Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Dina en Sichem
1Dina, de dochter van Lea, die zij aan Jakob had gebaard, ging naar buiten om de dochters van het land te bezoeken.
וַתֵּצֵ֤א
(vatetse)
en ze ging uit
דִינָה֙
(dina)
Dina
בַּת
(bat)
dochter van
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָלְדָ֖ה
(yaleda)
ze had gebaard
לְיַעֲקֹ֑ב
(leyaaqov)
aan Jakob
לִרְא֖וֹת
(lirot)
om te zien
בִּבְנ֥וֹת
(bivnot)
naar de dochters van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ותצא דינה בת לאה (vatetse Dinah bat Leah), ‘Dina, de dochter van Lea’: zie 30:21.
Aanvullend
Jubileeën 30:2 vertelt dat Dina naar het huis van Sichem werd geroofd.
Jasher 33:5–6 zegt dat zij met haar moeder en andere vrouwen naar het feest van de dochters van de stad ging.
2Sichem, de zoon van Hamor, de Chiviet, de vorst van het land, zag haar. Hij nam haar, lag met haar en vernederde haar.
וַיַּ֨רְא
(vayar)
en hij zag
אֹתָ֜הּ
(otah)
haar
שְׁכֶ֧ם
(shekhem)
Sichem
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲמ֛וֹר
(chamor)
Hamor
הַֽחִוִּ֖י
(hachivi)
de Chiviet
נְשִׂ֣יא
(nesi)
vorst van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en hij nam
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
וַיִּשְׁכַּ֥ב
(vayishkav)
en hij lag
אֹתָ֖הּ
(otah)
met haar
וַיְעַנֶּֽהָ
(vayaneha)
en hij vernederde haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נשׂיא הארץ (nesi ha’arets), ‘vorst van het land’: een leider van de Chivieten (zie 10:17).
וישׁכב אתה ויענה (vayishkav otah vaye’anneha), ‘hij lag met haar en vernederde haar’: het werkwoord inna, ‘vernederen’, wijst op geweld en wordt ook gebruikt voor het geweld tegen Tamar (zie 2 Sam. 13:12) en tegen de vrouw in Richteren 19:24.
Aanvullend
Jasher 33:11 zegt dat Sichem haar met geweld liet halen.
3Zijn ziel hechtte zich aan Dina, de dochter van Jakob. Hij werd verliefd op het meisje en sprak vriendelijk tot haar.
וַתִּדְבַּ֣ק
(vatidbaq)
en ze hechtte zich
נַפְשׁ֔וֹ
(nafsho)
zijn ziel
בְּדִינָ֖ה
(bedina)
aan Dina
בַּֽת
(bat)
dochter van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וַיֶּֽאֱהַב֙
(vayeehav)
en hij hield van
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַֽנַּעֲרָ֔
(hanaara)
het meisje
וַיְדַבֵּ֖ר
(vaydaber)
en hij sprak
עַל
(al)
tot
לֵ֥ב
(lev)
hart van
הַֽנַּעֲרָֽ
(hanaara)
het meisje
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נפשׁו בדינה (nafsho beDinah), ‘zijn ziel hechtte zich aan Dina’.
וידבר על לב הנער (vaydaber al lev hana’ar), ‘hij sprak tot het hart van het meisje’: een uitdrukking voor vriendelijk, bemoedigend spreken (zie 50:21).
5Jakob hoorde dat Sichem zijn dochter Dina had onteerd. Zijn zonen waren met zijn vee in het veld, en Jakob zweeg tot zij thuiskwamen.
וְיַעֲקֹ֣ב
(veyaaqov)
en Jakob
שָׁמַ֗ע
(shama)
hij hoorde
כִּ֤י
(ki)
dat
טִמֵּא֙
(time)
hij had verontreinigd
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּינָ֣ה
(dina)
Dina
בִתּ֔וֹ
(bito)
zijn dochter
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
הָי֥וּ
(hayu)
waren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִקְנֵ֖הוּ
(miqnehu)
zijn vee
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
in het veld
וְהֶחֱרִ֥שׁ
(vehecherish)
en hij zweeg
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
עַד
(ad)
tot
בֹּאָֽם
(boam)
hun komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טמא את דינה (timme et Dinah), ‘hij had Dina verontreinigd’ (in de tekst staat alleen ‘hij’; wij noemen in de vertaling Sichem ter verduidelijking): timme betekent ‘onrein maken’; het gaat om de schande voor haar en voor het huis.
והחרשׁ יעקב (vehecheresh Ya’aqov), ‘Jakob zweeg’.
Aanvullend
Jasher 33:15 zegt ook dat Jakob zweeg tot zijn zonen terugkwamen.
7De zonen van Jakob kwamen uit het veld toen zij het hoorden. De mannen waren diep gekwetst en zeer boos, want hij had een schanddaad in Israël begaan door met de dochter van Jakob te slapen. Zoiets hoort men niet te doen.
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en zonen van
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
בָּ֤אוּ
(bau)
ze kwamen
מִן
(min)
uit
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
כְּשָׁמְעָ֔ם
(keshameam)
bij hun horen
וַיִּֽתְעַצְּבוּ֙
(vayitatsevu)
en ze werden gekwetst
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
וַיִּ֥חַר
(vayichar)
en het ontbrandde
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
כִּֽי
(ki)
want
נְבָלָ֞ה
(nevala)
schanddaad
עָשָׂ֣ה
(asa)
hij had gedaan
בְיִשְׂרָאֵ֗ל
(beyisrael)
in Israël
לִשְׁכַּב֙
(lishkav)
om te liggen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בַּֽת
(bat)
dochter van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְכֵ֖ן
(vekhen)
en zo
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵעָשֶֽׂה
(yease)
men zal doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נבלה עשׂה בישׂראל (nevalah asah beYisra’el), ‘een schanddaad in Israël’: nevalah is een daad die de orde van het volk schendt (zie Deut. 22:21; Richteren 20:6).
‘Israël’ is hier het huis van Jakob.
Aanvullend
Jasher 33:20–22 zegt dat de zonen van Jakob woedend waren en zeiden dat de doodstraf op de man stond.
21„Deze mannen zijn vredelievend tegenover ons. Laten ze in het land wonen en erin handel drijven. Het land is ruim genoeg voor hen. Laten wij hun dochters tot vrouw nemen en onze dochters aan hen geven.
הָאֲנָשִׁ֨ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
שְֽׁלֵמִ֧ים
(shelemim)
vredelievend
הֵ֣ם
(hem)
zij
אִתָּ֗נוּ
(itanu)
met ons
וְיֵשְׁב֤וּ
(veyeshevu)
en ze zullen wonen
בָאָ֨רֶץ֙
(baarets)
in het land
וְיִסְחֲר֣וּ
(veyischaru)
en ze zullen handelen
אֹתָ֔הּ
(otah)
erin
וְהָאָ֛רֶץ
(vehaarets)
en het land
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
רַֽחֲבַת
(rachavat)
wijd van
יָדַ֖יִם
(yadayim)
handen
לִפְנֵיהֶ֑ם
(lifneihem)
voor hen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנֹתָם֙
(benotam)
hun dochters
נִקַּֽח
(niqach)
we zullen nemen
לָ֣נוּ
(lanu)
voor ons
לְנָשִׁ֔ים
(lenashim)
tot vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּנֹתֵ֖ינוּ
(benoteinu)
onze dochters
נִתֵּ֥ן
(niten)
we zullen geven
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Maar alleen op één voorwaarde stemmen de mannen erin toe bij ons te wonen en één volk te worden: dat bij ons elke man wordt besneden, zoals zij besneden zijn.
אַךְ
(akh)
alleen
בְּ֠זֹאת
(bezot)
hierin
יֵאֹ֨תוּ
(yeotu)
zullen ze instemmen
לָ֤נוּ
(lanu)
met ons
הָאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
om te wonen
אִתָּ֔נוּ
(itanu)
bij ons
לִהְי֖וֹת
(lihyot)
om te zijn
לְעַ֣ם
(leam)
tot volk
אֶחָ֑ד
(echad)
één
בְּהִמּ֥וֹל
(behimol)
bij het besneden worden
לָ֨נוּ֙
(lanu)
bij ons
כָּל
(kal)
alle
זָכָ֔ר
(zakhar)
mannelijke
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
הֵ֥ם
(hem)
zij
נִמֹּלִֽים
(nimolim)
besneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hun vee, hun bezit en al hun dieren, zullen die niet van ons worden? Laten wij alleen met hen instemmen, dan blijven ze bij ons wonen.”
מִקְנֵהֶ֤ם
(miqnehem)
hun vee
וְקִנְיָנָם֙
(veqinyanam)
en hun bezit
וְכָל
(vekhal)
en alle
בְּהֶמְתָּ֔ם
(behemtam)
hun dieren
הֲל֥וֹא
(halo)
is het niet
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
הֵ֑ם
(hem)
zij
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
נֵא֣וֹתָה
(neota)
laten we instemmen
לָהֶ֔ם
(lahem)
met hen
וְיֵשְׁב֖וּ
(veyeshevu)
en ze zullen wonen
אִתָּֽנוּ
(itanu)
bij ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Allen die door de poort van zijn stad uitgingen, luisterden naar Hamor en naar zijn zoon Sichem. Alle mannen die door de poort van zijn stad uitgingen, werden besneden.
וַיִּשְׁמְע֤וּ
(vayishmeu)
en ze luisterden
אֶל
(el)
naar
חֲמוֹר֙
(chamor)
Hamor
וְאֶל
(veel)
en naar
שְׁכֶ֣ם
(shekhem)
Sichem
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
כָּל
(kal)
alle
יֹצְאֵ֖י
(yotseei)
uitgaanden van
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
עִיר֑וֹ
(iro)
zijn stad
וַיִּמֹּ֨לוּ֙
(vayimolu)
en ze werden besneden
כָּל
(kal)
alle
זָכָ֔ר
(zakhar)
mannelijke
כָּל
(kal)
alle
יֹצְאֵ֖י
(yotseei)
uitgaanden van
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
עִירֽוֹ
(iro)
zijn stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend
Jasher 33:51–52 en 34:1 geven aantallen van de besneden mannen en kinderen.
25Op de derde dag, toen ze pijn hadden, namen twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, de broers van Dina, ieder zijn zwaard. Ze kwamen onbevreesd over de stad en doodden alle mannen.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op dag
הַשְּׁלִישִׁ֜י
(hashelishi)
de derde
בִּֽהְיוֹתָ֣ם
(bihyotam)
bij hun zijn
כֹּֽאֲבִ֗ים
(koavim)
pijn hebbend
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en ze namen
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
בְנֵי
(benei)
zonen van
יַ֠עֲקֹב
(yaaqov)
Jakob
שִׁמְע֨וֹן
(shimon)
Simeon
וְלֵוִ֜י
(velevi)
en Levi
אֲחֵ֤י
(achei)
broers van
דִינָה֙
(dina)
Dina
אִ֣ישׁ
(ish)
man
חַרְבּ֔וֹ
(charbo)
zijn zwaard
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
עַל
(al)
over
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
בֶּ֑טַח
(betach)
zeker
וַיַּֽהַרְג֖וּ
(vayahargu)
en ze doodden
כָּל
(kal)
alle
זָכָֽר
(zakhar)
mannelijke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בהיותם כאבים (bihyotam ko’avim), ‘toen ze pijn hadden’: de derde dag na een besnijdenis.
שׁמעון ולוי אחי דינה (Shim’on veLevi achei Dinah), ‘Simeon en Levi, de broers van Dina’: zonen van Lea, dus volle broers van Dina (zie 29:33–34; 30:21).
Aanvullend
Jubileeën 30:4 zegt dat zij onverwacht in Sichem kwamen en alle mannen doodden, en keurt hun daad goed; Genesis 49:5–7 veroordeelt hun woede.
Jasher 34:23–25 laat hen zweren dat er de volgende dag om deze tijd niemand zou overblijven.
Jasher 52:36 noemt acht steden van de Amorieten en Jasher 54:5 naast Sichem zeven steden die Simeon en Levi om Dina verwoestten; Genesis 34 noemt alleen Sichem.
30Jakob zei tegen Simeon en Levi: „Jullie hebben mij in het ongeluk gestort. Jullie hebben mij stinkend gemaakt bij de bewoners van het land, bij de Kanaänieten en de Perizzieten. Ik heb maar weinig mannen. Als ze zich tegen mij verzamelen en mij slaan, word ik vernietigd, ik en mijn huis.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
שִׁמְע֣וֹן
(shimon)
Simeon
וְאֶל
(veel)
en tot
לֵוִי֮
(levi)
Levi
עֲכַרְתֶּ֣ם
(akhartem)
jullie hebben in het ongeluk gestort
אֹתִי֒
(oti)
mij
לְהַבְאִישֵׁ֨נִי֙
(lehavisheni)
om mij te laten stinken
בְּיֹשֵׁ֣ב
(beyoshev)
in het wonen van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
בַּֽכְּנַעֲנִ֖י
(bakenaani)
bij de Kanaänieten
וּבַפְּרִזִּ֑י
(uvaperizi)
en bij de Perizzieten
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
מְתֵ֣י
(metei)
mannen van
מִסְפָּ֔ר
(mispar)
aantal
וְנֶאֶסְפ֤וּ
(veneesfu)
en ze zullen zich verzamelen
עָלַי֙
(alay)
tegen mij
וְהִכּ֔וּנִי
(vehikuni)
en ze zullen mij slaan
וְנִשְׁמַדְתִּ֖י
(venishmadti)
en ik word vernietigd
אֲנִ֥י
(ani)
ik
וּבֵיתִֽי
(uveiti)
en mijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עכרתם אתי להבאישׁני (akhartem oti lehav’ishani), ‘jullie hebben mij in het ongeluk gestort, mij stinkend gemaakt’: akhar, ‘onheil brengen’ (zie Joz. 7:25), en baash, ‘stinken’: Jakobs naam is bij de buren besmet.
בכנעני ובפרזי (bakena’ani uvaPerizzi), ‘bij de Kanaänieten en de Perizzieten’: zie 13:7; 15:20.
Op zijn sterfbed komt hij hierop terug (zie 49:5–7).
Aanvullend
Jasher 34:32–33 geeft hetzelfde verwijt van Jakob.