Elohim Bijbel

Genesis 50

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jakobs begrafenis; Jozefs dood

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jakobs begrafenis

1Jozef viel op het gezicht van zijn vader, weende over hem en kuste hem.
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
עָלָ֖יו
(alav)
over hem
וַיִּשַּׁק
(vayishaq)
en hij kuste
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 56:23 zegt dat Jozef op zijn vader viel, luid riep en weende.

2Jozef gaf zijn dienaren, de geneesheren, bevel zijn vader te balsemen, en de geneesheren balsemden Israël.
וַיְצַ֨ו
(vaytsav)
en hij gebood
יוֹסֵ֤ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָרֹ֣פְאִ֔ים
(harofeim)
de geneesheren
לַחֲנֹ֖ט
(lachanot)
om te balsemen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיַּחַנְט֥וּ
(vayachantu)
en ze balsemden
הָרֹפְאִ֖ים
(harofeim)
de geneesheren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הרפאים (harofe’im), ‘de geneesheren’: de balsemers waren artsen.

לחנט (lachanot), ‘balsemen’: een Egyptisch gebruik.

Aanvullend

Jasher 56:29 zegt dat de artsen Jakob met mirre, wierook en allerlei geurstoffen balsemden.

3Er werden 40 dagen voor hem vervuld, want zo worden de dagen van het balsemen vervuld; en Egypte beweende hem 70 dagen.
וַיִּמְלְאוּ
(vayimleu)
en ze vulden
לוֹ֙
(lo)
voor hem
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
י֔וֹם
(yom)
dag
כִּ֛י
(ki)
want
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יִמְלְא֖וּ
(yimleu)
worden gevuld
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
הַחֲנֻטִ֑ים
(hachanutim)
het balsemen
וַיִּבְכּ֥וּ
(vayivku)
en ze beweenden
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שׁבעים יום (shiv’im yom), ‘70 dagen’: Jasher 56:28 zegt hetzelfde, en dat ook mensen uit Kanaän naar Egypte kwamen en 70 dagen om hem weenden.

4Toen de dagen van zijn rouw voorbij waren, sprak Jozef tot het huis van de farao: „Als ik gunst gevonden heb in jullie ogen, spreek dan toch in de oren van de farao en zeg:
וַיַּֽעַבְרוּ֙
(vayaavru)
en ze gingen voorbij
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
בְכִית֔וֹ
(bekhito)
zijn beweenen
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
als
נָ֨א
(na)
toch
מָצָ֤אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
דַּבְּרוּ
(daberu)
spreekt
נָ֕א
(na)
toch
בְּאָזְנֵ֥י
(beazenei)
in de oren van
פַרְעֹ֖ה
(paro)
farao
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בית פרעה (el beit Par’oh), ‘tot het huis van de farao’: Jozef spreekt niet rechtstreeks tot de farao, maar tot zijn hof.

Aanvullend

Jasher 56:31–33 laat Jozef na 70 dagen wel zelf tot de farao spreken en vertelt dat de farao liet uitroepen dat ieder die niet meetrok, zou sterven.

5‘Mijn vader heeft mij laten zweren: Zie, ik sterf; in mijn graf dat ik voor mij gegraven heb in het land Kanaän, daar zul je mij begraven. Laat mij nu toch opgaan en mijn vader begraven, en dan zal ik terugkeren.’”
אָבִ֞י
(avi)
mijn vader
הִשְׁבִּיעַ֣נִי
(hishbiani)
heeft laten zweren mij
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אָנֹכִי֮
(anokhi)
ik
מֵת֒
(met)
sterf
בְּקִבְרִ֗י
(beqivri)
in mijn graf
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
כָּרִ֤יתִי
(kariti)
ik groef
לִי֙
(li)
voor mij
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
שָׁ֖מָּה
(shama)
daar
תִּקְבְּרֵ֑נִי
(tiqbereni)
zul je mij begraven
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אֶֽעֱלֶה
(eele)
laat mij opgaan
נָּ֛א
(na)
toch
וְאֶקְבְּרָ֥ה
(veeqbera)
en laat mij begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
וְאָשֽׁוּבָה
(veashuva)
en ik zal terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

בקברי אשׁר כריתי לי (beqivri asher kariti li), ‘in mijn graf dat ik voor mij gegraven heb’: in 49:29–32 noemt Jakob de grot van Machpela; zie ook 47:29–31.

6De farao zei: „Ga op en begraaf je vader zoals hij je heeft laten zweren.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
farao
עֲלֵ֛ה
(ale)
ga op
וּקְבֹ֥ר
(uqevor)
en begraaf
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הִשְׁבִּיעֶֽךָ
(hishbiekha)
hij je liet zweren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 48:21
7Jozef trok op om zijn vader te begraven, en met hem trokken op alle dienaren van de farao, de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte,
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en hij trok op
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לִקְבֹּ֣ר
(liqbor)
om te begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיַּֽעֲל֨וּ
(vayaalu)
en ze trokken op
אִתּ֜וֹ
(ito)
met hem
כָּל
(kal)
alle
עַבְדֵ֤י
(avdei)
dienaren van
פַרְעֹה֙
(paro)
farao
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
oudsten van
בֵית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
אֶֽרֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

זקני ביתו וכל זקני (ziqnei veito vekhol ziqnei erets Mitsrayim), ‘de oudsten van zijn huis en alle oudsten van het land Egypte’.

Aanvullend

Jasher 56:34–41 beschrijft de lijkstoet uitvoerig, met een gouden baar, een kroon en een scepter.

8heel het huis van Jozef, zijn broers en het huis van zijn vader; alleen hun kleinen, hun kleinvee en hun runderen lieten zij achter in het land Gosen.
וְכֹל֙
(vekhol)
en heel
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
וְאֶחָ֖יו
(veechav)
en zijn broers
וּבֵ֣ית
(uveit)
en huis van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
רַ֗ק
(raq)
alleen
טַפָּם֙
(tapam)
hun kleinen
וְצֹאנָ֣ם
(vetsonam)
en hun kleinvee
וּבְקָרָ֔ם
(uveqaram)
en hun runderen
עָזְב֖וּ
(azevu)
ze lieten achter
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
גֹּֽשֶׁן
(goshen)
Gosen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

9Ook wagens en ruiters trokken met hem op; het gezelschap was zeer groot.
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en hij trok op
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
גַּם
(gam)
ook
רֶ֖כֶב
(rekhev)
wagens
גַּם
(gam)
ook
פָּרָשִׁ֑ים
(parashim)
ruiters
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het gezelschap
כָּבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Zij kwamen bij de dorsvloer van Atad, die aan de overkant van de Jordaan ligt, en hielden daar een zeer grote en zware rouwklacht; en hij hield voor zijn vader 7 dagen rouw.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
עַד
(ad)
tot
גֹּ֣רֶן
(goren)
dorsvloer van
הָאָטָ֗ד
(haatad)
Atad
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
וַיִּ֨סְפְּדוּ
(vayispedu)
en ze hielden rouwklacht
שָׁ֔ם
(sham)
daar
מִסְפֵּ֛ד
(misped)
een klacht
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
וְכָבֵ֖ד
(vekhaved)
en zwaar
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en hij hield
לְאָבִ֛יו
(leaviv)
voor zijn vader
אֵ֖בֶל
(evel)
rouw van
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

גרן האטד (goren ha’atad), ‘de dorsvloer van Atad’: de plaats is onbekend; ‘aan de overkant van de Jordaan’ wordt vanuit Kanaän gezien.

Aanvullend

Jasher 56:42 noemt dezelfde plaats.

11Toen de inwoners van het land, de Kanaänieten, de rouw bij de dorsvloer van Atad zagen, zeiden zij: „Dit is een zware rouw voor Egypte.” Daarom noemde men die plaats Abel-Misraïm, die aan de overkant van de Jordaan ligt.
וַיַּ֡רְא
(vayar)
en hij zag
יוֹשֵׁב֩
(yoshev)
bewoner van
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
הַֽכְּנַעֲנִ֜י
(hakenaani)
de Kanaäniet
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֵ֗בֶל
(haevel)
de rouw
בְּגֹ֨רֶן֙
(begoren)
bij de dorsvloer van
הָֽאָטָ֔ד
(haatad)
Atad
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֵֽבֶל
(evel)
rouw
כָּבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
זֶ֖ה
(ze)
dit
לְמִצְרָ֑יִם
(lemitsrayim)
voor Egypte
עַל
(al)
op
כֵּ֞ן
(ken)
zo
קָרָ֤א
(qara)
men noemde
שְׁמָהּ֙
(shemah)
haar naam
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Misraïm
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּעֵ֥בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

קרא שׁמה אבל מצרים (qara shemah Avel Mitsrayim), ‘men noemde die plaats Abel-Misraïm’: een woordspel tussen evel, ‘rouw’, en avel, ‘weide’, ‘beek’; Misraïm is Egypte.

Aanvullend

Jasher 56:43–48 vertelt dat 31 koningen van Kanaän kwamen en hun kronen op de baar legden, en dat ook Ezau uit Seïr kwam.

12Zijn zonen deden voor hem zoals hij hun bevolen had.
וַיַּעֲשׂ֥וּ
(vayaasu)
en ze deden
בָנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
כֵּ֖ן
(ken)
zo
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוָּֽם
(tsivam)
hij had bevolen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 56 en 64:9 vertellen een strijd van Jozef en zijn broers met de zonen van Ezau bij de begrafenis van Jakob; Genesis noemt die niet.

13Zijn zonen droegen hem naar het land Kanaän en begroeven hem in de grot van het veld van Machpela, het veld dat Abraham gekocht had van Efron de Hetiet als bezit voor een graf, tegenover Mamre.
וַיִּשְׂא֨וּ
(vayisu)
en ze droegen
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
בָנָיו֙
(banav)
zijn zonen
אַ֣רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיִּקְבְּר֣וּ
(vayiqberu)
en ze begroeven
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
בִּמְעָרַ֖ת
(bimarat)
in de grot van
שְׂדֵ֣ה
(sede)
veld van
הַמַּכְפֵּלָ֑ה
(hamakhpela)
de Machpela
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
קָנָה֩
(qana)
kocht
אַבְרָהָ֨ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשָּׂדֶ֜ה
(hasade)
het veld
לַאֲחֻזַּת
(laachuzat)
als bezit van
קֶ֗בֶר
(qever)
graf
מֵאֵ֛ת
(meet)
van bij
עֶפְרֹ֥ן
(efron)
Efron
הַחִתִּ֖י
(hachiti)
de Hetiet
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
מַמְרֵֽא
(mamre)
Mamre
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.

Uitleg

במערת שׂדה המכפלה (bime’arat sedeh haMakhpelah), ‘in de grot van het veld van Machpela’: zie 23:17–20; 49:29–32.

Dat is een overlevering buiten Genesis, zie 46:23.

Aanvullend

Jasher 56:49–66 vertelt dat Ezau zich tegen de begrafenis verzette en dat Chusjim, de dove zoon van Dan, hem doodde.

14Jozef keerde terug naar Egypte, hij en zijn broers en allen die met hem opgegaan waren om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.
וַיָּ֨שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
יוֹסֵ֤ף
(yosef)
Jozef
מִצְרַ֨יְמָה֙
(mitsrayma)
naar Egypte
ה֣וּא
(hu)
hij
וְאֶחָ֔יו
(veechav)
en zijn broers
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָעֹלִ֥ים
(haolim)
de opgegane
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
לִקְבֹּ֣ר
(liqbor)
om te begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
na
קָבְר֥וֹ
(qavero)
zijn begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Jozef vergeeft zijn broers

15De broers van Jozef zagen dat hun vader gestorven was en zeiden: „Misschien haat Jozef ons, en zal hij ons zeker terugbetalen voor al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.”
וַיִּרְא֤וּ
(vayiru)
en ze zagen
אֲחֵֽי
(achei)
broers van
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
כִּי
(ki)
dat
מֵ֣ת
(met)
gestorven was
אֲבִיהֶ֔ם
(avihem)
hun vader
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
ל֥וּ
(lu)
misschien
יִשְׂטְמֵ֖נוּ
(yistemenu)
hij haat ons
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וְהָשֵׁ֤ב
(vehashev)
en terugbetalend
יָשִׁיב֙
(yashiv)
hij zal terugbetalen
לָ֔נוּ
(lanu)
aan ons
אֵ֚ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
גָּמַ֖לְנוּ
(gamalnu)
wij hebben aangedaan
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לו ישׂטמנו (lu yisteminu), ‘misschien haat hij ons’: de wortel stm, ‘aanklagen’, ‘haten’; zie 27:41.

16Zij lieten tegen Jozef zeggen: „Je vader heeft vóór zijn dood bevolen:
וַיְצַוּ֕וּ
(vaytsauu)
en ze droegen op
אֶל
(el)
aan
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אָבִ֣יךָ
(avikha)
je vader
צִוָּ֔ה
(tsiva)
heeft bevolen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
מוֹת֖וֹ
(moto)
zijn dood
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויצוו אל (vayetsavvu el), ‘zij lieten opdragen aan’: of ‘zij gaven bevel’; de broers laten het zeggen door anderen, want zij durven niet zelf te komen.

Zie ookSpr 29:25
17‘Zo moeten jullie tegen Jozef zeggen: Vergeef toch de overtreding van je broers en hun zonde, want zij hebben je kwaad aangedaan.’ Nu dan, vergeef toch de overtreding van de dienaren van de Elohim van je vader.” Jozef weende toen zij tot hem spraken.
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמְר֣וּ
(tomru)
zullen jullie zeggen
לְיוֹסֵ֗ף
(leyosef)
tot Jozef
אָ֣נָּ֡א
(ana)
ach
שָׂ֣א
(sa)
vergeef
נָ֠א
(na)
toch
פֶּ֣שַׁע
(pesha)
overtreding van
אַחֶ֤יךָ
(acheikha)
je broers
וְחַטָּאתָם֙
(vechatatam)
en hun zonde
כִּי
(ki)
want
רָעָ֣ה
(raa)
kwaad
גְמָל֔וּךָ
(gemalukha)
ze hebben je aangedaan
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
שָׂ֣א
(sa)
vergeef
נָ֔א
(na)
toch
לְפֶ֥שַׁע
(lefesha)
de overtreding van
עַבְדֵ֖י
(avdei)
dienaren van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
בְּדַבְּרָ֥ם
(bedaberam)
bij hun spreken
אֵלָֽיו
(elav)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פשׁע אחיך וחטאתם (pesha vechatta’tam), ‘de overtreding en hun zonde’: zie Exod. 34:7.

ויבך יוסף (vayyevk Yosef), ‘Jozef weende’: zie 42:24; 43:30; 45:2.

18Ook zijn broers kwamen zelf, vielen voor hem neer en zeiden: „Zie, wij zijn uw slaven.”
וַיֵּלְכוּ֙
(vayelekhu)
en ze gingen
גַּם
(gam)
ook
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en ze vielen
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor hem
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
הִנֶּ֥נּֽוּ
(hinenu)
zie ons
לְךָ֖
(lekha)
voor u
לַעֲבָדִֽים
(laavadim)
tot slaven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Jozef zei tegen hen: „Wees niet bang, want ben ik soms in de plaats van Elohim?
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֛ם
(alehem)
tot hen
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אַל
(al)
niet
תִּירָ֑אוּ
(tirau)
wees bang
כִּ֛י
(ki)
want
הֲתַ֥חַת
(hatachat)
ben ik in de plaats van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אָֽנִי
(ani)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

התחת אלהים אני (hatachat Elohim ani), ‘ben ik soms in de plaats van Elohim?’: zie 30:2.

20Jullie hebben kwaad tegen mij bedoeld; Elohim heeft het ten goede bedoeld, om te doen zoals het op deze dag is: een groot volk in leven te houden.
וְאַתֶּ֕ם
(veatem)
en jullie
חֲשַׁבְתֶּ֥ם
(chashavtem)
hebben bedoeld
עָלַ֖י
(alay)
over mij
רָעָ֑ה
(raa)
kwaad
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
חֲשָׁבָ֣הּ
(chashavah)
heeft het bedoeld
לְטֹבָ֔ה
(letova)
ten goede
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
עֲשֹׂ֛ה
(aso)
te doen
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
לְהַחֲיֹ֥ת
(lehachayot)
om in leven te houden
עַם
(am)
volk
רָֽב
(rav)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אלהים חשׁבה לטבה (Elohim chashavah letovah), ‘Elohim heeft het ten goede gedacht’: zie 45:5, 7; Ps. 105:17.

21Nu dan, wees niet bang; ik zal jullie en jullie kleinen verzorgen.” Zo troostte hij hen en sprak naar hun hart.
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
אַל
(al)
niet
תִּירָ֔אוּ
(tirau)
wees bang
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
ik
אֲכַלְכֵּ֥ל
(akhalkel)
zal verzorgen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
וְאֶֽת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
טַפְּכֶ֑ם
(tapekhem)
jullie kleinen
וַיְנַחֵ֣ם
(vaynachem)
en hij troostte
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
וַיְדַבֵּ֖ר
(vaydaber)
en hij sprak
עַל
(al)
op
לִבָּֽם
(libam)
hun hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וינחם אותם וידבר על לבם (vayenachem otam vayedabber al libbam), ‘zo troostte hij hen en sprak naar hun hart’: zie 34:3.

Jozefs dood

22Jozef woonde in Egypte, hij en het huis van zijn vader; en Jozef leefde 110 jaar.
וַיֵּ֤שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
בְּמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
ה֖וּא
(hu)
hij
וּבֵ֣ית
(uveit)
en huis van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיְחִ֣י
(vaychi)
en hij leefde
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וָעֶ֖שֶׂר
(vaeser)
en tien
שָׁנִֽים
(shanim)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מאה ועשׂר שׁנים (me’ah va’asor shanim), ‘110 jaar’: zie vers 26.

Aanvullend

Jubileeën 46:3 zegt dat Jozef 110 jaar oud stierf: 17 jaar in Kanaän en 10 jaar dienend; Jasher 59:20 noemt 93 jaar in Egypte en 80 jaar als heerser.

Jubileeën 46:3 zegt dat Jozef honderdtien jaar werd: zeventien jaar in Kanaän en daarna tien jaar dienend.

23Jozef zag van Efraïm kinderen van de derde generatie; ook de zonen van Machir, de zoon van Manasse, werden geboren op de knieën van Jozef.
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en hij zag
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
לְאֶפְרַ֔יִם
(leefrayim)
bij Efraïm
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
שִׁלֵּשִׁ֑ים
(shileshim)
derde generatie
גַּ֗ם
(gam)
ook
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
מָכִיר֙
(makhir)
Machir
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
יֻלְּד֖וּ
(yuledu)
werden geboren
עַל
(al)
op
בִּרְכֵּ֥י
(birkei)
knieën van
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

על ברכי יוסף (al birkei Yosef), ‘op de knieën van Jozef’: hij nam hen aan als zijn kinderen; zie 30:3.

Zie Num. 26:28–34; 1 Kron. 7:14–21.

24Jozef zei tegen zijn broers: „Ik sterf; maar Elohim zal jullie zeker bezoeken en jullie uit dit land doen opgaan naar het land dat Hij gezworen heeft aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
מֵ֑ת
(met)
sterf
וֵֽאלֹהִ֞ים
(vElohim)
en Elohim
פָּקֹ֧ד
(paqod)
bezoekend
יִפְקֹ֣ד
(yifqod)
zal bezoeken
אֶתְכֶ֗ם
(etkhem)
jullie
וְהֶעֱלָ֤ה
(veheela)
en Hij zal doen opgaan
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
אֶל
(el)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֛ע
(nishba)
Hij heeft gezworen
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹֽב
(uleyaaqov)
en aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואלהים פקד יפקד (ve’Elohim paqod yifqod), ‘Elohim zal jullie zeker bezoeken’: paqad is ‘bezoeken’, ‘zich bekommeren om’; zie 21:1; Exod. 3:16; 13:19.

אל הארץ אשׁר נשׁבע לאברהם ליצחק וליעקב (el ha’arets asher nishba le’Avraham leYitschaq uleYa’aqov), ‘naar het land dat Hij gezworen heeft aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob’: zie 15:18; 26:3; 35:12.

Aanvullend

Jasher 59:22–24 en Jubileeën 46:5–6 geven dezelfde opdracht.

25Jozef liet de zonen van Israël zweren: „Elohim zal jullie zeker bezoeken; dan moeten jullie mijn beenderen van hier meenemen.”
וַיַּשְׁבַּ֣ע
(vayashba)
en hij liet zweren
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
פָּקֹ֨ד
(paqod)
bezoekend
יִפְקֹ֤ד
(yifqod)
zal bezoeken
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וְהַעֲלִתֶ֥ם
(vehaalitem)
en jullie zullen doen opgaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עַצְמֹתַ֖י
(atsmotay)
mijn beenderen
מִזֶּֽה
(mize)
van hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

את עצמתי מזה (veha’alitem et atsmotai mizzeh), ‘dan moeten jullie mijn beenderen van hier meenemen’: zie Exod. 13:19; Joz. 24:32; Hebr. 11:22.

26Jozef stierf, 110 jaar oud; zij balsemden hem en hij werd in een kist gelegd in Egypte.
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en hij stierf
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
בֶּן
(ben)
zoon van
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וָעֶ֖שֶׂר
(vaeser)
en tien
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaar
וַיַּחַנְט֣וּ
(vayachantu)
en ze balsemden
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
וַיִּ֥ישֶׂם
(vayisem)
en hij werd gelegd
בָּאָר֖וֹן
(baaron)
in de kist
בְּמִצְרָֽיִם
(bemitsrayim)
in Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

ויישׂם בארון במצרים (vayyissem ba’aron beMitsrayim), ‘hij werd in een kist gelegd in Egypte’: aron is hier een kist, en elders de ark van het verbond.

Aanvullend

Jasher 59:26–27 zegt dat zij hem in een kist vol specerijen aan de Nijl begroeven.

Jubileeën 46:8 zegt dat hij in Egypte begraven werd.