Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Rezin en Pekach trekken tegen Jeruzalem op
1Het gebeurde in de dagen van Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, de koning van Juda. Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de zoon van Remalja, de koning van Israël, trokken op naar Jeruzalem om tegen haar te strijden. Maar hij kon geen strijd tegen haar leveren.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het gebeurde
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
אָ֠חָז
(achaz)
Achaz
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹתָ֨ם
(yotam)
Jotam
בֶּן
(ben)
zoon van
עֻזִּיָּ֜הוּ
(uziyahu)
Uzzia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
עָלָ֣ה
(ala)
trok op
רְצִ֣ין
(retsin)
Rezin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲ֠רָם
(aram)
Aram
וּפֶ֨קַח
(ufeqach)
en Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֤הוּ
(remalyahu)
Remalja
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
om te strijden
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
tegen haar
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
יָכֹ֖ל
(yakhol)
hij kon
לְהִלָּחֵ֥ם
(lehilachem)
strijden
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Achaz regeerde over Juda (2 Kon. 16:1–20; 2 Kron. 28:1–27).
Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de koning van Israël, trokken samen tegen Juda op (2 Kon. 15:37; 16:5; 2 Kron. 28:5–8).
Het Hebreeuws zegt aan het eind ‘hij kon niet’, in het enkelvoud. In 2 Kon. 16:5 staat ‘zij konden niet’.
רְמַלְיָהוּ (Remalyahu), ‘Remalja’: dezelfde naam als in 2 Kon. 15:25. Wij gebruiken dezelfde spelling.
2Er werd gemeld aan het huis van David: „Aram heeft zich gelegerd bij Efraïm.” Toen beefde zijn hart en het hart van zijn volk, zoals de bomen van het woud beven voor de wind.
וַיֻּגַּ֗ד
(vayugad)
en het werd gemeld
לְבֵ֤ית
(leveit)
aan het huis van
דָּוִד֙
(david)
David
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
נָ֥חָֽה
(nacha)
heeft zich gelegerd
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
עַל
(al)
bij
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיָּ֤נַע
(vayana)
en het beefde
לְבָבוֹ֙
(levavo)
zijn hart
וּלְבַ֣ב
(ulevav)
en het hart van
עַמּ֔וֹ
(amo)
zijn volk
כְּנ֥וֹעַ
(kenoa)
zoals beven
עֲצֵי
(atsei)
de bomen van
יַ֖עַר
(yaar)
het woud
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor
רֽוּחַ
(ruach)
de wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
‘Het huis van David’ is de koning met zijn familie en hof.
Hier zijn dat Achaz en de zijnen.
Ook in 7:13 en 7:17 wordt het huis aangesproken.
נָחָה (nachah), ‘zich gelegerd hebben’: letterlijk ‘rusten’ of ‘zich neerlaten’. Het Hebreeuws zegt niet of Aram zijn leger in Efraïm legerde of zich met Efraïm verbond. Beide passen bij de tekst.
‘Efraïm’ is hier het noordelijke koninkrijk Israël, dat de naam van zijn grootste stam draagt.
3Toen zei Yahweh tegen Jesaja: „Ga toch uit, Achaz tegemoet, jij en je zoon Sjear-Jasjoev. Ga naar het einde van de waterleiding van de bovenste vijver, bij de weg naar het veld van de voller.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tegen
יְשַׁעְיָהוּ֒
(yeshayahu)
Jesaja
צֵא
(tse)
ga uit
נָא֙
(na)
toch
לִקְרַ֣את
(liqrat)
om te ontmoeten
אָחָ֔ז
(achaz)
Achaz
אַתָּ֕ה
(ata)
jij
וּשְׁאָ֖ר
(ushear)
en Sjear
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
Jasjoev
בְּנֶ֑ךָ
(benekha)
je zoon
אֶל
(el)
naar
קְצֵ֗ה
(qetse)
het einde van
תְּעָלַת֙
(tealat)
de waterleiding van
הַבְּרֵכָ֣ה
(haberekha)
de vijver
הָעֶלְיוֹנָ֔ה
(haelyona)
de bovenste
אֶל
(el)
naar
מְסִלַּ֖ת
(mesilat)
de weg van
שְׂדֵ֥ה
(sede)
het veld van
כוֹבֵֽס
(koves)
de voller
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Waterleiding van de bovenste vijver (ligging onzeker): De waterleiding van de bovenste vijver lag bij Jeruzalem, buiten de stadsmuur.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Veld van de voller (ligging onzeker): Het veld van de voller lag bij Jeruzalem, aan de weg langs de bovenste vijver.
הַבְּרֵכָה הָעֶלְיוֹנָה (habberekhah ha’elyonah), ‘de bovenste vijver’, en ‘het veld van de voller’: plaatsen bij Jeruzalem. Een voller reinigde en bleekte stoffen. Dezelfde plek staat in 2 Kon. 18:17. Wij houden dezelfde woorden aan.
Het Hebreeuws heeft hier één zin. Wij splitsen hem en herhalen ‘Ga’.
4Zeg tegen hem: Wees op je hoede en blijf rustig. Wees niet bang. Je hart moet niet week worden vanwege deze twee staarten van rokende stukken brandhout. Dat is de brandende toorn van Rezin en Aram en van de zoon van Remalja.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֵ֠לָיו
(elav)
tegen hem
הִשָּׁמֵ֨ר
(hishamer)
neem je in acht
וְהַשְׁקֵ֜ט
(vehashqet)
en wees rustig
אַל
(al)
niet
תִּירָ֗א
(tira)
wees bang
וּלְבָבְךָ֙
(ulevavekha)
en je hart
אַל
(al)
niet
יֵרַ֔ךְ
(yerakh)
worde week
מִשְּׁנֵ֨י
(mishenei)
vanwege twee
זַנְב֧וֹת
(zanvot)
staarten van
הָאוּדִ֛ים
(haudim)
de stukken brandhout
הָעֲשֵׁנִ֖ים
(haashenim)
de rokende
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
בָּחֳרִי
(bachori)
in de gloed van
אַ֛ף
(af)
toorn
רְצִ֥ין
(retsin)
Rezin
וַאֲרָ֖ם
(vaaram)
en Aram
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
רְמַלְיָֽהוּ
(remalyahu)
Remalja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
אוּד (ud), ‘stuk brandhout’: een stuk hout dat uit het vuur is gehaald en nog rookt.
Het is bijna uitgebrand.
Zo ziet Yahweh de twee koningen.
‘Staarten’ (zenavot) zijn de uiteinden van die stukken hout.
De naam Pekach staat er niet; de tekst zegt alleen ‘de zoon van Remalja’. Hij is de koning van Israël (vers 1).
Het Hebreeuws heeft hier één zin. Wij splitsen hem en beginnen de tweede zin met ‘Dat is’.
Zie Jes. 3:15, waar de uitleg bij deze naam staat.
‘Zo zegt Heer Yahweh’ is een inleidende formule en staat zwart, zoals in Amos 5:3. De woorden erna staan rood: Yahweh spreekt hier tegen Jesaja, en wat Jesaja aan Achaz moet zeggen, is Zijn woord.
14Daarom zal de Heer zelf jullie een teken geven. Zie, de jonge vrouw is zwanger en zal een zoon baren, en zij zal hem Immanuel noemen.
לָ֠כֵן
(lakhen)
daarom
יִתֵּ֨ן
(yiten)
zal geven
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
de Heer
ה֛וּא
(hu)
Hijzelf
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
א֑וֹת
(ot)
een teken
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
הָעַלְמָ֗ה
(haalma)
de jonge vrouw
הָרָה֙
(hara)
zwanger
וְיֹלֶ֣דֶת
(veyoledet)
en zij zal baren
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וְקָרָ֥את
(veqarat)
en zij zal noemen
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
עִמָּ֥נוּ
(imanu)
met ons
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַלְמָה (almah), ‘jonge vrouw’: een vrouw van huwbare leeftijd.
Het woord voor ‘maagd’ in strikte zin is בְּתוּלָה (betulah), en dat staat hier niet.
Het lidwoord (‘de jonge vrouw’) wijst op een bepaalde vrouw.
De tekst noemt haar naam niet.
הָרָה (harah), ‘zwanger’: een bijvoeglijk naamwoord, zonder werkwoord. Of het gaat om nu of straks, staat niet vast. Wij vertalen ‘is zwanger’ en ‘zal baren’.
עִמָּנוּ אֵל (Immanu El), ‘Immanuel’: ‘El is met ons’. De naam komt terug in 8:8 en 8:10. Zie ook Matt. 1:23.
אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier zonder ‘Yahweh’.
Lezing
וְקָרָאת (vekara’t), ‘en zij zal noemen’: het Hebreeuws heeft hier een vorm die ook anders gelezen kan worden.
17Yahweh zal over jou, over je volk en over het huis van je vader dagen laten komen. Zulke dagen zijn er niet geweest sinds de dag dat Efraïm van Juda wegging. Hij brengt de koning van Assyrië.”
יָבִ֨יא
(yavi)
zal laten komen
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלֶ֗יךָ
(aleikha)
over jou
וְעַֽל
(veal)
en over
עַמְּךָ֮
(amekha)
je volk
וְעַל
(veal)
en over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִיךָ֒
(avikha)
je vader
יָמִים֙
(yamim)
dagen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
בָ֔אוּ
(bau)
zijn gekomen
לְמִיּ֥וֹם
(lemiyom)
sinds de dag van
סוּר
(sur)
het wegwijken van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
‘Sinds de dag dat Efraïm van Juda wegging’ gaat over de scheuring van het rijk na Salomo (1 Kon. 12:16–20).
De koning van Assyrië komt op de hulp die Achaz zelf had ingeroepen (2 Kon. 16:7–9; 2 Kron. 28:16–21).
Het Hebreeuws heeft hier één zin, die doorloopt tot ‘de koning van Assyrië’ als aanvulling bij ‘dagen laten komen’. Wij splitsen hem en herhalen daarom: ‘Zulke dagen’ en ‘Hij brengt’.
18Het zal gebeuren op die dag. Yahweh zal fluiten naar de vlieg aan het uiteinde van de Nijlarmen van Egypte en naar de bij in het land Assyrië.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יִשְׁרֹ֤ק
(yishroq)
zal fluiten
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לַזְּב֔וּב
(lazevuv)
naar de vlieg
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בִּקְצֵ֖ה
(biqtse)
aan het uiteinde van
יְאֹרֵ֣י
(yeorei)
de Nijlarmen van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְלַ֨דְּבוֹרָ֔ה
(veladevora)
en naar de bij
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
שָׁרַק (sharaq), ‘fluiten’: zoals men bijen roept.
De vlieg komt uit Egypte, de bij uit Assyrië.
יְאֹרֵי מִצְרַיִם (ye’orey Mitsrayim), ‘de Nijlarmen van Egypte’: יְאֹר (ye’or) is de Nijl. Het meervoud wijst op de vele armen en kanalen van de Nijl.
20Op die dag zal de Heer scheren met een scheermes dat aan de overkant van de rivier is gehuurd, met de koning van Assyrië. Hij scheert het hoofd en het haar van de voeten. Ook de baard zal het wegnemen.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֡וּא
(hahu)
die
יְגַלַּ֣ח
(yegalach)
zal scheren
אֲדֹנָי֩
(adonay)
de Heer
בְּתַ֨עַר
(betaar)
met een scheermes
הַשְּׂכִירָ֜ה
(hasekhira)
het gehuurde
בְּעֶבְרֵ֤י
(beevrei)
aan de overkant van
נָהָר֙
(nahar)
de rivier
בְּמֶ֣לֶךְ
(bemelekh)
met de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֹ֖אשׁ
(harosh)
het hoofd
וְשַׂ֣עַר
(vesaar)
en het haar van
הָרַגְלָ֑יִם
(haraglayim)
de voeten
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַזָּקָ֖ן
(hazaqan)
de baard
תִּסְפֶּֽה
(tispe)
zal wegnemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land.
De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
‘Het haar van de voeten’ is een omschrijving voor het haar op het onderlichaam.
Hoofd, onderlichaam en baard: Assyrië scheert alles weg.
Het Hebreeuws heeft één zin; wij splitsen hem en zeggen: ‘Hij scheert’.
הַנָּהָר (hannahar), ‘de rivier’: de Eufraat. Aan de overkant ligt Assyrië.
Een wijngaard van duizend wijnstokken was veel waard.
שָׁמִיר וָשַׁיִת (shamir vashayit), ‘doornstruiken en doornen’: twee woorden voor onkruid en wild struikgewas. Zo vertalen wij ook in Jes. 5:6, 9:17 en 10:17. Ze komen ook voor in vers 24 en 25.
25En alle bergen die men met de hak bewerkte: daarheen komt de vrees voor doornstruiken en doornen niet. Ze worden een plek waar men runderen loslaat en waar schapen rondtrappen.
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alle
הֶהָרִ֗ים
(heharim)
de bergen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בַּמַּעְדֵּר֙
(bamader)
met de hak
יֵעָ֣דֵר֔וּן
(yeaderun)
werden bewerkt
לֹֽא
(lo)
niet
תָב֣וֹא
(tavo)
zal komen
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
יִרְאַ֖ת
(yirat)
de vrees voor
שָׁמִ֣יר
(shamir)
doornstruiken
וָשָׁ֑יִת
(vashayit)
en doornen
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
לְמִשְׁלַ֣ח
(lemishlach)
tot een plaats van loslaten van
שׁ֔וֹר
(shor)
een rund
וּלְמִרְמַ֖ס
(ulemirmas)
en tot een plaats van vertrappen van
שֶֽׂה
(se)
een schaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעְדֵּר (ma’der), ‘hak’: een werktuig om de grond mee los te hakken.
De bergen die vroeger bewerkt werden, zijn nu zo verwilderd dat niemand er nog komt.