Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Terug naar Betel
1Elohim zei tegen Jakob: „Sta op, ga naar Betel en woon daar. Richt daar een altaar op voor El, die aan je verscheen toen je vluchtte voor je broer Ezau.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
ק֛וּם
(qum)
sta op
עֲלֵ֥ה
(ale)
ga op
בֵֽית
(beit)
huis van
אֵ֖ל
(el)
El
וְשֶׁב
(veshev)
en woon
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וַעֲשֵׂה
(vaase)
en maak
שָׁ֣ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֔חַ
(mizbeach)
altaar
לָאֵל֙
(lael)
voor El
הַנִּרְאֶ֣ה
(hanire)
die verscheen
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
aan jou
בְּבָרְחֲךָ֔
(bevarechakha)
bij je vluchten
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor
עֵשָׂ֥ו
(esav)
Ezau
אָחִֽיךָ
(achikha)
je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
קום עלה בית אל (qum aleh Beit El), ‘sta op, ga naar Betel’: zie 28:10–22; 31:13.
Aanvullend
Jasher 36:1–2 zegt dat Yahweh Jakob beval naar Betel te gaan en daar een altaar te bouwen, en dat Jakob dat deed.
Jubileeën 31:3 zegt dat hij op de nieuwemaansdag van de zevende maand naar Betel optrok.
2Jakob zei tegen zijn huisgenoten en tegen allen die bij hem waren: „Doe de vreemde goden weg die onder jullie zijn, reinig jullie en trek andere kleren aan.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְאֶ֖ל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
allen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij hem
הָסִ֜רוּ
(hasiru)
doe weg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
goden van
הַנֵּכָר֙
(hanekhar)
het vreemde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּתֹכְכֶ֔ם
(betokhekhem)
in jullie midden
וְהִֽטַּהֲר֔וּ
(vehitaharu)
en reinig jullie
וְהַחֲלִ֖יפוּ
(vehachalifu)
en verwissel
שִׂמְלֹתֵיכֶֽם
(simloteikhem)
jullie kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הסרו את אלהי הנכר (hasiru et elohei hanekhar), ‘doe de vreemde goden weg’: daaronder waarschijnlijk Labans terafim (zie 31:19) en de buit uit Sichem (zie 34:27–29).
3Laten wij opstaan en naar Betel gaan. Daar zal ik een altaar maken voor El, die mij antwoordde op de dag van mijn nood en die met mij was op de weg die ik ging.”
וְנָק֥וּמָה
(venaquma)
en laten we opstaan
וְנַעֲלֶ֖ה
(venaale)
en laten we opgaan
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֑ל
(el)
El
וְאֶֽעֱשֶׂה
(veeese)
en ik zal maken
שָּׁ֣ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֗חַ
(mizbeach)
altaar
לָאֵ֞ל
(lael)
voor El
הָעֹנֶ֤ה
(haone)
die antwoordde
אֹתִי֙
(oti)
mij
בְּי֣וֹם
(beyom)
op dag van
צָֽרָתִ֔י
(tsarati)
mijn nood
וַיְהִי֙
(vayhi)
en Hij was
עִמָּדִ֔י
(imadi)
met mij
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָלָֽכְתִּי
(halakhti)
ik ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
6Jakob kwam in Luz, dat in het land Kanaän ligt, dat is Betel, hij en al het volk dat bij hem was.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en hij kwam
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
ל֗וּזָה
(luza)
naar Luz
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
הִ֖וא
(hi)
het
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֑ל
(el)
El
ה֖וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עִמּֽוֹ
(imo)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
לוזה (Luzah), ‘naar Luz’: de oude naam van Betel (zie 28:19).
Aanvullend
Jasher 36:3 zegt dat Jakob negenennegentig was en dat hij met zijn zonen zes maanden in Betel bleef.
9Elohim verscheen nogmaals aan Jakob, toen hij uit Paddan-Aram kwam, en zegende hem.
וַיֵּרָ֨א
(vayera)
en Hij verscheen
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
ע֔וֹד
(od)
opnieuw
בְּבֹא֖וֹ
(bevoo)
bij zijn komen
מִפַּדַּ֣ן
(mipadan)
uit Paddan
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיְבָ֖רֶךְ
(vayvarekh)
en Hij zegende
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.
Uitleg
Zie 32:29–30 voor de eerdere naamgeving.
Aanvullend
Jasher 36:8 zegt dat Yahweh Jakob toen zegende en Israël noemde.
11Elohim zei tegen hem: „Ik ben El Sjaddai. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk en een gemeenschap van volken zal uit je voortkomen, en koningen zullen uit je lendenen voortkomen.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en Hij zei
ל֨וֹ
(lo)
tot hem
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
אֵ֤ל
(el)
El
שַׁדַּי֙
(shaday)
Sjaddai
פְּרֵ֣ה
(pere)
wees vruchtbaar
וּרְבֵ֔ה
(ureve)
en word talrijk
גּ֛וֹי
(goy)
volk
וּקְהַ֥ל
(uqehal)
en gemeenschap van
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
hij zal zijn
מִמֶּ֑ךָּ
(mimeka)
uit jou
וּמְלָכִ֖ים
(umelakhim)
en koningen
מֵחֲלָצֶ֥יךָ
(mechalatseikha)
uit je lendenen
יֵצֵֽאוּ
(yetseu)
ze zullen uitgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אני אל שׁדי (ani El Shaddai), ‘Ik ben El Sjaddai’: zie 17:1; 28:3.
גוי וקהל גוים (goy uqehal goyim), ‘een volk en een gemeenschap van volken’: zie 17:4–6; 28:3.
ומלכים מחלציך יצאו (umelakhim mechalatsekha yetse’u), ‘koningen zullen uit je lendenen voortkomen’: zie 17:6, 16.
14Jakob richtte op de plaats waar Hij met hem gesproken had een gedenkzuil op, een gedenkzuil van steen. Hij goot er een plengoffer over uit en goot er olie over.
וַיַּצֵּ֨ב
(vayatsev)
en hij richtte op
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
מַצֵּבָ֗ה
(matseva)
gedenkzuil
בַּמָּק֛וֹם
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij had gesproken
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
מַצֶּ֣בֶת
(matsevet)
gedenkzuil van
אָ֑בֶן
(aven)
steen
וַיַּסֵּ֤ךְ
(vayasekh)
en hij goot uit
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
erover
נֶ֔סֶךְ
(nesekh)
plengoffer
וַיִּצֹ֥ק
(vayitsoq)
en hij goot
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
erover
שָֽׁמֶן
(shamen)
olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נסך (nesekh), ‘plengoffer’: zie Ex. 29:40.
ויצק עליה שׁמן (vayitsoq alehah shamen), ‘hij goot er olie over’: zie 28:18.
22Toen Israël in dat land woonde, ging Ruben en sliep met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Israël hoorde het. De zonen van Jakob waren twaalf.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּשְׁכֹּ֤ן
(bishkon)
bij het wonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַהִ֔וא
(hahi)
dat
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
רְאוּבֵ֔ן
(reuven)
Ruben
וַיִּשְׁכַּב֙
(vayishkav)
en hij lag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּלְהָה֙
(bilha)
Bilha
פִּילֶ֣גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּשְׁמַ֖ע
(vayishma)
en hij hoorde
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּֽהְי֥וּ
(vayihyu)
en ze waren
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
שְׁנֵ֥ים
(sheneim)
twee
עָשָֽׂר
(asar)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וישׁכב את בלהה פילגשׁ אביו (vayishkav et Bilhah pilegesh aviv), ‘hij sliep met Bilha, de bijvrouw van zijn vader’: Ruben verliest daardoor zijn eerstgeboorterecht (zie 49:3–4; 1 Kronieken 5:1).
Na ‘Israël hoorde het’ staat in de Hebreeuwse tekst een open ruimte; de zin breekt af.
שׁנים עשׂר (shenaim asar), ‘twaalf’.
Aanvullend
Jubileeën 33:2–9 en Jasher 36:13–15 vertellen over deze daad en haar gevolgen.
26De zonen van Zilpa, de dienares van Lea: Gad en Aser. Dit zijn de zonen van Jakob die hem in Paddan-Aram geboren zijn.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en zonen van
זִלְפָּ֛ה
(zilpa)
Zilpa
שִׁפְחַ֥ת
(shifchat)
dienares van
לֵאָ֖ה
(lea)
Lea
גָּ֣ד
(gad)
Gad
וְאָשֵׁ֑ר
(veasher)
en Aser
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֻלַּד
(yulad)
hij werd geboren
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
בְּפַדַּ֥ן
(befadan)
in Paddan
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.
Uitleg
אשׁר ילד לו בפדן ארם (asher yullad lo bePaddan Aram), ‘die hem in Paddan-Aram geboren zijn’: een samenvatting; Benjamin werd in Kanaän geboren (zie vers 16–18).
Aanvullend
Jasher 36:16–18 geeft dezelfde lijst van de twaalf zonen.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מאת שׁנה ושׁמנים שׁנה (me’at shanah ushemonim shanah), ‘honderdtachtig jaar’: Isaak was zestig bij de geboorte van Jakob (zie 25:26), dus Jakob was 120 toen Isaak stierf.
Aanvullend
Jubileeën 36:18 vertelt Isaaks dood; zijn leeftijd van honderdtachtig jaar staat daar niet.