Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De schenker en de bakker in de gevangenis
1Na deze gebeurtenissen zondigden de schenker van de koning van Egypte en de bakker tegen hun heer, de koning van Egypte.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחַר֙
(achar)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de zaken
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
חָֽטְא֛וּ
(chateu)
zondigden
מַשְׁקֵ֥ה
(mashqe)
schenker van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהָאֹפֶ֑ה
(vehaofe)
en de bakker
לַאֲדֹנֵיהֶ֖ם
(laadoneihem)
tegen hun heer
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
de koning van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
חטאו משׁקה (chat’u mashqeh), ‘de schenker zondigde’: wat de twee precies misdeden, staat er niet; zie 41:10.
Aanvullend
Jasher 46:2–4 vertelt dat er vliegen in de wijn en stukken loog in het brood werden gevonden.
Jubileeën 39:13–14 zegt dat Jozef twee jaar in de gevangenis bleef en dat de farao toornig werd op zijn twee hovelingen.
3Hij zette hen in bewaring in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht, in de gevangenis, de plaats waar Jozef gevangen zat.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij zette
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
בְּמִשְׁמַ֗ר
(bemishmar)
in bewaring
בֵּ֛ית
(beit)
huis van
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
הַטַבָּחִ֖ים
(hatabachim)
de slachters
אֶל
(el)
in
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַסֹּ֑הַר
(hasohar)
de gevangenis
מְק֕וֹם
(meqom)
plaats
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אָס֥וּר
(asur)
gebonden
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
במשׁמר בית שׂר הטבחים אל בית הסהר (bemishmar beit sar hattabbachim el beit hassohar), ‘in bewaring in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht, in de gevangenis’: de gevangenis maakt deel uit van het huis van de bevelhebber, dus van Potifar (zie 39:1, 20).
Aanvullend
Jubileeën 39:14 zegt dat de farao hen in de gevangenis zette waar Jozef was.
5Ze droomden allebei een droom in één nacht, ieder zijn eigen droom, ieder met de uitleg van zijn droom, de schenker en de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis gevangen zaten.
וַיַּֽחַלְמוּ֩
(vayachalmu)
en ze droomden
חֲל֨וֹם
(chalom)
een droom
שְׁנֵיהֶ֜ם
(sheneihem)
beiden
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
חֲלֹמוֹ֙
(chalomo)
zijn droom
בְּלַ֣יְלָה
(belayla)
in nacht
אֶחָ֔ד
(echad)
één
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
כְּפִתְר֣וֹן
(kefitron)
volgens de uitleg van
חֲלֹמ֑וֹ
(chalomo)
zijn droom
הַמַּשְׁקֶ֣ה
(hamashqe)
de schenker
וְהָאֹפֶ֗ה
(vehaofe)
en de bakker
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
van de koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֲסוּרִ֖ים
(asurim)
gebonden
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
הַסֹּֽהַר
(hasohar)
de gevangenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
כפתרון חלמו (kefitron chalomo), ‘met de uitleg van zijn droom’: elke droom had een eigen betekenis.
Aanvullend
Jasher 46:6 zegt dat ze aan het eind van het jaar beiden in één nacht droomden.
8Ze zeiden tegen hem: „We hebben een droom gedroomd en er is niemand die hem uitlegt.” Jozef zei tegen hen: „Behoren de uitleggingen niet aan Elohim toe? Vertel het mij toch.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
חֲל֣וֹם
(chalom)
een droom
חָלַ֔מְנוּ
(chalamnu)
we hebben gedroomd
וּפֹתֵ֖ר
(ufoter)
en een uitlegger
אֵ֣ין
(ein)
niet is
אֹת֑וֹ
(oto)
voor hem
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
הֲל֤וֹא
(halo)
niet
לֵֽאלֹהִים֙
(lElohim)
aan Elohim
פִּתְרֹנִ֔ים
(pitronim)
uitleggingen
סַפְּרוּ
(saperu)
vertel
נָ֖א
(na)
toch
לִֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ופתר אין אתו (ufoter ein oto), ‘en er is niemand die hem uitlegt’: in Egypte legden wijzen en toverpriesters dromen uit (zie 41:8).
הלוא לאלהים פתרנים (halo lElohim pitronim), ‘behoren uitleggingen niet aan Elohim toe’: zie 41:16, 25, 28, 32.
Aanvullend
Jasher 46:7 zegt dat Jozef antwoordde dat Elohim hun een antwoord van vrede zou geven.
13Over drie dagen zal de farao je hoofd opheffen en je op je plaats terugzetten, en je zult de beker van de farao in zijn hand geven, zoals vroeger, toen je zijn schenker was.
בְּע֣וֹד
(beod)
binnen nog
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
יִשָּׂ֤א
(yisa)
hij zal opheffen
פַרְעֹה֙
(paro)
farao
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֹאשֶׁ֔ךָ
(roshekha)
je hoofd
וַהֲשִֽׁיבְךָ֖
(vahashivekha)
en hij zal je terugzetten
עַל
(al)
op
כַּנֶּ֑ךָ
(kanekha)
je plaats
וְנָתַתָּ֤
(venatata)
en je zult geven
כוֹס
(kos)
beker van
פַּרְעֹה֙
(paro)
farao
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
כַּמִּשְׁפָּט֙
(kamishpat)
volgens het recht
הָֽרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
het eerste
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הָיִ֖יתָ
(hayita)
je was
מַשְׁקֵֽהוּ
(mashqehu)
zijn schenker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ישׂא פרעה את ראשׁך (yissa Par’oh et roshekha), ‘de farao zal je hoofd opheffen’: hier betekent het eer en herstel, in vers 19 onthoofding; zie ook vers 20.
14Maar wanneer het goed met je gaat, denk dan aan mij en bewijs mij toch trouw: noem mij bij de farao en breng mij uit dit huis.
כִּ֧י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
זְכַרְתַּ֣נִי
(zekhartani)
je denkt aan mij
אִתְּךָ֗
(itekha)
bij je
כַּאֲשֶׁר֙
(kaasher)
als
יִ֣יטַב
(yitav)
het goed gaat
לָ֔ךְ
(lakh)
met jou
וְעָשִֽׂיתָ
(veasita)
en bewijs
נָּ֥א
(na)
toch
עִמָּדִ֖י
(imadi)
aan mij
חָ֑סֶד
(chased)
trouw
וְהִזְכַּרְתַּ֨נִי֙
(vehizkartani)
en noem mij
אֶל
(el)
bij
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וְהוֹצֵאתַ֖נִי
(vehotsetani)
en breng mij uit
מִן
(min)
uit
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ועשׂית נא עמדי חסד (ve’asita na immadi chesed), ‘bewijs mij toch trouw’: chesed is ‘trouw’, zie 39:21; 24:12.
Aanvullend
Jasher 46:10–11 zegt dat Jozef hem vroeg aan hem te denken en vertelde dat hij uit Kanaän was weggestolen en dat wat over de vrouw van zijn heer gezegd was, vals was.
15Want ik ben weggestolen uit het land van de Hebreeën, en ook hier heb ik niets gedaan waarom ze mij in de put hebben gezet.”
כִּֽי
(ki)
want
גֻנֹּ֣ב
(gunov)
weggestolen
גֻּנַּ֔בְתִּי
(gunavti)
ik ben gestolen
מֵאֶ֖רֶץ
(meerets)
uit het land van
הָעִבְרִ֑ים
(haivrim)
de Hebreeën
וְגַם
(vegam)
en ook
פֹּה֙
(po)
hier
לֹא
(lo)
niet
עָשִׂ֣יתִֽי
(asiti)
ik heb gedaan
מְא֔וּמָה
(meuma)
iets
כִּֽי
(ki)
dat
שָׂמ֥וּ
(samu)
ze hebben gezet
אֹתִ֖י
(oti)
mij
בַּבּֽוֹר
(babor)
in de put
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גנבתי מארץ העברים (gunnavti me’erets ha’Ivrim), ‘ik ben weggestolen uit het land van de Hebreeën’: Jozef noemt Kanaän tegenover Egyptenaren het land van de Hebreeën (zie 39:14; 43:32).
שׂמו אתי בבור (samu oti babbor), ‘ze hebben mij in de put gezet’: hetzelfde woord als in 37:24; hier de gevangenis.
16Toen de overste van de bakkers zag dat de uitleg goed was, zei hij tegen Jozef: „Ook ik zag in mijn droom, zie, drie manden met wit brood op mijn hoofd.
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en hij zag
שַׂר
(sar)
overste van
הָאֹפִ֖ים
(haofim)
de bakkers
כִּ֣י
(ki)
dat
ט֣וֹב
(tov)
goed
פָּתָ֑ר
(patar)
hij had uitgelegd
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אַף
(af)
ook
אֲנִי֙
(ani)
ik
בַּחֲלוֹמִ֔י
(bachalomi)
in mijn droom
וְהִנֵּ֗ה
(vehine)
en zie
שְׁלֹשָׁ֛ה
(shelosha)
drie
סַלֵּ֥י
(salei)
manden van
חֹרִ֖י
(chori)
wit brood
עַל
(al)
op
רֹאשִֽׁי
(roshi)
mijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁלשׁה סלי חרי (sheloshah salei chori), ‘drie manden met wit brood’: de betekenis van chori is onzeker: ‘wit brood’ of ‘vlechtwerk’.
20Op de derde dag, de verjaardag van de farao, gaf hij een maaltijd voor al zijn dienaren. Hij hief het hoofd van de overste van de schenkers en het hoofd van de overste van de bakkers op te midden van zijn dienaren.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֗י
(hashelishi)
de derde
י֚וֹם
(yom)
dag van
הֻלֶּ֣דֶת
(huledet)
het geboren worden van
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
מִשְׁתֶּ֖ה
(mishte)
een maaltijd
לְכָל
(lekhal)
voor al
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיִּשָּׂ֞א
(vayisa)
en hij hief op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
הַמַּשְׁקִ֗ים
(hamashqim)
de schenkers
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
רֹ֛אשׁ
(rosh)
hoofd van
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
הָאֹפִ֖ים
(haofim)
de bakkers
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
עֲבָדָֽיו
(avadav)
zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יום הלדת את פרעה (yom huledet et Par’oh), ‘de dag van de geboorte van de farao’: de verjaardag van de farao.
וישׂא את ראשׁ (vayyissa et rosh), ‘hij hief het hoofd op’: zie vers 13, 19.
Aanvullend
Jasher 46:15–18 zegt dat de koningin een zoon baarde en dat de farao op de derde dag een feest gaf dat acht dagen duurde.