Elohim Bijbel

Jesaja 7

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Achaz, Jesaja en het teken Immanuel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Rezin en Pekach trekken tegen Jeruzalem op

1Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, de koning van Juda. Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de zoon van Remalja, de koning van Israël, trokken op naar Jeruzalem om tegen haar te strijden. Maar hij kon geen strijd tegen haar leveren.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het gebeurde
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
אָ֠חָז
(achaz)
Achaz
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹתָ֨ם
(yotam)
Jotam
בֶּן
(ben)
zoon van
עֻזִּיָּ֜הוּ
(uziyahu)
Uzzia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
עָלָ֣ה
(ala)
trok op
רְצִ֣ין
(retsin)
Rezin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲ֠רָם
(aram)
Aram
וּפֶ֨קַח
(ufeqach)
en Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֤הוּ
(remalyahu)
Remalja
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
om te strijden
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
tegen haar
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
יָכֹ֖ל
(yakhol)
hij kon
לְהִלָּחֵ֥ם
(lehilachem)
strijden
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Achaz regeerde over Juda (2 Kon. 16:1–20; 2 Kron. 28:1–27).

Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de koning van Israël, trokken samen tegen Juda op (2 Kon. 15:37; 16:5; 2 Kron. 28:5–8).

Het Hebreeuws zegt aan het eind ‘hij kon niet’, in het enkelvoud. In 2 Kon. 16:5 staat ‘zij konden niet’.

רְמַלְיָהוּ (Remalyahu), ‘Remalja’: dezelfde naam als in 2 Kon. 15:25. Wij gebruiken dezelfde spelling.

2Er werd gemeld aan het huis van David: „Aram heeft zich gelegerd bij Efraïm.” Toen beefde zijn hart en het hart van zijn volk, zoals de bomen van het woud beven voor de wind.
וַיֻּגַּ֗ד
(vayugad)
en het werd gemeld
לְבֵ֤ית
(leveit)
aan het huis van
דָּוִד֙
(david)
David
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
נָ֥חָֽה
(nacha)
heeft zich gelegerd
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
עַל
(al)
bij
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיָּ֤נַע
(vayana)
en het beefde
לְבָבוֹ֙
(levavo)
zijn hart
וּלְבַ֣ב
(ulevav)
en het hart van
עַמּ֔וֹ
(amo)
zijn volk
כְּנ֥וֹעַ
(kenoa)
zoals beven
עֲצֵי
(atsei)
de bomen van
יַ֖עַר
(yaar)
het woud
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor
רֽוּחַ
(ruach)
de wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

‘Het huis van David’ is de koning met zijn familie en hof.

Hier zijn dat Achaz en de zijnen.

Ook in 7:13 en 7:17 wordt het huis aangesproken.

נָחָה (nachah), ‘zich gelegerd hebben’: letterlijk ‘rusten’ of ‘zich neerlaten’. Het Hebreeuws zegt niet of Aram zijn leger in Efraïm legerde of zich met Efraïm verbond. Beide passen bij de tekst.

‘Efraïm’ is hier het noordelijke koninkrijk Israël, dat de naam van zijn grootste stam draagt.

Jesaja ontmoet Achaz

3Toen zei Yahweh tegen Jesaja: „Ga toch uit, Achaz tegemoet, jij en je zoon Sjear-Jasjoev. Ga naar het einde van de waterleiding van de bovenste vijver, bij de weg naar het veld van de voller.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tegen
יְשַׁעְיָהוּ֒
(yeshayahu)
Jesaja
צֵא
(tse)
ga uit
נָא֙
(na)
toch
לִקְרַ֣את
(liqrat)
om te ontmoeten
אָחָ֔ז
(achaz)
Achaz
אַתָּ֕ה
(ata)
jij
וּשְׁאָ֖ר
(ushear)
en Sjear
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
Jasjoev
בְּנֶ֑ךָ
(benekha)
je zoon
אֶל
(el)
naar
קְצֵ֗ה
(qetse)
het einde van
תְּעָלַת֙
(tealat)
de waterleiding van
הַבְּרֵכָ֣ה
(haberekha)
de vijver
הָעֶלְיוֹנָ֔ה
(haelyona)
de bovenste
אֶל
(el)
naar
מְסִלַּ֖ת
(mesilat)
de weg van
שְׂדֵ֥ה
(sede)
het veld van
כוֹבֵֽס
(koves)
de voller
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Waterleiding van de bovenste vijver (ligging onzeker): De waterleiding van de bovenste vijver lag bij Jeruzalem, buiten de stadsmuur.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Veld van de voller (ligging onzeker): Het veld van de voller lag bij Jeruzalem, aan de weg langs de bovenste vijver.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

שְׁאָר יָשׁוּב (Shear Yashuv), ‘Sjear-Jasjoev’: letterlijk ‘een rest keert terug’, of ‘overgeblevenen keren terug’.

Het werkwoord kan ook ‘zich bekeren’ betekenen.

De naam van de zoon is zelf een boodschap.

Zie ook 10:21.

הַבְּרֵכָה הָעֶלְיוֹנָה (habberekhah ha’elyonah), ‘de bovenste vijver’, en ‘het veld van de voller’: plaatsen bij Jeruzalem. Een voller reinigde en bleekte stoffen. Dezelfde plek staat in 2 Kon. 18:17. Wij houden dezelfde woorden aan.

Het Hebreeuws heeft hier één zin. Wij splitsen hem en herhalen ‘Ga’.

4Zeg tegen hem: Wees op je hoede en blijf rustig. Wees niet bang. Je hart moet niet week worden vanwege deze twee staarten van rokende stukken brandhout. Dat is de brandende toorn van Rezin en Aram en van de zoon van Remalja.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֵ֠לָיו
(elav)
tegen hem
הִשָּׁמֵ֨ר
(hishamer)
neem je in acht
וְהַשְׁקֵ֜ט
(vehashqet)
en wees rustig
אַל
(al)
niet
תִּירָ֗א
(tira)
wees bang
וּלְבָבְךָ֙
(ulevavekha)
en je hart
אַל
(al)
niet
יֵרַ֔ךְ
(yerakh)
worde week
מִשְּׁנֵ֨י
(mishenei)
vanwege twee
זַנְב֧וֹת
(zanvot)
staarten van
הָאוּדִ֛ים
(haudim)
de stukken brandhout
הָעֲשֵׁנִ֖ים
(haashenim)
de rokende
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
בָּחֳרִי
(bachori)
in de gloed van
אַ֛ף
(af)
toorn
רְצִ֥ין
(retsin)
Rezin
וַאֲרָ֖ם
(vaaram)
en Aram
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
רְמַלְיָֽהוּ
(remalyahu)
Remalja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

אוּד (ud), ‘stuk brandhout’: een stuk hout dat uit het vuur is gehaald en nog rookt.

Het is bijna uitgebrand.

Zo ziet Yahweh de twee koningen.

‘Staarten’ (zenavot) zijn de uiteinden van die stukken hout.

De naam Pekach staat er niet; de tekst zegt alleen ‘de zoon van Remalja’. Hij is de koning van Israël (vers 1).

Het Hebreeuws heeft hier één zin. Wij splitsen hem en beginnen de tweede zin met ‘Dat is’.

5Omdat Aram kwaad tegen je heeft beraamd, samen met Efraïm en de zoon van Remalja. Zij hebben gezegd:
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
כִּֽי
(ki)
dat
יָעַ֥ץ
(yaats)
heeft beraamd
עָלֶ֛יךָ
(aleikha)
tegen je
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
רָעָ֑ה
(raa)
kwaad
אֶפְרַ֥יִם
(efrayim)
Efraïm
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
רְמַלְיָ֖הוּ
(remalyahu)
Remalja
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

יַעַן כִּי (yaan ki), ‘omdat’: dit geeft de reden voor ‘wees niet bang’ in vers 4.

De zin loopt door tot en met vers 6.

6‘Laten wij optrekken tegen Juda en haar bang maken. Laten wij haar voor ons openbreken en een koning in haar midden aanstellen, de zoon van Tabeël.’
נַעֲלֶ֤ה
(naale)
laten wij optrekken
בִֽיהוּדָה֙
(bihuda)
tegen Juda
וּנְקִיצֶ֔נָּה
(uneqitsena)
en laten wij haar bang maken
וְנַבְקִעֶ֖נָּה
(venavqiena)
en laten wij haar openbreken
אֵלֵ֑ינוּ
(eleinu)
voor ons
וְנַמְלִ֥יךְ
(venamlikh)
en laten wij aanstellen
מֶ֨לֶךְ֙
(melekh)
koning
בְּתוֹכָ֔הּ
(betokhah)
in haar midden
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
בֶּן
(ben)
de zoon van
טָֽבְאַֽל
(taveal)
Tabeël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

נְקִיצֶנָּה (neqitsennah), ‘laten wij haar bang maken’: het werkwoord is zeldzaam en de betekenis is niet helemaal zeker.

Het kan ook ‘uiteenscheuren’ betekenen.

טָבְאַל (Tav’el), ‘Tabeël’: een onbekende man. Rezin en Pekach willen hem in plaats van het huis van David koning maken.

7Zo zegt Heer Yahweh: Het zal niet standhouden. Het zal niet gebeuren.
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
תָק֖וּם
(taqum)
zal standhouden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִֽהְיֶֽה
(tihye)
zal gebeuren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’.

Zie Jes. 3:15, waar de uitleg bij deze naam staat.

‘Zo zegt Heer Yahweh’ is een inleidende formule en staat zwart, zoals in Amos 5:3. De woorden erna staan rood: Yahweh spreekt hier tegen Jesaja, en wat Jesaja aan Achaz moet zeggen, is Zijn woord.

8Want het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is Rezin. En binnen 65 jaar wordt Efraïm zo gebroken dat het geen volk meer is.
כִּ֣י
(ki)
want
רֹ֤אשׁ
(rosh)
het hoofd van
אֲרָם֙
(aram)
Aram
דַּמֶּ֔שֶׂק
(dameseq)
Damascus
וְרֹ֥אשׁ
(verosh)
en het hoofd van
דַּמֶּ֖שֶׂק
(dameseq)
Damascus
רְצִ֑ין
(retsin)
Rezin
וּבְע֗וֹד
(uveod)
en binnen
שִׁשִּׁ֤ים
(shishim)
60
וְחָמֵשׁ֙
(vechamesh)
en 5
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
יֵחַ֥ת
(yechat)
zal gebroken worden
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
מֵעָֽם
(meam)
van een volk zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

‘Het hoofd van Aram is Damascus’: Aram is niet meer dan Damascus, en Damascus niet meer dan Rezin.

Hetzelfde geldt voor Efraïm, Samaria en Pekach (vers 9).

Het Hebreeuws zegt niet vanaf wanneer de 65 jaar tellen. Voor het wegvoeren van Israël zie 2 Kon. 15:29 en 17:6.

9En het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is de zoon van Remalja. Als jullie niet geloven, dan zullen jullie niet standhouden.”
וְרֹ֤אשׁ
(verosh)
en het hoofd van
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
שֹׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וְרֹ֥אשׁ
(verosh)
en het hoofd van
שֹׁמְר֖וֹן
(shomeron)
Samaria
בֶּן
(ben)
de zoon van
רְמַלְיָ֑הוּ
(remalyahu)
Remalja
אִ֚ם
(im)
als
לֹ֣א
(lo)
niet
תַאֲמִ֔ינוּ
(taaminu)
jullie geloven
כִּ֖י
(ki)
dan
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵאָמֵֽנוּ
(teamenu)
zullen jullie standhouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

אִם לֹא תַאֲמִינוּ כִּי לֹא תֵאָמֵנוּ (im lo taaminu ki lo teamenu), ‘als jullie niet geloven, dan zullen jullie niet standhouden’: een woordspel.

‘Geloven’ en ‘standhouden’ komen van hetzelfde grondwoord אמן (aman), ‘vast staan’.

Dat woordspel is in het Nederlands niet weer te geven.

Het werkwoord staat in het meervoud: Achaz en het huis van David worden aangesproken.

Het teken: Immanuel

10Yahweh sprak opnieuw tot Achaz:
וַיּ֣וֹסֶף
(vayosef)
en Hij voegde toe
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
דַּבֵּ֥ר
(daber)
te spreken
אֶל
(el)
tot
אָחָ֖ז
(achaz)
Achaz
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיֹּסֶף יְהוָה דַּבֵּר (vayosef Yahweh dabber), ‘Yahweh sprak opnieuw’: letterlijk ‘Yahweh voegde toe te spreken’.

11„Vraag voor jezelf een teken van Yahweh, je Elohim. Vraag het diep, of hoog naar boven.”
שְׁאַל
(sheal)
vraag
לְךָ֣
(lekha)
voor jezelf
א֔וֹת
(ot)
een teken
מֵעִ֖ם
(meim)
van bij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
הַעְמֵ֣ק
(hameq)
maak diep
שְׁאָ֔לָה
(sheala)
vraag
א֖וֹ
(o)
of
הַגְבֵּ֥הַּ
(hagbeha)
maak hoog
לְמָֽעְלָה
(lemaela)
naar boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹת (ot), ‘teken’: een zichtbaar bewijs dat Yahweh Zijn woord houdt.

Het woord staat ook in vers 14.

הַעְמֵק שְׁאָלָה (haamek shealah), ‘vraag het diep’: letterlijk ‘maak diep, vraag’.

Lezing

De medeklinkers van שאלה kunnen ook gelezen worden als שְׁאֹלָה (sheolah), ‘naar Sjeol’.

Dan staat er: ‘Maak het diep, naar Sjeol, of maak het hoog, naar boven.’

Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst.

12Achaz zei: „Ik zal niet vragen. Ik zal Yahweh niet op de proef stellen.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אָחָ֑ז
(achaz)
Achaz
לֹא
(lo)
niet
אֶשְׁאַ֥ל
(eshal)
ik zal vragen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אֲנַסֶּ֖ה
(anase)
ik zal op de proef stellen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achaz noemt Deut. 6:16 niet, maar zijn woorden doen eraan denken: ‘Je mag Yahweh, je Elohim, niet op de proef stellen.’

Hier heeft Yahweh het teken zelf aangeboden.

13Hij zei: „Hoor toch, huis van David. Is het voor jullie te weinig om mensen te vermoeien, dat jullie ook mijn Elohim vermoeien?
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שִׁמְעוּ
(shimu)
hoort
נָ֖א
(na)
toch
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
דָּוִ֑ד
(david)
David
הַמְעַ֤ט
(hamat)
is het weinig
מִכֶּם֙
(mikem)
voor jullie
הַלְא֣וֹת
(halot)
te vermoeien
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mensen
כִּ֥י
(ki)
dat
תַלְא֖וּ
(talu)
jullie vermoeien
גַּ֥ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt niet wie spreekt.

Het is Jesaja: hij zegt ‘mijn Elohim’.

Hij spreekt tot het hele huis van David, in het meervoud.

הַלְאוֹת (hal’ot), ‘vermoeien’: ook ‘uitputten’.

14Daarom zal de Heer zelf jullie een teken geven. Zie, de jonge vrouw is zwanger en zal een zoon baren, en zij zal hem Immanuel noemen.
לָ֠כֵן
(lakhen)
daarom
יִתֵּ֨ן
(yiten)
zal geven
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
de Heer
ה֛וּא
(hu)
Hijzelf
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
א֑וֹת
(ot)
een teken
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
הָעַלְמָ֗ה
(haalma)
de jonge vrouw
הָרָה֙
(hara)
zwanger
וְיֹלֶ֣דֶת
(veyoledet)
en zij zal baren
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וְקָרָ֥את
(veqarat)
en zij zal noemen
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
עִמָּ֥נוּ
(imanu)
met ons
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַלְמָה (almah), ‘jonge vrouw’: een vrouw van huwbare leeftijd.

Het woord voor ‘maagd’ in strikte zin is בְּתוּלָה (betulah), en dat staat hier niet.

Het lidwoord (‘de jonge vrouw’) wijst op een bepaalde vrouw.

De tekst noemt haar naam niet.

הָרָה (harah), ‘zwanger’: een bijvoeglijk naamwoord, zonder werkwoord. Of het gaat om nu of straks, staat niet vast. Wij vertalen ‘is zwanger’ en ‘zal baren’.

עִמָּנוּ אֵל (Immanu El), ‘Immanuel’: ‘El is met ons’. De naam komt terug in 8:8 en 8:10. Zie ook Matt. 1:23.

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier zonder ‘Yahweh’.

Lezing

וְקָרָאת (vekara’t), ‘en zij zal noemen’: het Hebreeuws heeft hier een vorm die ook anders gelezen kan worden.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

15Dikke melk en honing zal hij eten, wanneer hij het kwade weet te verwerpen en het goede weet te kiezen.
חֶמְאָ֥ה
(chema)
dikke melk
וּדְבַ֖שׁ
(udevash)
en honing
יֹאכֵ֑ל
(yokhel)
hij zal eten
לְדַעְתּ֛וֹ
(ledato)
bij zijn weten
מָא֥וֹס
(maos)
te verwerpen
בָּרָ֖ע
(bara)
het kwade
וּבָח֥וֹר
(uvachor)
en te kiezen
בַּטּֽוֹב
(batov)
het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶמְאָה (chem’ah), ‘dikke melk’: zoals in Gen. 18:8.

Het woord kan ook ‘room’ of ‘boter’ betekenen.

Dikke melk en honing is het voedsel van wie in een verlaten land overblijft (vers 21–22).

Lezing

לְדַעְתּוֹ (leda’to), ‘wanneer hij weet’: letterlijk ‘bij zijn weten’.

Het kan ook ‘tot hij weet’ betekenen.

Wij kiezen ‘wanneer’.

16Want voordat de jongen weet het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, wordt de grond verlaten. Jij bent beducht voor haar twee koningen.
כִּ֠י
(ki)
want
בְּטֶ֨רֶם
(beterem)
voordat
יֵדַ֥ע
(yeda)
weet
הַנַּ֛עַר
(hanaar)
de jongen
מָאֹ֥ס
(maos)
te verwerpen
בָּרָ֖ע
(bara)
het kwade
וּבָחֹ֣ר
(uvachor)
en te kiezen
בַּטּ֑וֹב
(batov)
het goede
תֵּעָזֵ֤ב
(teazev)
wordt verlaten
הָאֲדָמָה֙
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
קָ֔ץ
(qats)
bent beducht
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor
שְׁנֵ֥י
(shenei)
de twee
מְלָכֶֽיהָ
(melakheiha)
haar koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’: het land van de twee koningen, Aram en Israël.

Nog voordat het kind kan kiezen tussen goed en kwaad, is de dreiging weg.

Zie 2 Kon. 15:29–30 en 16:9.

קָץ (qats), ‘beducht zijn’: het werkwoord betekent ook ‘huiveren’ of ‘walgen’.

17Yahweh zal over jou, over je volk en over het huis van je vader dagen laten komen. Zulke dagen zijn er niet geweest sinds de dag dat Efraïm van Juda wegging. Hij brengt de koning van Assyrië.”
יָבִ֨יא
(yavi)
zal laten komen
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלֶ֗יךָ
(aleikha)
over jou
וְעַֽל
(veal)
en over
עַמְּךָ֮
(amekha)
je volk
וְעַל
(veal)
en over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִיךָ֒
(avikha)
je vader
יָמִים֙
(yamim)
dagen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
בָ֔אוּ
(bau)
zijn gekomen
לְמִיּ֥וֹם
(lemiyom)
sinds de dag van
סוּר
(sur)
het wegwijken van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

‘Sinds de dag dat Efraïm van Juda wegging’ gaat over de scheuring van het rijk na Salomo (1 Kon. 12:16–20).

De koning van Assyrië komt op de hulp die Achaz zelf had ingeroepen (2 Kon. 16:7–9; 2 Kron. 28:16–21).

Het Hebreeuws heeft hier één zin, die doorloopt tot ‘de koning van Assyrië’ als aanvulling bij ‘dagen laten komen’. Wij splitsen hem en herhalen daarom: ‘Zulke dagen’ en ‘Hij brengt’.

Op die dag

18Het zal gebeuren op die dag. Yahweh zal fluiten naar de vlieg aan het uiteinde van de Nijlarmen van Egypte en naar de bij in het land Assyrië.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יִשְׁרֹ֤ק
(yishroq)
zal fluiten
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לַזְּב֔וּב
(lazevuv)
naar de vlieg
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בִּקְצֵ֖ה
(biqtse)
aan het uiteinde van
יְאֹרֵ֣י
(yeorei)
de Nijlarmen van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְלַ֨דְּבוֹרָ֔ה
(veladevora)
en naar de bij
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

שָׁרַק (sharaq), ‘fluiten’: zoals men bijen roept.

De vlieg komt uit Egypte, de bij uit Assyrië.

יְאֹרֵי מִצְרַיִם (ye’orey Mitsrayim), ‘de Nijlarmen van Egypte’: יְאֹר (ye’or) is de Nijl. Het meervoud wijst op de vele armen en kanalen van de Nijl.

19Zij komen en laten zich allemaal neer in de steile beekdalen, in de spleten van de rotsen, in alle doornhagen en bij alle drinkplaatsen.
וּבָ֨אוּ
(uvau)
en zij zullen komen
וְנָח֤וּ
(venachu)
en zich neerlaten
כֻלָּם֙
(kulam)
allen
בְּנַחֲלֵ֣י
(benachalei)
in de beekdalen van
הַבַּתּ֔וֹת
(habatot)
de steile plaatsen
וּבִנְקִיקֵ֖י
(uvinqiqei)
en in de spleten van
הַסְּלָעִ֑ים
(haselaim)
de rotsen
וּבְכֹל֙
(uvekhol)
en in alle
הַנַּ֣עֲצוּצִ֔ים
(hanaatsutsim)
de doornhagen
וּבְכֹ֖ל
(uvekhol)
en in alle
הַנַּהֲלֹלִֽים
(hanahalolim)
de drinkplaatsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַחֲלֵי הַבַּתּוֹת (nachaley habbatot), ‘steile beekdalen’, הַנַּעֲצוּצִים (hannaatsutsim), ‘doornhagen’, en הַנַּהֲלֹלִים (hannahalolim), ‘drinkplaatsen’: deze woorden komen zelden voor.

De betekenis is onzeker.

Ook ‘steile ravijnen’, ‘struikgewas’ en ‘weiden’ zijn mogelijk.

20Op die dag zal de Heer scheren met een scheermes dat aan de overkant van de rivier is gehuurd, met de koning van Assyrië. Hij scheert het hoofd en het haar van de voeten. Ook de baard zal het wegnemen.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֡וּא
(hahu)
die
יְגַלַּ֣ח
(yegalach)
zal scheren
אֲדֹנָי֩
(adonay)
de Heer
בְּתַ֨עַר
(betaar)
met een scheermes
הַשְּׂכִירָ֜ה
(hasekhira)
het gehuurde
בְּעֶבְרֵ֤י
(beevrei)
aan de overkant van
נָהָר֙
(nahar)
de rivier
בְּמֶ֣לֶךְ
(bemelekh)
met de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֹ֖אשׁ
(harosh)
het hoofd
וְשַׂ֣עַר
(vesaar)
en het haar van
הָרַגְלָ֑יִם
(haraglayim)
de voeten
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַזָּקָ֖ן
(hazaqan)
de baard
תִּסְפֶּֽה
(tispe)
zal wegnemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land.

De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

‘Het haar van de voeten’ is een omschrijving voor het haar op het onderlichaam.

Hoofd, onderlichaam en baard: Assyrië scheert alles weg.

Het Hebreeuws heeft één zin; wij splitsen hem en zeggen: ‘Hij scheert’.

הַנָּהָר (hannahar), ‘de rivier’: de Eufraat. Aan de overkant ligt Assyrië.

21Het zal gebeuren op die dag: een man zal een jonge koe en twee schapen in leven houden.
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
יְחַיֶּה
(yechaye)
zal in leven houden
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
עֶגְלַ֥ת
(eglat)
een jonge koe van
בָּקָ֖ר
(baqar)
het rund
וּשְׁתֵּי
(ushtei)
en twee
צֹֽאן
(tson)
schapen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֹאן (tson), ‘kleinvee’: schapen en geiten.

Wij vertalen ‘schapen’.

Een man houdt er nog maar twee in leven, en één jonge koe: heel weinig.

22Het zal gebeuren: door de overvloed aan melk die zij geven, eet hij dikke melk. Want dikke melk en honing eet ieder die is overgebleven in het land.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
מֵרֹ֛ב
(merov)
vanwege de overvloed van
עֲשׂ֥וֹת
(asot)
het geven van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
יֹאכַ֣ל
(yokhal)
hij zal eten
חֶמְאָ֑ה
(chema)
dikke melk
כִּֽי
(ki)
want
חֶמְאָ֤ה
(chema)
dikke melk
וּדְבַשׁ֙
(udevash)
en honing
יֹאכֵ֔ל
(yokhel)
zal eten
כָּל
(kal)
ieder
הַנּוֹתָ֖ר
(hanotar)
die overblijft
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
in het midden van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Er zijn weinig mensen over, en weinig vee.

Dikke melk en honing zijn dan het voedsel van wie overblijft, zoals in vers 15.

23Het zal gebeuren op die dag: elke plaats waar duizend wijnstokken zijn, ter waarde van duizend zilverstukken, zal doornstruiken en doornen zijn.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
כָל
(kal)
elke
מָק֗וֹם
(maqom)
plaats
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waar
יִֽהְיֶה
(yihye)
zullen zijn
שָּׁ֛ם
(sham)
daar
אֶ֥לֶף
(elef)
duizend
גֶּ֖פֶן
(gefen)
wijnstok
בְּאֶ֣לֶף
(beelef)
voor duizend
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
לַשָּׁמִ֥יר
(lashamir)
tot doornstruiken
וְלַשַּׁ֖יִת
(velashayit)
en tot doornen
יִֽהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶלֶף כֶּסֶף (elef kesef), ‘duizend zilver’: duizend sikkel zilver, gewogen zilver (vergelijk Gen. 23:16).

Het woord ‘stukken’ is onze aanvulling.

Een wijngaard van duizend wijnstokken was veel waard.

שָׁמִיר וָשַׁיִת (shamir vashayit), ‘doornstruiken en doornen’: twee woorden voor onkruid en wild struikgewas. Zo vertalen wij ook in Jes. 5:6, 9:17 en 10:17. Ze komen ook voor in vers 24 en 25.

24Met pijlen en boog komt men daarheen, want doornstruiken en doornen zal heel het land zijn.
בַּחִצִּ֥ים
(bachitsim)
met pijlen
וּבַקֶּ֖שֶׁת
(uvaqeshet)
en met een boog
יָ֣בוֹא
(yavo)
zal komen
שָׁ֑מָּה
(shama)
daarheen
כִּי
(ki)
want
שָׁמִ֥יר
(shamir)
doornstruiken
וָשַׁ֖יִת
(vashayit)
en doornen
תִּֽהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
כָל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 27:3
25En alle bergen die men met de hak bewerkte: daarheen komt de vrees voor doornstruiken en doornen niet. Ze worden een plek waar men runderen loslaat en waar schapen rondtrappen.
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alle
הֶהָרִ֗ים
(heharim)
de bergen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בַּמַּעְדֵּר֙
(bamader)
met de hak
יֵעָ֣דֵר֔וּן
(yeaderun)
werden bewerkt
לֹֽא
(lo)
niet
תָב֣וֹא
(tavo)
zal komen
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
יִרְאַ֖ת
(yirat)
de vrees voor
שָׁמִ֣יר
(shamir)
doornstruiken
וָשָׁ֑יִת
(vashayit)
en doornen
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
לְמִשְׁלַ֣ח
(lemishlach)
tot een plaats van loslaten van
שׁ֔וֹר
(shor)
een rund
וּלְמִרְמַ֖ס
(ulemirmas)
en tot een plaats van vertrappen van
שֶֽׂה
(se)
een schaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעְדֵּר (ma’der), ‘hak’: een werktuig om de grond mee los te hakken.

De bergen die vroeger bewerkt werden, zijn nu zo verwilderd dat niemand er nog komt.

Alleen vee loopt er rond.