Elohim Bijbel

Genesis 26

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Isaak in Gerar en Beër-Sjeba

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Isaak in Gerar

1Er kwam hongersnood in het land, een andere dan de eerste hongersnood in de dagen van Abraham. Isaak ging naar Abimelech, de koning van de Filistijnen, in Gerar.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
רָעָב֙
(raav)
hongersnood
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
מִלְּבַד֙
(milevad)
behalve
הָרָעָ֣ב
(haraav)
de hongersnood
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָיָ֖ה
(haya)
was
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
יִצְחָ֛ק
(yitschaq)
Isaak
אֶל
(el)
naar
אֲבִימֶּ֥לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
גְּרָֽרָה
(gerara)
naar Gerar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

גררה (Gerarah), ‘naar Gerar’: Gerar lag in de Negev, ten zuidoosten van het huidige Gaza (zie 20:1).

Uitleg

רעב (ra’av), ‘hongersnood’: het vers noemt dit uitdrukkelijk een andere hongersnood dan die in Abrahams dagen (zie 12:10).

Abimelech heet hier ‘koning van de Filistijnen’ (zie 21:32); het kan dezelfde koning zijn als in 20:2 of een latere koning met dezelfde titel.

Aanvullend

Jubileeën 24:8 en Jasher 28:1–3 vertellen dat Isaak naar Egypte wilde gaan, zoals Abraham deed.

2Yahweh verscheen aan hem en zei: „Ga niet af naar Egypte. Blijf wonen in het land dat Ik je zal noemen.
וַיֵּרָ֤א
(vayera)
en hij verscheen
אֵלָיו֙
(elav)
aan hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אַל
(al)
niet
תֵּרֵ֣ד
(tered)
ga af
מִצְרָ֑יְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
שְׁכֹ֣ן
(shekhon)
woon
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
אֹמַ֥ר
(omar)
Ik zal zeggen
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

תרד מצרימה (tered mitsrayemah), ‘ga niet af naar Egypte’: vanuit Kanaän ‘ga je af’ naar Egypte (zie 12:10).

Aanvullend

Jubileeën 24:9–11 geeft dezelfde waarschuwing.

Jasher 28:2 zegt dat Yahweh hem in die nacht verscheen.

3Verblijf als vreemdeling in dit land. Ik zal met je zijn en je zegenen, want aan jou en aan je nageslacht zal Ik al deze landen geven. Zo zal Ik de eed bevestigen die Ik aan je vader Abraham gezworen heb.
גּ֚וּר
(gur)
verblijf als vreemdeling
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְאֶֽהְיֶ֥ה
(veehye)
en Ik zal zijn
עִמְּךָ֖
(imekha)
met je
וַאֲבָרְכֶ֑ךָּ
(vaavarekheka)
en Ik zal je zegenen
כִּֽי
(ki)
want
לְךָ֣
(lekha)
aan je
וּֽלְזַרְעֲךָ֗
(ulezarakha)
en aan je nageslacht
אֶתֵּן֙
(eten)
zal Ik geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָֽאֲרָצֹ֣ת
(haaratsot)
de landen
הָאֵ֔ל
(hael)
deze
וַהֲקִֽמֹתִי֙
(vahaqimoti)
en Ik zal bevestigen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשְּׁבֻעָ֔ה
(hashevua)
de eed
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֖עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
אָבִֽיךָ
(avikha)
je vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גור (gur), ‘verblijf als vreemdeling’: zie 12:10; 20:1.

הארצת האל (ha’aratsot ha’el), ‘al deze landen’: een oude vorm van ‘deze’ (el in plaats van elleh); het meervoud ‘landen’ wijst op de streken van het beloofde land (zie 15:18–21).

את השׁבעה (et hashevu’ah), ‘de eed’: zie 22:16–18; 24:7.

4Ik zal je nageslacht talrijk maken als de sterren van de hemel. Aan je nageslacht zal Ik al deze landen geven, en in je nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,
וְהִרְבֵּיתִ֤י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
כְּכוֹכְבֵ֣י
(kekhokhevei)
als sterren van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal geven
לְזַרְעֲךָ֔
(lezarakha)
aan je nageslacht
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָאֲרָצֹ֖ת
(haaratsot)
de landen
הָאֵ֑ל
(hael)
deze
וְהִתְבָּרֲכ֣וּ
(vehitbarakhu)
en ze zullen gezegend worden
בְזַרְעֲךָ֔
(bezarakha)
in je nageslacht
כֹּ֖ל
(kol)
alle
גּוֹיֵ֥י
(goyei)
volken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ככוכבי השׁמים (keKokhve hashamayim), ‘als de sterren van de hemel’: zie 15:5; 22:17.

והתברכו (vehitbarkhu), ‘ze zullen gezegend worden’: zie 12:3; 22:18.

5omdat Abraham naar Mijn stem geluisterd heeft en zich gehouden heeft aan Mijn opdracht, Mijn geboden, Mijn voorschriften en Mijn wetten.”
עֵ֕קֶב
(eqev)
omdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
שָׁמַ֥ע
(shama)
hij luisterde
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
בְּקֹלִ֑י
(beqoli)
naar Mijn stem
וַיִּשְׁמֹר֙
(vayishmor)
en hij hield
מִשְׁמַרְתִּ֔י
(mishmarti)
Mijn opdracht
מִצְוֺתַ֖י
(mitsvotay)
Mijn geboden
חֻקּוֹתַ֥י
(chuqotay)
Mijn voorschriften
וְתוֹרֹתָֽי
(vetorotay)
en Mijn wetten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וישׁמר משׁמרתי מצותי חקותי ותורתי (vayishmor mishmarti mitsvotai chuqotai vetorotai), ‘hij hield Mijn opdracht, Mijn geboden, Mijn voorschriften en Mijn wetten’: woorden die later de Wet beschrijven (zie Deut. 11:1).

Hier staan ze al bij Abraham, lang voor de wet van de Sinaï.

Aanvullend

Jubileeën 24:11 geeft dezelfde opsomming.

6Isaak woonde in Gerar.
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
בִּגְרָֽר
(bigrar)
in Gerar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza.

Rebekka, zijn zus

7De mannen van die plaats vroegen naar zijn vrouw. Hij zei: „Zij is mijn zus.” Hij was namelijk bang om te zeggen: „Mijn vrouw.” De mannen van deze plaats zouden hem anders doden vanwege Rebekka, want zij was mooi om te zien.
וַֽיִּשְׁאֲל֞וּ
(vayishalu)
en ze vroegen
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
לְאִשְׁתּ֔וֹ
(leishto)
naar zijn vrouw
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲחֹ֣תִי
(achoti)
mijn zus
הִ֑וא
(hi)
zij
כִּ֤י
(ki)
want
יָרֵא֙
(yare)
hij was bang
לֵאמֹ֣ר
(lemor)
om te zeggen
אִשְׁתִּ֔י
(ishti)
mijn vrouw
פֶּן
(pen)
opdat niet
יַֽהַרְגֻ֜נִי
(yaharguni)
ze zullen doden mij
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
עַל
(al)
om
רִבְקָ֔ה
(rivqa)
Rebekka
כִּֽי
(ki)
want
טוֹבַ֥ת
(tovat)
goed van
מַרְאֶ֖ה
(mare)
aanzien
הִֽיא
(hi)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויאמר אחתי הוא (achoti hi), ‘zij is mijn zus’: Isaak herhaalt wat zijn vader deed (zie 12:13; 20:2).

Anders dan Sarah, die Abrahams halfzus was (zie 20:12), is Rebekka niet Isaaks zus.

Zij is zijn achternicht (zie 24:15).

Aanvullend

Jasher 28:4 zegt dat Isaak dit zei uit angst.

8Toen hij daar al lang woonde, keek Abimelech, de koning van de Filistijnen, door het raam naar buiten. Hij zag, en zie: Isaak was aan het schertsen met zijn vrouw Rebekka.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּ֣י
(ki)
toen
אָֽרְכוּ
(arekhu)
waren lang geworden
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
שָׁם֙
(sham)
daar
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וַיַּשְׁקֵ֗ף
(vayashqef)
en hij keek
אֲבִימֶ֨לֶךְ֙
(avimelekh)
Abimelech
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
בְּעַ֖ד
(bead)
door
הַֽחַלּ֑וֹן
(hachalon)
het raam
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
מְצַחֵ֔ק
(metsacheq)
schertsend
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
רִבְקָ֥ה
(rivqa)
Rebekka
אִשְׁתּֽוֹ
(ishto)
zijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מצחק (metsacheq), ‘schertsend’: van tsachaq, ‘lachen, spelen’, dezelfde stam als Isaaks naam (zie 21:9).

Hier wijst het woord op een liefkozing waaraan Abimelech ziet dat zij man en vrouw zijn.

Aanvullend

Jasher 28:7 zegt dat Abimelech dit na drie maanden door het raam zag en dat Isaaks huis tegenover dat van de koning stond.

9Abimelech riep Isaak en zei: „Zie, zij is toch je vrouw! Hoe kon je dan zeggen: ‘Zij is mijn zus’?” Isaak zei tegen hem: „Omdat ik dacht: ‘Straks sterf ik om haar.’”
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij riep
אֲבִימֶ֜לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
לְיִצְחָ֗ק
(leyitschaq)
Isaak
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אַ֣ךְ
(akh)
maar
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אִשְׁתְּךָ֙
(ishtekha)
je vrouw
הִ֔וא
(hi)
zij
וְאֵ֥יךְ
(veeikh)
en hoe
אָמַ֖רְתָּ
(amarta)
je zei
אֲחֹ֣תִי
(achoti)
mijn zus
הִ֑וא
(hi)
zij
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
ik zei
פֶּן
(pen)
opdat niet
אָמ֖וּת
(amut)
ik zal sterven
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
om haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 24:13
10Abimelech zei: „Wat heb je ons aangedaan? Het had maar weinig gescheeld of iemand van het volk had met je vrouw geslapen. Dan had je schuld over ons gebracht.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲבִימֶ֔לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
מַה
(ma)
wat
זֹּ֖את
(zot)
dit
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
je hebt gedaan
לָּ֑נוּ
(lanu)
aan ons
כִּ֠מְעַט
(kimat)
bijna
שָׁכַ֞ב
(shakhav)
had gelegen
אַחַ֤ד
(achad)
een
הָעָם֙
(haam)
van het volk
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִשְׁתֶּ֔ךָ
(ishtekha)
je vrouw
וְהֵבֵאתָ֥
(veheveta)
en je zou hebben gebracht
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
over ons
אָשָֽׁם
(asham)
schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אשׁם (asham), ‘schuld’: een schuld die als straf over het volk kan komen (zie 20:9).

Aanvullend

Jasher 28:8 geeft dezelfde verwijten van de koning.

11Abimelech gaf het hele volk dit bevel: „Wie deze man of zijn vrouw aanraakt, moet gedood worden.”
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en hij beval
אֲבִימֶ֔לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
הַנֹּגֵ֜עַ
(hanogea)
wie aanraakt
בָּאִ֥ישׁ
(baish)
aan de man
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
וּבְאִשְׁתּ֖וֹ
(uveishto)
en aan zijn vrouw
מ֥וֹת
(mot)
dood
יוּמָֽת
(yumat)
hij zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מות יומת (mot yumat), ‘moet gedood worden’: letterlijk ‘sterven, hij zal gedood worden’: een doodstraf (zie 2:17).

Aanvullend

Jubileeën 24:13 en Jasher 28:11 vertellen dezelfde bescherming; Jasher 28:11 zegt dat Isaak in koninklijke kleren door de stad reed.

Isaak wordt rijk

12Isaak zaaide in dat land en oogstte in datzelfde jaar het honderdvoudige. Yahweh zegende hem.
וַיִּזְרַ֤ע
(vayizra)
en hij zaaide
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַהִ֔וא
(hahi)
dat
וַיִּמְצָ֛א
(vayimtsa)
en hij vond
בַּשָּׁנָ֥ה
(bashana)
in jaar
הַהִ֖וא
(hahi)
dat
מֵאָ֣ה
(mea)
honderd
שְׁעָרִ֑ים
(shearim)
maten
וַֽיְבָרֲכֵ֖הוּ
(vayvarakhehu)
en Hij zegende Hem
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מאה שׁערים (me’ah she’arim), ‘honderd maten’: een honderdvoudige oogst; she’arim kan ‘maten’ of ‘schattingen’ betekenen.

Aanvullend

Jubileeën 24:15 zegt alleen dat hij in het land van de Filistijnen zaaide.

Jasher 28:14 noemt ook het honderdvoud.

13De man werd groot. Hij werd steeds groter, tot hij zeer groot was.
וַיִּגְדַּ֖ל
(vayigdal)
en hij werd groot
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
הָלוֹךְ֙
(halokh)
gaande
וְגָדֵ֔ל
(vegadel)
en groot worden
עַ֥ד
(ad)
tot
כִּֽי
(ki)
dat
גָדַ֖ל
(gadal)
hij was groot
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij had bezit aan schapen en runderen en veel dienstvolk. De Filistijnen werden jaloers op hem.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het was
ל֤וֹ
(lo)
aan hem
מִקְנֵה
(miqne)
bezit van
צֹאן֙
(tson)
kleinvee
וּמִקְנֵ֣ה
(umiqne)
en bezit van
בָקָ֔ר
(baqar)
runderen
וַעֲבֻדָּ֖ה
(vaavuda)
en dienstvolk
רַבָּ֑ה
(raba)
veel
וַיְקַנְא֥וּ
(vayqanu)
en ze werden jaloers
אֹת֖וֹ
(oto)
op hem
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De Filistijnen hadden alle putten dichtgegooid die de dienaren van zijn vader Abraham in de dagen van Abraham gegraven hadden. Ze hadden ze met aarde gevuld.
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַבְּאֵרֹ֗ת
(habeerot)
de putten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
חָֽפְרוּ֙
(chaferu)
ze hadden gegraven
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
בִּימֵ֖י
(bimei)
in dagen van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
סִתְּמ֣וּם
(sitemum)
ze hadden dichtgegooid
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיְמַלְא֖וּם
(vaymalum)
en ze vulden
עָפָֽר
(afar)
met aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סתמום (sitamum), ‘dichtgegooid’: putten waren schaarse waterbronnen in het droge land; ze dichtgooien was een daad van vijandschap (zie 2 Kon. 3:25).

Aanvullend

Jubileeën 24:16 vertelt dat de Filistijnen ze na Abrahams dood vulden.

16Abimelech zei tegen Isaak: „Ga bij ons weg, want je bent veel machtiger geworden dan wij.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲבִימֶ֖לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
אֶל
(el)
tot
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
לֵ֚ךְ
(lekh)
ga
מֵֽעִמָּ֔נוּ
(meimanu)
van bij ons
כִּֽי
(ki)
want
עָצַֽמְתָּ
(atsamta)
je bent machtiger geworden
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
dan wij
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jubileeën 24:17 geeft dezelfde woorden van Abimelech weer.

Jasher 67:34 zegt dat bij Isaaks vertrek uit Gerar alle bronnen van Gerar droog werden en de bomen geen vrucht gaven.

De putten

17Isaak vertrok daar, sloeg zijn kamp op in het beekdal van Gerar en woonde daar.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
וַיִּ֥חַן
(vayichan)
en hij sloeg zijn kamp op
בְּנַֽחַל
(benachal)
in het beekdal van
גְּרָ֖ר
(gerar)
Gerar
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza.

Uitleg

בנחל גרר (benachal Gerar), ‘in het beekdal van Gerar’: een nachal is een wadi, een beekbedding die alleen na regen water voert.

Het beekdal van Gerar loopt vanuit de Negev naar de kust bij Gaza.

Zie ookJub 24:17
18Isaak groef de waterputten opnieuw uit. Ze waren in de dagen van zijn vader Abraham gegraven, maar de Filistijnen hadden ze na Abrahams dood dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen als zijn vader ze gegeven had.
וַיָּ֨שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
יִצְחָ֜ק
(yitschaq)
Isaak
וַיַּחְפֹּ֣ר
(vayachpor)
en hij groef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּאֵרֹ֣ת
(beerot)
putten van
הַמַּ֗יִם
(hamayim)
het water
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
חָֽפְרוּ֙
(chaferu)
ze hadden gegraven
בִּימֵי֙
(bimei)
in dagen van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיְסַתְּמ֣וּם
(vaysatemum)
en ze hadden dichtgegooid
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
na
מ֣וֹת
(mot)
dood van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij noemde
לָהֶן֙
(lahen)
aan hen
שֵׁמ֔וֹת
(shemot)
namen
כַּשֵּׁמֹ֕ת
(kashemot)
zoals de namen
אֲשֶׁר
(asher)
die
קָרָ֥א
(qara)
hij had genoemd
לָהֶ֖ן
(lahen)
aan hen
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Isaak herstelt wat zijn vader deed: de putten krijgen weer de namen die Abraham ze gaf.

Aanvullend

Jubileeën 24:18 vertelt ook dat zij de putten opnieuw groeven.

19Isaaks dienaren groeven in het beekdal en vonden daar een put met levend water.
וַיַּחְפְּר֥וּ
(vayachperu)
en ze groeven
עַבְדֵֽי
(avdei)
dienaren van
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
בַּנָּ֑חַל
(banachal)
in het beekdal
וַיִּ֨מְצְאוּ
(vayimtseu)
en ze vonden
שָׁ֔ם
(sham)
daar
בְּאֵ֖ר
(beer)
put van
מַ֥יִם
(mayim)
water
חַיִּֽים
(chayim)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

באר מים חיים (be’er mayim chayyim), ‘een put met levend water’: levend water is stromend, vers water uit een bron, niet opgevangen regenwater.

20De herders van Gerar maakten ruzie met de herders van Isaak. Ze zeiden: „Het water is van ons.” Hij noemde de put Esek, dat is ‘Twist’, omdat ze met hem getwist hadden.
וַיָּרִ֜יבוּ
(vayarivu)
en ze maakten ruzie
רֹעֵ֣י
(roei)
herders van
גְרָ֗ר
(gerar)
Gerar
עִם
(im)
met
רֹעֵ֥י
(roei)
herders van
יִצְחָ֛ק
(yitschaq)
Isaak
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
לָ֣נוּ
(lanu)
van ons
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij noemde
שֵֽׁם
(shem)
naam van
הַבְּאֵר֙
(habeer)
de put
עֵ֔שֶׂק
(eseq)
Esek
כִּ֥י
(ki)
want
הִֽתְעַשְּׂק֖וּ
(hitasequ)
ze twistten
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza.

Uitleg

עשׂק (Esek), ‘Esek’: ‘Twist’, van het werkwoord hit’assequ, ‘ze twistten’.

Aanvullend

Jubileeën 24:19–20 noemt de tweede put ‘Smal’ en de derde ‘Wijd’; Isaak zegt: ‘Nu heeft Yahweh ons ruimte gegeven’.

21Ze groeven een andere put, en ook daarover maakten ze ruzie. Hij noemde die Sitna, dat is ‘Vijandschap’.
וַֽיַּחְפְּרוּ֙
(vayachperu)
en ze groeven
בְּאֵ֣ר
(beer)
put
אַחֶ֔רֶת
(acheret)
andere
וַיָּרִ֖יבוּ
(vayarivu)
en ze maakten ruzie
גַּם
(gam)
ook
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
erom
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
שְׁמָ֖הּ
(shemah)
haar naam
שִׂטְנָֽה
(sitna)
Sitna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂטנה (Sitnah), ‘Sitna’: ‘Vijandschap’ of ‘beschuldiging’, van dezelfde stam als satan, ‘tegenstander’ (zie Job 1:6).

22Hij trok vandaar weg en groef weer een andere put. Daarover maakten ze geen ruzie. Hij noemde die Rechobot, dat is ‘Ruimte’. Hij zei: „Nu heeft Yahweh ons ruimte gegeven, en we zullen vruchtbaar zijn in het land.”
וַיַּעְתֵּ֣ק
(vayateq)
en hij trok weg
מִשָּׁ֗ם
(misham)
vandaar
וַיַּחְפֹּר֙
(vayachpor)
en hij groef
בְּאֵ֣ר
(beer)
put
אַחֶ֔רֶת
(acheret)
andere
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
רָב֖וּ
(ravu)
ze maakten ruzie
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
erom
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij noemde
שְׁמָהּ֙
(shemah)
haar naam
רְחֹב֔וֹת
(rechovot)
Rechobot
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּֽי
(ki)
want
עַתָּ֞ה
(ata)
nu
הִרְחִ֧יב
(hirchiv)
heeft ruimte gegeven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
וּפָרִ֥ינוּ
(ufarinu)
en we zullen vruchtbaar zijn
בָאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רחבות (Rechovot), ‘Rechobot’: ‘ruimten’, van rachav, ‘wijd zijn’.

ופרינו (ufarinu), ‘we zullen vruchtbaar zijn’: zie 1:28; 17:6.

23Vandaar trok hij op naar Beër-Sjeba.
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en hij ging op
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
בְּאֵ֥ר
(beer)
put
שָֽׁבַע
(shava)
Sjeba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

באר שׁבע (be’er sheva), ‘Beër-Sjeba’: ‘put van zeven’ en ‘put van de eed’ (zie 21:31).

Uitleg

Beër-Sjeba ligt in het noorden van de Negev, ongeveer 25 km ten oosten van Gerar.

Aanvullend

Jubileeën 24:21 zegt dat Isaak naar de Put van de Eed optrok.

24Yahweh verscheen aan hem in die nacht en zei: „Ik ben de Elohim van je vader Abraham. Wees niet bang, want Ik ben met je. Ik zal je zegenen en je nageslacht talrijk maken, omwille van Mijn dienaar Abraham.”
וַיֵּרָ֨א
(vayera)
en hij verscheen
אֵלָ֤יו
(elav)
aan hem
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֔וּא
(hahu)
die
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אָנֹכִ֕י
(anokhi)
Ik
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
כִּֽי
(ki)
want
אִתְּךָ֣
(itekha)
met je
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
Ik
וּבֵֽרַכְתִּ֨יךָ֙
(uverakhtikha)
en Ik zal je zegenen
וְהִרְבֵּיתִ֣י
(vehirbeiti)
en Ik zal vermenigvuldigen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
זַרְעֲךָ֔
(zarakha)
je nageslacht
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
אַבְרָהָ֥ם
(avraham)
Abraham
עַבְדִּֽי
(avdi)
Mijn dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אנכי אלהי אברהם אביך (anokhi Elohei Avraham avikha), ‘Ik ben de Elohim van je vader Abraham’: zie 17:1; 28:13.

Aanvullend

Jubileeën 24:22 zegt dat Yahweh hem die nacht verscheen, bij nieuwe maan van de eerste maand.

25Hij bouwde daar een altaar en riep de naam van Yahweh aan. Hij sloeg daar zijn tent op, en Isaaks dienaren groeven daar een put.
וַיִּ֧בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
שָׁ֣ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֗חַ
(mizbeach)
altaar
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en hij riep
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
bij de naam van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֶּט
(vayet)
en hij spande uit
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אָהֳל֑וֹ
(aholo)
zijn tent
וַיִּכְרוּ
(vayikhru)
en ze groeven
שָׁ֥ם
(sham)
daar
עַבְדֵי
(avdei)
dienaren van
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
בְּאֵֽר
(beer)
put
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מזבח (mizbe’ach), ‘altaar’: Isaak bouwt een altaar, zoals Abraham deed (zie 12:7; 13:18; 21:33).

Aanvullend

Jubileeën 24:23 zegt dat het altaar was dat Abraham daar eerder had gebouwd.

Het verbond met Abimelech

26Abimelech kwam uit Gerar naar hem toe, met Achuzat, zijn vriend, en Pichol, de bevelhebber van zijn leger.
וַאֲבִימֶ֕לֶךְ
(vaavimelekh)
en Abimelech
הָלַ֥ךְ
(halakh)
gegaan
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
מִגְּרָ֑ר
(migerar)
uit Gerar
וַאֲחֻזַּת֙
(vaachuzat)
en Achuzat
מֵֽרֵעֵ֔הוּ
(mereehu)
van zijn vriend
וּפִיכֹ֖ל
(ufikhol)
en Pichol
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
צְבָאֽוֹ
(tsevao)
zijn leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza.

Uitleg

ואחזת מרעהו (va’achuzat merei’ehu), ‘Achuzat, zijn vriend’: een raadsman of vertrouweling van de koning.

Pichol heeft dezelfde titel als in 21:22.

Aanvullend

Jubileeën 24:26 noemt dezelfde drie mannen.

27Isaak zei tegen hen: „Waarom komen jullie naar mij toe? Jullie haten mij toch en hebben mij bij jullie weggestuurd?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
בָּאתֶ֣ם
(batem)
jullie zijn gekomen
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
שְׂנֵאתֶ֣ם
(senetem)
haten
אֹתִ֔י
(oti)
mij
וַתְּשַׁלְּח֖וּנִי
(vateshalechuni)
en jullie hebben mij weggestuurd
מֵאִתְּכֶֽם
(meitekhem)
van bij jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Ze zeiden: „We hebben duidelijk gezien dat Yahweh met je is. Daarom zeiden we: ‘Laat er een eed zijn tussen ons, tussen ons en jou, en laten we een verbond met je sluiten:
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en ze zeiden
רָא֣וֹ
(rao)
zien
רָאִינוּ֮
(rainu)
we hebben gezien
כִּֽי
(ki)
dat
הָיָ֣ה
(haya)
Hij was
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּךְ֒
(imakh)
met je
וַנֹּ֗אמֶר
(vanomer)
en we zeiden
תְּהִ֨י
(tehi)
laat zijn
נָ֥א
(na)
toch
אָלָ֛ה
(ala)
een eed
בֵּינוֹתֵ֖ינוּ
(beinoteinu)
tussen ons
בֵּינֵ֣ינוּ
(beineinu)
tussen ons
וּבֵינֶ֑ךָ
(uveinekha)
en tussen jou
וְנִכְרְתָ֥ה
(venikhreta)
en laat ons sluiten
בְרִ֖ית
(berit)
verbond
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אלה (alah), ‘eed’: een eed met een vloek erbij bij schending (zie 24:41).

29dat je ons geen kwaad zult doen, zoals wij jou niet aangeraakt hebben, en zoals wij alleen goed met je gedaan hebben en je in vrede hebben laten gaan.’ Nu ben jij de gezegende van Yahweh.”
אִם
(im)
als
תַּעֲשֵׂ֨ה
(taase)
je doet
עִמָּ֜נוּ
(imanu)
met ons
רָעָ֗ה
(raa)
kwaad
כַּאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
לֹ֣א
(lo)
niet
נְגַֽעֲנ֔וּךָ
(negaanukha)
we hebben je aangeraakt
וְכַאֲשֶׁ֨ר
(vekhaasher)
en zoals
עָשִׂ֤ינוּ
(asinu)
we hebben gedaan
עִמְּךָ֙
(imekha)
met je
רַק
(raq)
alleen
ט֔וֹב
(tov)
goed
וַנְּשַׁלֵּֽחֲךָ֖
(vaneshalechakha)
en we lieten je gaan
בְּשָׁל֑וֹם
(beshalom)
in vrede
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
בְּר֥וּךְ
(berukh)
gezegende van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ברוך יהוה (atah berukh YHWH), ‘nu ben jij de gezegende van Yahweh’: de Filistijnen erkennen Yahwehs zegen op Isaak (zie vers 28; 24:31).

30Hij maakte een maaltijd voor hen, en ze aten en dronken.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
מִשְׁתֶּ֔ה
(mishte)
maaltijd
וַיֹּאכְל֖וּ
(vayokhlu)
en ze aten
וַיִּשְׁתּֽוּ
(vayishtu)
en ze dronken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31's Morgens vroeg zwoeren ze elkaar een eed. Isaak liet hen gaan, en ze vertrokken in vrede bij hem.
וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ
(vayashkimu)
en ze stonden vroeg op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּשָּׁבְע֖וּ
(vayishaveu)
en ze zwoeren
אִ֣ישׁ
(ish)
man
לְאָחִ֑יו
(leachiv)
aan zijn broer
וַיְשַׁלְּחֵ֣ם
(vayshalechem)
en hij liet hen gaan
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
מֵאִתּ֖וֹ
(meito)
van bij hem
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Op diezelfde dag kwamen Isaaks dienaren hem vertellen over de put die ze gegraven hadden. Ze zeiden tegen hem: „We hebben water gevonden.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en ze kwamen
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
וַיַּגִּ֣דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
עַל
(al)
over
אֹד֥וֹת
(odot)
zaak van
הַבְּאֵ֖ר
(habeer)
de put
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָפָ֑רוּ
(chafaru)
ze hadden gegraven
וַיֹּ֥אמְרוּ
(vayomru)
en ze zeiden
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
מָצָ֥אנוּ
(matsanu)
we hebben gevonden
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Hij noemde die Sjiba. Daarom heet de stad tot op deze dag Beër-Sjeba.
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
שִׁבְעָ֑ה
(shiva)
Sjiba
עַל
(al)
daarom
כֵּ֤ן
(ken)
zo
שֵׁם
(shem)
naam van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
בְּאֵ֣ר
(beer)
Beër
שֶׁ֔בַע
(sheva)
Sjeba
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

שׁבעה (Shiv’ah), ‘Sjiba’: ‘zeven’ of ‘eed’, en klinkt als Sjeba.

Dezelfde plaats kreeg haar naam al bij Abraham (zie 21:31).

Aanvullend

Jubileeën 24:26 noemt de plaats ‘Put van de Eed’.

Ezaus vrouwen

34Ezau was 40 jaar oud toen hij Jehudit tot vrouw nam, de dochter van Beëri de Hetiet, en Basemat, de dochter van Elon de Hetiet.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
עֵשָׂו֙
(esav)
Ezau
בֶּן
(ben)
zoon van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
אִשָּׁה֙
(isha)
vrouw
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְהוּדִ֔ית
(yehudit)
Jehudit
בַּת
(bat)
dochter van
בְּאֵרִ֖י
(beeri)
Beëri
הַֽחִתִּ֑י
(hachiti)
de Hetiet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בָּ֣שְׂמַ֔ת
(basemat)
Basemat
בַּת
(bat)
dochter van
אֵילֹ֖ן
(eilon)
Elon
הַֽחִתִּֽי
(hachiti)
de Hetiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יהודית (Yehudit), ‘Jehudit’: Ezau's vrouwen heten in 36:2–3 anders; zie daar.

Aanvullend

Jasher 28:22–23 noemt Jehudit, de dochter van Beëri, en zegt dat Ezau veertig was toen hij haar nam.

Jasher 29:12 zegt dat Ezau aan zijn vrouw Basmat de naam Ada gaf.

35Zij werden een bittere zorg voor Isaak en Rebekka.
וַתִּהְיֶ֖יןָ
(vatihyeina)
en ze waren
מֹ֣רַת
(morat)
bitterheid van
ר֑וּחַ
(ruach)
geest
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
voor Isaak
וּלְרִבְקָֽה
(ulerivqa)
en voor Rebekka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מרת רוח (morat ruach), ‘een bittere zorg’: letterlijk ‘bitterheid van geest’: de Hetitische vrouwen maken het leven zwaar voor Isaak en Rebekka (zie 27:46).