Elohim Bijbel

Genesis 46

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jakob gaat naar Egypte; Gosen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jakob gaat naar Egypte

1Israël brak op met alles wat hij had en kwam in Beër-Sjeba, en hij bracht offers aan de Elohim van zijn vader Isaak.
וַיִּסַּ֤ע
(vayisa)
en hij brak op
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
בְּאֵ֣רָה
(beera)
naar Beër
שָּׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַיִּזְבַּ֣ח
(vayizbach)
en hij offerde
זְבָחִ֔ים
(zevachim)
offers
לֵאלֹהֵ֖י
(lelohei)
aan Elohim van
אָבִ֥יו
(aviv)
zijn vader
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

בארה שׁבע (Be’er Shava), ‘Beër-Sjeba’: zie 21:31; 26:23–25.

Jakob offert aan de Elohim van Isaak, op de plaats waar Isaak Yahweh ontmoette.

Aanvullend

Jasher 55:1–5 zegt dat Jakob eerst aarzelde het land te verlaten, en Jubileeën 44:1–4 zegt dat hij bij de nieuwe maan van de derde maand uit Haran optrok, een offer bracht aan de Elohim van Isaak en het oogstfeest hield.

2Elohim zei tot Israël in nachtgezichten: „Jakob, Jakob!” Hij zei: „Hier ben ik.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
לְיִשְׂרָאֵל֙
(leyisrael)
tot Israël
בְּמַרְאֹ֣ת
(bemarot)
in visioenen van
הַלַּ֔יְלָה
(halayla)
de nacht
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

במראת הלילה (be-mar’ot hallailah), ‘in nachtgezichten’: zie 15:1; 28:12.

יעקב יעקב (Ya’aqov Ya’aqov), ‘Jakob, Jakob’: zie 22:11.

Aanvullend

Jubileeën 44:5 geeft dezelfde roep.

3„Ik ben de God, de Elohim van je vader. Wees niet bang om naar Egypte af te dalen, want daar zal Ik je tot een groot volk maken.
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
הָאֵ֖ל
(hael)
de God
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
מֵרְדָ֣ה
(mereda)
om af te dalen
מִצְרַ֔יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
כִּֽי
(ki)
want
לְג֥וֹי
(legoy)
tot een volk
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
אֲשִֽׂימְךָ֥
(asimekha)
zal Ik je stellen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

האל אלהי אביך (ha’El Elohei avikha), ‘de God, de Elohim van je vader’: zie 28:13; 31:13.

אל תירא מרדה מצרימה (al tira merradah Mitsraymah), ‘wees niet bang om naar Egypte af te dalen’: Isaak mocht niet naar Egypte, zie 26:2; voor Jakob komt het bevel hier.

לגוי גדול אשׂימך (legoy gadol asimkha), ‘tot een groot volk zal Ik je maken’: zie 12:2.

4Ik zal met je afdalen naar Egypte en Ik zal je ook zeker weer doen opkomen; en Jozef zal zijn hand op je ogen leggen.”
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
אֵרֵ֤ד
(ered)
zal Ik afdalen
עִמְּךָ֙
(imekha)
met je
מִצְרַ֔יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en Ik
אַֽעַלְךָ֣
(aalkha)
zal je doen opkomen
גַם
(gam)
ook
עָלֹ֑ה
(alo)
zeker opkomen
וְיוֹסֵ֕ף
(veyosef)
en Jozef
יָשִׁ֥ית
(yashit)
zal leggen
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
op
עֵינֶֽיךָ
(eineikha)
je ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

ויוסף ישׁית ידו על עיניך (veYosef yashit yado al einekha), ‘Jozef zal zijn hand op je ogen leggen’: hij zal hem de ogen sluiten bij zijn dood; zie 50:1.

Aanvullend

Jubileeën 44:6 geeft dezelfde belofte.

Jasher 55:4 voegt eraan toe dat Yahweh zei dat Jozef zijn getrouwheid behouden had.

5Jakob brak op uit Beër-Sjeba. De zonen van Israël droegen hun vader Jakob, hun kleinen en hun vrouwen op de wagens die de farao gezonden had om hem te vervoeren.
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en hij stond op
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
מִבְּאֵ֣ר
(mibeer)
uit Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַיִּשְׂא֨וּ
(vayisu)
en ze droegen
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
אֲבִיהֶ֗ם
(avihem)
hun vader
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
טַפָּם֙
(tapam)
hun kleinen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
נְשֵׁיהֶ֔ם
(nesheihem)
hun vrouwen
בָּעֲגָל֕וֹת
(baagalot)
in de wagens
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥ח
(shalach)
hij zond
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
לָשֵׂ֥את
(laset)
om te dragen
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

בעגלות אשׁר שׁלח פרעה לשׂאת אתו (ba’agalot asher shalach Par’oh laset oto), ‘op de wagens die de farao gezonden had om hem te vervoeren’: zie 45:19, 21, 27.

Aanvullend

Jubileeën 44:7 laat vader en bezit op wagens plaatsen.

6Zij namen hun vee en hun bezit dat zij in het land Kanaän verworven hadden, en kwamen in Egypte, Jakob en heel zijn nageslacht met hem,
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en ze namen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִקְנֵיהֶ֗ם
(miqneihem)
hun vee
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
רְכוּשָׁם֙
(rekhusham)
hun bezit
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
רָֽכְשׁוּ֙
(rakheshu)
ze hadden verworven
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
מִצְרָ֑יְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
וְכָל
(vekhal)
en heel
זַרְע֥וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

רכושׁם אשׁר רכשׁו (rekhusham asher rakhshu), ‘hun bezit dat zij verworven hadden’: zie 12:5; 31:18.

7zijn zonen en de zonen van zijn zonen met hem, zijn dochters en de dochters van zijn zonen; heel zijn nageslacht bracht hij met zich mee naar Egypte.
בָּנָ֞יו
(banav)
zijn zonen
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en de zonen van
בָנָיו֙
(banav)
zijn zonen
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
בְּנֹתָ֛יו
(benotav)
zijn dochters
וּבְנ֥וֹת
(uvenot)
en de dochters van
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
וְכָל
(vekhal)
en heel
זַרְע֑וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
הֵבִ֥יא
(hevi)
hij bracht
אִתּ֖וֹ
(ito)
met zich
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

De zonen van Jakob die naar Egypte kwamen

8Dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen, Jakob en zijn zonen: Ruben, de eerstgeborene van Jakob.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dit
שְׁמ֧וֹת
(shemot)
namen van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
הַבָּאִ֥ים
(habaim)
de komenden
מִצְרַ֖יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
וּבָנָ֑יו
(uvanav)
en zijn zonen
בְּכֹ֥ר
(bekhor)
eerstgeborene van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
רְאוּבֵֽן
(reuven)
Ruben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

ואלה שׁמות בני ישׂראל הבאים מצרימה (ve’elleh shemot benei Yisra’el habba’im Mitsraymah), ‘dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen’: zie Exod. 1:1–5.

Aanvullend

Jubileeën 44:11–34 geeft een eigen lijst met dezelfde hoofdnamen, maar met afwijkende zonen onder meer bij Juda, Dan, Naftali en Benjamin; ook die lijst komt op zeventig.

9De zonen van Ruben: Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
רְאוּבֵ֑ן
(reuven)
Ruben
חֲנ֥וֹךְ
(chanokh)
Chanoch
וּפַלּ֖וּא
(ufalu)
en Pallu
וְחֶצְר֥וֹן
(vechetsron)
en Chezron
וְכַרְמִֽי
(vekharmi)
en Karmi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De zonen van Simeon: Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Zohar en Sjaül, de zoon van de Kanaänitische.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
שִׁמְע֗וֹן
(shimon)
Simeon
יְמוּאֵ֧ל
(yemuel)
Jemoeël
וְיָמִ֛ין
(veyamin)
en Jamin
וְאֹ֖הַד
(veohad)
en Ohad
וְיָכִ֣ין
(veyakhin)
en Jakin
וְצֹ֑חַר
(vetsochar)
en Zohar
וְשָׁא֖וּל
(veshaul)
en Sjaül
בֶּן
(ben)
zoon van
הַֽכְּנַעֲנִֽית
(hakenaanit)
de Kanaänitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ושׁאול בן הכנענית (veShaul ben hakKena’anit), ‘Sjaül, de zoon van de Kanaänitische’: zie Exod. 6:15.

Aanvullend

Jubileeën 44:13 noemt haar een vrouw uit Zefat.

11De zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
לֵוִ֑י
(levi)
Levi
גֵּרְשׁ֕וֹן
(gereshon)
Gersjon
קְהָ֖ת
(qehat)
Kehat
וּמְרָרִֽי
(umerari)
en Merari
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12De zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Peres en Zerach; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän. De zonen van Peres waren Chezron en Chamoel.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
עֵ֧ר
(er)
Er
וְאוֹנָ֛ן
(veonan)
en Onan
וְשֵׁלָ֖ה
(veshela)
en Sela
וָפֶ֣רֶץ
(vaferets)
en Peres
וָזָ֑רַח
(vazarach)
en Zerach
וַיָּ֨מָת
(vayamat)
en hij stierf
עֵ֤ר
(er)
Er
וְאוֹנָן֙
(veonan)
en Onan
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en ze waren
בְנֵי
(benei)
zonen van
פֶ֖רֶץ
(perets)
Peres
חֶצְר֥וֹן
(chetsron)
Chezron
וְחָמֽוּל
(vechamul)
en Chamoel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

וימת ער ואונן בארץ כנען (vayyamot Er ve’Onan be’erets Kena’an), ‘Er en Onan stierven in het land Kanaän’: zie 38:3–10.

חצרון וחמול (Chetsron vechamul), ‘Chezron en Chamoel’: kinderen van Peres; zie Num. 26:21; 1 Kron. 2:5.

Aanvullend

Jubileeën 44:15 laat hen weg.

13De zonen van Issachar: Tola, Pua, Job en Simron.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
יִשָׂשכָ֑ר
(yisashkhar)
Issachar
תּוֹלָ֥ע
(tola)
Tola
וּפֻוָּ֖ה
(ufuva)
en Pua
וְי֥וֹב
(veyov)
en Job
וְשִׁמְרֽוֹן
(veshimron)
en Simron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De zonen van Zebulon: Sered, Elon en Jachleël.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
זְבוּלֻ֑ן
(zevulun)
Zebulon
סֶ֥רֶד
(sered)
Sered
וְאֵל֖וֹן
(veelon)
en Elon
וְיַחְלְאֵֽל
(veyachleel)
en Jachleël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob baarde in Paddan-Aram, en ook zijn dochter Dina; al zijn zonen en dochters: 33 personen.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
לֵאָ֗ה
(lea)
Lea
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יָֽלְדָ֤ה
(yaleda)
ze baarde
לְיַעֲקֹב֙
(leyaaqov)
aan Jakob
בְּפַדַּ֣ן
(befadan)
in Paddan
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
דִּינָ֣ה
(dina)
Dina
בִתּ֑וֹ
(bito)
zijn dochter
כָּל
(kal)
alle
נֶ֧פֶשׁ
(nefesh)
personen van
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
וּבְנוֹתָ֖יו
(uvenotav)
en zijn dochters
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וְשָׁלֹֽשׁ
(veshalosh)
en drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Uitleg

בפדן ארם (befaddan aram), ‘in Paddan-Aram’: zie 25:20; 28:2.

Aanvullend

Jubileeën 44:18 noemt de zes zonen van Lea en Dina, hun zuster.

16De zonen van Gad: Zifjon, Chaggi, Sjoeni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
גָ֔ד
(gad)
Gad
צִפְי֥וֹן
(tsifyon)
Zifjon
וְחַגִּ֖י
(vechagi)
en Chaggi
שׁוּנִ֣י
(shuni)
Sjoeni
וְאֶצְבֹּ֑ן
(veetsbon)
en Ezbon
עֵרִ֥י
(eri)
Eri
וַֽאֲרוֹדִ֖י
(vaarodi)
en Arodi
וְאַרְאֵלִֽי
(veareli)
en Areli
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De zonen van Aser: Jimna, Jisjwa, Jisjwi, Beria en hun zuster Serach; en de zonen van Beria: Chever en Malkiël.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
אָשֵׁ֗ר
(asher)
Aser
יִמְנָ֧ה
(yimna)
Jimna
וְיִשְׁוָ֛ה
(veyishva)
en Jisjwa
וְיִשְׁוִ֥י
(veyishvi)
en Jisjwi
וּבְרִיעָ֖ה
(uveria)
en Beria
וְשֶׂ֣רַח
(veserach)
en Serach
אֲחֹתָ֑ם
(achotam)
hun zuster
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
בְרִיעָ֔ה
(beria)
Beria
חֶ֖בֶר
(chever)
Chever
וּמַלְכִּיאֵֽל
(umalkiel)
en Malkiël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ושׂרח אחתם (Serach achotam), ‘hun zuster Serach’: de enige dochter genoemd bij Aser, zie Num. 26:46.

Aanvullend

Jasher 54:92–99 vertelt dat Serach op de harp speelde om Jakob te vertellen dat Jozef leeft.

18Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gaf; zij baarde deze aan Jakob: 16 personen.
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
זִלְפָּ֔ה
(zilpa)
Zilpa
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
לְלֵאָ֣ה
(lelea)
aan Lea
בִתּ֑וֹ
(bito)
zijn dochter
וַתֵּ֤לֶד
(vateled)
en ze baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
deze
לְיַעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
נָֽפֶשׁ
(nafesh)
personen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De zonen van Rachel, de vrouw van Jakob: Jozef en Benjamin.
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
רָחֵל֙
(rachel)
Rachel
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
וּבִנְיָמִֽן
(uvinyamin)
en Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Aan Jozef werden in het land Egypte geboren Manasse en Efraïm, die Asenat, de dochter van Potifera, de priester van On, hem baarde.
וַיִּוָּלֵ֣ד
(vayivaled)
en werd geboren
לְיוֹסֵף֮
(leyosef)
aan Jozef
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרַיִם֒
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יָֽלְדָה
(yaleda)
baarde
לּוֹ֙
(lo)
hem
אָֽסְנַ֔ת
(asenat)
Asenat
בַּת
(bat)
dochter van
פּ֥וֹטִי
(poti)
Poti
פֶ֖רַע
(pera)
fera
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
priester van
אֹ֑ן
(on)
On
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מְנַשֶּׁ֖ה
(menashe)
Manasse
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie On: On (Heliopolis) lag in het noorden van Egypte, ten noordoosten van het huidige Caïro.

Uitleg

אסנת בת פוטי פרע כהן אן (Asenat bat Poti Fera kohen On), ‘Asenat, de dochter van Potifera, de priester van On’: zie 41:45, 50.

Aanvullend

Jubileeën 44:24 noemt On hier Heliopolis.

21De zonen van Benjamin: Bela, Becher, Asjbel, Gera, Naäman, Echi, Rosj, Muppim, Chuppim en Ard.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
בִנְיָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
בֶּ֤לַע
(bela)
Bela
וָבֶ֨כֶר֙
(vavekher)
en Becher
וְאַשְׁבֵּ֔ל
(veashbel)
en Asjbel
גֵּרָ֥א
(gera)
Gera
וְנַעֲמָ֖ן
(venaaman)
en Naäman
אֵחִ֣י
(echi)
Echi
וָרֹ֑אשׁ
(varosh)
en Rosj
מֻפִּ֥ים
(mupim)
Muppim
וְחֻפִּ֖ים
(vechupim)
en Chuppim
וָאָֽרְדְּ
(vaard)
en Ard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Dit zijn de zonen van Rachel, die aan Jakob geboren werden: in totaal 14 personen.
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
רָחֵ֔ל
(rachel)
Rachel
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֻלַּ֖ד
(yulad)
werd geboren
לְיַעֲקֹ֑ב
(leyaaqov)
aan Jakob
כָּל
(kal)
alle
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
personen
אַרְבָּעָ֥ה
(arbaa)
vier
עָשָֽׂר
(asar)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 44:26
23De zonen van Dan: Chusjim.
וּבְנֵי
(uvenei)
en zonen van
דָ֖ן
(dan)
Dan
חֻשִֽׁים
(chushim)
Chusjim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De zonen van Naftali: Jachtseël, Guni, Jetser en Sjillem.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
נַפְתָּלִ֑י
(naftali)
Naftali
יַחְצְאֵ֥ל
(yachtseel)
Jachtseël
וְגוּנִ֖י
(veguni)
en Guni
וְיֵ֥צֶר
(veyetser)
en Jetser
וְשִׁלֵּֽם
(veshilem)
en Sjillem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jubileeën 44:30 noemt als zonen van Naftali Jachtseël, Gahini, Asaar, Selum en Eu; Genesis noemt Jachtseël, Guni, Jetser en Sjillem.

25Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gaf; zij baarde deze aan Jakob: in totaal 7 personen.
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
בִלְהָ֔ה
(bilha)
Bilha
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
לְרָחֵ֣ל
(lerachel)
aan Rachel
בִּתּ֑וֹ
(bito)
zijn dochter
וַתֵּ֧לֶד
(vateled)
en ze baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֵ֛לֶּה
(ele)
deze
לְיַעֲקֹ֖ב
(leyaaqov)
aan Jakob
כָּל
(kal)
alle
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
personen
שִׁבְעָֽה
(shiva)
zeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Alle personen die met Jakob naar Egypte kwamen, uit zijn lendenen voortgekomen, afgezien van de vrouwen van de zonen van Jakob: in totaal 66 personen.
כָּל
(kal)
alle
הַ֠נֶּפֶשׁ
(hanefesh)
de personen
הַבָּאָ֨ה
(habaa)
de komende
לְיַעֲקֹ֤ב
(leyaaqov)
naar Jakob
מִצְרַ֨יְמָה֙
(mitsrayma)
naar Egypte
יֹצְאֵ֣י
(yotseei)
uitgaanden van
יְרֵכ֔וֹ
(yerekho)
zijn lenden
מִלְּבַ֖ד
(milevad)
afgezien van
נְשֵׁ֣י
(neshei)
vrouwen van
בְנֵי
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
כָּל
(kal)
alle
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
personen
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
וָשֵֽׁשׁ
(vashesh)
en zes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

יצאי ירכו (yotse’ei yerekho), ‘uit zijn lendenen voortgekomen’: zie 35:11.

שׁשׁים ושׁשׁ (shishim vashesh), ‘66’: Jakob zelf, Jozef en zijn twee zonen worden apart geteld, zie vers 27; samen met die vier zijn het er 70.

27De zonen van Jozef die hem in Egypte geboren werden: 2 personen. Alle personen van het huis van Jakob die naar Egypte kwamen: 70.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en zonen van
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
אֲשֶׁר
(asher)
die
יֻלַּד
(yulad)
werd geboren
ל֥וֹ
(lo)
aan hem
בְמִצְרַ֖יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
personen
שְׁנָ֑יִם
(shenayim)
twee
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֧פֶשׁ
(hanefesh)
de personen
לְבֵֽית
(leveit)
van het huis van
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
הַבָּ֥אָה
(habaa)
de komende
מִצְרַ֖יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
שִׁבְעִֽים
(shivim)
zeventig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מצרימה שׁבעים (Mitsraymah shiv’im), ‘naar Egypte, 70’: zie Exod. 1:5; Deut. 10:22.

De Septuaginta leest hier vijfenzeventig, zoals Hand. 7:14.

Aanvullend

Jubileeën 44:33 telt zeventig.

Jakob en Jozef in Gosen

28Hij zond Juda voor zich uit naar Jozef om voor hem de weg te wijzen naar Gosen, en zij kwamen in het land Gosen.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יְהוּדָ֞ה
(yehuda)
Juda
שָׁלַ֤ח
(shalach)
hij zond
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor zich uit
אֶל
(el)
naar
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
לְהוֹרֹ֥ת
(lehorot)
om te wijzen
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor zich uit
גֹּ֑שְׁנָה
(goshena)
naar Gosen
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
גֹּֽשֶׁן
(goshen)
Gosen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

Uitleg

להורת לפניו גשׁנה (lehorot lefanav Goshnah), ‘om voor hem uit de weg te wijzen naar Gosen’: letterlijk ‘om voor zijn aangezicht te wijzen’.

Aanvullend

Jasher 55:6 zegt dat Juda in Egypte voor Jakob plaats liet aanwijzen en terugkeerde.

Jubileeën 44:9 zegt dat Juda het land moest verkennen.

29Jozef spande zijn wagen aan en trok op, Israël, zijn vader, tegemoet in Gosen. Hij verscheen aan hem, viel hem om de hals en weende lang aan zijn hals.
וַיֶּאְסֹ֤ר
(vayesor)
en hij spande aan
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
מֶרְכַּבְתּ֔וֹ
(merkavto)
zijn wagen
וַיַּ֛עַל
(vayaal)
en hij trok op
לִקְרַֽאת
(liqrat)
tegemoet
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
גֹּ֑שְׁנָה
(goshena)
naar Gosen
וַיֵּרָ֣א
(vayera)
en hij verscheen
אֵלָ֗יו
(elav)
aan hem
וַיִּפֹּל֙
(vayipol)
en hij viel
עַל
(al)
op
צַוָּארָ֔יו
(tsavarav)
zijn nek
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
עַל
(al)
op
צַוָּארָ֖יו
(tsavarav)
zijn nek
עֽוֹד
(od)
lang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

Uitleg

ויאסר יוסף מרכבתו (vayye’sor Yosef merkavto), ‘Jozef spande zijn wagen aan’: zie 41:43.

ויבך על צואריו עוד (vayyevk al tsavvaraw od), ‘en weende lang aan zijn hals’: od is ‘nog’ of ‘voortdurend’; zie 45:14–15.

Aanvullend

Jasher 55:7–17 vertelt dat heel Egypte in een grote stoet Jakob tegemoet trok, met de kroon van de farao op Jozefs hoofd.

Jubileeën 45:1–2 zegt dat Jakob op de eerste dag van de vierde maand in Gosen kwam.

30Israël zei tegen Jozef: „Nu kan ik sterven, nadat ik je gezicht heb gezien, want je leeft nog.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אָמ֣וּתָה
(amuta)
laat mij sterven
הַפָּ֑עַם
(hapaam)
nu
אַחֲרֵי֙
(acharei)
nadat
רְאוֹתִ֣י
(reoti)
ik zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פָּנֶ֔יךָ
(paneikha)
je gezicht
כִּ֥י
(ki)
want
עוֹדְךָ֖
(odekha)
nog jij
חָֽי
(chay)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אמותה הפעם (amutah happa’am), ‘nu kan ik sterven’: zie 45:28.

Aanvullend

Jasher 55:16 en Jubileeën 45:3–4 laten Jakob hetzelfde zeggen.

31Jozef zei tegen zijn broers en tegen het huis van zijn vader: „Ik ga op en zal het de farao melden en tegen hem zeggen: ‘Mijn broers en het huis van mijn vader, die in het land Kanaän waren, zijn bij mij gekomen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יוֹסֵ֤ף
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
וְאֶל
(veel)
en tot
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
אֶעֱלֶ֖ה
(eele)
ik zal opgaan
וְאַגִּ֣ידָה
(veagida)
en ik zal melden
לְפַרְעֹ֑ה
(lefaro)
aan farao
וְאֹֽמְרָ֣ה
(veomera)
en ik zal zeggen
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
אַחַ֧י
(achay)
mijn broers
וּבֵית
(uveit)
en het huis van
אָבִ֛י
(avi)
mijn vader
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֖עַן
(kenaan)
Kanaän
בָּ֥אוּ
(bau)
ze zijn gekomen
אֵלָֽי
(elay)
tot mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Aanvullend

Jasher 55:19–21 vertelt dat Jozef zijn broers Ruben, Issachar, Zebulon en Benjamin voor de farao bracht.

32De mannen zijn herders van kleinvee, want zij zijn mannen van veeteelt geweest; hun kleinvee, hun runderen en alles wat zij hebben, hebben zij meegebracht.’
וְהָאֲנָשִׁים֙
(vehaanashim)
en de mannen
רֹ֣עֵי
(roei)
herders van
צֹ֔אן
(tson)
kleinvee
כִּֽי
(ki)
want
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
מִקְנֶ֖ה
(miqne)
vee
הָי֑וּ
(hayu)
ze zijn geweest
וְצֹאנָ֧ם
(vetsonam)
en hun kleinvee
וּבְקָרָ֛ם
(uveqaram)
en hun runderen
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
הֵבִֽיאוּ
(heviu)
ze hebben gebracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רעי צאן (ro’ei tson), ‘herders van kleinvee’: zie 47:3.

Aanvullend

Jasher 55:23 zegt dat de familie vee hield en daarom apart van de Egyptenaren in Gosen zou blijven.

33Als de farao jullie dan roept en zegt: ‘Wat is jullie werk?’,
וְהָיָ֕ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִקְרָ֥א
(yiqra)
roept
לָכֶ֖ם
(lakhem)
jullie
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
farao
וְאָמַ֖ר
(veamar)
en hij zegt
מַה
(ma)
wat
מַּעֲשֵׂיכֶֽם
(maaseikhem)
jullie werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34dan moeten jullie zeggen: ‘Uw dienaren zijn mannen van veeteelt geweest van onze jeugd tot nu toe, zowel wij als onze vaders’, opdat jullie in het land Gosen mogen wonen, want een gruwel voor Egypte is ieder die kleinvee weidt.”
וַאֲמַרְתֶּ֗ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
mannen van
מִקְנֶ֜ה
(miqne)
vee
הָי֤וּ
(hayu)
ze zijn geweest
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
uw dienaren
מִנְּעוּרֵ֣ינוּ
(mineureinu)
van onze jeugd
וְעַד
(vead)
en tot
עַ֔תָּה
(ata)
nu
גַּם
(gam)
zowel
אֲנַ֖חְנוּ
(anachnu)
wij
גַּם
(gam)
zowel
אֲבֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
בַּעֲב֗וּר
(baavur)
opdat
תֵּשְׁבוּ֙
(teshevu)
jullie wonen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
גֹּ֔שֶׁן
(goshen)
Gosen
כִּֽי
(ki)
want
תוֹעֲבַ֥ת
(toavat)
gruwel van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
כָּל
(kal)
ieder
רֹ֥עֵה
(roe)
herder van
צֹֽאן
(tson)
kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

כי תועבת מצרים כל רעה צאן (ki to’avat Mitsrayim kol ro’eh tson), ‘want een gruwel voor Egypte is ieder die kleinvee weidt’: zie 43:32; Exod. 8:22.