Elohim Bijbel

Genesis 35

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Betel; Rachels dood; Isaaks dood

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Terug naar Betel

1Elohim zei tegen Jakob: „Sta op, ga naar Betel en woon daar. Richt daar een altaar op voor El, die aan je verscheen toen je vluchtte voor je broer Ezau.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
ק֛וּם
(qum)
sta op
עֲלֵ֥ה
(ale)
ga op
בֵֽית
(beit)
huis van
אֵ֖ל
(el)
El
וְשֶׁב
(veshev)
en woon
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וַעֲשֵׂה
(vaase)
en maak
שָׁ֣ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֔חַ
(mizbeach)
altaar
לָאֵל֙
(lael)
voor El
הַנִּרְאֶ֣ה
(hanire)
die verscheen
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
aan jou
בְּבָרְחֲךָ֔
(bevarechakha)
bij je vluchten
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor
עֵשָׂ֥ו
(esav)
Ezau
אָחִֽיךָ
(achikha)
je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

קום עלה בית אל (qum aleh Beit El), ‘sta op, ga naar Betel’: zie 28:10–22; 31:13.

Aanvullend

Jasher 36:1–2 zegt dat Yahweh Jakob beval naar Betel te gaan en daar een altaar te bouwen, en dat Jakob dat deed.

Jubileeën 31:3 zegt dat hij op de nieuwemaansdag van de zevende maand naar Betel optrok.

2Jakob zei tegen zijn huisgenoten en tegen allen die bij hem waren: „Doe de vreemde goden weg die onder jullie zijn, reinig jullie en trek andere kleren aan.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְאֶ֖ל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
allen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij hem
הָסִ֜רוּ
(hasiru)
doe weg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
goden van
הַנֵּכָר֙
(hanekhar)
het vreemde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּתֹכְכֶ֔ם
(betokhekhem)
in jullie midden
וְהִֽטַּהֲר֔וּ
(vehitaharu)
en reinig jullie
וְהַחֲלִ֖יפוּ
(vehachalifu)
en verwissel
שִׂמְלֹתֵיכֶֽם
(simloteikhem)
jullie kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הסרו את אלהי הנכר (hasiru et elohei hanekhar), ‘doe de vreemde goden weg’: daaronder waarschijnlijk Labans terafim (zie 31:19) en de buit uit Sichem (zie 34:27–29).

והטהרו והחליפו שׂמלתיכם (vehitaharu vehachalifu simlotekhem), ‘reinig jullie en verwissel jullie kleren’: zie Ex. 19:10.

Aanvullend

Jubileeën 31:1–2 zegt dat Jakob zijn huis liet reinigen en dat Rachel de beelden van Laban aan Jakob gaf.

3Laten wij opstaan en naar Betel gaan. Daar zal ik een altaar maken voor El, die mij antwoordde op de dag van mijn nood en die met mij was op de weg die ik ging.”
וְנָק֥וּמָה
(venaquma)
en laten we opstaan
וְנַעֲלֶ֖ה
(venaale)
en laten we opgaan
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֑ל
(el)
El
וְאֶֽעֱשֶׂה
(veeese)
en ik zal maken
שָּׁ֣ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֗חַ
(mizbeach)
altaar
לָאֵ֞ל
(lael)
voor El
הָעֹנֶ֤ה
(haone)
die antwoordde
אֹתִי֙
(oti)
mij
בְּי֣וֹם
(beyom)
op dag van
צָֽרָתִ֔י
(tsarati)
mijn nood
וַיְהִי֙
(vayhi)
en Hij was
עִמָּדִ֔י
(imadi)
met mij
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָלָֽכְתִּי
(halakhti)
ik ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

4Ze gaven Jakob alle vreemde goden die ze hadden en de ringen die in hun oren zaten. Jakob begroef ze onder de eik die bij Sichem staat.
וַיִּתְּנ֣וּ
(vayitenu)
en ze gaven
אֶֽל
(el)
aan
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
goden van
הַנֵּכָר֙
(hanekhar)
het vreemde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּיָדָ֔ם
(beyadam)
in hun hand
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַנְּזָמִ֖ים
(hanezamim)
de ringen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּאָזְנֵיהֶ֑ם
(beazeneihem)
in hun oren
וַיִּטְמֹ֤ן
(vayitmon)
en hij begroef
אֹתָם֙
(otam)
ze
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הָאֵלָ֖ה
(haela)
de eik
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עִם
(im)
bij
שְׁכֶֽם
(shekhem)
Sichem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Uitleg

הנזמים (hanezamim), ‘de ringen’: oorringen.

האלה אשׁר עם שׁכם (ha’elah asher im Shekhem), ‘de eik die bij Sichem staat’: zie 12:6.

Aanvullend

Jubileeën 31:2 zegt dat Jakob de beelden verbrandde, brak en onder de eik verborg.

5Ze braken op. Een schrik van Elohim kwam over de steden rondom hen, en zij achtervolgden de zonen van Jakob niet.
וַיִּסָּ֑עוּ
(vayisau)
en ze braken op
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
חִתַּ֣ת
(chitat)
schrik van
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
עַל
(al)
over
הֶֽעָרִים֙
(hearim)
de steden
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
סְבִיבֹ֣תֵיהֶ֔ם
(sevivoteihem)
om hen heen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
רָֽדְפ֔וּ
(radefu)
ze achtervolgden
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חתת אלהים (chittat Elohim), ‘een schrik van Elohim’: Elohim zelf beschermt Jakob na het geweld in Sichem (zie 34:30; Ex. 23:27).

Aanvullend

Jasher 35:1–24 vertelt dat de koningen van de Amorieten zich verzamelden maar uit angst niet streden.

6Jakob kwam in Luz, dat in het land Kanaän ligt, dat is Betel, hij en al het volk dat bij hem was.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en hij kwam
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
ל֗וּזָה
(luza)
naar Luz
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
הִ֖וא
(hi)
het
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֑ל
(el)
El
ה֖וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עִמּֽוֹ
(imo)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

לוזה (Luzah), ‘naar Luz’: de oude naam van Betel (zie 28:19).

Aanvullend

Jasher 36:3 zegt dat Jakob negenennegentig was en dat hij met zijn zonen zes maanden in Betel bleef.

7Daar bouwde hij een altaar en noemde die plaats El-Betel, want daar had Elohim zich aan hem geopenbaard toen hij voor zijn broer vluchtte.
וַיִּ֤בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
שָׁם֙
(sham)
daar
מִזְבֵּ֔חַ
(mizbeach)
altaar
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en hij noemde
לַמָּק֔וֹם
(lamaqom)
de plaats
אֵ֖ל
(el)
El
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֑ל
(el)
El
כִּ֣י
(ki)
want
שָׁ֗ם
(sham)
daar
נִגְל֤וּ
(niglu)
hadden zich geopenbaard
אֵלָיו֙
(elav)
aan hem
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
בְּבָרְח֖וֹ
(bevarecho)
bij zijn vluchten
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אל בית אל (El Beit El), ‘El-Betel’: ‘de El van Betel’ (zie 31:13).

נגלו (niglu), ‘hadden zich geopenbaard’: het werkwoord is meervoud bij ha’Elohim (zie 20:13).

8Debora, de min van Rebekka, stierf. Ze werd begraven beneden Betel, onder de eik. Men noemde die Allon-Bachut.
וַתָּ֤מָת
(vatamat)
en ze stierf
דְּבֹרָה֙
(devora)
Debora
מֵינֶ֣קֶת
(meineqet)
min van
רִבְקָ֔ה
(rivqa)
Rebekka
וַתִּקָּבֵ֛ר
(vatiqaver)
en ze werd begraven
מִתַּ֥חַת
(mitachat)
onder
לְבֵֽית
(leveit)
van het huis van
אֵ֖ל
(el)
El
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הָֽאַלּ֑וֹן
(haalon)
de eik
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
אַלּ֥וֹן
(alon)
eik van
בָּכֽוּת
(bakhut)
wenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

ותמת דברה מינקת רבקה (vatamot Devorah meineqet Rivqah), ‘Debora, de min van Rebekka, stierf’: zie 24:59.

Rebekka wordt hier niet genoemd.

אלון בכות (Allon Bakhut), ‘Eik van het wenen’.

Aanvullend

Jasher 36:4 en Jubileeën 32:30 noemen ook Deboras dood en begrafenis onder de eik.

Elohim zegent Jakob opnieuw

9Elohim verscheen nogmaals aan Jakob, toen hij uit Paddan-Aram kwam, en zegende hem.
וַיֵּרָ֨א
(vayera)
en Hij verscheen
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
ע֔וֹד
(od)
opnieuw
בְּבֹא֖וֹ
(bevoo)
bij zijn komen
מִפַּדַּ֣ן
(mipadan)
uit Paddan
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיְבָ֖רֶךְ
(vayvarekh)
en Hij zegende
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Uitleg

Zie 32:29–30 voor de eerdere naamgeving.

Aanvullend

Jasher 36:8 zegt dat Yahweh Jakob toen zegende en Israël noemde.

10Elohim zei tegen hem: „Je naam is Jakob. Je zult niet meer Jakob genoemd worden, maar Israël zal je naam zijn.” Zo noemde Hij hem Israël.
וַיֹּֽאמֶר
(vayomer)
en Hij zei
ל֥וֹ
(lo)
tot hem
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
שִׁמְךָ֣
(shimkha)
je naam
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
לֹֽא
(lo)
niet
יִקָּרֵא֩
(yiqare)
hij zal genoemd worden
שִׁמְךָ֨
(shimkha)
je naam
ע֜וֹד
(od)
nog
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
כִּ֤י
(ki)
want
אִם
(im)
tenzij
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
hij zal zijn
שְׁמֶ֔ךָ
(shemekha)
je naam
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en Hij noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Elohim zei tegen hem: „Ik ben El Sjaddai. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk en een gemeenschap van volken zal uit je voortkomen, en koningen zullen uit je lendenen voortkomen.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en Hij zei
ל֨וֹ
(lo)
tot hem
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
אֵ֤ל
(el)
El
שַׁדַּי֙
(shaday)
Sjaddai
פְּרֵ֣ה
(pere)
wees vruchtbaar
וּרְבֵ֔ה
(ureve)
en word talrijk
גּ֛וֹי
(goy)
volk
וּקְהַ֥ל
(uqehal)
en gemeenschap van
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
hij zal zijn
מִמֶּ֑ךָּ
(mimeka)
uit jou
וּמְלָכִ֖ים
(umelakhim)
en koningen
מֵחֲלָצֶ֥יךָ
(mechalatseikha)
uit je lendenen
יֵצֵֽאוּ
(yetseu)
ze zullen uitgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אני אל שׁדי (ani El Shaddai), ‘Ik ben El Sjaddai’: zie 17:1; 28:3.

גוי וקהל גוים (goy uqehal goyim), ‘een volk en een gemeenschap van volken’: zie 17:4–6; 28:3.

ומלכים מחלציך יצאו (umelakhim mechalatsekha yetse’u), ‘koningen zullen uit je lendenen voortkomen’: zie 17:6, 16.

12Het land dat Ik aan Abraham en aan Isaak gegeven heb, aan jou zal Ik het geven, en aan je nageslacht na jou zal Ik het land geven.”
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָתַ֛תִּי
(natati)
Ik gaf
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
וּלְיִצְחָ֖ק
(uleyitschaq)
en aan Isaak
לְךָ֣
(lekha)
aan jou
אֶתְּנֶ֑נָּה
(etenena)
Ik zal het geven
וּֽלְזַרְעֲךָ֥
(ulezarakha)
en aan je nageslacht
אַחֲרֶ֖יךָ
(achareikha)
na jou
אֶתֵּ֥ן
(eten)
Ik zal geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie 12:7; 13:15; 26:3 voor dezelfde belofte van het land.

13Elohim steeg van hem op, van de plaats waar Hij met hem gesproken had.
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en Hij ging op
מֵעָלָ֖יו
(mealav)
van hem
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
בַּמָּק֖וֹם
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij had gesproken
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Jakob richtte op de plaats waar Hij met hem gesproken had een gedenkzuil op, een gedenkzuil van steen. Hij goot er een plengoffer over uit en goot er olie over.
וַיַּצֵּ֨ב
(vayatsev)
en hij richtte op
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
מַצֵּבָ֗ה
(matseva)
gedenkzuil
בַּמָּק֛וֹם
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij had gesproken
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
מַצֶּ֣בֶת
(matsevet)
gedenkzuil van
אָ֑בֶן
(aven)
steen
וַיַּסֵּ֤ךְ
(vayasekh)
en hij goot uit
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
erover
נֶ֔סֶךְ
(nesekh)
plengoffer
וַיִּצֹ֥ק
(vayitsoq)
en hij goot
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
erover
שָֽׁמֶן
(shamen)
olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נסך (nesekh), ‘plengoffer’: zie Ex. 29:40.

ויצק עליה שׁמן (vayitsoq alehah shamen), ‘hij goot er olie over’: zie 28:18.

15Jakob noemde de plaats waar Elohim met hem gesproken had Betel.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij noemde
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
הַמָּק֗וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר֩
(asher)
waar
דִּבֶּ֨ר
(diber)
Hij had gesproken
אִתּ֥וֹ
(ito)
met hem
שָׁ֛ם
(sham)
daar
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Zie ookGen 28:19

De dood van Rachel

16Ze braken op van Betel. Er was nog een eind te gaan tot Efrata, toen Rachel beviel. Ze had een zware bevalling.
וַיִּסְעוּ֙
(vayisu)
en ze braken op
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
van huis van
אֵ֔ל
(el)
El
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het was
ע֥וֹד
(od)
nog
כִּבְרַת
(kivrat)
een eind van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
אֶפְרָ֑תָה
(efrata)
naar Efrata
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en ze baarde
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
וַתְּקַ֥שׁ
(vateqash)
en ze had het zwaar
בְּלִדְתָּֽהּ
(belidtah)
bij haar baren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

כברת הארץ (kivrat ha’arets), ‘een eind van het land’: een niet nader bepaalde afstand (zie 48:7; 2 Kon. 5:19).

אפרתה (Efratah), ‘naar Efrata’: de streek rond Betlehem (zie vers 19).

Aanvullend

Jasher 36:10 vertelt ook dat Rachel onderweg beviel; Jubileeën 32:33 zegt dat zij ’s nachts beviel.

17Tijdens de zware bevalling zei de vroedvrouw tegen haar: „Wees niet bang, want ook deze is een zoon voor je.”
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
בְהַקְשֹׁתָ֖הּ
(behaqshotah)
bij haar zwaar hebben
בְּלִדְתָּ֑הּ
(belidtah)
in haar baren
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en ze zei
לָ֤הּ
(lah)
tot haar
הַמְיַלֶּ֨דֶת֙
(hamyaledet)
de vroedvrouw
אַל
(al)
niet
תִּ֣ירְאִ֔י
(tirei)
wees bang
כִּֽי
(ki)
want
גַם
(gam)
ook
זֶ֥ה
(ze)
deze
לָ֖ךְ
(lakh)
voor jou
בֵּֽן
(ben)
zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Toen haar ziel uitging, want ze stierf, noemde ze hem Ben-Oni. Maar zijn vader noemde hem Benjamin.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
בְּצֵ֤את
(betset)
bij uitgaan van
נַפְשָׁהּ֙
(nafshah)
haar ziel
כִּ֣י
(ki)
want
מֵ֔תָה
(meta)
ze stierf
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
בֶּן
(ben)
zoon van
אוֹנִ֑י
(oni)
mijn smart
וְאָבִ֖יו
(veaviv)
en zijn vader
קָֽרָא
(qara)
hij noemde
ל֥וֹ
(lo)
hem
בִנְיָמִֽין
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בן אוני (ben oni), ‘Ben-Oni’: ‘zoon van mijn smart’.

בנימין (Binyamin), ‘Benjamin’: ‘zoon van de rechterhand’, mogelijk ook ‘zoon van het zuiden’.

Aanvullend

Jasher 36:12 zegt dat hij zo heet omdat hij in het land ‘aan de rechterhand’ werd geboren.

Jubileeën 32:33 geeft beide namen.

19Rachel stierf en werd begraven langs de weg naar Efrata, dat is Betlehem.
וַתָּ֖מָת
(vatamat)
en ze stierf
רָחֵ֑ל
(rachel)
Rachel
וַתִּקָּבֵר֙
(vatiqaver)
en ze werd begraven
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg
אֶפְרָ֔תָה
(efrata)
naar Efrata
הִ֖וא
(hi)
het
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

הוא בית לחם (hu Beit Lechem), ‘dat is Betlehem’: ‘huis van brood’.

Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem, ongeveer 25 km ten zuiden van Betel en ongeveer 20 km ten noorden van Hebron.

Uitleg

Een andere overlevering plaatst Rachels graf noordelijker, bij Rama (zie 1 Sam. 10:2; Jer. 31:15).

Aanvullend

Jasher 36:11 zegt dat Jakob een gedenkzuil op haar graf zette; Jubileeën 32:34 zegt dat zij in het land Efrata, dat is Betlehem, werd begraven.

20Jakob richtte een gedenkzuil op boven haar graf. Dat is de gedenkzuil van Rachels graf tot op de dag van vandaag.
וַיַּצֵּ֧ב
(vayatsev)
en hij richtte op
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
מַצֵּבָ֖ה
(matseva)
gedenkzuil
עַל
(al)
boven
קְבֻרָתָ֑הּ
(qevuratah)
haar graf
הִ֛וא
(hi)
het
מַצֶּ֥בֶת
(matsevet)
gedenkzuil van
קְבֻֽרַת
(qevurat)
graf van
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
עַד
(ad)
tot
הַיּֽוֹם
(hayom)
de dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Israël brak op en sloeg zijn tent op voorbij Migdal-Eder.
וַיִּסַּ֖ע
(vayisa)
en hij brak op
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּ֣ט
(vayet)
en hij spande uit
אָֽהֳלֹ֔ה
(aholo)
zijn tent
מֵהָ֖לְאָה
(mehalea)
verder dan
לְמִגְדַּל
(lemigdal)
naar de toren van
עֵֽדֶר
(eder)
Eder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מהלאה למגדל עדר (meahalah leMigdal Eder), ‘voorbij Migdal-Eder’: ‘toren van de kudde’, een herderstoren bij Betlehem.

Aanvullend

Jubileeën 33:1 noemt de plaats Magdaladraef.

Ruben en Bilha; de twaalf zonen

22Toen Israël in dat land woonde, ging Ruben en sliep met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Israël hoorde het. De zonen van Jakob waren twaalf.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּשְׁכֹּ֤ן
(bishkon)
bij het wonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַהִ֔וא
(hahi)
dat
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
רְאוּבֵ֔ן
(reuven)
Ruben
וַיִּשְׁכַּב֙
(vayishkav)
en hij lag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּלְהָה֙
(bilha)
Bilha
פִּילֶ֣גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּשְׁמַ֖ע
(vayishma)
en hij hoorde
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּֽהְי֥וּ
(vayihyu)
en ze waren
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
שְׁנֵ֥ים
(sheneim)
twee
עָשָֽׂר
(asar)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וישׁכב את בלהה פילגשׁ אביו (vayishkav et Bilhah pilegesh aviv), ‘hij sliep met Bilha, de bijvrouw van zijn vader’: Ruben verliest daardoor zijn eerstgeboorterecht (zie 49:3–4; 1 Kronieken 5:1).

Na ‘Israël hoorde het’ staat in de Hebreeuwse tekst een open ruimte; de zin breekt af.

שׁנים עשׂר (shenaim asar), ‘twaalf’.

Aanvullend

Jubileeën 33:2–9 en Jasher 36:13–15 vertellen over deze daad en haar gevolgen.

23De zonen van Lea: Ruben, de eerstgeborene van Jakob, Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon.
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
בְּכ֥וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
רְאוּבֵ֑ן
(reuven)
Ruben
וְשִׁמְעוֹן֙
(veshimon)
en Simeon
וְלֵוִ֣י
(velevi)
en Levi
וִֽיהוּדָ֔ה
(vihuda)
en Juda
וְיִשָּׂשכָ֖ר
(veyisashkhar)
en Issachar
וּזְבוּלֻֽן
(uzevulun)
en Zebulon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
רָחֵ֔ל
(rachel)
Rachel
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
וּבִנְיָמִֽן
(uvinyamin)
en Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De zonen van Bilha, de dienares van Rachel: Dan en Naftali.
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en zonen van
בִלְהָה֙
(bilha)
Bilha
שִׁפְחַ֣ת
(shifchat)
dienares van
רָחֵ֔ל
(rachel)
Rachel
דָּ֖ן
(dan)
Dan
וְנַפְתָּלִֽי
(venaftali)
en Naftali
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De zonen van Zilpa, de dienares van Lea: Gad en Aser. Dit zijn de zonen van Jakob die hem in Paddan-Aram geboren zijn.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en zonen van
זִלְפָּ֛ה
(zilpa)
Zilpa
שִׁפְחַ֥ת
(shifchat)
dienares van
לֵאָ֖ה
(lea)
Lea
גָּ֣ד
(gad)
Gad
וְאָשֵׁ֑ר
(veasher)
en Aser
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֻלַּד
(yulad)
hij werd geboren
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
בְּפַדַּ֥ן
(befadan)
in Paddan
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Uitleg

אשׁר ילד לו בפדן ארם (asher yullad lo bePaddan Aram), ‘die hem in Paddan-Aram geboren zijn’: een samenvatting; Benjamin werd in Kanaän geboren (zie vers 16–18).

Aanvullend

Jasher 36:16–18 geeft dezelfde lijst van de twaalf zonen.

De dood van Isaak

27Jakob kwam bij zijn vader Isaak in Mamre, in Kirjat-Arba, dat is Hebron, waar Abraham en Isaak als vreemdelingen hadden gewoond.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en hij kwam
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
מַמְרֵ֖א
(mamre)
naar Mamre
קִרְיַ֣ת
(qiryat)
Kirjat
הָֽאַרְבַּ֑ע
(haarba)
de Arba
הִ֣וא
(hi)
het
חֶבְר֔וֹן
(chevron)
Hebron
אֲשֶׁר
(asher)
waar
גָּֽר
(gar)
hij woonde als vreemdeling
שָׁ֥ם
(sham)
daar
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
וְיִצְחָֽק
(veyitschaq)
en Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

ממרא קרית הארבע הוא חברון (Mamre Qiryat ha’Arba hi Chevron), ‘Mamre, Kirjat-Arba, dat is Hebron’: zie 13:18; 23:2.

Hebron ligt ongeveer 20 km ten zuiden van Betlehem.

28De dagen van Isaak waren 180 jaar.
וַיִּֽהְי֖וּ
(vayihyu)
en ze waren
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
מְאַ֥ת
(meat)
honderd
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וּשְׁמֹנִ֥ים
(ushemonim)
en tachtig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מאת שׁנה ושׁמנים שׁנה (me’at shanah ushemonim shanah), ‘honderdtachtig jaar’: Isaak was zestig bij de geboorte van Jakob (zie 25:26), dus Jakob was 120 toen Isaak stierf.

Aanvullend

Jubileeën 36:18 vertelt Isaaks dood; zijn leeftijd van honderdtachtig jaar staat daar niet.

29Isaak gaf de geest en stierf. Hij werd verzameld bij zijn volk, oud en verzadigd van dagen. Zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.
וַיִּגְוַ֨ע
(vayigva)
en hij gaf de geest
יִצְחָ֤ק
(yitschaq)
Isaak
וַיָּ֨מָת֙
(vayamat)
en hij stierf
וַיֵּאָ֣סֶף
(vayeasef)
en hij werd verzameld
אֶל
(el)
tot
עַמָּ֔יו
(amav)
zijn volk
זָקֵ֖ן
(zaqen)
oud
וּשְׂבַ֣ע
(useva)
en verzadigd van
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וַיִּקְבְּר֣וּ
(vayiqberu)
en ze begroeven
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
עֵשָׂ֥ו
(esav)
Ezau
וְיַעֲקֹ֖ב
(veyaaqov)
en Jakob
בָּנָֽיו
(banav)
zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויגוע יצחק וימת (vayigva Yitschaq vayamot), ‘Isaak gaf de geest en stierf’: zie 25:8, 17.

Isaaks dood wordt hier vooruitlopend verteld: hij stierf pas ongeveer twaalf jaar nadat Jozef was verkocht (zie 25:26; 37:2; 41:46; 47:9).

Aanvullend

Jubileeën 36:18–19 vertelt Isaaks dood en dat Ezau daarna naar het gebergte Seïr ging; de begrafenis wordt daar niet genoemd.