Elohim Bijbel

Genesis 28

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jakob op weg naar Charan; Betel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jakob wordt weggestuurd

1Isaak riep Jakob, zegende hem en gaf hem het bevel: „Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij riep
יִצְחָ֛ק
(yitschaq)
Isaak
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en hij zegende
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
וַיְצַוֵּ֨הוּ֙
(vaytsavehu)
en hij gebood hem
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֔וֹ
(lo)
tot hem
לֹֽא
(lo)
niet
תִקַּ֥ח
(tiqach)
je zult nemen
אִשָּׁ֖ה
(isha)
vrouw
מִבְּנ֥וֹת
(mibenot)
van dochters van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Sta op, ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Betuël, de vader van je moeder, en neem daar een vrouw uit de dochters van Laban, de broer van je moeder.
ק֥וּם
(qum)
sta op
לֵךְ֙
(lekh)
ga
פַּדֶּ֣נָֽה
(padena)
naar Paddan
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
בֵּ֥יתָה
(beita)
naar het huis van
בְתוּאֵ֖ל
(betuel)
Betuël
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
אִמֶּ֑ךָ
(imekha)
je moeder
וְקַח
(veqach)
en neem
לְךָ֤
(lekha)
voor je
מִשָּׁם֙
(misham)
vandaar
אִשָּׁ֔ה
(isha)
vrouw
מִבְּנ֥וֹת
(mibenot)
van dochters van
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
אִמֶּֽךָ
(imekha)
je moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Uitleg

פדנה ארם (Paddanah Aram), ‘naar Paddan-Aram’: zie 25:20.

Betuël is Rebekka's vader (zie 24:15).

Aanvullend

Jubileeën 27:10 heeft dezelfde opdracht van Isaak.

3El Sjaddai zal je zegenen, je vruchtbaar en talrijk maken, zodat je een gemeenschap van volken wordt.
וְאֵ֤ל
(veel)
en El
שַׁדַּי֙
(shaday)
Sjaddai
יְבָרֵ֣ךְ
(yevarekh)
zal je zegenen
אֹֽתְךָ֔
(otekha)
jou
וְיַפְרְךָ֖
(veyafrekha)
en Hij zal je vruchtbaar maken
וְיַרְבֶּ֑ךָ
(veyarbekha)
en Hij zal je talrijk maken
וְהָיִ֖יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
לִקְהַ֥ל
(liqhal)
tot gemeenschap van
עַמִּֽים
(amim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואל שׁדי (veEl Shaddai), ‘El Sjaddai’: de Godsnaam uit 17:1.

לקהל עמים (liqhal amim), ‘een gemeenschap van volken’: letterlijk ‘een vergadering van volken’; zie 35:11 en 48:4, en verwant met ‘een menigte van volken’ in 17:4–6.

4Hij zal je de zegen van Abraham geven, aan jou en aan je nageslacht met je. Zo krijg je het land in bezit waar je als vreemdeling verblijft, het land dat Elohim aan Abraham gegeven heeft.”
וְיִֽתֶּן
(veyiten)
en Hij zal geven
לְךָ֙
(lekha)
aan je
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּרְכַּ֣ת
(birkat)
zegen van
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
לְךָ֖
(lekha)
aan je
וּלְזַרְעֲךָ֣
(ulezarakha)
en aan je nageslacht
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met je
לְרִשְׁתְּךָ֙
(lerishtekha)
om je te laten bezitten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מְגֻרֶ֔יךָ
(megureikha)
je vreemdelingschap
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
Hij gaf
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לְאַבְרָהָֽם
(leavraham)
aan Abraham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ברכת אברהם (birkat Avraham), ‘de zegen van Abraham’: het land en het nageslacht (zie 12:2–3; 22:17–18).

Aanvullend

Jubileeën 27:11 geeft dezelfde zegen.

5Isaak liet Jakob gaan, en hij ging naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van Betuël, de Arameeër, de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en hij zond
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
פַּדֶּ֣נָֽה
(padena)
naar Paddan
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
אֶל
(el)
naar
לָבָ֤ן
(lavan)
Laban
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּתוּאֵל֙
(betuel)
Betuël
הָֽאֲרַמִּ֔י
(haarami)
de Arameeër
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
רִבְקָ֔ה
(rivqa)
Rebekka
אֵ֥ם
(em)
moeder van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
וְעֵשָֽׂו
(veesav)
en Ezau
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Zie ookJub 27:12
6Ezau zag dat Isaak Jakob gezegend had en naar Paddan-Aram had gestuurd om daar een vrouw te nemen, en dat hij hem bij zijn zegen bevolen had: „Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.”
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en hij zag
עֵשָׂ֗ו
(esav)
Ezau
כִּֽי
(ki)
dat
בֵרַ֣ךְ
(berakh)
hij zegende
יִצְחָק֮
(yitschaq)
Isaak
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹב֒
(yaaqov)
Jakob
וְשִׁלַּ֤ח
(veshilach)
en hij zond
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
פַּדֶּ֣נָֽה
(padena)
naar Paddan
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
לָקַֽחַת
(laqachat)
om te nemen
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
אִשָּׁ֑ה
(isha)
vrouw
בְּבָרֲכ֣וֹ
(bevarakho)
bij zijn zegenen
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
וַיְצַ֤ו
(vaytsav)
en hij gebood
עָלָיו֙
(alav)
over hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לֹֽא
(lo)
niet
תִקַּ֥ח
(tiqach)
je zult nemen
אִשָּׁ֖ה
(isha)
vrouw
מִבְּנ֥וֹת
(mibenot)
van dochters van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Aanvullend

Jasher 29:42–43 zegt dat Ezau zag dat Isaak Jakob had gezegend en bevolen had geen Kanaänitische vrouw te nemen, en dat Ezau daarna naar Ismaël ging.

7Jakob had naar zijn vader en zijn moeder geluisterd en was naar Paddan-Aram gegaan.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hij luisterde
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
naar
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
וְאֶל
(veel)
en naar
אִמּ֑וֹ
(imo)
zijn moeder
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
פַּדֶּ֥נָֽה
(padena)
naar Paddan
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

8Ezau zag dat de dochters van Kanaän slecht waren in de ogen van zijn vader Isaak.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en hij zag
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
כִּ֥י
(ki)
dat
רָע֖וֹת
(raot)
slecht
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
בְּעֵינֵ֖י
(beeinei)
in de ogen van
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Ezau ging naar Ismaël en nam Machalat, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zus van Nebajot, tot vrouw, naast zijn andere vrouwen.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
אֶל
(el)
naar
יִשְׁמָעֵ֑אל
(yishmael)
Ismaël
וַיִּקַּ֡ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
מָחֲלַ֣ת
(machalat)
Machalat
בַּת
(bat)
dochter van
יִשְׁמָעֵ֨אל
(yishmael)
Ismaël
בֶּן
(ben)
zoon van
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֲח֧וֹת
(achot)
zus van
נְבָי֛וֹת
(nevayot)
Nebajot
עַל
(al)
bij
נָשָׁ֖יו
(nashav)
zijn vrouwen
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מחלת (Machalat), ‘Machalat’: dochter van Ismaël, de zus van Nebajot (zie 25:13).

In 36:3 heet zij Basemat.

Aanvullend

Jasher 29:43 noemt haar ook Machalat.

De droom bij Betel

10Jakob vertrok uit Beër-Sjeba en ging naar Charan.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en hij ging uit
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
מִבְּאֵ֣ר
(mibeer)
uit put
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
חָרָֽנָה
(charana)
naar Charan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

מבאר שׁבע (miBe’er Sheva), ‘uit Beër-Sjeba’: Isaak woonde daar (zie 26:23–33).

Charan ligt in het zuidoosten van het huidige Turkije, ongeveer 750 km hemelsbreed ten noordoosten van Beër-Sjeba (zie 11:31).

Aanvullend

Jubileeën 27:19 zegt dat Jakob van de Bron van de Eed vertrok.

11Hij kwam op een plaats en bleef daar overnachten, want de zon was ondergegaan. Hij nam een van de stenen van die plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen.
וַיִּפְגַּ֨ע
(vayifga)
en hij trof
בַּמָּק֜וֹם
(bamaqom)
op een plaats
וַיָּ֤לֶן
(vayalen)
en hij overnachtte
שָׁם֙
(sham)
daar
כִּי
(ki)
want
בָ֣א
(ba)
was ondergegaan
הַשֶּׁ֔מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en hij nam
מֵאַבְנֵ֣י
(meavnei)
van stenen van
הַמָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
וַיָּ֖שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
מְרַֽאֲשֹׁתָ֑יו
(meraashotav)
onder zijn hoofd
וַיִּשְׁכַּ֖ב
(vayishkav)
en hij lag neer
בַּמָּק֥וֹם
(bamaqom)
op plaats
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויפגע (vayifga), ‘hij trof’: het werkwoord paga betekent ‘ontmoeten, treffen’.

Het woord ‘plaats’ (maqom) keert in dit verhaal steeds terug; pas in vers 19 krijgt de plaats een naam.

12Hij droomde: zie, er stond een trap op de aarde, met zijn top reikend tot in de hemel. Zie, de engelen van Elohim gingen erop omhoog en omlaag.
וַֽיַּחֲלֹ֗ם
(vayachalom)
en hij droomde
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
סֻלָּם֙
(sulam)
trap
מֻצָּ֣ב
(mutsav)
gesteld
אַ֔רְצָה
(artsa)
op aarde
וְרֹאשׁ֖וֹ
(verosho)
en zijn top
מַגִּ֣יעַ
(magia)
reikend
הַשָּׁמָ֑יְמָה
(hashamayema)
naar de hemel
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
מַלְאֲכֵ֣י
(malakhei)
engelen van
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
עֹלִ֥ים
(olim)
opgaand
וְיֹרְדִ֖ים
(veyoredim)
en neerdalend
בּֽוֹ
(bo)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סלם (sullam), ‘trap’: een woord dat alleen hier voorkomt.

Het wijst op een trap of opgang; vaak wordt het ‘ladder’ vertaald.

מלאכי אלהים (mal’akhei Elohim), ‘engelen van Elohim’: boodschappers van Elohim (zie 32:2).

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘trap’.

Aanvullend

Jubileeën 27:21 noemt de ladder, die op de aarde stond en met haar top de hemel raakte; de engelen worden daar niet genoemd.

13En zie, Yahweh stond boven hem en zei: „Ik ben Yahweh, de Elohim van je vader Abraham en de Elohim van Isaak. Het land waarop je ligt, aan jou zal Ik het geven, en aan je nageslacht.
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
נִצָּ֣ב
(nitsav)
staand
עָלָיו֮
(alav)
boven hem
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en hij zei
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
וֵאלֹהֵ֖י
(velohei)
en Elohim van
יִצְחָ֑ק
(yitschaq)
Isaak
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
אַתָּה֙
(ata)
jij
שֹׁכֵ֣ב
(shokhev)
liggend
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
erop
לְךָ֥
(lekha)
aan je
אֶתְּנֶ֖נָּה
(etenena)
zal Ik het geven
וּלְזַרְעֶֽךָ
(ulezarekha)
en aan je nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יהוה נצב עליו (YHWH nitsav alav), ‘Yahweh stond boven hem’: alav kan ‘boven hem’, ‘naast hem’ of ‘erboven’ (boven de trap) betekenen.

Yahweh stelt Zich voor als de Elohim van Jakobs vaderen (zie 26:24; 31:42).

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘boven hem’.

Aanvullend

Jubileeën 27:22 geeft dezelfde woorden.

Jasher 30:1 zegt dat Jakob bij de berg Moria bij de stad Luz overnachtte en dat Yahweh hem daar verscheen.

14Je nageslacht zal zijn als het stof van de aarde. Je zult je uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. In jou en in je nageslacht zullen alle families van de grond gezegend worden.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
כַּעֲפַ֣ר
(kaafar)
als stof van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וּפָרַצְתָּ֛
(ufaratsta)
en je zult je uitbreiden
יָ֥מָּה
(yama)
naar het westen
וָקֵ֖דְמָה
(vaqedema)
en naar het oosten
וְצָפֹ֣נָה
(vetsafona)
en naar het noorden
וָנֶ֑גְבָּה
(vanegba)
en naar het zuiden
וְנִבְרֲכ֥וּ
(venivrakhu)
en ze zullen gezegend worden
בְךָ֛
(bekha)
in jou
כָּל
(kal)
alle
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
families van
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
וּבְזַרְעֶֽךָ
(uvezarekha)
en in je nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כעפר הארץ (ke’afar ha’arets), ‘als het stof van de aarde’: zie 13:16.

ופרצת (ufaratsta), ‘je zult je uitbreiden’: letterlijk ‘je zult doorbreken’ (zie 30:30).

כל משׁפחת האדמה (kol mishpechot ha’adamah), ‘alle families van de grond’: zie 12:3.

Aanvullend

Jubileeën 27:23 heeft dezelfde belofte.

15Zie, Ik ben met je. Ik zal je behoeden overal waar je gaat, en Ik zal je terugbrengen naar deze grond. Ik zal je niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tegen je gezegd heb.”
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
Ik
עִמָּ֗ךְ
(imakh)
met je
וּשְׁמַרְתִּ֨יךָ֙
(ushemartikha)
en Ik zal je behoeden
בְּכֹ֣ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶׁר
(asher)
waar
תֵּלֵ֔ךְ
(telekh)
je gaat
וַהֲשִׁ֣בֹתִ֔יךָ
(vahashivotikha)
en Ik zal je terugbrengen
אֶל
(el)
naar
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
כִּ֚י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶֽעֱזָבְךָ֔
(eezavekha)
Ik zal je verlaten
עַ֚ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִם
(im)
als
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
Ik heb gedaan
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
לָֽךְ
(lakh)
tot je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ושׁמרתיך (ushmartikha), ‘Ik zal je behoeden’: dezelfde stam als in de zegen van Num. 6:24.

והשׁבתיך אל האדמה הזאת (vahashivotikha el ha’adamah hazot), ‘Ik zal je terugbrengen naar deze grond’: Yahweh belooft Jakob dat hij terugkomt (zie 31:3; 35:6).

לא אעזבך (lo e’ezovkha), ‘Ik zal je niet verlaten’: zie Deut. 31:6; Joz. 1:5.

Aanvullend

Jubileeën 27:24 geeft dezelfde belofte.

16Jakob werd wakker uit zijn slaap en zei: „Waarlijk, Yahweh is op deze plaats, en ik wist het niet.”
וַיִּיקַ֣ץ
(vayiqats)
en hij werd wakker
יַעֲקֹב֮
(yaaqov)
Jakob
מִשְּׁנָתוֹ֒
(mishenato)
uit zijn slaap
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָכֵן֙
(akhen)
waarlijk
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּמָּק֖וֹם
(bamaqom)
op plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽעְתִּי
(yadati)
ik wist
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אכן ישׁ יהוה במקום הזה (akhen yesh YHWH bamaqom hazeh), ‘waarlijk, Yahweh is op deze plaats’: Jakob ontdekt Yahwehs aanwezigheid op een plek waar hij die niet verwachtte.

17Hij werd bang en zei: „Wat is deze plaats ontzagwekkend! Dit is niets anders dan het huis van Elohim, en dit is de poort van de hemel.”
וַיִּירָא֙
(vayira)
en hij werd bang
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en hij zei
מַה
(ma)
hoe
נּוֹרָ֖א
(nora)
ontzagwekkend
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
אֵ֣ין
(ein)
niets
זֶ֗ה
(ze)
dit
כִּ֚י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וְזֶ֖ה
(veze)
en dit
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נורא (nora), ‘ontzagwekkend’: ‘vreeswekkend’, van yare, ‘vrezen’; dezelfde stam als ‘hij werd bang’.

בית אלהים (beit Elohim), ‘huis van Elohim’: zie vers 19.

שׁער השׁמים (sha’ar hashamayim), ‘poort van de hemel’: een plaats waar hemel en aarde elkaar raken.

Aanvullend

Jubileeën 27:25 geeft dezelfde woorden.

18Jakob stond 's morgens vroeg op, nam de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, richtte hem op als gedenkzuil en goot olie over de top.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׂ֣ם
(sam)
hij had gelegd
מְרַֽאֲשֹׁתָ֔יו
(meraashotav)
onder zijn hoofd
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en hij richtte op
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
מַצֵּבָ֑ה
(matseva)
gedenkzuil
וַיִּצֹ֥ק
(vayitsoq)
en hij goot
שֶׁ֖מֶן
(shemen)
olie
עַל
(al)
op
רֹאשָֽׁהּ
(roshah)
haar top
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מצבה (matsevah), ‘gedenkzuil’: een rechtopstaande steen als teken (zie 31:13; 35:14).

De olie over de top maakt de steen tot een gewijde plaats (zie 35:14).

Aanvullend

Jubileeën 27:26 noemt ook de olie.

19Hij noemde die plaats Betel, maar de naam van de stad was eerst Luz.
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en hij noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵֽׁם
(shem)
naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
בֵּֽית
(beit)
huis van
אֵ֑ל
(el)
El
וְאוּלָ֛ם
(veulam)
maar
ל֥וּז
(luz)
Luz
שֵׁם
(shem)
naam van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
לָרִאשֹׁנָֽה
(larishona)
eerst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

בית אל (Beit El), ‘Betel’: ‘huis van El’.

Uitleg

Betel ligt in het bergland ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem (zie 12:8; 13:3).

לוז (Luz), ‘Luz’: de oudere naam van de stad (zie 35:6; 48:3).

Aanvullend

Jubileeën 27:26 en Jasher 30:3 zeggen ook dat Jakob de plaats Betel noemde.

Jakobs gelofte

20Jakob deed een gelofte: „Als Elohim met mij is, mij behoedt op deze weg waarop ik ga, en mij brood te eten geeft en kleren om aan te trekken,
וַיִּדַּ֥ר
(vayidar)
en hij beloofde
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
נֶ֣דֶר
(neder)
een gelofte
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אִם
(im)
als
יִהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
עִמָּדִ֗י
(imadi)
met mij
וּשְׁמָרַ֨נִי֙
(ushemarani)
en Hij zal mij behoeden
בַּדֶּ֤רֶךְ
(baderekh)
op de weg
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
הוֹלֵ֔ךְ
(holekh)
gaande
וְנָֽתַן
(venatan)
en Hij zal geven
לִ֥י
(li)
aan mij
לֶ֛חֶם
(lechem)
brood
לֶאֱכֹ֖ל
(leekhol)
om te eten
וּבֶ֥גֶד
(uveged)
en kleding
לִלְבֹּֽשׁ
(lilbosh)
om aan te trekken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נדר (neder), ‘gelofte’: een plechtige belofte aan God (zie 31:13).

אם יהיה אלהים (im yihyeh Elohim immadi), ‘als Elohim met mij is’: Jakob noemt hier Elohim; Yahweh volgt pas in vers 21.

Aanvullend

Jubileeën 27:27 geeft dezelfde gelofte.

21en ik in vrede terugkeer naar het huis van mijn vader, dan zal Yahweh mijn Elohim zijn.
וְשַׁבְתִּ֥י
(veshavti)
en ik zal terugkeren
בְשָׁל֖וֹם
(beshalom)
in vrede
אֶל
(el)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
וְהָיָ֧ה
(vehaya)
en zal zijn
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לִ֖י
(li)
voor mij
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

והיה יהוה לי לאלהים (vehayah YHWH li le’Elohim), ‘dan zal Yahweh mijn Elohim zijn’: de als-zin begint in vers 20 en loopt tot ‘en ik in vrede terugkeer’; de dan-zin begint hier of pas in vers 22.

Lezing

Lezing: hier gelezen als begin van de dan-zin.

22Deze steen, die ik als gedenkzuil opgericht heb, zal een huis van Elohim zijn. Van alles wat U mij geeft, zal ik U zeker een tiende geven.”
וְהָאֶ֣בֶן
(vehaeven)
en de steen
הַזֹּ֗את
(hazot)
deze
אֲשֶׁר
(asher)
die
שַׂ֨מְתִּי֙
(samti)
ik heb gezet
מַצֵּבָ֔ה
(matseva)
als gedenkzuil
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וְכֹל֙
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
תִּתֶּן
(titen)
U zult geven
לִ֔י
(li)
aan mij
עַשֵּׂ֖ר
(aser)
een tiende
אֲעַשְּׂרֶ֥נּוּ
(aaserenu)
ik zal een tiende geven
לָֽךְ
(lakh)
aan U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עשׂר אעשׂרנו (asser a’asrenu lakh), ‘ik zal U zeker een tiende geven’: ma’aser is ‘tiende’.

Eerder gaf Abraham een tiende aan Melchisedek (zie 14:20).

Aanvullend

Jubileeën 27:27 geeft Jakobs gelofte tot en met zijn terugkeer in vrede; de tiende wordt daar niet genoemd.