Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De laatste woorden van David
1Dit zijn de laatste woorden van David. Uitspraak van David, de zoon van Isaï. Uitspraak van de man die hoog is gesteld, de gezalfde van de Elohim van Jakob, de lieflijke in de liederen van Israël:
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
דָוִ֖ד
(david)
David
הָאַֽחֲרֹנִ֑ים
(haacharonim)
de laatste
נְאֻ֧ם
(neum)
uitspraak van
דָּוִ֣ד
(david)
David
בֶּן
(ben)
zoon van
יִשַׁ֗י
(yishay)
Isaï
וּנְאֻ֤ם
(uneum)
en uitspraak van
הַגֶּ֨בֶר֙
(hagever)
de man
הֻ֣קַם
(huqam)
die is opgericht
עָ֔ל
(al)
over
מְשִׁ֨יחַ֙
(meshiach)
gezalfde van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וּנְעִ֖ים
(uneim)
en lieflijk
זְמִר֥וֹת
(zemirot)
in de liederen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם (ne’um), ‘uitspraak’: het woord voor een gesproken woord met gezag, zoals in Num. 24:3.
David spreekt hier als iemand tot wie Elohim gesproken heeft (vers 2–3).
זְמִרוֹת (zemirot), ‘liederen’: David is de dichter van veel psalmen.
Dit lied sluit aan bij Davids lied in 2 Sam. 22.
Lezing
הֻקַם עָל (hukam al), ‘die hoog is gesteld’: het woord ‘al’ kan ‘omhoog’ betekenen.
Het kan ook een titel van Elohim zijn (‘de Allerhoogste’).
3De Elohim van Israël heeft gesproken. De Rots van Israël heeft tot mij gezegd: ‘Een heerser over de mensen, een rechtvaardige, een heerser in ontzag voor Elohim,
אָמַר֙
(amar)
zei
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִ֥י
(li)
tot mij
דִבֶּ֖ר
(diber)
sprak
צ֣וּר
(tsur)
de Rots van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מוֹשֵׁל֙
(moshel)
heerser
בָּאָדָ֔ם
(baadam)
over de mens
צַדִּ֕יק
(tsadiq)
rechtvaardige
מוֹשֵׁ֖ל
(moshel)
heerser
יִרְאַ֥ת
(yirat)
in ontzag voor
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘De Rots van Israël’ is een naam van Yahweh (Deut. 32:4, 32:15).
Lezing
Het Hebreeuws is hier moeilijk.
Wij lezen de woorden ‘een heerser over de mensen, een rechtvaardige, een heerser in ontzag voor Elohim’ als wat de Rots van Israël zegt, en zetten ze tussen enkele aanhalingstekens.
Ze lopen door in vers 4.
Wij laten de woorden zwart, omdat David ze citeert.
5Staat mijn huis niet zo bij El? Want een eeuwig verbond heeft Hij voor mij gesteld, in alles geordend en bewaard. Want al mijn redding en al mijn verlangen: zal Hij die niet laten groeien?
כִּֽי
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
כֵ֥ן
(ken)
zo
בֵּיתִ֖י
(beiti)
mijn huis
עִם
(im)
bij
אֵ֑ל
(el)
El
כִּי֩
(ki)
want
בְרִ֨ית
(berit)
een verbond van
עוֹלָ֜ם
(olam)
eeuwigheid
שָׂ֣ם
(sam)
Hij stelde
לִ֗י
(li)
voor mij
עֲרוּכָ֤ה
(arukha)
geordend
בַכֹּל֙
(bakol)
in alles
וּשְׁמֻרָ֔ה
(ushemura)
en bewaard
כִּֽי
(ki)
want
כָל
(kal)
al
יִשְׁעִ֥י
(yishi)
mijn redding
וְכָל
(vekhal)
en al
חֵ֖פֶץ
(chefets)
verlangen
כִּֽי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
יַצְמִֽיחַ
(yatsmiach)
Hij laat groeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘eeuwig verbond’: het verbond met David in 2 Sam. 7:12–16.
Lezing
Het Hebreeuws is moeilijk.
Wij vertalen het eerste deel als een vraag (‘Staat mijn huis niet zo bij El?’) en het slot ook als een vraag.
8Dit zijn de namen van de helden van David. Josheb-Basjebet, de Tachkemoniet, was het hoofd van de Drie. Hij was Adino de Esniet. Hij velde 800 mannen in één keer.
אֵ֛לֶּה
(ele)
dit
שְׁמ֥וֹת
(shemot)
de namen van
הַגִּבֹּרִ֖ים
(hagiborim)
de helden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
van David
יֹשֵׁ֨ב
(yoshev)
Josheb
בַּשֶּׁ֜בֶת
(bashevet)
Basjebet
תַּחְכְּמֹנִ֣י
(tachkemoni)
de Tachkemoniet
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַשָּׁלִשִׁ֗י
(hashalishi)
de Drie
ה֚וּא
(hu)
hij
עֲדִינ֣וֹ
(adino)
Adino
הָֽעֶצְנִ֔י
(haetsni)
de Esniet
עַל
(al)
over
שְׁמֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
מֵא֛וֹת
(meot)
honderd
חָלָ֖ל
(chalal)
gesneuvelde
בְּפַ֥עַם
(befaam)
in keer
אֶחָֽת
(echat)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de lijst van de helden van David.
Er is een parallel in 1 Kron. 11:10–47.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere uitgang bij ‘de Esniet’ (העצנו); wij volgen het qere (העצני).
De naam ‘Josheb-Basjebet’ staat zo in de Masoretische tekst. 1 Kron. 11:11 heeft ‘Jasjobam, de zoon van Chakmoni’.
In dit vers ontbreekt het werkwoord: in 2 Sam. 23:18 staat ‘hij zwaaide zijn speer’.
Wij vullen aan met ‘velde’.
Het Hebreeuws zegt ‘hoofd van de Drie’ (רֹאשׁ הַשָּׁלִשִׁי). Het woord ‘sjalisj’ betekent eigenlijk ‘derde man’, een soort officier.
9Na hem kwam Eleazar, de zoon van Dodo, de zoon van de Achochiet. Hij was een van de drie helden bij David, toen zij de Filistijnen uitdaagden. Zij hadden zich daar verzameld voor de oorlog, en de mannen van Israël trokken zich terug.
וְאַחֲרָ֛יו
(veacharav)
en na hem
אֶלְעָזָ֥ר
(elazar)
Eleazar
בֶּן
(ben)
zoon van
דֹּד֖וֹ
(dodo)
Dodo
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחֹחִ֑י
(achochi)
de Achochiet
בִּשְׁלֹשָׁ֨ה
(bishlosha)
onder de drie
הַגִּבֹּרִ֜ים
(hagiborim)
de helden
עִם
(im)
met
דָּוִ֗ד
(david)
David
בְּחָֽרְפָ֤ם
(becharefam)
toen zij uitdaagden
בַּפְּלִשְׁתִּים
(bapelishtim)
de Filistijnen
נֶאֶסְפוּ
(neesfu)
zij hadden zich verzameld
שָׁ֣ם
(sham)
daar
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de oorlog
וַֽיַּעֲל֖וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
אִ֥ישׁ
(ish)
de mannen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
De Achochiet komt van Achoach, een afstammeling van Benjamin (1 Kron. 8:4).
De parallel van Eleazar staat in 1 Kron. 11:12–14.
וַיַּעֲלוּ (wayya’alu), ‘zij trokken zich terug’: letterlijk ‘zij gingen omhoog’.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Dodai’ (דדי) en ‘helden’ zonder lidwoord (גברים).
10Eleazar stond op en sloeg de Filistijnen, totdat zijn hand moe werd en zijn hand aan het zwaard kleefde. Yahweh gaf die dag een grote redding. Het volk kwam achter hem terug, alleen om te plunderen.
ה֣וּא
(hu)
hij
קָם֩
(qam)
stond op
וַיַּ֨ךְ
(vayakh)
en sloeg
בַּפְּלִשְׁתִּ֜ים
(bapelishtim)
onder de Filistijnen
עַ֣ד
(ad)
totdat
כִּֽי
(ki)
dat
יָגְעָ֣ה
(yagea)
moe werd
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
וַתִּדְבַּ֤ק
(vatidbaq)
en kleefde
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
אֶל
(el)
aan
הַחֶ֔רֶב
(hacherev)
het zwaard
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en gaf
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
תְּשׁוּעָ֥ה
(teshua)
redding
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וְהָעָ֛ם
(vehaam)
en het volk
יָשֻׁ֥בוּ
(yashuvu)
keerde terug
אַחֲרָ֖יו
(acharav)
achter hem
אַךְ
(akh)
alleen
לְפַשֵּֽׁט
(lefashet)
om te plunderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
Het Hebreeuws zegt ‘hij’; wij noemen de naam Eleazar, naar vers 9.
Zijn hand kleefde aan het zwaard: hij was zo moe en zo verkrampt dat hij het zwaard niet meer kon loslaten.
11Na hem kwam Samma, de zoon van Age, de Harariet. De Filistijnen hadden zich verzameld tot een schare. Daar was een stuk akker vol linzen, en het volk vluchtte voor de Filistijnen.
וְאַחֲרָ֛יו
(veacharav)
en na hem
שַׁמָּ֥א
(shama)
Samma
בֶן
(ben)
zoon van
אָגֵ֖א
(age)
Age
הָרָרִ֑י
(harari)
de Harariet
וַיֵּאָסְפ֨וּ
(vayeasefu)
en verzamelden zich
פְלִשְׁתִּ֜ים
(pelishtim)
Filistijnen
לַחַיָּ֗ה
(lachaya)
tot een schare
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
שָׁ֞ם
(sham)
daar
חֶלְקַ֤ת
(chelqat)
stuk van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
מְלֵאָ֣ה
(melea)
vol
עֲדָשִׁ֔ים
(adashim)
linzen
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
נָ֖ס
(nas)
vluchtte
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
De Harariet komt uit het bergland (har = berg).
Lezing
לַחַיָּה (lachayyah), ‘tot een schare’: het woord kan ook de plaatsnaam Lechi zijn (Richt. 15:9, 15:14, 15:19). 1 Kron. 11:13 noemt de plaats Pas-Dammim en spreekt over gerst in plaats van linzen.
13Drie van de dertig hoofdmannen gingen naar beneden. Zij kwamen in de oogsttijd bij David, bij de grot van Adullam. Een troep Filistijnen lag gelegerd in het dal van de Refaïeten.
וַיֵּרְד֨וּ
(vayeredu)
en gingen af
שְׁלֹשָׁ֜ה
(shelosha)
drie
מֵהַשְּׁלֹשִׁ֣ים
(mehasheloshim)
van de dertig
רֹ֗אשׁ
(rosh)
hoofd
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֶל
(el)
tot
קָצִיר֙
(qatsir)
oogst
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
מְעָרַ֖ת
(mearat)
de grot van
עֲדֻלָּ֑ם
(adulam)
Adullam
וְחַיַּ֣ת
(vechayat)
en een troep van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
חֹנָ֖ה
(chona)
was gelegerd
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in het dal van
רְפָאִֽים
(refaim)
de Refaïeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Adullam ligt in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel esh-Sheikh Madhkur (Israël).
Dat is waarschijnlijk.
De grot van Adullam komt voor in 1 Sam. 22:1.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem.
Het dal van de Refaïeten ligt ten zuidwesten van Jeruzalem (Joz. 15:8). Dat is waarschijnlijk.
Lezing
Het Hebreeuws zegt hier ‘naar de oogst’ (אֶל קָצִיר). 1 Kron. 11:15 heeft ‘naar de rots’ (אֶל הַצּוּר).
16De drie helden braken door het kamp van de Filistijnen heen. Zij putten water uit de put van Betlehem, die bij de poort is. Zij namen het mee en brachten het naar David. Maar hij wilde het niet drinken. Hij goot het uit als plengoffer voor Yahweh.
וַיִּבְקְעוּ֩
(vayivqeu)
en braken door
שְׁלֹ֨שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַגִּבֹּרִ֜ים
(hagiborim)
de helden
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
het kamp van
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיִּֽשְׁאֲבוּ
(vayishavu)
en putten
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
מִבֹּ֤אר
(mibor)
uit de put van
בֵּֽית
(beit)
Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּשַּׁ֔עַר
(bashaar)
bij de poort
וַיִּשְׂא֖וּ
(vayisu)
en droegen
וַיָּבִ֣אוּ
(vayaviu)
en brachten
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָבָה֙
(ava)
wilde
לִשְׁתּוֹתָ֔ם
(lishtotam)
het te drinken
וַיַּסֵּ֥ךְ
(vayasekh)
en goot als plengoffer uit
אֹתָ֖ם
(otam)
het
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
וַיַּסֵּךְ (wayyasek), ‘goot uit als plengoffer’: het werkwoord hoort bij het plengoffer (Num. 28:7).
David wilde het water niet voor zichzelf houden, maar gaf het aan Yahweh.
17Hij zei: „Nooit zou ik dit doen, Yahweh! Dit is het bloed van de mannen die hun leven hebben gewaagd.” Hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
חָלִילָה֩
(chalila)
ondenkbaar
לִּ֨י
(li)
voor mij
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעֲשֹׂ֣תִי
(measoti)
dat ik doe
זֹ֗את
(zot)
dit
הֲדַ֤ם
(hadam)
het bloed van
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
הַהֹלְכִ֣ים
(haholekhim)
die gingen
בְּנַפְשׁוֹתָ֔ם
(benafshotam)
met hun levens
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבָ֖ה
(ava)
hij wilde
לִשְׁתּוֹתָ֑ם
(lishtotam)
het te drinken
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
עָשׂ֔וּ
(asu)
deden
שְׁלֹ֖שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַגִּבֹּרִֽים
(hagiborim)
de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David noemt het water ‘bloed’, omdat het ten koste van hun leven was gehaald.
Het bloed is het leven (Lev. 17:10–14; Deut. 12:23).
18Abisai, de broer van Joab, de zoon van Zeruja, was het hoofd van de Drie. Hij zwaaide zijn speer over 300 gesneuvelden. Hij had een naam onder de Drie.
וַאֲבִישַׁ֞י
(vaavishay)
en Abisai
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
יוֹאָ֣ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֗ה
(tseruya)
Zeruja
ה֚וּא
(hu)
hij
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַשְּׁלֹשָׁ֔ה
(hashelosha)
de Drie
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
עוֹרֵ֣ר
(orer)
zwaaide
אֶת
(et)
(obj.)
חֲנִית֔וֹ
(chanito)
zijn speer
עַל
(al)
over
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
חָלָ֑ל
(chalal)
gesneuvelde
וְלוֹ
(velo)
en voor hem
שֵׁ֖ם
(shem)
naam
בַּשְּׁלֹשָֽׁה
(bashelosha)
onder de drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Abisai staat ook in 2 Sam. 21:17.
De ‘Drie’ zijn hier de groep rondom Abisai.
De ‘eerste Drie’ zijn Josheb-Basjebet, Eleazar en Samma (verzen 8–12).
Zie 1 Kron. 11:20–21.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘de derde’ (השלשי); het qere heeft ‘de Drie’.
20Benaja, de zoon van Jojada, was de zoon van een krijger, rijk aan daden, uit Kabseël. Hij versloeg de twee Ariëls van Moab. Ook ging hij af en versloeg de leeuw midden in de put, op een dag met sneeuw.
וּבְנָיָ֨הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֧ע
(yehoyada)
Jojada
בֶּן
(ben)
zoon van
אִֽישׁ
(ish)
man van
חַ֛יִל
(chayil)
kracht
רַב
(rav)
veel
פְּעָלִ֖ים
(pealim)
daden
מִֽקַּבְצְאֵ֑ל
(miqavtseel)
uit Kabseël
ה֣וּא
(hu)
hij
הִכָּ֗ה
(hika)
sloeg
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
אֲרִאֵל֙
(ariel)
Ariël
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְ֠הוּא
(vehu)
en hij
יָרַ֞ד
(yarad)
ging af
וְהִכָּ֧ה
(vehika)
en sloeg
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאֲרִ֛י
(haari)
de leeuw
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
הַבֹּ֖אר
(habor)
de put
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשָּֽׁלֶג
(hashaleg)
de sneeuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kabseël lag in het zuiden van Juda (Joz. 15:21).
De precieze ligging is onzeker.
Uitleg
אֲרִיאֵל (Ariël), ‘leeuw van Elohim’ of ‘haard van Elohim’: de betekenis is onzeker.
Het kan de naam van een man zijn, of een titel voor twee sterke krijgers van Moab. 1 Kron. 11:22 heeft dezelfde uitdrukking.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft חי (chay), ‘levend’; het qere heeft חיל (chayil), ‘kracht’.
Wij volgen het qere: ‘een man van kracht’, dat wil zeggen een krijger.
21Hij versloeg ook een Egyptenaar, een man van indrukwekkende gestalte. De Egyptenaar had een speer in zijn hand. Benaja ging met een staf naar hem toe. Hij rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer.
וְהוּא
(vehu)
en hij
הִכָּה֩
(hika)
sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֨ישׁ
(ish)
man
מִצְרִ֜י
(mitsri)
Egyptisch
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
מַרְאֶ֗ה
(mare)
aanzien
וּבְיַ֤ד
(uveyad)
en in de hand van
הַמִּצְרִי֙
(hamitsri)
de Egyptenaar
חֲנִ֔ית
(chanit)
speer
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en ging af
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
בַּשָּׁ֑בֶט
(bashavet)
met een staf
וַיִּגְזֹ֤ל
(vayigzol)
en rukte weg
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַחֲנִית֙
(hachanit)
de speer
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
הַמִּצְרִ֔י
(hamitsri)
de Egyptenaar
וַיַּהַרְגֵ֖הוּ
(vayahargehu)
en doodde hem
בַּחֲנִיתֽוֹ
(bachanito)
met zijn speer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft אשר (asher), ‘die’; het qere heeft איש (ish), ‘man’.