie 20:12), is Rebekka niet Isaaks zus.
8Toen hij daar al lang woonde, keek Abimelech, de koning van de Filistijnen, door het raam naar buiten. Hij zag, en zie: Isaak was aan het schertsen met zijn vrouw Rebekka.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּ֣י
(ki)
toen
אָֽרְכוּ
(arekhu)
waren lang geworden
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
שָׁם֙
(sham)
daar
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וַיַּשְׁקֵ֗ף
(vayashqef)
en hij keek
אֲבִימֶ֨לֶךְ֙
(avimelekh)
Abimelech
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
בְּעַ֖ד
(bead)
door
הַֽחַלּ֑וֹן
(hachalon)
het raam
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
מְצַחֵ֔ק
(metsacheq)
schertsend
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֥ה
(rivqa)
Rebekka
אִשְׁתּֽוֹ
(ishto)
zijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מצחק (metsacheq), ‘schertsend’: van tsachaq, ‘lachen, spelen’, dezelfde stam als Isaaks naam (zie 21:9).
Hier wijst het woord op een liefkozing waaraan Abimelech ziet dat zij man en vrouw zijn.
Aanvullend
Jasher 28:7 zegt dat Abimelech dit na drie maanden door het raam zag en dat Isaaks huis tegenover dat van de koning stond.
9Abimelech riep Isaak en zei: „Zie, zij is toch je vrouw! Hoe kon je dan zeggen: ‘Zij is mijn zus’?” Isaak zei tegen hem: „Omdat ik dacht: ‘Straks sterf ik om haar.’”
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij riep
אֲבִימֶ֜לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
לְיִצְחָ֗ק
(leyitschaq)
Isaak
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אַ֣ךְ
(akh)
maar
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אִשְׁתְּךָ֙
(ishtekha)
je vrouw
הִ֔וא
(hi)
zij
וְאֵ֥יךְ
(veeikh)
en hoe
אָמַ֖רְתָּ
(amarta)
je zei
אֲחֹ֣תִי
(achoti)
mijn zus
הִ֑וא
(hi)
zij
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
ik zei
פֶּן
(pen)
opdat niet
אָמ֖וּת
(amut)
ik zal sterven
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
om haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Abimelech zei: „Wat heb je ons aangedaan? Het had maar weinig gescheeld of iemand van het volk had met je vrouw geslapen. Dan had je schuld over ons gebracht.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲבִימֶ֔לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
מַה
(ma)
wat
זֹּ֖את
(zot)
dit
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
je hebt gedaan
לָּ֑נוּ
(lanu)
aan ons
כִּ֠מְעַט
(kimat)
bijna
שָׁכַ֞ב
(shakhav)
had gelegen
אַחַ֤ד
(achad)
een
הָעָם֙
(haam)
van het volk
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִשְׁתֶּ֔ךָ
(ishtekha)
je vrouw
וְהֵבֵאתָ֥
(veheveta)
en je zou hebben gebracht
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
over ons
אָשָֽׁם
(asham)
schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אשׁם (asham), ‘schuld’: een schuld die als straf over het volk kan komen (zie 20:9).
Aanvullend
Jasher 28:8 geeft dezelfde verwijten van de koning.
15De Filistijnen hadden alle putten dichtgegooid die de dienaren van zijn vader Abraham in de dagen van Abraham gegraven hadden. Ze hadden ze met aarde gevuld.
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַבְּאֵרֹ֗ת
(habeerot)
de putten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
חָֽפְרוּ֙
(chaferu)
ze hadden gegraven
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
בִּימֵ֖י
(bimei)
in dagen van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
סִתְּמ֣וּם
(sitemum)
ze hadden dichtgegooid
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיְמַלְא֖וּם
(vaymalum)
en ze vulden
עָפָֽר
(afar)
met aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סתמום (sitamum), ‘dichtgegooid’: putten waren schaarse waterbronnen in het droge land; ze dichtgooien was een daad van vijandschap (zie 2 Kon. 3:25).
Aanvullend
Jubileeën 24:16 vertelt dat de Filistijnen ze na Abrahams dood vulden.
18Isaak groef de waterputten opnieuw uit. Ze waren in de dagen van zijn vader Abraham gegraven, maar de Filistijnen hadden ze na Abrahams dood dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen als zijn vader ze gegeven had.
וַיָּ֨שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
יִצְחָ֜ק
(yitschaq)
Isaak
וַיַּחְפֹּ֣ר
(vayachpor)
en hij groef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּאֵרֹ֣ת
(beerot)
putten van
הַמַּ֗יִם
(hamayim)
het water
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
חָֽפְרוּ֙
(chaferu)
ze hadden gegraven
בִּימֵי֙
(bimei)
in dagen van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיְסַתְּמ֣וּם
(vaysatemum)
en ze hadden dichtgegooid
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
na
מ֣וֹת
(mot)
dood van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij noemde
לָהֶן֙
(lahen)
aan hen
שֵׁמ֔וֹת
(shemot)
namen
כַּשֵּׁמֹ֕ת
(kashemot)
zoals de namen
אֲשֶׁר
(asher)
die
קָרָ֥א
(qara)
hij had genoemd
לָהֶ֖ן
(lahen)
aan hen
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Isaak herstelt wat zijn vader deed: de putten krijgen weer de namen die Abraham ze gaf.
Aanvullend
Jubileeën 24:18 vertelt ook dat zij de putten opnieuw groeven.
20De herders van Gerar maakten ruzie met de herders van Isaak. Ze zeiden: „Het water is van ons.” Hij noemde de put Esek, dat is ‘Twist’, omdat ze met hem getwist hadden.
וַיָּרִ֜יבוּ
(vayarivu)
en ze maakten ruzie
רֹעֵ֣י
(roei)
herders van
גְרָ֗ר
(gerar)
Gerar
עִם
(im)
met
רֹעֵ֥י
(roei)
herders van
יִצְחָ֛ק
(yitschaq)
Isaak
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
לָ֣נוּ
(lanu)
van ons
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij noemde
שֵֽׁם
(shem)
naam van
הַבְּאֵר֙
(habeer)
de put
עֵ֔שֶׂק
(eseq)
Esek
כִּ֥י
(ki)
want
הִֽתְעַשְּׂק֖וּ
(hitasequ)
ze twistten
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza.
Uitleg
עשׂק (Esek), ‘Esek’: ‘Twist’, van het werkwoord hit’assequ, ‘ze twistten’.
Aanvullend
Jubileeën 24:19–20 noemt de tweede put ‘Smal’ en de derde ‘Wijd’; Isaak zegt: ‘Nu heeft Yahweh ons ruimte gegeven’.
22Hij trok vandaar weg en groef weer een andere put. Daarover maakten ze geen ruzie. Hij noemde die Rechobot, dat is ‘Ruimte’. Hij zei: „Nu heeft Yahweh ons ruimte gegeven, en we zullen vruchtbaar zijn in het land.”
וַיַּעְתֵּ֣ק
(vayateq)
en hij trok weg
מִשָּׁ֗ם
(misham)
vandaar
וַיַּחְפֹּר֙
(vayachpor)
en hij groef
בְּאֵ֣ר
(beer)
put
אַחֶ֔רֶת
(acheret)
andere
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
רָב֖וּ
(ravu)
ze maakten ruzie
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
erom
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij noemde
שְׁמָהּ֙
(shemah)
haar naam
רְחֹב֔וֹת
(rechovot)
Rechobot
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּֽי
(ki)
want
עַתָּ֞ה
(ata)
nu
הִרְחִ֧יב
(hirchiv)
heeft ruimte gegeven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
וּפָרִ֥ינוּ
(ufarinu)
en we zullen vruchtbaar zijn
בָאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רחבות (Rechovot), ‘Rechobot’: ‘ruimten’, van rachav, ‘wijd zijn’.
24Yahweh verscheen aan hem in die nacht en zei: „Ik ben de Elohim van je vader Abraham. Wees niet bang, want Ik ben met je. Ik zal je zegenen en je nageslacht talrijk maken, omwille van Mijn dienaar Abraham.”
וַיֵּרָ֨א
(vayera)
en hij verscheen
אֵלָ֤יו
(elav)
aan hem
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֔וּא
(hahu)
die
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אָנֹכִ֕י
(anokhi)
Ik
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
כִּֽי
(ki)
want
אִתְּךָ֣
(itekha)
met je
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
Ik
וּבֵֽרַכְתִּ֨יךָ֙
(uverakhtikha)
en Ik zal je zegenen
וְהִרְבֵּיתִ֣י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
זַרְעֲךָ֔
(zarakha)
je nageslacht
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
אַבְרָהָ֥ם
(avraham)
Abraham
עַבְדִּֽי
(avdi)
Mijn dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אנכי אלהי אברהם אביך (anokhi Elohei Avraham avikha), ‘Ik ben de Elohim van je vader Abraham’: zie 17:1; 28:13.
Aanvullend
Jubileeën 24:22 zegt dat Yahweh hem die nacht verscheen, bij nieuwe maan van de eerste maand.
28Ze zeiden: „We hebben duidelijk gezien dat Yahweh met je is. Daarom zeiden we: ‘Laat er een eed zijn tussen ons, tussen ons en jou, en laten we een verbond met je sluiten:
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en ze zeiden
רָא֣וֹ
(rao)
zien
רָאִינוּ֮
(rainu)
we hebben gezien
כִּֽי
(ki)
dat
הָיָ֣ה
(haya)
Hij was
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּךְ֒
(imakh)
met je
וַנֹּ֗אמֶר
(vanomer)
en we zeiden
תְּהִ֨י
(tehi)
laat zijn
נָ֥א
(na)
toch
אָלָ֛ה
(ala)
een eed
בֵּינוֹתֵ֖ינוּ
(beinoteinu)
tussen ons
בֵּינֵ֣ינוּ
(beineinu)
tussen ons
וּבֵינֶ֑ךָ
(uveinekha)
en tussen jou
וְנִכְרְתָ֥ה
(venikhreta)
en laat ons sluiten
בְרִ֖ית
(berit)
verbond
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אלה (alah), ‘eed’: een eed met een vloek erbij bij schending (zie 24:41).
29dat je ons geen kwaad zult doen, zoals wij jou niet aangeraakt hebben, en zoals wij alleen goed met je gedaan hebben en je in vrede hebben laten gaan.’ Nu ben jij de gezegende van Yahweh.”
אִם
(im)
als
תַּעֲשֵׂ֨ה
(taase)
je doet
עִמָּ֜נוּ
(imanu)
met ons
רָעָ֗ה
(raa)
kwaad
כַּאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
לֹ֣א
(lo)
niet
נְגַֽעֲנ֔וּךָ
(negaanukha)
we hebben je aangeraakt
וְכַאֲשֶׁ֨ר
(vekhaasher)
en zoals
עָשִׂ֤ינוּ
(asinu)
we hebben gedaan
עִמְּךָ֙
(imekha)
met je
רַק
(raq)
alleen
ט֔וֹב
(tov)
goed
וַנְּשַׁלֵּֽחֲךָ֖
(vaneshalechakha)
en we lieten je gaan
בְּשָׁל֑וֹם
(beshalom)
in vrede
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
בְּר֥וּךְ
(berukh)
gezegende van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ברוך יהוה (atah berukh YHWH), ‘nu ben jij de gezegende van Yahweh’: de Filistijnen erkennen Yahwehs zegen op Isaak (zie vers 28; 24:31).
35Zij werden een bittere zorg voor Isaak en Rebekka.
וַתִּהְיֶ֖יןָ
(vatihyeina)
en ze waren
מֹ֣רַת
(morat)
bitterheid van
ר֑וּחַ
(ruach)
geest
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
voor Isaak
וּלְרִבְקָֽה
(ulerivqa)
en voor Rebekka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מרת רוח (morat ruach), ‘een bittere zorg’: letterlijk ‘bitterheid van geest’: de Hetitische vrouwen maken het leven zwaar voor Isaak en Rebekka (zie 27:46).