Elohim Bijbel

Genesis 34

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Dina in Sichem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Dina en Sichem

1Dina, de dochter van Lea, die zij aan Jakob had gebaard, ging naar buiten om de dochters van het land te bezoeken.
וַתֵּצֵ֤א
(vatetse)
en ze ging uit
דִינָה֙
(dina)
Dina
בַּת
(bat)
dochter van
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָלְדָ֖ה
(yaleda)
ze had gebaard
לְיַעֲקֹ֑ב
(leyaaqov)
aan Jakob
לִרְא֖וֹת
(lirot)
om te zien
בִּבְנ֥וֹת
(bivnot)
naar de dochters van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותצא דינה בת לאה (vatetse Dinah bat Leah), ‘Dina, de dochter van Lea’: zie 30:21.

Aanvullend

Jubileeën 30:2 vertelt dat Dina naar het huis van Sichem werd geroofd.

Jasher 33:5–6 zegt dat zij met haar moeder en andere vrouwen naar het feest van de dochters van de stad ging.

2Sichem, de zoon van Hamor, de Chiviet, de vorst van het land, zag haar. Hij nam haar, lag met haar en vernederde haar.
וַיַּ֨רְא
(vayar)
en hij zag
אֹתָ֜הּ
(otah)
haar
שְׁכֶ֧ם
(shekhem)
Sichem
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲמ֛וֹר
(chamor)
Hamor
הַֽחִוִּ֖י
(hachivi)
de Chiviet
נְשִׂ֣יא
(nesi)
vorst van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en hij nam
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
וַיִּשְׁכַּ֥ב
(vayishkav)
en hij lag
אֹתָ֖הּ
(otah)
met haar
וַיְעַנֶּֽהָ
(vayaneha)
en hij vernederde haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נשׂיא הארץ (nesi ha’arets), ‘vorst van het land’: een leider van de Chivieten (zie 10:17).

וישׁכב אתה ויענה (vayishkav otah vaye’anneha), ‘hij lag met haar en vernederde haar’: het werkwoord inna, ‘vernederen’, wijst op geweld en wordt ook gebruikt voor het geweld tegen Tamar (zie 2 Sam. 13:12) en tegen de vrouw in Richteren 19:24.

Aanvullend

Jasher 33:11 zegt dat Sichem haar met geweld liet halen.

3Zijn ziel hechtte zich aan Dina, de dochter van Jakob. Hij werd verliefd op het meisje en sprak vriendelijk tot haar.
וַתִּדְבַּ֣ק
(vatidbaq)
en ze hechtte zich
נַפְשׁ֔וֹ
(nafsho)
zijn ziel
בְּדִינָ֖ה
(bedina)
aan Dina
בַּֽת
(bat)
dochter van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וַיֶּֽאֱהַב֙
(vayeehav)
en hij hield van
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַֽנַּעֲרָ֔
(hanaara)
het meisje
וַיְדַבֵּ֖ר
(vaydaber)
en hij sprak
עַל
(al)
tot
לֵ֥ב
(lev)
hart van
הַֽנַּעֲרָֽ
(hanaara)
het meisje
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נפשׁו בדינה (nafsho beDinah), ‘zijn ziel hechtte zich aan Dina’.

וידבר על לב הנער (vaydaber al lev hana’ar), ‘hij sprak tot het hart van het meisje’: een uitdrukking voor vriendelijk, bemoedigend spreken (zie 50:21).

4Sichem zei tegen zijn vader Hamor: „Neem dit meisje voor mij tot vrouw.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁכֶ֔ם
(shekhem)
Sichem
אֶל
(el)
tot
חֲמ֥וֹר
(chamor)
Hamor
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
קַֽח
(qach)
neem
לִ֛י
(li)
voor mij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיַּלְדָּ֥ה
(hayalda)
het meisje
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Jakob hoorde dat Sichem zijn dochter Dina had onteerd. Zijn zonen waren met zijn vee in het veld, en Jakob zweeg tot zij thuiskwamen.
וְיַעֲקֹ֣ב
(veyaaqov)
en Jakob
שָׁמַ֗ע
(shama)
hij hoorde
כִּ֤י
(ki)
dat
טִמֵּא֙
(time)
hij had verontreinigd
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּינָ֣ה
(dina)
Dina
בִתּ֔וֹ
(bito)
zijn dochter
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
הָי֥וּ
(hayu)
waren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִקְנֵ֖הוּ
(miqnehu)
zijn vee
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
in het veld
וְהֶחֱרִ֥שׁ
(vehecherish)
en hij zweeg
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
עַד
(ad)
tot
בֹּאָֽם
(boam)
hun komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טמא את דינה (timme et Dinah), ‘hij had Dina verontreinigd’ (in de tekst staat alleen ‘hij’; wij noemen in de vertaling Sichem ter verduidelijking): timme betekent ‘onrein maken’; het gaat om de schande voor haar en voor het huis.

והחרשׁ יעקב (vehecheresh Ya’aqov), ‘Jakob zweeg’.

Aanvullend

Jasher 33:15 zegt ook dat Jakob zweeg tot zijn zonen terugkwamen.

Hamor komt bij Jakob

6Hamor, de vader van Sichem, ging naar Jakob om met hem te spreken.
וַיֵּצֵ֛א
(vayetse)
en hij ging uit
חֲמ֥וֹר
(chamor)
Hamor
אֲבִֽי
(avi)
vader van
שְׁכֶ֖ם
(shekhem)
Sichem
אֶֽל
(el)
naar
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
לְדַבֵּ֖ר
(ledaber)
om te spreken
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 30:3
7De zonen van Jakob kwamen uit het veld toen zij het hoorden. De mannen waren diep gekwetst en zeer boos, want hij had een schanddaad in Israël begaan door met de dochter van Jakob te slapen. Zoiets hoort men niet te doen.
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en zonen van
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
בָּ֤אוּ
(bau)
ze kwamen
מִן
(min)
uit
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
כְּשָׁמְעָ֔ם
(keshameam)
bij hun horen
וַיִּֽתְעַצְּבוּ֙
(vayitatsevu)
en ze werden gekwetst
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
וַיִּ֥חַר
(vayichar)
en het ontbrandde
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
כִּֽי
(ki)
want
נְבָלָ֞ה
(nevala)
schanddaad
עָשָׂ֣ה
(asa)
hij had gedaan
בְיִשְׂרָאֵ֗ל
(beyisrael)
in Israël
לִשְׁכַּב֙
(lishkav)
om te liggen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בַּֽת
(bat)
dochter van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְכֵ֖ן
(vekhen)
en zo
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵעָשֶֽׂה
(yease)
men zal doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נבלה עשׂה בישׂראל (nevalah asah beYisra’el), ‘een schanddaad in Israël’: nevalah is een daad die de orde van het volk schendt (zie Deut. 22:21; Richteren 20:6).

‘Israël’ is hier het huis van Jakob.

Aanvullend

Jasher 33:20–22 zegt dat de zonen van Jakob woedend waren en zeiden dat de doodstraf op de man stond.

8Hamor sprak met hen: „Mijn zoon Sichem verlangt met heel zijn ziel naar jullie dochter. Geef haar hem toch tot vrouw.
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
חֲמ֖וֹר
(chamor)
Hamor
אִתָּ֣ם
(itam)
met hen
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
שְׁכֶ֣ם
(shekhem)
Sichem
בְּנִ֗י
(beni)
mijn zoon
חָֽשְׁקָ֤ה
(chasheqa)
verlangt
נַפְשׁוֹ֙
(nafsho)
zijn ziel
בְּבִתְּכֶ֔ם
(bevitekhem)
naar jullie dochter
תְּנ֨וּ
(tenu)
geef
נָ֥א
(na)
alsjeblieft
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חשׁקה נפשׁו (chashqah nafsho), ‘zijn ziel verlangt’: chashaq betekent ‘vurig verlangen’ (zie Deut. 21:11).

Aanvullend

Jasher 33:24–25 geeft Hamors voorstel in dezelfde bewoordingen.

9Verbind jullie met ons door huwelijk: geef ons jullie dochters en neem onze dochters voor jullie.
וְהִֽתְחַתְּנ֖וּ
(vehitchatenu)
en verzwager jullie
אֹתָ֑נוּ
(otanu)
met ons
בְּנֹֽתֵיכֶם֙
(benoteikhem)
jullie dochters
תִּתְּנוּ
(titenu)
jullie zullen geven
לָ֔נוּ
(lanu)
aan ons
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּנֹתֵ֖ינוּ
(benoteinu)
onze dochters
תִּקְח֥וּ
(tiqchu)
jullie zullen nemen
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

והתחתנו (vehitchatnu), ‘verbind jullie door huwelijk’: zie Deut. 7:3, waar zulke huwelijken worden verboden.

10Blijf bij ons wonen. Het land staat voor jullie open: woon erin, handel erin en verwerf bezit erin.”
וְאִתָּ֖נוּ
(veitanu)
en met ons
תֵּשֵׁ֑בוּ
(teshevu)
jullie zullen wonen
וְהָאָ֨רֶץ֙
(vehaarets)
en het land
תִּהְיֶ֣ה
(tihye)
het zal zijn
לִפְנֵיכֶ֔ם
(lifneikhem)
voor jullie
שְׁבוּ֙
(shevu)
woont
וּסְחָר֔וּהָ
(usecharuha)
en handelt erin
וְהֵֽאָחֲז֖וּ
(veheachazu)
en verwerft bezit
בָּֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וסחרוה והאחזו (vesecharuha ve’echazu), ‘handel erin en verwerf bezit’.

Aanvullend

Jasher 33:25 noemt ook handel en bezit.

11Sichem zei tegen haar vader en haar broers: „Laat mij gunst vinden in jullie ogen. Wat jullie ook tegen mij zeggen, dat zal ik geven.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁכֶם֙
(shekhem)
Sichem
אֶל
(el)
tot
אָבִ֣יה
(avi)
haar vader
וְאֶל
(veel)
en tot
אַחֶ֔יהָ
(acheiha)
haar broers
אֶמְצָא
(emtsa)
ik zal vinden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֵיכֶ֑ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wat
תֹּאמְר֛וּ
(tomru)
jullie zullen zeggen
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
אֶתֵּֽן
(eten)
ik zal geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Vraag van mij een hoge bruidsprijs en geschenken, ik geef zoveel als jullie zeggen. Maar geef mij het meisje tot vrouw.”
הַרְבּ֨וּ
(harbu)
maakt groot
עָלַ֤י
(alay)
op mij
מְאֹד֙
(meod)
zeer
מֹ֣הַר
(mohar)
bruidsprijs
וּמַתָּ֔ן
(umatan)
en geschenk
וְאֶ֨תְּנָ֔ה
(veetena)
en ik zal geven
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
תֹּאמְר֖וּ
(tomru)
jullie zullen zeggen
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וּתְנוּ
(utenu)
en geef
לִ֥י
(li)
aan mij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַֽנַּעֲרָ֖
(hanaara)
het meisje
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מהר ומתן (mohar umattan), ‘bruidsprijs en geschenk’: zie Ex. 22:15–16; Deut. 22:28–29.

Het antwoord van de zonen van Jakob

13De zonen van Jakob antwoordden Sichem en zijn vader Hamor met list, want hij had hun zus Dina onteerd.
וַיַּעֲנ֨וּ
(vayaanu)
en ze antwoordden
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁכֶ֨ם
(shekhem)
Sichem
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
חֲמ֥וֹר
(chamor)
Hamor
אָבִ֛יו
(aviv)
zijn vader
בְּמִרְמָ֖ה
(bemirma)
met list
וַיְדַבֵּ֑רוּ
(vaydaberu)
en ze spraken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
omdat
טִמֵּ֔א
(time)
hij had verontreinigd
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּינָ֥ה
(dina)
Dina
אֲחֹתָֽם
(achotam)
hun zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

במרמה (bemirmah), ‘met list’: hetzelfde woord als in 27:35.

Aanvullend

Jasher 33:29, 41 zegt ook dat de zonen van Jakob hen met list antwoordden.

14Ze zeiden tegen hen: „Dat kunnen we niet doen: onze zus geven aan een man die niet besneden is, want dat is een schande voor ons.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
לֹ֤א
(lo)
niet
נוּכַל֙
(nukhal)
we kunnen
לַעֲשׂוֹת֙
(laasot)
om te doen
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
לָתֵת֙
(latet)
om te geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲחֹתֵ֔נוּ
(achotenu)
onze zus
לְאִ֖ישׁ
(leish)
aan een man
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֣וֹ
(lo)
aan hem
עָרְלָ֑ה
(arela)
voorhuid
כִּֽי
(ki)
want
חֶרְפָּ֥ה
(cherpa)
schande
הִ֖וא
(hi)
het
לָֽנוּ
(lanu)
voor ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ערלה (arelah), ‘voorhuid’: de besnijdenis is het teken van het verbond (zie 17:10–14).

חרפה (cherpah), ‘schande’.

Aanvullend

Jasher 33:42–43 laat de zonen van Jakob zeggen dat het een schande is een dochter aan een onbesneden man te geven.

15Alleen onder deze voorwaarde stemmen we met jullie in: als jullie worden zoals wij, door bij jullie iedere man te laten besnijden.
אַךְ
(akh)
alleen
בְּזֹ֖את
(bezot)
hierin
נֵא֣וֹת
(neot)
zullen we instemmen
לָכֶ֑ם
(lakhem)
met jullie
אִ֚ם
(im)
als
תִּהְי֣וּ
(tihyu)
jullie zullen zijn
כָמֹ֔נוּ
(kamonu)
zoals wij
לְהִמֹּ֥ל
(lehimol)
om besneden te worden
לָכֶ֖ם
(lakhem)
bij jullie
כָּל
(kal)
alle
זָכָֽר
(zakhar)
mannelijke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כמנו להמל לכם כל זכר (kamonu lehimol lakhem kol zakhar), ‘zoals wij, door bij jullie iedere man te laten besnijden’.

Aanvullend

Jasher 33:37–38 zegt dat Simeon dit plan voorstelde.

16Dan geven wij onze dochters aan jullie en nemen we jullie dochters voor ons. We zullen bij jullie wonen en één volk worden.
וְנָתַ֤נּוּ
(venatanu)
en we zullen geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנֹתֵ֨ינוּ֙
(benoteinu)
onze dochters
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּנֹתֵיכֶ֖ם
(benoteikhem)
jullie dochters
נִֽקַּֽח
(niqach)
we zullen nemen
לָ֑נוּ
(lanu)
voor ons
וְיָשַׁ֣בְנוּ
(veyashavnu)
en we zullen wonen
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
met jullie
וְהָיִ֖ינוּ
(vehayinu)
en we zullen worden
לְעַ֥ם
(leam)
tot volk
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Maar als jullie niet naar ons luisteren en jullie je niet laten besnijden, dan nemen we onze dochter en gaan we weg.”
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֧א
(lo)
niet
תִשְׁמְע֛וּ
(tishmeu)
jullie zullen luisteren
אֵלֵ֖ינוּ
(eleinu)
naar ons
לְהִמּ֑וֹל
(lehimol)
om besneden te worden
וְלָקַ֥חְנוּ
(velaqachnu)
en we zullen nemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּתֵּ֖נוּ
(bitenu)
onze dochter
וְהָלָֽכְנוּ
(vehalakhenu)
en we zullen gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hun woorden waren goed in de ogen van Hamor en van Sichem, de zoon van Hamor.
וַיִּֽיטְב֥וּ
(vayitevu)
en ze waren goed
דִבְרֵיהֶ֖ם
(divreihem)
hun woorden
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
חֲמ֑וֹר
(chamor)
Hamor
וּבְעֵינֵ֖י
(uveeinei)
en in de ogen van
שְׁכֶ֥ם
(shekhem)
Sichem
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲמֽוֹר
(chamor)
Hamor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 33:46 zegt dat Sichem en Hamor zich haastten te doen wat de zonen van Jakob wilden, want Sichem was zeer gesteld op Dina.

Zie ookJas 33:46
19De jongeman aarzelde niet om dit te doen, want hij had groot behagen in Jakobs dochter. Hij was de meest geachte van heel het huis van zijn vader.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אֵחַ֤ר
(echar)
hij vertraagde
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
de zaak
כִּ֥י
(ki)
want
חָפֵ֖ץ
(chafets)
hij had behagen
בְּבַֽת
(bevat)
in dochter van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
נִכְבָּ֔ד
(nikhbad)
geëerd
מִכֹּ֖ל
(mikol)
boven heel
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De besnijdenis in Sichem

20Hamor en zijn zoon Sichem gingen naar de poort van hun stad en spraken tot de mannen van hun stad:
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij kwam
חֲמ֛וֹר
(chamor)
Hamor
וּשְׁכֶ֥ם
(ushekhem)
en Sichem
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אֶל
(el)
naar
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
עִירָ֑ם
(iram)
hun stad
וַֽיְדַבְּר֛וּ
(vaydaberu)
en ze spraken
אֶל
(el)
tot
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
עִירָ֖ם
(iram)
hun stad
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁער עירם (sha’ar iram), ‘de poort van hun stad’: de plaats van bestuur en rechtspraak (zie 23:10, 18).

Aanvullend

Jasher 33:47–50 zegt dat zij de mannen daar bijeenriepen en dat die instemden.

21„Deze mannen zijn vredelievend tegenover ons. Laten ze in het land wonen en erin handel drijven. Het land is ruim genoeg voor hen. Laten wij hun dochters tot vrouw nemen en onze dochters aan hen geven.
הָאֲנָשִׁ֨ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
שְֽׁלֵמִ֧ים
(shelemim)
vredelievend
הֵ֣ם
(hem)
zij
אִתָּ֗נוּ
(itanu)
met ons
וְיֵשְׁב֤וּ
(veyeshevu)
en ze zullen wonen
בָאָ֨רֶץ֙
(baarets)
in het land
וְיִסְחֲר֣וּ
(veyischaru)
en ze zullen handelen
אֹתָ֔הּ
(otah)
erin
וְהָאָ֛רֶץ
(vehaarets)
en het land
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
רַֽחֲבַת
(rachavat)
wijd van
יָדַ֖יִם
(yadayim)
handen
לִפְנֵיהֶ֑ם
(lifneihem)
voor hen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנֹתָם֙
(benotam)
hun dochters
נִקַּֽח
(niqach)
we zullen nemen
לָ֣נוּ
(lanu)
voor ons
לְנָשִׁ֔ים
(lenashim)
tot vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּנֹתֵ֖ינוּ
(benoteinu)
onze dochters
נִתֵּ֥ן
(niten)
we zullen geven
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Maar alleen op één voorwaarde stemmen de mannen erin toe bij ons te wonen en één volk te worden: dat bij ons elke man wordt besneden, zoals zij besneden zijn.
אַךְ
(akh)
alleen
בְּ֠זֹאת
(bezot)
hierin
יֵאֹ֨תוּ
(yeotu)
zullen ze instemmen
לָ֤נוּ
(lanu)
met ons
הָאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
om te wonen
אִתָּ֔נוּ
(itanu)
bij ons
לִהְי֖וֹת
(lihyot)
om te zijn
לְעַ֣ם
(leam)
tot volk
אֶחָ֑ד
(echad)
één
בְּהִמּ֥וֹל
(behimol)
bij het besneden worden
לָ֨נוּ֙
(lanu)
bij ons
כָּל
(kal)
alle
זָכָ֔ר
(zakhar)
mannelijke
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
הֵ֥ם
(hem)
zij
נִמֹּלִֽים
(nimolim)
besneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hun vee, hun bezit en al hun dieren, zullen die niet van ons worden? Laten wij alleen met hen instemmen, dan blijven ze bij ons wonen.”
מִקְנֵהֶ֤ם
(miqnehem)
hun vee
וְקִנְיָנָם֙
(veqinyanam)
en hun bezit
וְכָל
(vekhal)
en alle
בְּהֶמְתָּ֔ם
(behemtam)
hun dieren
הֲל֥וֹא
(halo)
is het niet
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
הֵ֑ם
(hem)
zij
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
נֵא֣וֹתָה
(neota)
laten we instemmen
לָהֶ֔ם
(lahem)
met hen
וְיֵשְׁב֖וּ
(veyeshevu)
en ze zullen wonen
אִתָּֽנוּ
(itanu)
bij ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Allen die door de poort van zijn stad uitgingen, luisterden naar Hamor en naar zijn zoon Sichem. Alle mannen die door de poort van zijn stad uitgingen, werden besneden.
וַיִּשְׁמְע֤וּ
(vayishmeu)
en ze luisterden
אֶל
(el)
naar
חֲמוֹר֙
(chamor)
Hamor
וְאֶל
(veel)
en naar
שְׁכֶ֣ם
(shekhem)
Sichem
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
כָּל
(kal)
alle
יֹצְאֵ֖י
(yotseei)
uitgaanden van
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
עִיר֑וֹ
(iro)
zijn stad
וַיִּמֹּ֨לוּ֙
(vayimolu)
en ze werden besneden
כָּל
(kal)
alle
זָכָ֔ר
(zakhar)
mannelijke
כָּל
(kal)
alle
יֹצְאֵ֖י
(yotseei)
uitgaanden van
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
עִירֽוֹ
(iro)
zijn stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 33:51–52 en 34:1 geven aantallen van de besneden mannen en kinderen.

De wraak van Simeon en Levi

25Op de derde dag, toen ze pijn hadden, namen twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, de broers van Dina, ieder zijn zwaard. Ze kwamen onbevreesd over de stad en doodden alle mannen.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op dag
הַשְּׁלִישִׁ֜י
(hashelishi)
de derde
בִּֽהְיוֹתָ֣ם
(bihyotam)
bij hun zijn
כֹּֽאֲבִ֗ים
(koavim)
pijn hebbend
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en ze namen
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
בְנֵי
(benei)
zonen van
יַ֠עֲקֹב
(yaaqov)
Jakob
שִׁמְע֨וֹן
(shimon)
Simeon
וְלֵוִ֜י
(velevi)
en Levi
אֲחֵ֤י
(achei)
broers van
דִינָה֙
(dina)
Dina
אִ֣ישׁ
(ish)
man
חַרְבּ֔וֹ
(charbo)
zijn zwaard
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
עַל
(al)
over
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
בֶּ֑טַח
(betach)
zeker
וַיַּֽהַרְג֖וּ
(vayahargu)
en ze doodden
כָּל
(kal)
alle
זָכָֽר
(zakhar)
mannelijke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בהיותם כאבים (bihyotam ko’avim), ‘toen ze pijn hadden’: de derde dag na een besnijdenis.

שׁמעון ולוי אחי דינה (Shim’on veLevi achei Dinah), ‘Simeon en Levi, de broers van Dina’: zonen van Lea, dus volle broers van Dina (zie 29:33–34; 30:21).

Aanvullend

Jubileeën 30:4 zegt dat zij onverwacht in Sichem kwamen en alle mannen doodden, en keurt hun daad goed; Genesis 49:5–7 veroordeelt hun woede.

Jasher 34:23–25 laat hen zweren dat er de volgende dag om deze tijd niemand zou overblijven.

Jasher 52:36 noemt acht steden van de Amorieten en Jasher 54:5 naast Sichem zeven steden die Simeon en Levi om Dina verwoestten; Genesis 34 noemt alleen Sichem.

26Ook Hamor en zijn zoon Sichem doodden ze met de scherpte van het zwaard. Ze namen Dina uit het huis van Sichem en gingen weg.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
חֲמוֹר֙
(chamor)
Hamor
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שְׁכֶ֣ם
(shekhem)
Sichem
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
הָרְג֖וּ
(haregu)
ze doodden
לְפִי
(lefi)
naar de mond van
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
וַיִּקְח֧וּ
(vayiqchu)
en ze namen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּינָ֛ה
(dina)
Dina
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit huis van
שְׁכֶ֖ם
(shekhem)
Sichem
וַיֵּצֵֽאוּ
(vayetseu)
en ze gingen uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הרגו לפי חרב (hargu lefi charev), ‘ze doodden met de scherpte van het zwaard’: letterlijk ‘naar de mond van het zwaard’.

Aanvullend

Jasher 34:28 zegt dat zij Dina uit het huis van Sichem haalden.

27De zonen van Jakob kwamen over de gevallenen en plunderden de stad, omdat zij hun zus hadden onteerd.
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
בָּ֚אוּ
(bau)
ze kwamen
עַל
(al)
over
הַ֣חֲלָלִ֔ים
(hachalalim)
de gedoden
וַיָּבֹ֖זּוּ
(vayavozu)
en ze plunderden
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
טִמְּא֖וּ
(timeu)
ze hadden verontreinigd
אֲחוֹתָֽם
(achotam)
hun zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Hun kleinvee, hun rundvee, hun ezels, alles wat in de stad en wat in het veld was, namen ze mee.
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
צֹאנָ֥ם
(tsonam)
hun kleinvee
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּקָרָ֖ם
(beqaram)
hun rundvee
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
חֲמֹרֵיהֶּ֑ם
(chamoreihem)
hun ezels
וְאֵ֧ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּעִ֛יר
(bair)
in de stad
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
בַּשָּׂדֶ֖ה
(basade)
in het veld
לָקָֽחוּ
(laqachu)
ze namen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Heel hun vermogen, al hun kinderen en hun vrouwen voerden ze weg als buit, en ze plunderden alles wat in de huizen was.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
חֵילָ֤ם
(cheilam)
hun vermogen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
טַפָּם֙
(tapam)
hun kinderen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
נְשֵׁיהֶ֔ם
(nesheihem)
hun vrouwen
שָׁב֖וּ
(shavu)
ze namen gevangen
וַיָּבֹ֑זּוּ
(vayavozu)
en ze plunderden
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
בַּבָּֽיִת
(babayit)
in het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 34:31, 35–37 noemt de gevangenen en de buit.

30Jakob zei tegen Simeon en Levi: „Jullie hebben mij in het ongeluk gestort. Jullie hebben mij stinkend gemaakt bij de bewoners van het land, bij de Kanaänieten en de Perizzieten. Ik heb maar weinig mannen. Als ze zich tegen mij verzamelen en mij slaan, word ik vernietigd, ik en mijn huis.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
שִׁמְע֣וֹן
(shimon)
Simeon
וְאֶל
(veel)
en tot
לֵוִי֮
(levi)
Levi
עֲכַרְתֶּ֣ם
(akhartem)
jullie hebben in het ongeluk gestort
אֹתִי֒
(oti)
mij
לְהַבְאִישֵׁ֨נִי֙
(lehavisheni)
om mij te laten stinken
בְּיֹשֵׁ֣ב
(beyoshev)
in het wonen van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
בַּֽכְּנַעֲנִ֖י
(bakenaani)
bij de Kanaänieten
וּבַפְּרִזִּ֑י
(uvaperizi)
en bij de Perizzieten
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
מְתֵ֣י
(metei)
mannen van
מִסְפָּ֔ר
(mispar)
aantal
וְנֶאֶסְפ֤וּ
(veneesfu)
en ze zullen zich verzamelen
עָלַי֙
(alay)
tegen mij
וְהִכּ֔וּנִי
(vehikuni)
en ze zullen mij slaan
וְנִשְׁמַדְתִּ֖י
(venishmadti)
en ik word vernietigd
אֲנִ֥י
(ani)
ik
וּבֵיתִֽי
(uveiti)
en mijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עכרתם אתי להבאישׁני (akhartem oti lehav’ishani), ‘jullie hebben mij in het ongeluk gestort, mij stinkend gemaakt’: akhar, ‘onheil brengen’ (zie Joz. 7:25), en baash, ‘stinken’: Jakobs naam is bij de buren besmet.

בכנעני ובפרזי (bakena’ani uvaPerizzi), ‘bij de Kanaänieten en de Perizzieten’: zie 13:7; 15:20.

Op zijn sterfbed komt hij hierop terug (zie 49:5–7).

Aanvullend

Jasher 34:32–33 geeft hetzelfde verwijt van Jakob.

31Ze zeiden: „Mag hij onze zus behandelen als een hoer?”
וַיֹּאמְר֑וּ
(vayomru)
en ze zeiden
הַכְזוֹנָ֕ה
(hakhzona)
als de hoer
יַעֲשֶׂ֖ה
(yaase)
hij mag doen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲחוֹתֵֽנוּ
(achotenu)
onze zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הכזונה (hakhezonah), ‘als de hoer’: zie 38:15.

Aanvullend

Jasher 34:34 geeft hetzelfde antwoord.