Elohim Bijbel

Genesis 23

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Sarah sterft en wordt begraven

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Sarah sterft

1Sarah werd 127 jaar oud. Dat waren de jaren van Sarahs leven.
וַיִּהְיוּ֙
(vayihyu)
en ze waren
חַיֵּ֣י
(chayei)
jaren van
שָׂרָ֔ה
(sara)
Sarah
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
שָׁנָ֛ה
(shana)
jaar
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וְשֶׁ֣בַע
(vesheva)
en zeven
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaren
שְׁנֵ֖י
(shenei)
jaren van
חַיֵּ֥י
(chayei)
leven van
שָׂרָֽה
(sara)
Sarah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאָה שָׁנָה וְעֶשְׂרִים שָׁנָה וְשֶׁבַע שָׁנִים (me’ah shanah ve’esrim shanah ve’sheva shanim), ‘honderd jaar en twintig jaar en zeven jaar’: samen 127.

Sarah was 90 toen Isaak werd geboren (zie 17:17; 21:5), dus Isaak was nu 37.

Aanvullend

Jubileeën 19:7 geeft dezelfde leeftijd.

2Sarah stierf in Kirjat-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän. Abraham kwam om over Sarah te rouwen en haar te beweinen.
וַתָּ֣מָת
(vatamat)
en ze stierf
שָׂרָ֗ה
(sara)
Sarah
בְּקִרְיַ֥ת
(beqiryat)
in Kirjat
אַרְבַּ֛ע
(arba)
Arba
הִ֥וא
(hi)
zij
חֶבְר֖וֹן
(chevron)
Hebron
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij kwam
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
לִסְפֹּ֥ד
(lispod)
om te rouwen
לְשָׂרָ֖ה
(lesara)
over Sarah
וְלִבְכֹּתָֽהּ
(velivkotah)
en om haar te beweinen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

בְּקִרְיַת אַרְבַּע הִוא חֶבְרוֹן (beQiryat Arba hi Chevron), ‘in Kirjat-Arba, dat is Hebron’: Kirjat-Arba betekent ‘stad van Arba’ (zie Joz. 14:15).

Uitleg

Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem, dicht bij Mamre (zie 13:18; 18:1).

Aanvullend

Jasher 23:88–90 vertelt dat Abraham en Isaak Sarah dood vonden in Hebron.

Jubileeën 19:1–2 zegt dat Abraham tegenover Hebron woonde toen zij stierf.

Abraham vraagt om een graf

3Abraham stond op van de plaats waar zijn dode lag en zei tegen de zonen van Het:
וַיָּ֨קָם֙
(vayaqam)
en hij stond op
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
מֵעַ֖ל
(meal)
van
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
מֵת֑וֹ
(meto)
zijn dode
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֶל
(el)
tot
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חֵ֖ת
(chet)
Het
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי חֵת (bene Chet), ‘de zonen van Chet’: de nakomelingen van Het, de zoon van Kanaän (zie 10:15).

4„Ik ben een vreemdeling en bijwoner bij jullie. Geef mij bij jullie grond als erfelijk bezit voor een graf, zodat ik mijn dode uit mijn zicht kan begraven.”
גֵּר
(ger)
vreemdeling
וְתוֹשָׁ֥ב
(vetoshav)
en bijwoner
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
עִמָּכֶ֑ם
(imakhem)
bij jullie
תְּנ֨וּ
(tenu)
geef
לִ֤י
(li)
aan mij
אֲחֻזַּת
(achuzat)
bezit van
קֶ֨בֶר֙
(qever)
graf
עִמָּכֶ֔ם
(imakhem)
bij jullie
וְאֶקְבְּרָ֥ה
(veeqbera)
en laat mij begraven
מֵתִ֖י
(meti)
mijn dode
מִלְּפָנָֽי
(milefanay)
van voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּר וְתוֹשָׁב (ger vetoshav), ‘vreemdeling en bijwoner’: een inwoner zonder eigen grond en met beperkte rechten (zie 19:9; 20:1).

אֲחֻזַּת קֶבֶר (achuzzat qever), ‘erfelijk bezit voor een graf’: grond die blijvend van Abraham wordt.

Het is het eerste stuk land in Kanaän dat Abraham bezit.

Aanvullend

Jubileeën 19:3–5 zegt dat Abraham de zonen van Het met ‘geduld van geest’ sprak, om een plaats te krijgen om zijn dode te begraven.

5De zonen van Het antwoordden Abraham en zeiden tegen hem:
וַיַּעֲנ֧וּ
(vayaanu)
en ze antwoordden
בְנֵי
(benei)
zonen van
חֵ֛ת
(chet)
Het
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
לֵאמֹ֥ר
(lemor)
zeggend
לֽוֹ
(lo)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 19:9
6„Luister naar ons, mijn heer: u bent een vorst van Elohim in ons midden. Begraaf uw dode in het beste van onze graven. Niemand van ons zal u zijn graf weigeren om uw dode te begraven.”
שְׁמָעֵ֣נוּ
(shemaenu)
luister naar ons
אֲדֹנִ֗י
(adoni)
mijn heer
נְשִׂ֨יא
(nesi)
vorst van
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
אַתָּה֙
(ata)
u
בְּתוֹכֵ֔נוּ
(betokhenu)
in ons midden
בְּמִבְחַ֣ר
(bemivchar)
in het beste van
קְבָרֵ֔ינוּ
(qevareinu)
onze graven
קְבֹ֖ר
(qevor)
begraaf
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מֵתֶ֑ךָ
(metekha)
uw dode
אִ֣ישׁ
(ish)
man
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
van ons
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קִבְר֛וֹ
(qivro)
zijn graf
לֹֽא
(lo)
niet
יִכְלֶ֥ה
(yikhle)
zal weigeren
מִמְּךָ֖
(mimekha)
van u
מִקְּבֹ֥ר
(miqevor)
van een graf
מֵתֶֽךָ
(metekha)
uw dode
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשִׂיא אֱלֹהִים (nesi Elohim), ‘een vorst van Elohim’: Elohim kan hier betekenen: een vorst die door Elohim is gesteld, of dienen als overtreffende trap (‘een machtig vorst’).

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘een vorst van Elohim’.

7Abraham stond op en boog zich neer voor het volk van het land, voor de zonen van Het.
וַיָּ֧קָם
(vayaqam)
en hij stond op
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
וַיִּשְׁתַּ֥חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
לְעַם
(leam)
voor het volk van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לִבְנֵי
(livnei)
voor zonen van
חֵֽת
(chet)
Het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Hij zei tegen hen: „Als het jullie wil is dat ik mijn dode uit mijn zicht begraaf, luister dan naar mij en pleit voor mij bij Efron, de zoon van Sochar,
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
אִתָּ֖ם
(itam)
met hen
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
als
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
נַפְשְׁכֶ֗ם
(nafshekhem)
jullie wil
לִקְבֹּ֤ר
(liqbor)
om te begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מֵתִי֙
(meti)
mijn dode
מִלְּפָנַ֔י
(milefanay)
van voor mij
שְׁמָע֕וּנִי
(shemauni)
luister naar mij
וּפִגְעוּ
(ufigu)
en pleit
לִ֖י
(li)
voor mij
בְּעֶפְר֥וֹן
(beefron)
bij Efron
בֶּן
(ben)
zoon van
צֹֽחַר
(tsochar)
Sochar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9dat hij mij de grot van Machpela geeft, die van hem is, aan het einde van zijn akker. Voor de volle prijs in zilver zal hij haar mij geven, in jullie midden, als erfelijk bezit voor een graf.”
וְיִתֶּן
(veyiten)
en hij geeft
לִ֗י
(li)
aan mij
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מְעָרַ֤ת
(mearat)
grot van
הַמַּכְפֵּלָה֙
(hamakhpela)
de Machpela
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֔וֹ
(lo)
van hem
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בִּקְצֵ֣ה
(biqtse)
aan het einde van
שָׂדֵ֑הוּ
(sadehu)
zijn akker
בְּכֶ֨סֶף
(bekhesef)
voor geld
מָלֵ֜א
(male)
volle
יִתְּנֶ֥נָּה
(yitenena)
hij zal haar geven
לִ֛י
(li)
aan mij
בְּתוֹכְכֶ֖ם
(betokhekhem)
in jullie midden
לַאֲחֻזַּת
(laachuzat)
tot bezit van
קָֽבֶר
(qaver)
graf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Machpela ligt tegenover Mamre, bij Hebron (zie 23:17; 23:19).

Uitleg

מְעָרַת הַמַּכְפֵּלָה (me’arat hammakhpelah), ‘de grot van Machpela’: de naam komt van kafal, ‘verdubbelen’; Jubileeën 23:7 noemt haar ‘de dubbele spelonk’.

Later worden hier Abraham, Isaak, Rebekka, Jakob en Lea begraven (zie 25:9; 49:29–32).

Efron en de akker

10Efron zat te midden van de zonen van Het. Efron, de Hetiet, antwoordde Abraham in het bijzijn van de zonen van Het, van allen die door de poort van zijn stad kwamen:
וְעֶפְר֥וֹן
(veefron)
en Efron
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
zittend
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חֵ֑ת
(chet)
Het
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en hij antwoordde
עֶפְר֨וֹן
(efron)
Efron
הַחִתִּ֤י
(hachiti)
de Hetiet
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
בְנֵי
(benei)
zonen van
חֵ֔ת
(chet)
Het
לְכֹ֛ל
(lekhol)
van allen
בָּאֵ֥י
(baei)
die binnengingen door
שַֽׁעַר
(shaar)
poort van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁעַר עִירוֹ (sha’ar iro), ‘de poort van zijn stad’: bij de stadspoort werd recht gesproken en handel gedreven (zie 19:1).

11„Nee, mijn heer, luister naar mij. De akker geef ik u, en de grot die erin is, geef ik u. Ten overstaan van de zonen van mijn volk geef ik haar u. Begraaf uw dode.”
לֹֽא
(lo)
nee
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
שְׁמָעֵ֔נִי
(shemaeni)
luister naar mij
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
de akker
נָתַ֣תִּי
(natati)
ik geef
לָ֔ךְ
(lakh)
aan u
וְהַמְּעָרָ֥ה
(vehameara)
en de grot
אֲשֶׁר
(asher)
die
בּ֖וֹ
(bo)
erin
לְךָ֣
(lekha)
aan u
נְתַתִּ֑יהָ
(netatiha)
ik geef haar
לְעֵינֵ֧י
(leeinei)
voor de ogen van
בְנֵי
(benei)
zonen van
עַמִּ֛י
(ami)
mijn volk
נְתַתִּ֥יהָ
(netatiha)
ik geef haar
לָּ֖ךְ
(lakh)
aan u
קְבֹ֥ר
(qevor)
graf
מֵתֶֽךָ
(metekha)
uw dode
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Abraham boog zich neer voor het volk van het land
וַיִּשְׁתַּ֨חוּ֙
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
עַ֥ם
(am)
volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13en zei tegen Efron, in het bijzijn van het volk van het land: „Maar luister toch naar mij: ik geef het geld voor de akker. Neem het van mij aan, dan zal ik mijn dode daar begraven.”
וַיְדַבֵּ֨ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֶל
(el)
tot
עֶפְר֜וֹן
(efron)
Efron
בְּאָזְנֵ֤י
(beazenei)
in de oren van
עַם
(am)
volk van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
אַ֛ךְ
(akh)
maar
אִם
(im)
als
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
ל֖וּ
(lu)
dat
שְׁמָעֵ֑נִי
(shemaeni)
luister naar mij
נָתַ֜תִּי
(natati)
ik geef
כֶּ֤סֶף
(kesef)
geld van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
de akker
קַ֣ח
(qach)
neem
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
van mij
וְאֶקְבְּרָ֥ה
(veeqbera)
en ik zal begraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מֵתִ֖י
(meti)
mijn dode
שָֽׁמָּה
(shama)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Efron antwoordde Abraham en zei tegen hem:
וַיַּ֧עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
עֶפְר֛וֹן
(efron)
Efron
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
לֵאמֹ֥ר
(lemor)
zeggend
לֽוֹ
(lo)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 19:6
15„Mijn heer, luister naar mij: een stuk land van 400 sjekel zilver, wat is dat tussen mij en u? Begraaf uw dode.”
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
שְׁמָעֵ֔נִי
(shemaeni)
luister naar mij
אֶרֶץ֩
(erets)
land van
אַרְבַּ֨ע
(arba)
vier
מֵאֹ֧ת
(meot)
honderd
שֶֽׁקֶל
(sheqel)
sjekel
כֶּ֛סֶף
(kesef)
zilver
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵֽינְךָ֖
(uveinekha)
en tussen jou
מַה
(ma)
wat
הִ֑וא
(hi)
het is
וְאֶת
(veet)
en
מֵתְךָ֖
(metekha)
uw dode
קְבֹֽר
(qevor)
begraaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַרְבַּע מֵאֹת שֶׁקֶל כֶּסֶף (arba me’ot shekel kesef), ‘vierhonderd sjekel zilver’: ongeveer 4,5 kg zilver.

Efron noemt de prijs terloops, ‘wat is dat tussen mij en u?’, en laat zo begrijpen dat Abraham die moet betalen.

16Abraham luisterde naar Efron. Hij woog voor Efron het zilver af dat hij genoemd had in het bijzijn van de zonen van Het: 400 sjekel zilver, gangbaar bij de kooplieden.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hij luisterde
אַבְרָהָם֮
(avraham)
Abraham
אֶל
(el)
naar
עֶפְרוֹן֒
(efron)
Efron
וַיִּשְׁקֹ֤ל
(vayishqol)
en hij woog af
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
לְעֶפְרֹ֔ן
(leefron)
aan Efron
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַכֶּ֕סֶף
(hakesef)
het zilver
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
hij had gesproken
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
בְנֵי
(benei)
zonen van
חֵ֑ת
(chet)
Het
אַרְבַּ֤ע
(arba)
vier
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
שֶׁ֣קֶל
(sheqel)
sjekel
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
עֹבֵ֖ר
(over)
gangbaar
לַסֹּחֵֽר
(lasocher)
voor de koopman
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹבֵר לַסֹּחֵר (over lasoker), ‘gangbaar bij de kooplieden’: zilver van erkend gewicht en kwaliteit; geslagen munten bestonden nog niet.

Aanvullend

Jasher 24:3–10 vertelt dat Abraham de koop liet opschrijven en door vier getuigen liet bevestigen.

Jubileeën 19:6 zegt dat hij het niet om niet wilde aannemen, maar de prijs van de plaats volledig betaalde.

17Zo ging de akker van Efron, die in Machpela lag, tegenover Mamre, de akker en de grot erin, en alle bomen op de akker, binnen heel zijn grens rondom,
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en het ging over
שְׂדֵ֣ה
(sede)
akker van
עֶפְר֗וֹן
(efron)
Efron
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בַּמַּכְפֵּלָ֔ה
(bamakhpela)
in Machpela
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מַמְרֵ֑א
(mamre)
Mamre
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
de akker
וְהַמְּעָרָ֣ה
(vehameara)
en de grot
אֲשֶׁר
(asher)
die
בּ֔וֹ
(bo)
erin
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָעֵץ֙
(haets)
de bomen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in de akker
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּבֻל֖וֹ
(gevulo)
zijn grens
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.

18over op Abraham als bezit, ten overstaan van de zonen van Het, van allen die door de poort van zijn stad kwamen.
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
לְמִקְנָ֖ה
(lemiqna)
tot bezit
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
בְנֵי
(benei)
zonen van
חֵ֑ת
(chet)
Het
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
bij alle
בָּאֵ֥י
(baei)
die binnengingen door
שַֽׁעַר
(shaar)
poort van
עִירֽוֹ
(iro)
zijn stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Sarah wordt begraven

19Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sarah in de grot van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän.
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵן֩
(ken)
dit
קָבַ֨ר
(qavar)
begroef
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שָׂרָ֣ה
(sara)
Sarah
אִשְׁתּ֗וֹ
(ishto)
zijn vrouw
אֶל
(el)
naar
מְעָרַ֞ת
(mearat)
grot van
שְׂדֵ֧ה
(sede)
akker van
הַמַּכְפֵּלָ֛ה
(hamakhpela)
de Machpela
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
מַמְרֵ֖א
(mamre)
Mamre
הִ֣וא
(hi)
dat
חֶבְר֑וֹן
(chevron)
Hebron
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

אֶל מְעָרַת שְׂדֵה הַמַּכְפֵּלָה (el me’arat sedeh hammakhpelah), ‘in de grot van de akker van Machpela’: zie vers 9.

Aanvullend

Jasher 24:12–16 vertelt dat Abraham Sarah met koninklijke eer begroef, met onder meer Sem, Eber en Abimelech bij de baar, en dat hij zeven dagen rouwde.

20Zo ging de akker met de grot erin van de zonen van Het over op Abraham als erfelijk bezit voor een graf.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en het ging over
הַשָּׂדֶ֜ה
(hasade)
de akker
וְהַמְּעָרָ֧ה
(vehameara)
en de grot
אֲשֶׁר
(asher)
die
בּ֛וֹ
(bo)
erin
לְאַבְרָהָ֖ם
(leavraham)
aan Abraham
לַאֲחֻזַּת
(laachuzat)
tot bezit van
קָ֑בֶר
(qaver)
graf
מֵאֵ֖ת
(meet)
van
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חֵֽת
(chet)
Het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)