1 Korintiërs 1
Aanhef en dankzegging, de scheuringen in Korinte, het woord van het kruis en de wijsheid van Elohim
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
κλητὸς ἀπόστολος (kletos apostolos), ‘geroepen apostel’: een apostel is een gezondene (ἀποστέλλω, ‘zenden’). Σωσθένης (Sosthenes) heet in Hand. 18:17 de leider van de synagoge in Korinte; of het dezelfde man is, zegt de brief niet.
De brief heeft de vorm van een Griekse brief: afzender, ontvangers en groet.
Verzen 1–3 vormen één aanhef.
Zie ook Hand. 18:17.
Zie Korinte: Korinte lag op de landengte tussen het vasteland van Griekenland en de Peloponnesos, met een haven aan elke kant.
Het was de hoofdstad van de Romeinse provincie Achaje.
ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: de samengeroepen groep, de gemeente van Elohim. ἡγιασμένοις (hegiasmenois), ‘geheiligden’: van ἁγιάζω (hagiazo), ‘heiligen’, afzonderen voor Elohim; ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’, zijn de mensen die voor Elohim zijn afgezonderd. κλητοῖς ἁγίοις (kletois hagiois), ‘geroepen heiligen’. ἐπικαλέω (epikaleo), ‘aanroepen’: de naam van de Heer aanroepen, zoals in het OT de naam van Yahweh wordt aangeroepen (Joël 3:5, in de Nederlandse telling 2:32).
Het slot ‘van hen en van ons’ (αὐτῶν καὶ ἡμῶν, auton kai hemon) kan bij ‘elke plaats’ horen of bij ‘onze Heer’; wij volgen de woordvolgorde van het Grieks.
De gemeente van Korinte ontstond tijdens Paulus’ verblijf daar.
Zie ook Hand. 18:1–18; Joël 3:5.
De SBLGNT markeert hier ‘αὐτῶν’ (auton), ‘van hen’: in sommige handschriften staat een andere lezing.
Wij volgen de SBLGNT.
χάρις (charis), ‘genade’, en εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: de gewone groet van Paulus; εἰρήνη is het Griekse woord voor het Hebreeuwse שָׁלוֹם (shalom).
Dankzegging
εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘danken’: verwant aan χάρις (charis), ‘genade’.
‘Mijn Elohim’: zo noemt Paulus Elohim vaker in zijn brieven.
Zie ook Gal. 1:3.
πλουτίζω (ploutizo), ‘rijk maken’. λόγος (logos), ‘woord’ en γνῶσις (gnosis), ‘kennis’: de Korintiërs waren rijk aan spreken en aan inzicht; later in de brief blijkt dat dit ook tot trots leidde (8:1).
μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’: de verkondiging over de Messias. βεβαιόω (bebaioo), ‘bevestigen’: vast en betrouwbaar maken.
χάρισμα (charisma), ‘genadegave’: een gave die voortkomt uit χάρις (charis), ‘genade’. ἀποκάλυψις (apokalypsis), ‘onthulling’: het onthuld worden van de Heer bij Zijn komst. ἀπεκδέχομαι (apekdechomai), ‘uitzien naar’: met verlangen verwachten.
‘De dag van onze Heer Yeshua de Messias’: in de profeten is ‘de dag van Yahweh’ de dag van Zijn oordeel en redding (Joël 2:1, Amos 5:18, Jes. 13:6).
Paulus past dit toe op de Heer Yeshua. ἀνέγκλητος (anenkletos), ‘onberispelijk’: waartegen geen aanklacht kan worden ingebracht.
Zie ook Joël 2:1; Amos 5:18; Jes. 13:6.
πιστός (pistos), ‘trouw’: Elohim blijft trouw aan wat Hij heeft toegezegd. κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’: deelhebben aan en verbonden zijn met.
Wij houden ‘gemeenschap’ als vaste weergave; in 2 Kor. 8–9 kan het ook ‘bijdrage’ zijn.
Scheuringen in de gemeente
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat in de gemeente ook de zusters; Paulus bedoelt alle gelovigen. σχίσμα (schisma), ‘scheuring’: een scheur, zoals in een kleed. κατηρτισμένοι (katertismenoi), ‘volledig verenigd’: van καταρτίζω (katartizo), ‘in orde brengen, herstellen’, ook gebruikt voor het herstellen van netten (Matt. 4:21).
‘Hetzelfde zeggen’ is een Grieks gezegde voor ‘het eens zijn’. γνώμη (gnome), ‘mening’: wat iemand denkt en meent, zoals in 7:25 en 7:40.
Zie ook Matt. 4:21.
Χλόη (Chloe), ‘Chloë’: een vrouw; de brief zegt alleen dat haar mensen (familie, huisgenoten of slaven) Paulus bericht hebben gebracht.
Waar zij woonde, staat er niet. ἔρις (eris), ‘twist’: ruzie, strijd.
Κηφᾶς (Kefas) is de Aramese naam van Petrus; Kefas betekent ‘rots’ en Petrus (Πέτρος) is het Griekse woord daarvoor.
Apollos is een Joodse man uit Alexandrië die in Efeze en Korinte werkte.
De vier uitspraken laten zien dat leden zich naar een leraar noemden; ‘Ik ben van de Messias’ kan een vijfde groep zijn of de reactie van Paulus zelf.
Zie ook Hand. 18:24–28; Hand. 19:1; Joh. 1:42.
μεμέρισται (memeristai), ‘is verdeeld’: ook ‘is in stukken gedeeld’.
De zin kan ook als bewering gelezen worden: ‘De Messias is verdeeld.’ σταυρόω (stauroo), ‘kruisigen’, van σταυρός (stauros), ‘kruis’. βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen; ‘in de naam van’ betekent: tot iemand behorend.
Κρίσπος (Krispus) was de leider van de synagoge in Korinte (Hand. 18:8, daar in de vorm Crispus). Γάϊος (Gajus) is een man uit Korinte; de brief zegt verder niets over hem.
Zie ook Hand. 18:8.
Στεφανᾶς (Stefanas) wordt in 16:15 ‘de eersteling van Achaje’ genoemd. οἶκος (oikos), ‘huis’: het huisgezin, met allen die erbij hoorden.
Zie ook 1 Kor. 16:15.
Het woord van het kruis
ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’; de gezondene is een ἀπόστολος (apostolos). εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’. σοφία λόγου (sofia logou), ‘wijsheid van woorden’: welsprekend en redekunstig spreken. κενόω (kenoo), ‘leeg maken’: de kracht van het kruis zou dan ontkracht zijn.
σταυρός (stauros), ‘kruis’; het woord van het kruis is de verkondiging van de gekruisigde Messias. ἀπολλυμένοις (apollymenois), ‘zij die verloren gaan’ en σῳζομένοις (sozomenois), ‘zij die gered worden’: beide staan in de tegenwoordige tijd, als een proces. μωρία (moria), ‘dwaasheid’; δύναμις (dynamis), ‘kracht’.
Aanhaling van Jes. 29:14.
Ons Hebreeuws heeft: ‘De wijsheid van zijn wijzen zal vergaan en het inzicht van zijn verstandigen zal zich verbergen’.
De Griekse tekst heeft: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen en het inzicht van de verstandigen verwerpen’, in de eerste persoon.
In Jesaja spreekt Yahweh; daarom staat het citaat rood. ἀθετέω (atheteo), ‘verwerpen’: terzijde schuiven, ongeldig verklaren (Gal. 3:15 ‘ongeldig maken’).
Zie ook Jes. 29:14.
De drie vragen klinken aan op Jes. 33:18 (‘Waar is de schrijver?
Waar is hij die woog?’) en Jes. 19:12 (‘Waar zijn zij dan, je wijzen?’). γραμματεύς (grammateus), ‘schriftgeleerde’. συζητητής (syzetetes), ‘redetwister’: wie in een discussie wil winnen. αἰών (aion), ‘eeuw’: deze tijd, tegenover de komende. μωραίνω (moraino), ‘tot dwaasheid maken’, van μωρία (moria), ‘dwaasheid’.
Zie ook Jes. 33:18; Jes. 19:12.
Het Grieks begint met ‘omdat’ (ἐπειδή, epeide) en heeft pas daarna de hoofdzin ‘heeft Elohim behaagd’; wij splitsen de lange zin in twee. κήρυγμα (kerygma), ‘verkondiging’: het uitroepen van de boodschap, tegenover de woorden van redenaars.
‘In de wijsheid van Elohim’: de wereld had Elohim in Zijn wijsheid kunnen leren kennen, maar deed het niet door de eigen wijsheid.
σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok’: iets waarover men valt.
Voor Joden is een gekruisigde Messias een struikelblok, omdat de wet zegt dat een gehangene ‘een vervloeking van Elohim’ is (Deut. 21:23; Gal. 3:13). ἔθνη (ethne), ‘de volken’: de niet-Joden, hier gelijk aan de Grieken van vers 22.
Zie ook Gal. 5:11; Gal. 3:13; Deut. 21:23.
κλητοί (kletoi), ‘geroepen’: niet iedere hoorder, maar wie Elohim roept.
Hier wordt Elohims roeping niet beperkt tot één volk: Joden en Grieken.
τὸ μωρὸν τοῦ θεοῦ (to moron tou theou), ‘het dwaze van Elohim’, en τὸ ἀσθενὲς (to asthenes), ‘het zwakke’: wat mensen dwaas en zwak vinden in de verkondiging van het kruis.
Jullie roeping
κατὰ σάρκα (kata sarka), ‘volgens het vlees’: naar de maatstaven van mensen.
Paulus noemt wijzen, machtigen en mensen van edele afkomst: niet velen van hen werden geroepen.
σάρξ (sarx), ‘vlees’: de mens in zijn zwakte en sterfelijkheid; ‘geen enkel vlees’ betekent: niemand. καυχάομαι (kauchaomai), ‘roemen’: zich laten voorstaan op wat men heeft of kan.
Wij houden ‘roemen’ in heel de brief, zoals in Gal. 6:14.
Dit vers is moeilijk.
‘Uit Hem’ wijst op Elohim als oorsprong.
Het Grieks heeft ‘wijsheid van Elohim’ en daarna drie woorden: δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’, ἁγιασμός (hagiasmos), ‘heiliging’ en ἀπολύτρωσις (apolytrosis), ‘vrijkoping’: een slaaf of gevangene vrijkopen met losgeld.
Of het drie aanvullingen op ‘wijsheid’ zijn of drie aparte gaven, zegt de tekst niet.
Aanhaling van Jer. 9:22–23 (in de Nederlandse telling 9:23–24), in verkorte vorm.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Wie zich wil beroemen, moet zich hierin beroemen: dat hij inzicht heeft en Mij kent: dat Ik Yahweh ben’. κύριος (kyrios) is hier Yahweh, zoals in het Hebreeuws van Jeremia.
De Griekse zin begint met ‘opdat’ (ἵνα, hina) en heeft geen werkwoord ervoor; hij sluit aan op vers 30.
Wij geven hem als een eigen zin weer.
Het werkwoord καυχάομαι (kauchaomai) geven wij in de brief weer met ‘roemen’; ons Hebreeuws van Jeremia heeft een ander werkwoord, ‘zich beroemen’.
Het citaat staat zwart: Paulus haalt het aan.
Zie ook Jer. 9:23.