Romeinen 9
Het verdriet om Israël, Elohims keuze en de steen van aanstoot
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Paulus' verdriet om zijn volk
συμμαρτυρέω (symmartyreo), ‘meegetuigen’: zijn geweten getuigt met hem mee. συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’: het innerlijke besef van goed en kwaad.
‘In de Messias’ (ἐν Χριστῷ, en Christo) is een vaste formule van Paulus: hij spreekt als iemand die bij de Messias hoort.
‘In de Heilige Geest’ hoort bij ‘getuigt’.
Hoofdstuk 9 begint een nieuw onderdeel van de brief, na 8:39.
Zie ook Rom. 8:39.
ηὐχόμην (euchomen), ‘ik wenste’: de Griekse onvoltooid verleden tijd kan ook ‘ik zou kunnen wensen’ of ‘ik was bezig te wensen’ betekenen. ἀνάθεμα (anathema), ‘vervloekt’: aan de ban gewijd, zoals in Gal. 1:8–9.
‘Weg van de Messias’ (ἀπὸ τοῦ Χριστοῦ): van Hem gescheiden. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook zusters; hier zijn het Paulus’ volksgenoten, ‘mijn verwanten naar het vlees’. σάρξ (sarx), ‘vlees’: hier de afstamming.
Vergelijk de bede van Mozes in Exod. 32:32.
Zie ook Gal. 1:8; Exod. 32:32.
Ἰσραηλῖται (Israelitai), ‘Israëlieten’: nakomelingen van Jakob, die Israël heet. υἱοθεσία (huiothesia), ‘aanneming als zoon’: Israël wordt in Exod. 4:22 en Hos. 11:1 de zoon van Yahweh genoemd. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’. διαθῆκαι (diathekai), ‘verbonden’: in het meervoud. νομοθεσία (nomothesia), ‘wetgeving’: het geven van de wet. λατρεία (latreia), ‘eredienst’: de dienst aan Elohim. ἐπαγγελίαι (epangeliai), ‘beloften’.
Zie ook Exod. 4:22; Hos. 11:1.
De zinsbouw van dit vers is omstreden.
De SBLGNT zet komma’s na ‘vlees’ en na ‘alles’ en een punt na ‘eeuwigheid’.
Daardoor hoort alles bij de Messias: ‘die boven alles is, Elohim, geprezen tot in eeuwigheid’.
Wij volgen die interpunctie.
Het Grieks laat ook een andere lezing toe, met een punt na ‘vlees’: dan begint een aparte lofprijs, ‘Hij die boven alles is, Elohim, zij geprezen tot in eeuwigheid’.
Het Grieks heeft geen werkwoord bij εὐλογητός (eulogetos), ‘geprezen’. τὸ κατὰ σάρκα (to kata sarka), ‘wat het vlees betreft’: wat zijn menselijke afkomst aangaat. ὁ χριστός (ho christos), ‘de Messias’.
Zie ook Rom. 1:3–4; Filip. 3:5.
Niet allen uit Israël zijn Israël
ἐκπίπτω (ekpipto), ‘vervallen’: ook ‘uitvallen, mislukken’.
Het woord Ἰσραήλ (Israel) staat in dit vers tweemaal: Paulus onderscheidt binnen het volk dat uit Jakob (Israël) voortkomt.
Citaat uit Gen. 21:12.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden’; de Griekse tekst is hetzelfde in betekenis. σπέρμα (sperma), ‘zaad’: Hebreeuws זֶרַע (zera), ‘zaad, nageslacht’; wij houden ‘zaad’ zoals in Gal. 3:16. τέκνα (tekna), ‘kinderen’.
Zie ook Gen. 21:12; Gal. 3:16.
Naar Gen. 18:10 en 18:14.
Ons Hebreeuws heeft in 18:10: ‘Ik kom zeker bij je terug, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, en dan heeft Sarah, je vrouw, een zoon’; 18:14 heeft: ‘Op de vastgestelde tijd kom Ik bij je terug’.
Paulus voegt beide samen.
In Genesis spreekt Yahweh zelf in de eerste persoon (Ik); daarom staat het citaat rood.
Zie ook Gen. 18:10; Gen. 18:14.
κοίτη (koite), ‘bed’: κοίτην ἔχειν (koiten echein), letterlijk ‘een bed hebben’, betekent hier zwanger worden.
Beide kinderen, Jakob en Ezau, hebben dezelfde vader en dezelfde moeder.
Zie ook Gen. 25:21–26.
ἐκλογή (ekloge), ‘uitverkiezing’: het uitkiezen. πρόθεσις (prothesis), ‘voornemen’: letterlijk ‘wat vooraf wordt neergelegd’, het plan.
De zin loopt door in vers 12.
Citaat uit Gen. 25:23.
Ons Hebreeuws heeft רַב (rav), ‘groot’, en צָעִיר (tsa’ir), ‘klein’; ons Genesis vertaalt dat met ‘de oudste’ en ‘de jongste’.
De Griekse tekst heeft μείζων (meizon), ‘groter’, en ἐλάσσων (elasson), ‘kleiner’; wij houden de Griekse woorden. τοῦ καλοῦντος (tou kalountos), ‘van Hem die roept’: de roeping door Elohim.
Zie ook Gen. 25:23.
Citaat uit Mal. 1:2–3, waar Yahweh in de eerste persoon spreekt; daarom staat het rood. μισέω (miseo), ‘haten’: in de Bijbel staat dit woord ook tegenover ‘meer liefhebben’.
In Gen. 29:30–31 staat ‘hij hield meer van Rachel dan van Lea’ en ‘Lea was niet bemind’ (Hebreeuws שְׂנוּאָה, senu’a, ‘gehaat’); vergelijk Luc. 14:26.
In Maleachi volgt op ‘gehaat’ dat Ezau’s bergen woestenij zijn gemaakt; Jakob en Ezau staan daar ook voor hun nakomelingen.
Zie ook Mal. 1:2–3; Gen. 29:30–31; Luc. 14:26.
Is er onrecht bij Elohim?
μὴ γένοιτο (me genoito): ‘Dat nooit!’, zoals in Gal. 3:21. ἀδικία (adikia), ‘onrecht’.
Zie ook Gal. 3:21.
Citaat uit Exod. 33:19, waar Yahweh zelf spreekt; het staat rood.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig ben, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm’.
De Griekse tekst heeft ἐλεέω (eleeo), ‘zich ontfermen’, en οἰκτίρω (oiktiro), ‘medelijden hebben’.
Zie ook Exod. 33:19.
τρέχω (trecho), ‘rennen’: beeld van inspanning. ἐλεέω (eleeo), ‘zich ontfermen’: zoals in vers 15.
Citaat uit Exod. 9:16, waar Yahweh zelf spreekt; het staat rood.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Ik heb je laten blijven staan, om je Mijn kracht te laten zien en opdat Mijn naam op de hele aarde wordt verteld’.
De Griekse tekst heeft ἐξεγείρω (exegeiro), ‘doen opstaan, wakker maken’, en ‘verkondigd wordt’ (διαγγέλλω, diaggello).
‘De Schrift zegt’: de Schrift wordt als spreker genoemd.
Zie ook Exod. 9:16.
σκληρύνω (skleryno), ‘verharden’: het hart hard maken.
In Exodus staat dat Yahweh het hart van de farao sterk maakte (Exod. 4:21; 9:12) en dat de farao zijn eigen hart zwaar maakte (Exod. 8:11, in de Nederlandse telling 8:15; 9:34).
Zie ook Exod. 4:21; Exod. 9:12; Exod. 8:11.
De pottenbakker en de klei
Paulus laat hier een tegenstander spreken: ‘Je zult tegen mij zeggen’. βούλημα (boulema), ‘wil, besluit’. ἀνθίστημι (anthistemi), ‘zich verzetten, weerstaan’.
μενοῦνγε (menounge), ‘integendeel’: Paulus wijst de tegenwerping af. πλάσμα (plasma), ‘het gevormde’, πλάσσω (plasso), ‘vormen’: beeld van het vormen van klei.
Het beeld van de klei en de vormer komt ook voor in Jes. 29:16 en 45:9.
‘U’ met hoofdletter: het gevormde richt zich tot de Vormer, Elohim.
Zie ook Jes. 29:16; Jes. 45:9.
κεραμεύς (kerameus), ‘pottenbakker’. φύραμα (fyrama), ‘kneedsel’: de gekneede kleimassa. σκεῦος (skeuos), ‘vat, voorwerp’. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: recht en macht.
Vergelijk het beeld van de pottenbakker in Jer. 18:1–6.
Zie ook Jer. 18:6.
Vaten van toorn en vaten van ontferming
De verzen 22–24 zijn in het Grieks één zin die met ‘als’ (εἰ, ei) begint en geen hoofdzin heeft; wij vertalen ‘Wat nu als’ en sluiten af met een vraagteken in vers 24. ὀργή (orge), ‘toorn’. κατηρτισμένα (katertismena), ‘toegerust, gereedgemaakt’: een lijdende of middelvorm; de tekst zegt niet wie de vaten gereedmaakt, anders dan bij de vaten van ontferming in vers 23 (‘Hij tevoren gereedmaakte’). ἀπώλεια (apoleia), ‘verderf’. μακροθυμία (makrothymia), ‘geduld’: letterlijk ‘een lange adem’.
προετοιμάζω (proetoimazo), ‘tevoren gereedmaken’. ἔλεος (eleos), ‘ontferming’. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’.
De zin loopt door in vers 24.
‘Ons’ zijn Paulus en zijn lezers, geroepen uit Joden en uit de volken (ἔθνη, ethne, ‘niet-Joden’).
De volgende verzen halen profeten aan.
Wat Hosea en Jesaja zeggen
Naar Hos. 2:25 (in de Nederlandse telling is dit 2:23) en Hos. 2:1 (in de Nederlandse telling is dit 1:10).
Ons Hebreeuws heeft in 2:25: ‘Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama (niet ontfermd).
Ik zal tegen Lo-Ammi (niet-mijn-volk) zeggen: Mijn volk ben jij’.
De Griekse tekst heeft ‘Ik zal noemen’ en ‘niet geliefd’ (ἠγαπημένη, egapemene, ‘geliefd’).
Yahweh spreekt hier zelf in de eerste persoon; daarom staat het rood.
Zie ook Hos. 2:25; Hos. 2:1.
Naar Hos. 2:1 (in de Nederlandse telling is dit 1:10).
Ons Hebreeuws heeft: ‘En op de plaats waar tot hen gezegd werd: Jullie zijn niet Mijn volk, zal tot hen gezegd worden: Zonen van de levende El’.
De Griekse tekst heeft ‘daar zullen zij genoemd worden zonen van de levende Elohim’.
Het citaat staat rood, omdat Yahweh er zelf in spreekt (‘Mijn volk’).
Zie ook Hos. 2:1.
Naar Jes. 10:22, met de woorden ‘het getal van de zonen van Israël als het zand van de zee’ (vergelijk Hos. 2:1).
Ons Hebreeuws heeft: ‘de overgeblevenen ervan zullen terugkeren’ (vergelijk Jes. 10:21); de Griekse tekst heeft ‘de rest zal gered worden’. ὑπόλειμμα (hypoleimma), ‘rest’: wat overblijft. κράζω (krazo), ‘roepen, uitroepen’.
Zie ook Jes. 10:22; Jes. 10:21; Hos. 2:1.
Naar Jes. 10:23.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Want een einde en een vastgesteld besluit voert Heer Yahweh van de legermachten uit, midden in heel het land’.
De Griekse tekst heeft: ‘een woord voltooiend en afsnijdend zal de Heer doen op de aarde’.
Wij schrijven ‘Yahweh’, omdat het Hebreeuws de naam heeft.
Zie ook Jes. 10:23.
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Citaat uit Jes. 1:9.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Als Yahweh van de legermachten ons niet een klein aantal overlevenden had laten overblijven’; de Griekse tekst heeft σπέρμα (sperma), ‘zaad’. Σαβαώθ (Sabaoth) is Hebreeuws צְבָאוֹת (tseva’ot), ‘legermachten’.
Sodom en Gomorra gingen onder, zie Gen. 19.
Zie ook Jes. 1:9; Gen. 19.
Israël en de steen van aanstoot
δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’: zie Gal. 2:21. διώκω (dioko), ‘najagen, nastreven’ en καταλαμβάνω (katalambano), ‘verkrijgen, grijpen’: beelden van een wedloop. ἔθνη (ethne), ‘volken’: niet-Joden.
Zie ook Gal. 2:21.
νόμος δικαιοσύνης (nomos dikaiosynes), ‘een wet van gerechtigheid’: het Grieks zegt niet welke wet bedoeld is. φθάνω (fthano), ‘bereiken, aankomen’.
Het slot ‘tot wet’ (εἰς νόμον) is kort; wij vertalen ‘heeft die wet niet bereikt’.
De SBLGNT markeert bij het tweede ‘wet’ een variant in andere handschriften; wij vertalen de SBLGNT-tekst.
Het Grieks laat het werkwoord weg: ‘omdat niet uit geloof, maar als uit werken’; wij vullen ‘het was’ aan. προσκόπτω (proskopto), ‘zich stoten’, πρόσκομμα (proskomma), ‘aanstoot, wat tot struikelen brengt’.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Samengesteld uit Jes. 28:16 en Jes. 8:14.
Ons Hebreeuws heeft in 28:16: ‘Zie, Ik ben het die in Sion een steen legt … Wie gelooft, zal zich niet haasten’; de Griekse tekst heeft: ‘wie op hem gelooft, zal niet beschaamd worden’.
In 8:14 staat ‘een steen om aan te stoten en een rots om over te struikelen’.
Yahweh spreekt in de eerste persoon (‘Ik leg’); daarom staat het citaat rood. ἐπ᾽ αὐτῷ (ep autoi), ‘op hem’: het Grieks wijst terug op de steen; wij schrijven ‘hem’ met een kleine letter. σκάνδαλον (skandalon) is elders in deze brief ‘struikelblok’ (zie Rom. 14:13); hier staat het in een citaat en volgt ons Jes. 8:14: ‘een rots om over te struikelen’, dus ‘rots van struikeling’.
Zie ook Jes. 28:16; Jes. 8:14; Rom. 10:11; 1 Petr. 2:6.