Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jakob gaat naar Egypte
1Israël brak op met alles wat hij had en kwam in Beër-Sjeba, en hij bracht offers aan de Elohim van zijn vader Isaak.
וַיִּסַּ֤ע
(vayisa)
en hij brak op
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
בְּאֵ֣רָה
(beera)
naar Beër
שָּׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַיִּזְבַּ֣ח
(vayizbach)
en hij offerde
זְבָחִ֔ים
(zevachim)
offers
לֵאלֹהֵ֖י
(lelohei)
aan Elohim van
אָבִ֥יו
(aviv)
zijn vader
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.
Jakob offert aan de Elohim van Isaak, op de plaats waar Isaak Yahweh ontmoette.
Aanvullend
Jasher 55:1–5 zegt dat Jakob eerst aarzelde het land te verlaten, en Jubileeën 44:1–4 zegt dat hij bij de nieuwe maan van de derde maand uit Haran optrok, een offer bracht aan de Elohim van Isaak en het oogstfeest hield.
3„Ik ben de God, de Elohim van je vader. Wees niet bang om naar Egypte af te dalen, want daar zal Ik je tot een groot volk maken.
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
הָאֵ֖ל
(hael)
de God
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
מֵרְדָ֣ה
(mereda)
om af te dalen
מִצְרַ֔יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
כִּֽי
(ki)
want
לְג֥וֹי
(legoy)
tot een volk
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
אֲשִֽׂימְךָ֥
(asimekha)
zal Ik je stellen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
האל אלהי אביך (ha’El Elohei avikha), ‘de God, de Elohim van je vader’: zie 28:13; 31:13.
אל תירא מרדה מצרימה (al tira merradah Mitsraymah), ‘wees niet bang om naar Egypte af te dalen’: Isaak mocht niet naar Egypte, zie 26:2; voor Jakob komt het bevel hier.
לגוי גדול אשׂימך (legoy gadol asimkha), ‘tot een groot volk zal Ik je maken’: zie 12:2.
4Ik zal met je afdalen naar Egypte en Ik zal je ook zeker weer doen opkomen; en Jozef zal zijn hand op je ogen leggen.”
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
אֵרֵ֤ד
(ered)
zal Ik afdalen
עִמְּךָ֙
(imekha)
met je
מִצְרַ֔יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en Ik
אַֽעַלְךָ֣
(aalkha)
zal je doen opkomen
גַם
(gam)
ook
עָלֹ֑ה
(alo)
zeker opkomen
וְיוֹסֵ֕ף
(veyosef)
en Jozef
יָשִׁ֥ית
(yashit)
zal leggen
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
op
עֵינֶֽיךָ
(eineikha)
je ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
ויוסף ישׁית ידו על עיניך (veYosef yashit yado al einekha), ‘Jozef zal zijn hand op je ogen leggen’: hij zal hem de ogen sluiten bij zijn dood; zie 50:1.
Aanvullend
Jubileeën 44:6 geeft dezelfde belofte.
Jasher 55:4 voegt eraan toe dat Yahweh zei dat Jozef zijn getrouwheid behouden had.
5Jakob brak op uit Beër-Sjeba. De zonen van Israël droegen hun vader Jakob, hun kleinen en hun vrouwen op de wagens die de farao gezonden had om hem te vervoeren.
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en hij stond op
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
מִבְּאֵ֣ר
(mibeer)
uit Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַיִּשְׂא֨וּ
(vayisu)
en ze droegen
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
אֲבִיהֶ֗ם
(avihem)
hun vader
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
טַפָּם֙
(tapam)
hun kleinen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
נְשֵׁיהֶ֔ם
(nesheihem)
hun vrouwen
בָּעֲגָל֕וֹת
(baagalot)
in de wagens
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥ח
(shalach)
hij zond
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
לָשֵׂ֥את
(laset)
om te dragen
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.
Uitleg
בעגלות אשׁר שׁלח פרעה לשׂאת אתו (ba’agalot asher shalach Par’oh laset oto), ‘op de wagens die de farao gezonden had om hem te vervoeren’: zie 45:19, 21, 27.
Aanvullend
Jubileeën 44:7 laat vader en bezit op wagens plaatsen.
6Zij namen hun vee en hun bezit dat zij in het land Kanaän verworven hadden, en kwamen in Egypte, Jakob en heel zijn nageslacht met hem,
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en ze namen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִקְנֵיהֶ֗ם
(miqneihem)
hun vee
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
רְכוּשָׁם֙
(rekhusham)
hun bezit
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
רָֽכְשׁוּ֙
(rakheshu)
ze hadden verworven
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
מִצְרָ֑יְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
וְכָל
(vekhal)
en heel
זַרְע֥וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
רכושׁם אשׁר רכשׁו (rekhusham asher rakhshu), ‘hun bezit dat zij verworven hadden’: zie 12:5; 31:18.
8Dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen, Jakob en zijn zonen: Ruben, de eerstgeborene van Jakob.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dit
שְׁמ֧וֹת
(shemot)
namen van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
הַבָּאִ֥ים
(habaim)
de komenden
מִצְרַ֖יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
וּבָנָ֑יו
(uvanav)
en zijn zonen
בְּכֹ֥ר
(bekhor)
eerstgeborene van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
רְאוּבֵֽן
(reuven)
Ruben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
ואלה שׁמות בני ישׂראל הבאים מצרימה (ve’elleh shemot benei Yisra’el habba’im Mitsraymah), ‘dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen’: zie Exod. 1:1–5.
Aanvullend
Jubileeën 44:11–34 geeft een eigen lijst met dezelfde hoofdnamen, maar met afwijkende zonen onder meer bij Juda, Dan, Naftali en Benjamin; ook die lijst komt op zeventig.
12De zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Peres en Zerach; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän. De zonen van Peres waren Chezron en Chamoel.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
עֵ֧ר
(er)
Er
וְאוֹנָ֛ן
(veonan)
en Onan
וְשֵׁלָ֖ה
(veshela)
en Sela
וָפֶ֣רֶץ
(vaferets)
en Peres
וָזָ֑רַח
(vazarach)
en Zerach
וַיָּ֨מָת
(vayamat)
en hij stierf
עֵ֤ר
(er)
Er
וְאוֹנָן֙
(veonan)
en Onan
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en ze waren
בְנֵי
(benei)
zonen van
פֶ֖רֶץ
(perets)
Peres
חֶצְר֥וֹן
(chetsron)
Chezron
וְחָמֽוּל
(vechamul)
en Chamoel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
וימת ער ואונן בארץ כנען (vayyamot Er ve’Onan be’erets Kena’an), ‘Er en Onan stierven in het land Kanaän’: zie 38:3–10.
חצרון וחמול (Chetsron vechamul), ‘Chezron en Chamoel’: kinderen van Peres; zie Num. 26:21; 1 Kron. 2:5.
15Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob baarde in Paddan-Aram, en ook zijn dochter Dina; al zijn zonen en dochters: 33 personen.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
לֵאָ֗ה
(lea)
Lea
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יָֽלְדָ֤ה
(yaleda)
ze baarde
לְיַעֲקֹב֙
(leyaaqov)
aan Jakob
בְּפַדַּ֣ן
(befadan)
in Paddan
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
דִּינָ֣ה
(dina)
Dina
בִתּ֑וֹ
(bito)
zijn dochter
כָּל
(kal)
alle
נֶ֧פֶשׁ
(nefesh)
personen van
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
וּבְנוֹתָ֖יו
(uvenotav)
en zijn dochters
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וְשָׁלֹֽשׁ
(veshalosh)
en drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.
26Alle personen die met Jakob naar Egypte kwamen, uit zijn lendenen voortgekomen, afgezien van de vrouwen van de zonen van Jakob: in totaal 66 personen.
כָּל
(kal)
alle
הַ֠נֶּפֶשׁ
(hanefesh)
de personen
הַבָּאָ֨ה
(habaa)
de komende
לְיַעֲקֹ֤ב
(leyaaqov)
naar Jakob
מִצְרַ֨יְמָה֙
(mitsrayma)
naar Egypte
יֹצְאֵ֣י
(yotseei)
uitgaanden van
יְרֵכ֔וֹ
(yerekho)
zijn lenden
מִלְּבַ֖ד
(milevad)
afgezien van
נְשֵׁ֣י
(neshei)
vrouwen van
בְנֵי
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
כָּל
(kal)
alle
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
personen
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
וָשֵֽׁשׁ
(vashesh)
en zes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
יצאי ירכו (yotse’ei yerekho), ‘uit zijn lendenen voortgekomen’: zie 35:11.
שׁשׁים ושׁשׁ (shishim vashesh), ‘66’: Jakob zelf, Jozef en zijn twee zonen worden apart geteld, zie vers 27; samen met die vier zijn het er 70.
29Jozef spande zijn wagen aan en trok op, Israël, zijn vader, tegemoet in Gosen. Hij verscheen aan hem, viel hem om de hals en weende lang aan zijn hals.
וַיֶּאְסֹ֤ר
(vayesor)
en hij spande aan
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
מֶרְכַּבְתּ֔וֹ
(merkavto)
zijn wagen
וַיַּ֛עַל
(vayaal)
en hij trok op
לִקְרַֽאת
(liqrat)
tegemoet
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
גֹּ֑שְׁנָה
(goshena)
naar Gosen
וַיֵּרָ֣א
(vayera)
en hij verscheen
אֵלָ֗יו
(elav)
aan hem
וַיִּפֹּל֙
(vayipol)
en hij viel
עַל
(al)
op
צַוָּארָ֔יו
(tsavarav)
zijn nek
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
עַל
(al)
op
צַוָּארָ֖יו
(tsavarav)
zijn nek
עֽוֹד
(od)
lang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.
Uitleg
ויאסר יוסף מרכבתו (vayye’sor Yosef merkavto), ‘Jozef spande zijn wagen aan’: zie 41:43.
ויבך על צואריו עוד (vayyevk al tsavvaraw od), ‘en weende lang aan zijn hals’: od is ‘nog’ of ‘voortdurend’; zie 45:14–15.
Aanvullend
Jasher 55:7–17 vertelt dat heel Egypte in een grote stoet Jakob tegemoet trok, met de kroon van de farao op Jozefs hoofd.
Jubileeën 45:1–2 zegt dat Jakob op de eerste dag van de vierde maand in Gosen kwam.
31Jozef zei tegen zijn broers en tegen het huis van zijn vader: „Ik ga op en zal het de farao melden en tegen hem zeggen: ‘Mijn broers en het huis van mijn vader, die in het land Kanaän waren, zijn bij mij gekomen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יוֹסֵ֤ף
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
וְאֶל
(veel)
en tot
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
אֶעֱלֶ֖ה
(eele)
ik zal opgaan
וְאַגִּ֣ידָה
(veagida)
en ik zal melden
לְפַרְעֹ֑ה
(lefaro)
aan farao
וְאֹֽמְרָ֣ה
(veomera)
en ik zal zeggen
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
אַחַ֧י
(achay)
mijn broers
וּבֵית
(uveit)
en het huis van
אָבִ֛י
(avi)
mijn vader
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֖עַן
(kenaan)
Kanaän
בָּ֥אוּ
(bau)
ze zijn gekomen
אֵלָֽי
(elay)
tot mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Aanvullend
Jasher 55:19–21 vertelt dat Jozef zijn broers Ruben, Issachar, Zebulon en Benjamin voor de farao bracht.
32De mannen zijn herders van kleinvee, want zij zijn mannen van veeteelt geweest; hun kleinvee, hun runderen en alles wat zij hebben, hebben zij meegebracht.’
וְהָאֲנָשִׁים֙
(vehaanashim)
en de mannen
רֹ֣עֵי
(roei)
herders van
צֹ֔אן
(tson)
kleinvee
כִּֽי
(ki)
want
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
מִקְנֶ֖ה
(miqne)
vee
הָי֑וּ
(hayu)
ze zijn geweest
וְצֹאנָ֧ם
(vetsonam)
en hun kleinvee
וּבְקָרָ֛ם
(uveqaram)
en hun runderen
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
הֵבִֽיאוּ
(heviu)
ze hebben gebracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רעי צאן (ro’ei tson), ‘herders van kleinvee’: zie 47:3.
Aanvullend
Jasher 55:23 zegt dat de familie vee hield en daarom apart van de Egyptenaren in Gosen zou blijven.
34dan moeten jullie zeggen: ‘Uw dienaren zijn mannen van veeteelt geweest van onze jeugd tot nu toe, zowel wij als onze vaders’, opdat jullie in het land Gosen mogen wonen, want een gruwel voor Egypte is ieder die kleinvee weidt.”
וַאֲמַרְתֶּ֗ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
mannen van
מִקְנֶ֜ה
(miqne)
vee
הָי֤וּ
(hayu)
ze zijn geweest
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
uw dienaren
מִנְּעוּרֵ֣ינוּ
(mineureinu)
van onze jeugd
וְעַד
(vead)
en tot
עַ֔תָּה
(ata)
nu
גַּם
(gam)
zowel
אֲנַ֖חְנוּ
(anachnu)
wij
גַּם
(gam)
zowel
אֲבֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
בַּעֲב֗וּר
(baavur)
opdat
תֵּשְׁבוּ֙
(teshevu)
jullie wonen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
גֹּ֔שֶׁן
(goshen)
Gosen
כִּֽי
(ki)
want
תוֹעֲבַ֥ת
(toavat)
gruwel van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
כָּל
(kal)
ieder
רֹ֥עֵה
(roe)
herder van
צֹֽאן
(tson)
kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
כי תועבת מצרים כל רעה צאן (ki to’avat Mitsrayim kol ro’eh tson), ‘want een gruwel voor Egypte is ieder die kleinvee weidt’: zie 43:32; Exod. 8:22.