Elohim Bijbel

2 Samuël 23

123456789101112131415161718192021222324

Davids laatste woorden en de helden van David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De laatste woorden van David

1Dit zijn de laatste woorden van David. Uitspraak van David, de zoon van Isaï. Uitspraak van de man die hoog is gesteld, de gezalfde van de Elohim van Jakob, de lieflijke in de liederen van Israël:
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
דָוִ֖ד
(david)
David
הָאַֽחֲרֹנִ֑ים
(haacharonim)
de laatste
נְאֻ֧ם
(neum)
uitspraak van
דָּוִ֣ד
(david)
David
בֶּן
(ben)
zoon van
יִשַׁ֗י
(yishay)
Isaï
וּנְאֻ֤ם
(uneum)
en uitspraak van
הַגֶּ֨בֶר֙
(hagever)
de man
הֻ֣קַם
(huqam)
die is opgericht
עָ֔ל
(al)
over
מְשִׁ֨יחַ֙
(meshiach)
gezalfde van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וּנְעִ֖ים
(uneim)
en lieflijk
זְמִר֥וֹת
(zemirot)
in de liederen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם (ne’um), ‘uitspraak’: het woord voor een gesproken woord met gezag, zoals in Num. 24:3.

David spreekt hier als iemand tot wie Elohim gesproken heeft (vers 2–3).

זְמִרוֹת (zemirot), ‘liederen’: David is de dichter van veel psalmen.

Dit lied sluit aan bij Davids lied in 2 Sam. 22.

Lezing

הֻקַם עָל (hukam al), ‘die hoog is gesteld’: het woord ‘al’ kan ‘omhoog’ betekenen.

Het kan ook een titel van Elohim zijn (‘de Allerhoogste’).

Wij vertalen ‘hoog’.

2De Geest van Yahweh sprak in mij. Zijn woord was op mijn tong.
ר֥וּחַ
(ruach)
de Geest van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֶּר
(diber)
sprak
בִּ֑י
(bi)
in mij
וּמִלָּת֖וֹ
(umilato)
en Zijn woord
עַל
(al)
op
לְשׁוֹנִֽי
(leshoni)
mijn tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Geest van Yahweh spreekt door David, zoals bij een profeet.

Zie 1 Sam. 16:13.

3De Elohim van Israël heeft gesproken. De Rots van Israël heeft tot mij gezegd: ‘Een heerser over de mensen, een rechtvaardige, een heerser in ontzag voor Elohim,
אָמַר֙
(amar)
zei
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִ֥י
(li)
tot mij
דִבֶּ֖ר
(diber)
sprak
צ֣וּר
(tsur)
de Rots van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מוֹשֵׁל֙
(moshel)
heerser
בָּאָדָ֔ם
(baadam)
over de mens
צַדִּ֕יק
(tsadiq)
rechtvaardige
מוֹשֵׁ֖ל
(moshel)
heerser
יִרְאַ֥ת
(yirat)
in ontzag voor
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De Rots van Israël’ is een naam van Yahweh (Deut. 32:4, 32:15).

Lezing

Het Hebreeuws is hier moeilijk.

Wij lezen de woorden ‘een heerser over de mensen, een rechtvaardige, een heerser in ontzag voor Elohim’ als wat de Rots van Israël zegt, en zetten ze tussen enkele aanhalingstekens.

Ze lopen door in vers 4.

Wij laten de woorden zwart, omdat David ze citeert.

4is als het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, een morgen zonder wolken. Door de glans, door regen, komt gras uit de aarde.’
וּכְא֥וֹר
(ukheor)
en als het licht van
בֹּ֖קֶר
(boqer)
de morgen
יִזְרַח
(yizrach)
het schijnt
שָׁ֑מֶשׁ
(shamesh)
zon
בֹּ֚קֶר
(boqer)
morgen
לֹ֣א
(lo)
niet
עָב֔וֹת
(avot)
wolken
מִנֹּ֥גַהּ
(minogah)
door glans
מִמָּטָ֖ר
(mimatar)
door regen
דֶּ֥שֶׁא
(deshe)
gras
מֵאָֽרֶץ
(mearets)
uit de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers heeft geen werkwoord ‘is’; wij vullen het aan.

Het gaat om de heerser uit vers 3.

5Staat mijn huis niet zo bij El? Want een eeuwig verbond heeft Hij voor mij gesteld, in alles geordend en bewaard. Want al mijn redding en al mijn verlangen: zal Hij die niet laten groeien?
כִּֽי
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
כֵ֥ן
(ken)
zo
בֵּיתִ֖י
(beiti)
mijn huis
עִם
(im)
bij
אֵ֑ל
(el)
El
כִּי֩
(ki)
want
בְרִ֨ית
(berit)
een verbond van
עוֹלָ֜ם
(olam)
eeuwigheid
שָׂ֣ם
(sam)
Hij stelde
לִ֗י
(li)
voor mij
עֲרוּכָ֤ה
(arukha)
geordend
בַכֹּל֙
(bakol)
in alles
וּשְׁמֻרָ֔ה
(ushemura)
en bewaard
כִּֽי
(ki)
want
כָל
(kal)
al
יִשְׁעִ֥י
(yishi)
mijn redding
וְכָל
(vekhal)
en al
חֵ֖פֶץ
(chefets)
verlangen
כִּֽי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
יַצְמִֽיחַ
(yatsmiach)
Hij laat groeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘eeuwig verbond’: het verbond met David in 2 Sam. 7:12–16.

Lezing

Het Hebreeuws is moeilijk.

Wij vertalen het eerste deel als een vraag (‘Staat mijn huis niet zo bij El?’) en het slot ook als een vraag.

6Maar Belial: zij allen zijn als een weggeworpen doorn, want men pakt hen niet met de hand.
וּבְלִיַּ֕עַל
(uveliyaal)
en Belial
כְּק֥וֹץ
(keqots)
als een doorn
מֻנָ֖ד
(munad)
weggeworpen
כֻּלָּ֑הַם
(kulaham)
zij allen
כִּֽי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
בְיָ֖ד
(beyad)
met de hand
יִקָּֽחוּ
(yiqachu)
men pakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּלִיַּעַל (Belial): zie 2 Sam. 22:5.

Hier staat het woord voor de mensen die zo heten; wij laten ‘Belial’ staan.

מְנֹד (menod), ‘weggeworpen’: een doorn die niemand in de hand wil nemen.

7Wie hen aanraakt, wapent zich met ijzer en een speerschacht. Met vuur worden zij verbrand, op hun plaats.
וְאִישׁ֙
(veish)
en een man
יִגַּ֣ע
(yiga)
die aanraakt
בָּהֶ֔ם
(bahem)
hen
יִמָּלֵ֥א
(yimale)
hij wordt gevuld
בַרְזֶ֖ל
(barzel)
met ijzer
וְעֵ֣ץ
(veets)
en schacht van
חֲנִ֑ית
(chanit)
speer
וּבָאֵ֕שׁ
(uvaesh)
en met vuur
שָׂר֥וֹף
(sarof)
verbrand
יִשָּׂרְפ֖וּ
(yisarefu)
zij worden verbrand
בַּשָּֽׁבֶת
(bashavet)
ter plekke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie een doornstruik wil aanraken, heeft ijzer en een speerschacht nodig.

Het Hebreeuws zegt ‘wordt gevuld met ijzer’.

בַּשָּׁבֶת (bashavet), ‘op hun plaats’: letterlijk ‘in het zitten’. De betekenis is onzeker.

De helden van David

8Dit zijn de namen van de helden van David. Josheb-Basjebet, de Tachkemoniet, was het hoofd van de Drie. Hij was Adino de Esniet. Hij velde 800 mannen in één keer.
אֵ֛לֶּה
(ele)
dit
שְׁמ֥וֹת
(shemot)
de namen van
הַגִּבֹּרִ֖ים
(hagiborim)
de helden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
van David
יֹשֵׁ֨ב
(yoshev)
Josheb
בַּשֶּׁ֜בֶת
(bashevet)
Basjebet
תַּחְכְּמֹנִ֣י
(tachkemoni)
de Tachkemoniet
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַשָּׁלִשִׁ֗י
(hashalishi)
de Drie
ה֚וּא
(hu)
hij
עֲדִינ֣וֹ
(adino)
Adino
הָֽעֶצְנִ֔י
(haetsni)
de Esniet
עַל
(al)
over
שְׁמֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
מֵא֛וֹת
(meot)
honderd
חָלָ֖ל
(chalal)
gesneuvelde
בְּפַ֥עַם
(befaam)
in keer
אֶחָֽת
(echat)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de lijst van de helden van David.

Er is een parallel in 1 Kron. 11:10–47.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere uitgang bij ‘de Esniet’ (העצנו); wij volgen het qere (העצני).

De naam ‘Josheb-Basjebet’ staat zo in de Masoretische tekst. 1 Kron. 11:11 heeft ‘Jasjobam, de zoon van Chakmoni’.

In dit vers ontbreekt het werkwoord: in 2 Sam. 23:18 staat ‘hij zwaaide zijn speer’.

Wij vullen aan met ‘velde’.

Het Hebreeuws zegt ‘hoofd van de Drie’ (רֹאשׁ הַשָּׁלִשִׁי). Het woord ‘sjalisj’ betekent eigenlijk ‘derde man’, een soort officier.

Eleazar, de zoon van Dodo

9Na hem kwam Eleazar, de zoon van Dodo, de zoon van de Achochiet. Hij was een van de drie helden bij David, toen zij de Filistijnen uitdaagden. Zij hadden zich daar verzameld voor de oorlog, en de mannen van Israël trokken zich terug.
וְאַחֲרָ֛יו
(veacharav)
en na hem
אֶלְעָזָ֥ר
(elazar)
Eleazar
בֶּן
(ben)
zoon van
דֹּד֖וֹ
(dodo)
Dodo
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחֹחִ֑י
(achochi)
de Achochiet
בִּשְׁלֹשָׁ֨ה
(bishlosha)
onder de drie
הַגִּבֹּרִ֜ים
(hagiborim)
de helden
עִם
(im)
met
דָּוִ֗ד
(david)
David
בְּחָֽרְפָ֤ם
(becharefam)
toen zij uitdaagden
בַּפְּלִשְׁתִּים
(bapelishtim)
de Filistijnen
נֶאֶסְפוּ
(neesfu)
zij hadden zich verzameld
שָׁ֣ם
(sham)
daar
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de oorlog
וַֽיַּעֲל֖וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
אִ֥ישׁ
(ish)
de mannen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

De Achochiet komt van Achoach, een afstammeling van Benjamin (1 Kron. 8:4).

De parallel van Eleazar staat in 1 Kron. 11:12–14.

וַיַּעֲלוּ (wayya’alu), ‘zij trokken zich terug’: letterlijk ‘zij gingen omhoog’.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Dodai’ (דדי) en ‘helden’ zonder lidwoord (גברים).

Wij volgen het qere: ‘Dodo’ en ‘de helden’.

10Eleazar stond op en sloeg de Filistijnen, totdat zijn hand moe werd en zijn hand aan het zwaard kleefde. Yahweh gaf die dag een grote redding. Het volk kwam achter hem terug, alleen om te plunderen.
ה֣וּא
(hu)
hij
קָם֩
(qam)
stond op
וַיַּ֨ךְ
(vayakh)
en sloeg
בַּפְּלִשְׁתִּ֜ים
(bapelishtim)
onder de Filistijnen
עַ֣ד
(ad)
totdat
כִּֽי
(ki)
dat
יָגְעָ֣ה
(yagea)
moe werd
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
וַתִּדְבַּ֤ק
(vatidbaq)
en kleefde
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
אֶל
(el)
aan
הַחֶ֔רֶב
(hacherev)
het zwaard
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en gaf
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
תְּשׁוּעָ֥ה
(teshua)
redding
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וְהָעָ֛ם
(vehaam)
en het volk
יָשֻׁ֥בוּ
(yashuvu)
keerde terug
אַחֲרָ֖יו
(acharav)
achter hem
אַךְ
(akh)
alleen
לְפַשֵּֽׁט
(lefashet)
om te plunderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘hij’; wij noemen de naam Eleazar, naar vers 9.

Zijn hand kleefde aan het zwaard: hij was zo moe en zo verkrampt dat hij het zwaard niet meer kon loslaten.

Samma, de zoon van Age

11Na hem kwam Samma, de zoon van Age, de Harariet. De Filistijnen hadden zich verzameld tot een schare. Daar was een stuk akker vol linzen, en het volk vluchtte voor de Filistijnen.
וְאַחֲרָ֛יו
(veacharav)
en na hem
שַׁמָּ֥א
(shama)
Samma
בֶן
(ben)
zoon van
אָגֵ֖א
(age)
Age
הָרָרִ֑י
(harari)
de Harariet
וַיֵּאָסְפ֨וּ
(vayeasefu)
en verzamelden zich
פְלִשְׁתִּ֜ים
(pelishtim)
Filistijnen
לַחַיָּ֗ה
(lachaya)
tot een schare
וַתְּהִי
(vatehi)
en was
שָׁ֞ם
(sham)
daar
חֶלְקַ֤ת
(chelqat)
stuk van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
מְלֵאָ֣ה
(melea)
vol
עֲדָשִׁ֔ים
(adashim)
linzen
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
נָ֖ס
(nas)
vluchtte
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

De Harariet komt uit het bergland (har = berg).

Lezing

לַחַיָּה (lachayyah), ‘tot een schare’: het woord kan ook de plaatsnaam Lechi zijn (Richt. 15:9, 15:14, 15:19). 1 Kron. 11:13 noemt de plaats Pas-Dammim en spreekt over gerst in plaats van linzen.

Wij volgen de Masoretische tekst.

12Samma nam zijn plaats midden op dat stuk akker in en redde het. Hij sloeg de Filistijnen. Yahweh gaf een grote redding.
וַיִּתְיַצֵּ֤ב
(vayityatsev)
en hij nam positie in
בְּתוֹךְ
(betokh)
midden in
הַֽחֶלְקָה֙
(hachelqa)
het stuk
וַיַּצִּילֶ֔הָ
(vayatsileha)
en redde het
וַיַּ֖ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en gaf
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תְּשׁוּעָ֥ה
(teshua)
redding
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘hij’; wij noemen de naam Samma, naar vers 11.

De drie bij de put van Betlehem

13Drie van de dertig hoofdmannen gingen naar beneden. Zij kwamen in de oogsttijd bij David, bij de grot van Adullam. Een troep Filistijnen lag gelegerd in het dal van de Refaïeten.
וַיֵּרְד֨וּ
(vayeredu)
en gingen af
שְׁלֹשָׁ֜ה
(shelosha)
drie
מֵהַשְּׁלֹשִׁ֣ים
(mehasheloshim)
van de dertig
רֹ֗אשׁ
(rosh)
hoofd
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֶל
(el)
tot
קָצִיר֙
(qatsir)
oogst
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
מְעָרַ֖ת
(mearat)
de grot van
עֲדֻלָּ֑ם
(adulam)
Adullam
וְחַיַּ֣ת
(vechayat)
en een troep van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
חֹנָ֖ה
(chona)
was gelegerd
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in het dal van
רְפָאִֽים
(refaim)
de Refaïeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Adullam ligt in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel esh-Sheikh Madhkur (Israël).

Dat is waarschijnlijk.

De grot van Adullam komt voor in 1 Sam. 22:1.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem.

Het dal van de Refaïeten ligt ten zuidwesten van Jeruzalem (Joz. 15:8). Dat is waarschijnlijk.

Lezing

Het Hebreeuws zegt hier ‘naar de oogst’ (אֶל קָצִיר). 1 Kron. 11:15 heeft ‘naar de rots’ (אֶל הַצּוּר).

Wij volgen de Masoretische tekst.

14David was toen in de burcht. Een garnizoen van de Filistijnen lag toen in Betlehem.
וְדָוִ֖ד
(vedavid)
en David
אָ֣ז
(az)
toen
בַּמְּצוּדָ֑ה
(bametsuda)
in de burcht
וּמַצַּ֣ב
(umatsav)
en een garnizoen van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
אָ֖ז
(az)
toen
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is zeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

De ‘burcht’ is waarschijnlijk dezelfde plaats als in 2 Sam. 5:17.

15David voelde een sterk verlangen en zei: „Wie geeft mij water te drinken uit de put van Betlehem, die bij de poort is?”
וַיִּתְאַוֶּ֥ה
(vayitave)
en verlangde
דָוִ֖ד
(david)
David
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
מִ֚י
(mi)
wie
יַשְׁקֵ֣נִי
(yashqeni)
geeft mij te drinken
מַ֔יִם
(mayim)
water
מִבֹּ֥אר
(mibor)
uit de put van
בֵּֽית
(beit)
Bet
לֶ֖חֶם
(lechem)
Lechem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּשָּֽׁעַר
(bashaar)
bij de poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

16De drie helden braken door het kamp van de Filistijnen heen. Zij putten water uit de put van Betlehem, die bij de poort is. Zij namen het mee en brachten het naar David. Maar hij wilde het niet drinken. Hij goot het uit als plengoffer voor Yahweh.
וַיִּבְקְעוּ֩
(vayivqeu)
en braken door
שְׁלֹ֨שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַגִּבֹּרִ֜ים
(hagiborim)
de helden
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
het kamp van
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיִּֽשְׁאֲבוּ
(vayishavu)
en putten
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
מִבֹּ֤אר
(mibor)
uit de put van
בֵּֽית
(beit)
Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּשַּׁ֔עַר
(bashaar)
bij de poort
וַיִּשְׂא֖וּ
(vayisu)
en droegen
וַיָּבִ֣אוּ
(vayaviu)
en brachten
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָבָה֙
(ava)
wilde
לִשְׁתּוֹתָ֔ם
(lishtotam)
het te drinken
וַיַּסֵּ֥ךְ
(vayasekh)
en goot als plengoffer uit
אֹתָ֖ם
(otam)
het
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

וַיַּסֵּךְ (wayyasek), ‘goot uit als plengoffer’: het werkwoord hoort bij het plengoffer (Num. 28:7).

David wilde het water niet voor zichzelf houden, maar gaf het aan Yahweh.

17Hij zei: „Nooit zou ik dit doen, Yahweh! Dit is het bloed van de mannen die hun leven hebben gewaagd.” Hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
חָלִילָה֩
(chalila)
ondenkbaar
לִּ֨י
(li)
voor mij
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעֲשֹׂ֣תִי
(measoti)
dat ik doe
זֹ֗את
(zot)
dit
הֲדַ֤ם
(hadam)
het bloed van
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
הַהֹלְכִ֣ים
(haholekhim)
die gingen
בְּנַפְשׁוֹתָ֔ם
(benafshotam)
met hun levens
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָבָ֖ה
(ava)
hij wilde
לִשְׁתּוֹתָ֑ם
(lishtotam)
het te drinken
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
עָשׂ֔וּ
(asu)
deden
שְׁלֹ֖שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַגִּבֹּרִֽים
(hagiborim)
de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David noemt het water ‘bloed’, omdat het ten koste van hun leven was gehaald.

Het bloed is het leven (Lev. 17:10–14; Deut. 12:23).

Abisai en Benaja

18Abisai, de broer van Joab, de zoon van Zeruja, was het hoofd van de Drie. Hij zwaaide zijn speer over 300 gesneuvelden. Hij had een naam onder de Drie.
וַאֲבִישַׁ֞י
(vaavishay)
en Abisai
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
יוֹאָ֣ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֗ה
(tseruya)
Zeruja
ה֚וּא
(hu)
hij
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַשְּׁלֹשָׁ֔ה
(hashelosha)
de Drie
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
עוֹרֵ֣ר
(orer)
zwaaide
אֶת
(et)
(obj.)
חֲנִית֔וֹ
(chanito)
zijn speer
עַל
(al)
over
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
חָלָ֑ל
(chalal)
gesneuvelde
וְלוֹ
(velo)
en voor hem
שֵׁ֖ם
(shem)
naam
בַּשְּׁלֹשָֽׁה
(bashelosha)
onder de drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Abisai staat ook in 2 Sam. 21:17.

De ‘Drie’ zijn hier de groep rondom Abisai.

De ‘eerste Drie’ zijn Josheb-Basjebet, Eleazar en Samma (verzen 8–12).

Zie 1 Kron. 11:20–21.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘de derde’ (השלשי); het qere heeft ‘de Drie’.

Wij volgen het qere.

19Hij was de meest geëerde van de Drie en werd hun aanvoerder. Maar tot de eerste Drie kwam hij niet.
מִן
(min)
uit
הַשְּׁלֹשָׁה֙
(hashelosha)
de Drie
הֲכִ֣י
(hakhi)
het meest
נִכְבָּ֔ד
(nikhbad)
geëerd
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en werd
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְשָׂ֑ר
(lesar)
aanvoerder
וְעַד
(vead)
en tot
הַשְּׁלֹשָׁ֖ה
(hashelosha)
de Drie
לֹא
(lo)
niet
בָֽא
(ba)
kwam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Benaja, de zoon van Jojada, was de zoon van een krijger, rijk aan daden, uit Kabseël. Hij versloeg de twee Ariëls van Moab. Ook ging hij af en versloeg de leeuw midden in de put, op een dag met sneeuw.
וּבְנָיָ֨הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֧ע
(yehoyada)
Jojada
בֶּן
(ben)
zoon van
אִֽישׁ
(ish)
man van
חַ֛יִל
(chayil)
kracht
רַב
(rav)
veel
פְּעָלִ֖ים
(pealim)
daden
מִֽקַּבְצְאֵ֑ל
(miqavtseel)
uit Kabseël
ה֣וּא
(hu)
hij
הִכָּ֗ה
(hika)
sloeg
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
אֲרִאֵל֙
(ariel)
Ariël
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְ֠הוּא
(vehu)
en hij
יָרַ֞ד
(yarad)
ging af
וְהִכָּ֧ה
(vehika)
en sloeg
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאֲרִ֛י
(haari)
de leeuw
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
הַבֹּ֖אר
(habor)
de put
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשָּֽׁלֶג
(hashaleg)
de sneeuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kabseël lag in het zuiden van Juda (Joz. 15:21).

De precieze ligging is onzeker.

Uitleg

אֲרִיאֵל (Ariël), ‘leeuw van Elohim’ of ‘haard van Elohim’: de betekenis is onzeker.

Het kan de naam van een man zijn, of een titel voor twee sterke krijgers van Moab. 1 Kron. 11:22 heeft dezelfde uitdrukking.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft חי (chay), ‘levend’; het qere heeft חיל (chayil), ‘kracht’.

Wij volgen het qere: ‘een man van kracht’, dat wil zeggen een krijger.

21Hij versloeg ook een Egyptenaar, een man van indrukwekkende gestalte. De Egyptenaar had een speer in zijn hand. Benaja ging met een staf naar hem toe. Hij rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer.
וְהוּא
(vehu)
en hij
הִכָּה֩
(hika)
sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֨ישׁ
(ish)
man
מִצְרִ֜י
(mitsri)
Egyptisch
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
מַרְאֶ֗ה
(mare)
aanzien
וּבְיַ֤ד
(uveyad)
en in de hand van
הַמִּצְרִי֙
(hamitsri)
de Egyptenaar
חֲנִ֔ית
(chanit)
speer
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en ging af
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
בַּשָּׁ֑בֶט
(bashavet)
met een staf
וַיִּגְזֹ֤ל
(vayigzol)
en rukte weg
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַחֲנִית֙
(hachanit)
de speer
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
הַמִּצְרִ֔י
(hamitsri)
de Egyptenaar
וַיַּהַרְגֵ֖הוּ
(vayahargehu)
en doodde hem
בַּחֲנִיתֽוֹ
(bachanito)
met zijn speer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft אשר (asher), ‘die’; het qere heeft איש (ish), ‘man’.

Wij volgen het qere.

22Dit deed Benaja, de zoon van Jojada. Hij had een naam onder de drie helden.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
עָשָׂ֔ה
(asa)
deed
בְּנָיָ֖הוּ
(benayahu)
Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֑ע
(yehoyada)
Jojada
וְלוֹ
(velo)
en voor hem
שֵׁ֖ם
(shem)
naam
בִּשְׁלֹשָׁ֥ה
(bishlosha)
onder de drie
הַגִּבֹּרִֽים
(hagiborim)
de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij was meer geëerd dan de dertig, maar tot de Drie kwam hij niet. David stelde hem aan over zijn lijfwacht.
מִן
(min)
uit
הַשְּׁלֹשִׁ֣ים
(hasheloshim)
de dertig
נִכְבָּ֔ד
(nikhbad)
geëerd
וְאֶל
(veel)
en tot
הַשְּׁלֹשָׁ֖ה
(hashelosha)
de Drie
לֹא
(lo)
niet
בָ֑א
(ba)
kwam
וַיְשִׂמֵ֥הוּ
(vaysimehu)
en stelde hem
דָוִ֖ד
(david)
David
אֶל
(el)
over
מִשְׁמַעְתּֽוֹ
(mishmato)
zijn lijfwacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמַעַת (mishma’at), ‘lijfwacht’: het woord komt ook voor in 1 Sam. 22:14 en 1 Kron. 11:25.

De betekenis is niet zeker.

De dertig

24Asaël, de broer van Joab, behoorde tot de dertig. Verder: Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem,
עֲשָׂה
(asa)
Asa
אֵ֥ל
(el)
El
אֲחִֽי
(achi)
broer van
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
בַּשְּׁלֹשִׁ֑ים
(basheloshim)
onder de dertig
אֶלְחָנָ֥ן
(elchanan)
Elchanan
בֶּן
(ben)
zoon van
דֹּד֖וֹ
(dodo)
Dodo
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

Asaël, de broer van Joab, was al gedood door Abner (2 Sam. 2:18–23).

Hier staat zijn naam als eerste van de dertig.

Elchanan, de zoon van Dodo, uit Betlehem, is een andere man dan Elchanan in 2 Sam. 21:19.

25Samma de Harodiet, Elika de Harodiet,
שַׁמָּה֙
(shama)
Samma
הַֽחֲרֹדִ֔י
(hacharodi)
de Harodiet
אֱלִיקָ֖א
(eliqa)
Elika
הַחֲרֹדִֽי
(hacharodi)
de Harodiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Chelets de Paltiet, Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa,
חֶ֚לֶץ
(chelets)
Chelets
הַפַּלְטִ֔י
(hapalti)
de Paltiet
עִירָ֥א
(ira)
Ira
בֶן
(ben)
zoon van
עִקֵּ֖שׁ
(iqesh)
Ikkes
הַתְּקוֹעִֽי
(hateqoi)
de man uit Tekoa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.

27Abiëzer uit Anatot, Mebunnai de Chusatiet,
אֲבִיעֶ֨זֶר֙
(aviezer)
Abiëzer
הָֽעַנְּתֹתִ֔י
(haanetoti)
de man uit Anatot
מְבֻנַּ֖י
(mevunay)
Mebunnai
הַחֻשָׁתִֽי
(hachushati)
de Chusatiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier ‘Mebunnai’ (מבני). 2 Sam. 21:18 en 1 Kron. 11:29 noemen een Chusatiet die Sibbechai heet.

Wij volgen de Masoretische tekst.

28Zalmon de Achochiet, Maharai uit Netofa,
צַלְמוֹן֙
(tsalmon)
Zalmon
הָֽאֲחֹחִ֔י
(haachochi)
de Achochiet
מַהְרַ֖י
(mahray)
Maharai
הַנְּטֹפָתִֽי
(hanetofati)
de Netofatiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem.

Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld.

Dit is niet zeker.

29Cheleb, de zoon van Baäna uit Netofa, Ittai, de zoon van Ribai uit Gibea van de zonen van Benjamin,
חֵ֥לֶב
(chelev)
Cheleb
בֶּֽן
(ben)
zoon van
בַּעֲנָ֖ה
(baana)
Baäna
הַנְּטֹפָתִ֑י
(hanetofati)
de Netofatiet
אִתַּי֙
(itay)
Ittai
בֶּן
(ben)
zoon van
רִיבַ֔י
(rivay)
Ribai
מִגִּבְעַ֖ת
(migivat)
uit Gibea van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִֽן
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibea van Benjamin: waarschijnlijk Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem.

Zie ook 2 Sam. 21:6.

De ligging van Netofa is waarschijnlijk in het bergland bij Betlehem; dat is onzeker.

30Benaja uit Piraton, Hiddai uit de beekdalen van Gaäs,
בְּנָיָ֨הוּ֙
(benayahu)
Benaja
פִּרְעָ֣תֹנִ֔י
(piratoni)
de Piratoniet
הִדַּ֖י
(hiday)
Hiddai
מִנַּ֥חֲלֵי
(minachalei)
uit de beekdalen van
גָֽעַשׁ
(gaash)
Gaäs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Piraton lag in het bergland van Efraïm (Richt. 12:13–15).

De berg Gaäs ligt bij Timnat-Serach (Joz. 24:30).

Zie Beekdalen van Gaäs (ligging onzeker): De berg en de beekdalen van Gaäs lagen in het bergland van Efraïm, bij Timnat-Serach.

De precieze plaats is niet zeker.

31Abi-Albon de Arbatiet, Azmavet de Barchumiet,
אֲבִֽי
(avi)
Abi
עַלְבוֹן֙
(alvon)
Albon
הָֽעַרְבָתִ֔י
(haarvati)
de Arbatiet
עַזְמָ֖וֶת
(azmavet)
Azmavet
הַבַּרְחֻמִֽי
(habarchumi)
de Barchumiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Eljachba uit Saälbon, de zonen van Jasjen, Jonatan,
אֶלְיַחְבָּא֙
(elyachba)
Eljachba
הַשַּׁ֣עַלְבֹנִ֔י
(hashaalvoni)
de Saälboniet
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יָשֵׁ֖ן
(yashen)
Jasjen
יְהוֹנָתָֽן
(yehonatan)
Jonatan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘de zonen van Jasjen, Jonatan’.

Waarschijnlijk is Jonatan een van de zonen van Jasjen.

De betekenis is niet zeker.

33Samma de Harariet, Achiam, de zoon van Sjarar de Harariet,
שַׁמָּה֙
(shama)
Samma
הַֽהֲרָרִ֔י
(haharari)
de Harariet
אֲחִיאָ֥ם
(achiam)
Achiam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁרָ֖ר
(sharar)
Sjarar
הָארָרִֽי
(harari)
de Harariet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Elifelet, de zoon van Achasbai, de zoon van de Maachatiet, Eliam, de zoon van Ahitofel de Giloniet,
אֱלִיפֶ֥לֶט
(elifelet)
Elifelet
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחַסְבַּ֖י
(achasbay)
Achasbai
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמַּֽעֲכָתִ֑י
(hamaakhati)
de Maachatiet
אֱלִיעָ֥ם
(eliam)
Eliam
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיתֹ֖פֶל
(achitofel)
Ahitofel
הַגִּלֹנִֽי
(hagiloni)
de Giloniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eliam, de zoon van Ahitofel, is mogelijk de vader van Bat-Sjeba (2 Sam. 11:3).

Dat is niet zeker.

35Chesrai de Karmeliet, Paärai de Arbiet,
חֶצְרַי֙
(chetsray)
Chesrai
הַֽכַּרְמְלִ֔י
(hakarmeli)
de Karmeliet
פַּעֲרַ֖י
(paaray)
Paärai
הָאַרְבִּֽי
(haarbi)
de Arbiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Jigal, de zoon van Natan, uit Tsoba, Bani de Gadiet,
יִגְאָ֤ל
(yigal)
Jigal
בֶּן
(ben)
zoon van
נָתָן֙
(natan)
Natan
מִצֹּבָ֔ה
(mitsova)
uit Tsoba
בָּנִ֖י
(bani)
Bani
הַגָּדִֽי
(hagadi)
de Gadiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.

De precieze ligging is niet vast te stellen.

37Zelek de Ammoniet, Nacharai uit Beërot, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja,
צֶ֖לֶק
(tseleq)
Zelek
הָעַמֹּנִ֑י
(haamoni)
de Ammoniet
נַחְרַי֙
(nachray)
Nacharai
הַבְּאֵ֣רֹתִ֔י
(habeeroti)
de Beërotiet
נֹשֵׂ֕א
(nose)
drager van
כְּלֵ֖י
(kelei)
de wapens van
יוֹאָ֥ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרֻיָֽה
(tseruya)
Zeruja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beërot (ligging onzeker): Beërot wordt gezocht bij el-Bireh, ten noorden van Jeruzalem.

Dit is niet zeker.

38Ira de Jitriet, Gareb de Jitriet,
עִירָא֙
(ira)
Ira
הַיִּתְרִ֔י
(hayitri)
de Jitriet
גָּרֵ֖ב
(garev)
Gareb
הַיִּתְרִֽי
(hayitri)
de Jitriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het totaal van de lijst

39Uria de Hethiet. In totaal waren het er 37.
אֽוּרִיָּה֙
(uriya)
Uria
הַֽחִתִּ֔י
(hachiti)
de Hethiet
כֹּ֖ל
(kol)
alles
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וְשִׁבְעָֽה
(veshiva)
en zeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Uria de Hethiet was de man van Bat-Sjeba (2 Sam. 11).

Het getal 37 is het totaal van de lijst; het hangt ervan af wie men meetelt (de Drie, Abisai en Benaja).