Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jakobs begrafenis
1Jozef viel op het gezicht van zijn vader, weende over hem en kuste hem.
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
עָלָ֖יו
(alav)
over hem
וַיִּשַּׁק
(vayishaq)
en hij kuste
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend
Jasher 56:23 zegt dat Jozef op zijn vader viel, luid riep en weende.
4Toen de dagen van zijn rouw voorbij waren, sprak Jozef tot het huis van de farao: „Als ik gunst gevonden heb in jullie ogen, spreek dan toch in de oren van de farao en zeg:
וַיַּֽעַבְרוּ֙
(vayaavru)
en ze gingen voorbij
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
בְכִית֔וֹ
(bekhito)
zijn beweenen
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
als
נָ֨א
(na)
toch
מָצָ֤אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
דַּבְּרוּ
(daberu)
spreekt
נָ֕א
(na)
toch
בְּאָזְנֵ֥י
(beazenei)
in de oren van
פַרְעֹ֖ה
(paro)
farao
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בית פרעה (el beit Par’oh), ‘tot het huis van de farao’: Jozef spreekt niet rechtstreeks tot de farao, maar tot zijn hof.
Aanvullend
Jasher 56:31–33 laat Jozef na 70 dagen wel zelf tot de farao spreken en vertelt dat de farao liet uitroepen dat ieder die niet meetrok, zou sterven.
5‘Mijn vader heeft mij laten zweren: Zie, ik sterf; in mijn graf dat ik voor mij gegraven heb in het land Kanaän, daar zul je mij begraven. Laat mij nu toch opgaan en mijn vader begraven, en dan zal ik terugkeren.’”
אָבִ֞י
(avi)
mijn vader
הִשְׁבִּיעַ֣נִי
(hishbiani)
heeft laten zweren mij
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אָנֹכִי֮
(anokhi)
ik
מֵת֒
(met)
sterf
בְּקִבְרִ֗י
(beqivri)
in mijn graf
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
כָּרִ֤יתִי
(kariti)
ik groef
לִי֙
(li)
voor mij
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
שָׁ֖מָּה
(shama)
daar
תִּקְבְּרֵ֑נִי
(tiqbereni)
zul je mij begraven
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אֶֽעֱלֶה
(eele)
laat mij opgaan
נָּ֛א
(na)
toch
וְאֶקְבְּרָ֥ה
(veeqbera)
en laat mij begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
וְאָשֽׁוּבָה
(veashuva)
en ik zal terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
בקברי אשׁר כריתי לי (beqivri asher kariti li), ‘in mijn graf dat ik voor mij gegraven heb’: in 49:29–32 noemt Jakob de grot van Machpela; zie ook 47:29–31.
7Jozef trok op om zijn vader te begraven, en met hem trokken op alle dienaren van de farao, de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte,
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en hij trok op
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לִקְבֹּ֣ר
(liqbor)
om te begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיַּֽעֲל֨וּ
(vayaalu)
en ze trokken op
אִתּ֜וֹ
(ito)
met hem
כָּל
(kal)
alle
עַבְדֵ֤י
(avdei)
dienaren van
פַרְעֹה֙
(paro)
farao
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
oudsten van
בֵית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
אֶֽרֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
זקני ביתו וכל זקני (ziqnei veito vekhol ziqnei erets Mitsrayim), ‘de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte’.
Aanvullend
Jasher 56:34–41 beschrijft de lijkstoet uitvoerig, met een gouden baar, een kroon en een scepter.
8heel het huis van Jozef, zijn broers en het huis van zijn vader; alleen hun kleinen, hun kleinvee en hun runderen lieten zij achter in het land Gosen.
וְכֹל֙
(vekhol)
en heel
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
וְאֶחָ֖יו
(veechav)
en zijn broers
וּבֵ֣ית
(uveit)
en huis van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
רַ֗ק
(raq)
alleen
טַפָּם֙
(tapam)
hun kleinen
וְצֹאנָ֣ם
(vetsonam)
en hun kleinvee
וּבְקָרָ֔ם
(uveqaram)
en hun runderen
עָזְב֖וּ
(azevu)
ze lieten achter
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
גֹּֽשֶׁן
(goshen)
Gosen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.
10Zij kwamen bij de dorsvloer van Atad, die aan de overkant van de Jordaan ligt, en hielden daar een zeer grote en zware rouwklacht; en hij hield voor zijn vader 7 dagen rouw.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
עַד
(ad)
tot
גֹּ֣רֶן
(goren)
dorsvloer van
הָאָטָ֗ד
(haatad)
Atad
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
וַיִּ֨סְפְּדוּ
(vayispedu)
en ze hielden rouwklacht
שָׁ֔ם
(sham)
daar
מִסְפֵּ֛ד
(misped)
een klacht
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
וְכָבֵ֖ד
(vekhaved)
en zwaar
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en hij hield
לְאָבִ֛יו
(leaviv)
voor zijn vader
אֵ֖בֶל
(evel)
rouw van
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
גרן האטד (goren ha’atad), ‘de dorsvloer van Atad’: de plaats is onbekend; ‘aan de overkant van de Jordaan’ wordt vanuit Kanaän gezien.
11Toen de inwoners van het land, de Kanaänieten, de rouw bij de dorsvloer van Atad zagen, zeiden zij: „Dit is een zware rouw voor Egypte.” Daarom noemde men die plaats Abel-Misraïm, die aan de overkant van de Jordaan ligt.
וַיַּ֡רְא
(vayar)
en hij zag
יוֹשֵׁב֩
(yoshev)
bewoner van
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
הַֽכְּנַעֲנִ֜י
(hakenaani)
de Kanaäniet
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֵ֗בֶל
(haevel)
de rouw
בְּגֹ֨רֶן֙
(begoren)
bij de dorsvloer van
הָֽאָטָ֔ד
(haatad)
Atad
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֵֽבֶל
(evel)
rouw
כָּבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
זֶ֖ה
(ze)
dit
לְמִצְרָ֑יִם
(lemitsrayim)
voor Egypte
עַל
(al)
op
כֵּ֞ן
(ken)
zo
קָרָ֤א
(qara)
men noemde
שְׁמָהּ֙
(shemah)
haar naam
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Misraïm
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּעֵ֥בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
קרא שׁמה אבל מצרים (qara shemah Avel Mitsrayim), ‘men noemde die plaats Abel-Misraïm’: een woordspel tussen evel, ‘rouw’, en avel, ‘weide’, ‘beek’; Misraïm is Egypte.
Aanvullend
Jasher 56:43–48 vertelt dat 31 koningen van Kanaän kwamen en hun kronen op de baar legden, en dat ook Ezau uit Seïr kwam.
13Zijn zonen droegen hem naar het land Kanaän en begroeven hem in de grot van het veld van Machpela, het veld dat Abraham gekocht had van Efron de Hetiet als bezit voor een graf, tegenover Mamre.
וַיִּשְׂא֨וּ
(vayisu)
en ze droegen
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
בָנָיו֙
(banav)
zijn zonen
אַ֣רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיִּקְבְּר֣וּ
(vayiqberu)
en ze begroeven
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
בִּמְעָרַ֖ת
(bimarat)
in de grot van
שְׂדֵ֣ה
(sede)
veld van
הַמַּכְפֵּלָ֑ה
(hamakhpela)
de Machpela
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
קָנָה֩
(qana)
kocht
אַבְרָהָ֨ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשָּׂדֶ֜ה
(hasade)
het veld
לַאֲחֻזַּת
(laachuzat)
als bezit van
קֶ֗בֶר
(qever)
graf
מֵאֵ֛ת
(meet)
van bij
עֶפְרֹ֥ן
(efron)
Efron
הַחִתִּ֖י
(hachiti)
de Hetiet
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
מַמְרֵֽא
(mamre)
Mamre
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.
Uitleg
במערת שׂדה המכפלה (bime’arat sedeh haMakhpelah), ‘in de grot van het veld van Machpela’: zie 23:17–20; 49:29–32.
Dat is een overlevering buiten Genesis, zie 46:23.
Aanvullend
Jasher 56:49–66 vertelt dat Ezau zich tegen de begrafenis verzette en dat Chusjim, de dove zoon van Dan, hem doodde.
14Jozef keerde terug naar Egypte, hij en zijn broers en allen die met hem opgegaan waren om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.
וַיָּ֨שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
יוֹסֵ֤ף
(yosef)
Jozef
מִצְרַ֨יְמָה֙
(mitsrayma)
naar Egypte
ה֣וּא
(hu)
hij
וְאֶחָ֔יו
(veechav)
en zijn broers
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָעֹלִ֥ים
(haolim)
de opgegane
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
לִקְבֹּ֣ר
(liqbor)
om te begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
na
קָבְר֥וֹ
(qavero)
zijn begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Jozef vergeeft zijn broers
15De broers van Jozef zagen dat hun vader gestorven was en zeiden: „Misschien haat Jozef ons, en zal hij ons zeker terugbetalen voor al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.”
וַיִּרְא֤וּ
(vayiru)
en ze zagen
אֲחֵֽי
(achei)
broers van
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
כִּי
(ki)
dat
מֵ֣ת
(met)
gestorven was
אֲבִיהֶ֔ם
(avihem)
hun vader
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
ל֥וּ
(lu)
misschien
יִשְׂטְמֵ֖נוּ
(yistemenu)
hij haat ons
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וְהָשֵׁ֤ב
(vehashev)
en terugbetalend
יָשִׁיב֙
(yashiv)
hij zal terugbetalen
לָ֔נוּ
(lanu)
aan ons
אֵ֚ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
גָּמַ֖לְנוּ
(gamalnu)
wij hebben aangedaan
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לו ישׂטמנו (lu yisteminu), ‘misschien haat hij ons’: de wortel stm, ‘aanklagen’, ‘haten’; zie 27:41.
16Zij lieten tegen Jozef zeggen: „Je vader heeft vóór zijn dood bevolen:
וַיְצַוּ֕וּ
(vaytsauu)
en ze droegen op
אֶל
(el)
aan
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אָבִ֣יךָ
(avikha)
je vader
צִוָּ֔ה
(tsiva)
heeft bevolen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
מוֹת֖וֹ
(moto)
zijn dood
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויצוו אל (vayetsavvu el), ‘zij lieten opdragen aan’: of ‘zij gaven bevel’; de broers laten het zeggen door anderen, want zij durven niet zelf te komen.
17‘Zo moeten jullie tegen Jozef zeggen: Vergeef toch de overtreding van je broers en hun zonde, want zij hebben je kwaad aangedaan.’ Nu dan, vergeef toch de overtreding van de dienaren van de Elohim van je vader.” Jozef weende toen zij tot hem spraken.
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמְר֣וּ
(tomru)
zullen jullie zeggen
לְיוֹסֵ֗ף
(leyosef)
tot Jozef
אָ֣נָּ֡א
(ana)
ach
שָׂ֣א
(sa)
vergeef
נָ֠א
(na)
toch
פֶּ֣שַׁע
(pesha)
overtreding van
אַחֶ֤יךָ
(acheikha)
je broers
וְחַטָּאתָם֙
(vechatatam)
en hun zonde
כִּי
(ki)
want
רָעָ֣ה
(raa)
kwaad
גְמָל֔וּךָ
(gemalukha)
ze hebben je aangedaan
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
שָׂ֣א
(sa)
vergeef
נָ֔א
(na)
toch
לְפֶ֥שַׁע
(lefesha)
de overtreding van
עַבְדֵ֖י
(avdei)
dienaren van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
בְּדַבְּרָ֥ם
(bedaberam)
bij hun spreken
אֵלָֽיו
(elav)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פשׁע אחיך וחטאתם (pesha vechatta’tam), ‘de overtreding en hun zonde’: zie Exod. 34:7.
ויבך יוסף (vayyevk Yosef), ‘Jozef weende’: zie 42:24; 43:30; 45:2.
24Jozef zei tegen zijn broers: „Ik sterf; maar Elohim zal jullie zeker bezoeken en jullie uit dit land doen opgaan naar het land dat Hij gezworen heeft aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
מֵ֑ת
(met)
sterf
וֵֽאלֹהִ֞ים
(vElohim)
en Elohim
פָּקֹ֧ד
(paqod)
bezoekend
יִפְקֹ֣ד
(yifqod)
zal bezoeken
אֶתְכֶ֗ם
(etkhem)
jullie
וְהֶעֱלָ֤ה
(veheela)
en Hij zal doen opgaan
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
אֶל
(el)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֛ע
(nishba)
Hij heeft gezworen
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹֽב
(uleyaaqov)
en aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
אל הארץ אשׁר נשׁבע לאברהם ליצחק וליעקב (el ha’arets asher nishba le’Avraham leYitschaq uleYa’aqov), ‘naar het land dat Hij gezworen heeft aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob’: zie 15:18; 26:3; 35:12.
Aanvullend
Jasher 59:22–24 en Jubileeën 46:5–6 geven dezelfde opdracht.