Elohim Bijbel

Genesis 40

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

De schenker en de bakker

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De schenker en de bakker in de gevangenis

1Na deze gebeurtenissen zondigden de schenker van de koning van Egypte en de bakker tegen hun heer, de koning van Egypte.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחַר֙
(achar)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de zaken
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
חָֽטְא֛וּ
(chateu)
zondigden
מַשְׁקֵ֥ה
(mashqe)
schenker van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהָאֹפֶ֑ה
(vehaofe)
en de bakker
לַאֲדֹנֵיהֶ֖ם
(laadoneihem)
tegen hun heer
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
de koning van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

חטאו משׁקה (chat’u mashqeh), ‘de schenker zondigde’: wat de twee precies misdeden, staat er niet; zie 41:10.

Aanvullend

Jasher 46:2–4 vertelt dat er vliegen in de wijn en stukken loog in het brood werden gevonden.

Jubileeën 39:13–14 zegt dat Jozef twee jaar in de gevangenis bleef en dat de farao toornig werd op zijn twee hovelingen.

2De farao werd woedend op zijn twee hofdienaren, op de overste van de schenkers en op de overste van de bakkers.
וַיִּקְצֹ֣ף
(vayiqtsof)
en hij werd woedend
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
עַ֖ל
(al)
op
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee van
סָרִיסָ֑יו
(sarisav)
zijn hofdienaren
עַ֚ל
(al)
op
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
הַמַּשְׁקִ֔ים
(hamashqim)
de schenkers
וְעַ֖ל
(veal)
en op
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
הָאוֹפִֽים
(haofim)
de bakkers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סריסיו (sarisav), ‘zijn hofdienaren’: zie 37:36; 39:1.

3Hij zette hen in bewaring in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht, in de gevangenis, de plaats waar Jozef gevangen zat.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij zette
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
בְּמִשְׁמַ֗ר
(bemishmar)
in bewaring
בֵּ֛ית
(beit)
huis van
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
הַטַבָּחִ֖ים
(hatabachim)
de slachters
אֶל
(el)
in
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַסֹּ֑הַר
(hasohar)
de gevangenis
מְק֕וֹם
(meqom)
plaats
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אָס֥וּר
(asur)
gebonden
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

במשׁמר בית שׂר הטבחים אל בית הסהר (bemishmar beit sar hattabbachim el beit hassohar), ‘in bewaring in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht, in de gevangenis’: de gevangenis maakt deel uit van het huis van de bevelhebber, dus van Potifar (zie 39:1, 20).

Aanvullend

Jubileeën 39:14 zegt dat de farao hen in de gevangenis zette waar Jozef was.

4De bevelhebber van de lijfwacht stelde Jozef over hen aan, en hij diende hen. Ze bleven een tijd lang in bewaring.
וַ֠יִּפְקֹד
(vayifqod)
en hij stelde aan
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
הַטַּבָּחִ֧ים
(hatabachim)
de slachters
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
אִתָּ֖ם
(itam)
bij hen
וַיְשָׁ֣רֶת
(vaysharet)
en hij diende
אֹתָ֑ם
(otam)
hen
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en ze waren
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
בְּמִשְׁמָֽר
(bemishmar)
in bewaring
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויפקד שׂר הטבחים (vayyifqod sar hattabbachim), ‘de bevelhebber stelde aan’: zie 39:4.

וישׁרת (vayyeshret), ‘en hij diende’: zie 39:4.

Aanvullend

Jasher 46:5 en Jubileeën 39:15 zeggen dat Jozef hen mocht bedienen.

Jasher 46:5 zegt dat ze een jaar in bewaring waren.

5Ze droomden allebei een droom in één nacht, ieder zijn eigen droom, ieder met de uitleg van zijn droom, de schenker en de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis gevangen zaten.
וַיַּֽחַלְמוּ֩
(vayachalmu)
en ze droomden
חֲל֨וֹם
(chalom)
een droom
שְׁנֵיהֶ֜ם
(sheneihem)
beiden
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
חֲלֹמוֹ֙
(chalomo)
zijn droom
בְּלַ֣יְלָה
(belayla)
in nacht
אֶחָ֔ד
(echad)
één
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
כְּפִתְר֣וֹן
(kefitron)
volgens de uitleg van
חֲלֹמ֑וֹ
(chalomo)
zijn droom
הַמַּשְׁקֶ֣ה
(hamashqe)
de schenker
וְהָאֹפֶ֗ה
(vehaofe)
en de bakker
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
van de koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֲסוּרִ֖ים
(asurim)
gebonden
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
הַסֹּֽהַר
(hasohar)
de gevangenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

כפתרון חלמו (kefitron chalomo), ‘met de uitleg van zijn droom’: elke droom had een eigen betekenis.

Aanvullend

Jasher 46:6 zegt dat ze aan het eind van het jaar beiden in één nacht droomden.

6Toen Jozef 's ochtends bij hen kwam en hen zag, zie, ze waren somber.
וַיָּבֹ֧א
(vayavo)
en hij kwam
אֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
tot hen
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
בַּבֹּ֑קֶר
(baboqer)
in de ochtend
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en hij zag
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְהִנָּ֖ם
(vehinam)
en zie hen
זֹעֲפִֽים
(zoafim)
somber
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זעפים (zo’afim), ‘somber’: het woord komt ook voor in 1 Kon. 20:43; 21:4.

7Hij vroeg de hofdienaren van de farao die met hem in bewaring waren in het huis van zijn heer: „Waarom zien jullie er vandaag zo bedrukt uit?”
וַיִּשְׁאַ֞ל
(vayishal)
en hij vroeg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
סְרִיסֵ֣י
(serisei)
hofdienaren van
פַרְעֹ֗ה
(paro)
farao
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אִתּ֧וֹ
(ito)
met hem
בְמִשְׁמַ֛ר
(bemishmar)
in bewaring
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
אֲדֹנָ֖יו
(adonav)
zijn heer
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
מַדּ֛וּעַ
(madua)
waarom
פְּנֵיכֶ֥ם
(peneikhem)
jullie gezichten
רָעִ֖ים
(raim)
slecht
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מדוע פניכם רעים (maddua peneikhem ra’im), ‘waarom zien jullie er zo bedrukt uit’: letterlijk ‘waarom zijn jullie gezichten slecht’.

Aanvullend

Jasher 46:6–7 geeft Jozefs vraag en hun antwoord weer.

8Ze zeiden tegen hem: „We hebben een droom gedroomd en er is niemand die hem uitlegt.” Jozef zei tegen hen: „Behoren de uitleggingen niet aan Elohim toe? Vertel het mij toch.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
חֲל֣וֹם
(chalom)
een droom
חָלַ֔מְנוּ
(chalamnu)
we hebben gedroomd
וּפֹתֵ֖ר
(ufoter)
en een uitlegger
אֵ֣ין
(ein)
niet is
אֹת֑וֹ
(oto)
voor hem
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
הֲל֤וֹא
(halo)
niet
לֵֽאלֹהִים֙
(lElohim)
aan Elohim
פִּתְרֹנִ֔ים
(pitronim)
uitleggingen
סַפְּרוּ
(saperu)
vertel
נָ֖א
(na)
toch
לִֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ופתר אין אתו (ufoter ein oto), ‘en er is niemand die hem uitlegt’: in Egypte legden wijzen en toverpriesters dromen uit (zie 41:8).

הלוא לאלהים פתרנים (halo lElohim pitronim), ‘behoren uitleggingen niet aan Elohim toe’: zie 41:16, 25, 28, 32.

Aanvullend

Jasher 46:7 zegt dat Jozef antwoordde dat Elohim hun een antwoord van vrede zou geven.

De droom van de schenker

9De overste van de schenkers vertelde zijn droom aan Jozef. Hij zei tegen hem: „In mijn droom, zie, was er een wijnstok voor mij.
וַיְסַפֵּ֧ר
(vaysaper)
en hij vertelde
שַֽׂר
(sar)
overste van
הַמַּשְׁקִ֛ים
(hamashqim)
de schenkers
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֲלֹמ֖וֹ
(chalomo)
zijn droom
לְיוֹסֵ֑ף
(leyosef)
aan Jozef
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֔וֹ
(lo)
tot hem
בַּחֲלוֹמִ֕י
(bachalomi)
in mijn droom
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
גֶ֖פֶן
(gefen)
een wijnstok
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 46:8–9 vertelt de droom van de schenker met dezelfde beelden.

10Aan de wijnstok waren drie ranken. Zij stond als in bloei, haar bloesem kwam op, haar trossen deden druiven rijpen.
וּבַגֶּ֖פֶן
(uvagefen)
en aan de wijnstok
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
שָׂרִיגִ֑ם
(sarigim)
ranken
וְהִ֤יא
(vehi)
en zij
כְפֹרַ֨חַת֙
(keforachat)
als bloeiend
עָלְתָ֣ה
(aleta)
ze ging op
נִצָּ֔הּ
(nitsah)
haar bloesem
הִבְשִׁ֥ילוּ
(hivshilu)
ze deden rijpen
אַשְׁכְּלֹתֶ֖יהָ
(ashkeloteiha)
haar trossen
עֲנָבִֽים
(anavim)
druiven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 39:17
11De beker van de farao was in mijn hand. Ik nam de druiven, perste ze uit in de beker van de farao en gaf de beker in de hand van de farao.”
וְכ֥וֹס
(vekhos)
en de beker van
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
בְּיָדִ֑י
(beyadi)
in mijn hand
וָאֶקַּ֣ח
(vaeqach)
en ik nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽעֲנָבִ֗ים
(haanavim)
de druiven
וָֽאֶשְׂחַ֤ט
(vaeschat)
en ik perste uit
אֹתָם֙
(otam)
ze
אֶל
(el)
in
כּ֣וֹס
(kos)
beker van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וָאֶתֵּ֥ן
(vaeten)
en ik gaf
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַכּ֖וֹס
(hakos)
de beker
עַל
(al)
op
כַּ֥ף
(kaf)
de handpalm van
פַּרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Jozef zei tegen hem: „Dit is de uitleg: de drie ranken zijn drie dagen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
זֶ֖ה
(ze)
dit
פִּתְרֹנ֑וֹ
(pitrono)
zijn uitleg
שְׁלֹ֨שֶׁת֙
(sheloshet)
drie
הַשָּׂ֣רִגִ֔ים
(hasarigim)
de ranken
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
הֵֽם
(hem)
zijn ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זה פתרנו (zeh pitrono), ‘dit is de uitleg’: zie 41:12, 15–16.

Aanvullend

Jasher 46:9–10 geeft Jozefs uitleg: binnen drie dagen zal de koning hem laten halen en terugzetten.

13Over drie dagen zal de farao je hoofd opheffen en je op je plaats terugzetten, en je zult de beker van de farao in zijn hand geven, zoals vroeger, toen je zijn schenker was.
בְּע֣וֹד
(beod)
binnen nog
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
יִשָּׂ֤א
(yisa)
hij zal opheffen
פַרְעֹה֙
(paro)
farao
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֹאשֶׁ֔ךָ
(roshekha)
je hoofd
וַהֲשִֽׁיבְךָ֖
(vahashivekha)
en hij zal je terugzetten
עַל
(al)
op
כַּנֶּ֑ךָ
(kanekha)
je plaats
וְנָתַתָּ֤
(venatata)
en je zult geven
כוֹס
(kos)
beker van
פַּרְעֹה֙
(paro)
farao
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
כַּמִּשְׁפָּט֙
(kamishpat)
volgens het recht
הָֽרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
het eerste
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הָיִ֖יתָ
(hayita)
je was
מַשְׁקֵֽהוּ
(mashqehu)
zijn schenker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ישׂא פרעה את ראשׁך (yissa Par’oh et roshekha), ‘de farao zal je hoofd opheffen’: hier betekent het eer en herstel, in vers 19 onthoofding; zie ook vers 20.

14Maar wanneer het goed met je gaat, denk dan aan mij en bewijs mij toch trouw: noem mij bij de farao en breng mij uit dit huis.
כִּ֧י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
זְכַרְתַּ֣נִי
(zekhartani)
je denkt aan mij
אִתְּךָ֗
(itekha)
bij je
כַּאֲשֶׁר֙
(kaasher)
als
יִ֣יטַב
(yitav)
het goed gaat
לָ֔ךְ
(lakh)
met jou
וְעָשִֽׂיתָ
(veasita)
en bewijs
נָּ֥א
(na)
toch
עִמָּדִ֖י
(imadi)
aan mij
חָ֑סֶד
(chased)
trouw
וְהִזְכַּרְתַּ֨נִי֙
(vehizkartani)
en noem mij
אֶל
(el)
bij
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וְהוֹצֵאתַ֖נִי
(vehotsetani)
en breng mij uit
מִן
(min)
uit
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ועשׂית נא עמדי חסד (ve’asita na immadi chesed), ‘bewijs mij toch trouw’: chesed is ‘trouw’, zie 39:21; 24:12.

Aanvullend

Jasher 46:10–11 zegt dat Jozef hem vroeg aan hem te denken en vertelde dat hij uit Kanaän was weggestolen en dat wat over de vrouw van zijn heer gezegd was, vals was.

15Want ik ben weggestolen uit het land van de Hebreeën, en ook hier heb ik niets gedaan waarom ze mij in de put hebben gezet.”
כִּֽי
(ki)
want
גֻנֹּ֣ב
(gunov)
weggestolen
גֻּנַּ֔בְתִּי
(gunavti)
ik ben gestolen
מֵאֶ֖רֶץ
(meerets)
uit het land van
הָעִבְרִ֑ים
(haivrim)
de Hebreeën
וְגַם
(vegam)
en ook
פֹּה֙
(po)
hier
לֹא
(lo)
niet
עָשִׂ֣יתִֽי
(asiti)
ik heb gedaan
מְא֔וּמָה
(meuma)
iets
כִּֽי
(ki)
dat
שָׂמ֥וּ
(samu)
ze hebben gezet
אֹתִ֖י
(oti)
mij
בַּבּֽוֹר
(babor)
in de put
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גנבתי מארץ העברים (gunnavti me’erets ha’Ivrim), ‘ik ben weggestolen uit het land van de Hebreeën’: Jozef noemt Kanaän tegenover Egyptenaren het land van de Hebreeën (zie 39:14; 43:32).

שׂמו אתי בבור (samu oti babbor), ‘ze hebben mij in de put gezet’: hetzelfde woord als in 37:24; hier de gevangenis.

De droom van de bakker

16Toen de overste van de bakkers zag dat de uitleg goed was, zei hij tegen Jozef: „Ook ik zag in mijn droom, zie, drie manden met wit brood op mijn hoofd.
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en hij zag
שַׂר
(sar)
overste van
הָאֹפִ֖ים
(haofim)
de bakkers
כִּ֣י
(ki)
dat
ט֣וֹב
(tov)
goed
פָּתָ֑ר
(patar)
hij had uitgelegd
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אַף
(af)
ook
אֲנִי֙
(ani)
ik
בַּחֲלוֹמִ֔י
(bachalomi)
in mijn droom
וְהִנֵּ֗ה
(vehine)
en zie
שְׁלֹשָׁ֛ה
(shelosha)
drie
סַלֵּ֥י
(salei)
manden van
חֹרִ֖י
(chori)
wit brood
עַל
(al)
op
רֹאשִֽׁי
(roshi)
mijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁלשׁה סלי חרי (sheloshah salei chori), ‘drie manden met wit brood’: de betekenis van chori is onzeker: ‘wit brood’ of ‘vlechtwerk’.

Aanvullend

Jasher 46:12–13 vertelt de droom van de bakker.

17In de bovenste mand zat allerlei voedsel voor de farao, bakkerswerk, maar de vogels aten ze uit de mand boven mijn hoofd.”
וּבַסַּ֣ל
(uvasal)
en in de mand
הָֽעֶלְי֔וֹן
(haelyon)
de bovenste
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van alle
מַאֲכַ֥ל
(maakhal)
voedsel van
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
אֹפֶ֑ה
(ofe)
een bakker
וְהָע֗וֹף
(vehaof)
en de vogels
אֹכֵ֥ל
(okhel)
etend
אֹתָ֛ם
(otam)
ze
מִן
(min)
uit
הַסַּ֖ל
(hasal)
de mand
מֵעַ֥ל
(meal)
van boven
רֹאשִֽׁי
(roshi)
mijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Jozef antwoordde: „Dit is de uitleg: de drie manden zijn drie dagen.
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en hij zei
זֶ֖ה
(ze)
dit
פִּתְרֹנ֑וֹ
(pitrono)
zijn uitleg
שְׁלֹ֨שֶׁת֙
(sheloshet)
drie
הַסַּלִּ֔ים
(hasalim)
de manden
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
הֵֽם
(hem)
zijn ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Over drie dagen zal de farao je hoofd van je opheffen en je aan een paal hangen, en de vogels zullen je vlees van je afeten.”
בְּע֣וֹד
(beod)
binnen nog
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
יִשָּׂ֨א
(yisa)
hij zal opheffen
פַרְעֹ֤ה
(paro)
farao
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֹֽאשְׁךָ֙
(roshkha)
je hoofd
מֵֽעָלֶ֔יךָ
(mealeikha)
van je
וְתָלָ֥ה
(vetala)
en hij zal hangen
אוֹתְךָ֖
(otekha)
je
עַל
(al)
aan
עֵ֑ץ
(ets)
hout
וְאָכַ֥ל
(veakhal)
en zal eten
הָע֛וֹף
(haof)
de vogel
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּשָׂרְךָ֖
(besarekha)
je vlees
מֵעָלֶֽיךָ
(mealeikha)
van je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ישׂא פרעה את ראשׁך מעליך (yissa Par’oh et roshekha mei’aleikha), ‘de farao zal je hoofd van je opheffen’: zie vers 13.

עץ (ets), ‘paal’: ‘hout’, boom of paal; zie Deut. 21:22–23.

Aanvullend

Jasher 46:14 zegt dat de farao hem aan een boom zou hangen.

Wat Jozef voorzegde, gebeurt

20Op de derde dag, de verjaardag van de farao, gaf hij een maaltijd voor al zijn dienaren. Hij hief het hoofd van de overste van de schenkers en het hoofd van de overste van de bakkers op te midden van zijn dienaren.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֗י
(hashelishi)
de derde
י֚וֹם
(yom)
dag van
הֻלֶּ֣דֶת
(huledet)
het geboren worden van
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
מִשְׁתֶּ֖ה
(mishte)
een maaltijd
לְכָל
(lekhal)
voor al
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיִּשָּׂ֞א
(vayisa)
en hij hief op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
הַמַּשְׁקִ֗ים
(hamashqim)
de schenkers
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
רֹ֛אשׁ
(rosh)
hoofd van
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
הָאֹפִ֖ים
(haofim)
de bakkers
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
עֲבָדָֽיו
(avadav)
zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יום הלדת את פרעה (yom huledet et Par’oh), ‘de dag van de geboorte van de farao’: de verjaardag van de farao.

וישׂא את ראשׁ (vayyissa et rosh), ‘hij hief het hoofd op’: zie vers 13, 19.

Aanvullend

Jasher 46:15–18 zegt dat de koningin een zoon baarde en dat de farao op de derde dag een feest gaf dat acht dagen duurde.

21Hij zette de overste van de schenkers terug in zijn schenkersambt, en die gaf de beker in de hand van de farao.
וַיָּ֛שֶׁב
(vayashev)
en hij deed terugkeren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
הַמַּשְׁקִ֖ים
(hamashqim)
de schenkers
עַל
(al)
in
מַשְׁקֵ֑הוּ
(mashqehu)
zijn schenkersambt
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en hij gaf
הַכּ֖וֹס
(hakos)
de beker
עַל
(al)
op
כַּ֥ף
(kaf)
de handpalm van
פַּרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Maar de overste van de bakkers liet hij ophangen, zoals Jozef hun had uitgelegd.
וְאֵ֛ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
הָאֹפִ֖ים
(haofim)
de bakkers
תָּלָ֑ה
(tala)
hij liet hangen
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
פָּתַ֛ר
(patar)
hij had uitgelegd
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תלה (talah), ‘hij liet hangen’: Jubileeën 39:17 zegt dat het hun geschiedde zoals Jozef het uitlegde.

23De overste van de schenkers dacht niet aan Jozef; hij vergat hem.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
זָכַ֧ר
(zakhar)
hij dacht aan
שַֽׂר
(sar)
overste van
הַמַּשְׁקִ֛ים
(hamashqim)
de schenkers
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
וַיִּשְׁכָּחֵֽהוּ
(vayishkachehu)
en hij vergat hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ולא זכר שׂר המשׁקים את יוסף (velo zakhar sar hammashqim et Yosef), ‘de overste van de schenkers dacht niet aan Jozef’: zie 41:9–13.

וישׁכחהו (vayyishkachehu), ‘en hij vergat hem’: de tekst zegt het tweemaal.

Aanvullend

Jasher 46:19–20 zegt dat Jozef daardoor nog twee jaar in de gevangenis bleef, in totaal twaalf jaar.

Jubileeën 39:18 zegt dat de schenker hem vergat hoewel Jozef hem had verteld wat hem te wachten stond.