Elohim Bijbel

Exodus 29

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De wijding van de priesters en het dagelijkse offer

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De wijding van Aäron en zijn zonen

1Dit moet je met hen doen om hen te heiligen, zodat zij Mij als priesters dienen: neem één jonge stier en twee rammen, zonder gebrek,
וְזֶ֨ה
(veze)
en dit is
הַדָּבָ֜ר
(hadavar)
de zaak
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
je zult doen
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
לְקַדֵּ֥שׁ
(leqadesh)
om te heiligen
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
לְכַהֵ֣ן
(lekhahen)
om priester te zijn
לִ֑י
(li)
voor Mij
לְ֠קַח
(leqach)
neem
פַּ֣ר
(par)
een stier
אֶחָ֧ד
(echad)
één
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּקָ֛ר
(baqar)
rund
וְאֵילִ֥ם
(veeilim)
en rammen
שְׁנַ֖יִם
(shenayim)
twee
תְּמִימִֽם
(temimim)
zonder gebrek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De wijding duurt zeven dagen (vers 35; zie ook Lev. 8).

De priesters worden gewassen, gekleed, gezalfd en ingewijd met offers.

2en ongezuurd brood, ongezuurde koeken, met olie gekneed, en ongezuurde wafels, met olie bestreken; van fijn tarwemeel moet je ze maken.
וְלֶ֣חֶם
(velechem)
en brood van
מַצּ֗וֹת
(matsot)
ongezuurd
וְחַלֹּ֤ת
(vechalot)
en koeken van
מַצֹּת֙
(matsot)
ongezuurd
בְּלוּלֹ֣ת
(belulot)
gekneed
בַּשֶּׁ֔מֶן
(bashemen)
met olie
וּרְקִיקֵ֥י
(ureqiqei)
en wafels van
מַצּ֖וֹת
(matsot)
ongezuurd
מְשֻׁחִ֣ים
(meshuchim)
bestreken
בַּשָּׁ֑מֶן
(bashamen)
met olie
סֹ֥לֶת
(solet)
meel van
חִטִּ֖ים
(chitim)
tarwe
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
zul je maken
אֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Leg ze in één mand en breng ze in de mand voor, samen met de stier en de twee rammen.
וְנָתַתָּ֤
(venatata)
en leg
אוֹתָם֙
(otam)
ze
עַל
(al)
in
סַ֣ל
(sal)
een mand
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וְהִקְרַבְתָּ֥
(vehiqravta)
en breng voor
אֹתָ֖ם
(otam)
ze
בַּסָּ֑ל
(basal)
in de mand
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
הַפָּ֔ר
(hapar)
de stier
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
הָאֵילִֽם
(haeilim)
de rammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Aäron en zijn zonen moet je bij de ingang van de tent van samenkomst laten komen, en je moet hen met water wassen.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַהֲרֹ֤ן
(aharon)
Aäron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
תַּקְרִ֔יב
(taqriv)
zul je laten naderen
אֶל
(el)
naar
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
וְרָחַצְתָּ֥
(verachatsta)
en was
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
בַּמָּֽיִם
(bamayim)
met water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Neem de kleren en kleed Aäron met het onderkleed, de mantel van de efod, de efod en de borstplaat, en omgord hem met de kunstig geweven band van de efod.
וְלָקַחְתָּ֣
(velaqachta)
en neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּגָדִ֗ים
(habegadim)
de kleren
וְהִלְבַּשְׁתָּ֤
(vehilbashta)
en kleed
אֶֽת
(et)
(obj.)
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֻּתֹּ֔נֶת
(hakutonet)
het onderkleed
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
מְעִ֣יל
(meil)
mantel van
הָאֵפֹ֔ד
(haefod)
de efod
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֵפֹ֖ד
(haefod)
de efod
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחֹ֑שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
וְאָפַדְתָּ֣
(veafadta)
en omgord
ל֔וֹ
(lo)
hem
בְּחֵ֖שֶׁב
(becheshev)
met de band van
הָאֵפֹֽד
(haefod)
de efod
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאָפַדְתָּ (we'afadta), ‘en omgord hem’: de efod wordt als een schort om het lichaam gebonden.

6Zet de tulband op zijn hoofd en doe de heilige kroon op de tulband.
וְשַׂמְתָּ֥
(vesamta)
en zet
הַמִּצְנֶ֖פֶת
(hamitsnefet)
de tulband
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְנָתַתָּ֛
(venatata)
en doe
אֶת
(et)
(obj.)
נֵ֥זֶר
(nezer)
kroon van
הַקֹּ֖דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
עַל
(al)
op
הַמִּצְנָֽפֶת
(hamitsnafet)
de tulband
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵזֶר הַקֹּדֶשׁ (nezer haqodesh), ‘heilige kroon’, is de gouden plaat uit 28:36–38 die op de tulband zit.

7Neem de zalfolie, giet haar op zijn hoofd en zalf hem.
וְלָֽקַחְתָּ֙
(velaqachta)
en neem
אֶת
(et)
(obj.)
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie van
הַמִּשְׁחָ֔ה
(hamishcha)
de zalving
וְיָצַקְתָּ֖
(veyatsaqta)
en giet
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וּמָשַׁחְתָּ֖
(umashachta)
en zalf
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zijn zonen moet je laten naderen en met onderkleden kleden.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
תַּקְרִ֑יב
(taqriv)
zul je laten naderen
וְהִלְבַּשְׁתָּ֖ם
(vehilbashtam)
en kleed hen
כֻּתֳּנֹֽת
(kutonot)
onderkleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Omgord Aäron en zijn zonen met een gordel en bind hun hoofdbanden om; dan hebben zij het priesterschap als eeuwig voorschrift. Zo wijd je Aäron en zijn zonen in.
וְחָגַרְתָּ֩
(vechagarta)
en omgord
אֹתָ֨ם
(otam)
hen
אַבְנֵ֜ט
(avnet)
gordel
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָ֗יו
(uvanav)
en zijn zonen
וְחָבַשְׁתָּ֤
(vechavashta)
en bind om
לָהֶם֙
(lahem)
hen
מִגְבָּעֹ֔ת
(migbaot)
hoofdband
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en zal zijn
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
כְּהֻנָּ֖ה
(kehuna)
het priesterschap
לְחֻקַּ֣ת
(lechuqat)
tot een voorschrift van
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
וּמִלֵּאתָ֥
(umileta)
en vul
יַֽד
(yad)
hand van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
וְיַד
(veyad)
en hand van
בָּנָֽיו
(banav)
zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִלֵּאתָ יָד (mille yad), ‘de hand vullen’, betekent ‘inwijden’; zie 28:41.

De stier als zondoffer

10Breng de stier voor de tent van samenkomst, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de stier leggen.
וְהִקְרַבְתָּ֙
(vehiqravta)
en breng
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֔ר
(hapar)
de stier
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
וְסָמַ֨ךְ
(vesamakh)
en leg
אַהֲרֹ֧ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
kop van
הַפָּֽר
(hapar)
de stier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Slacht de stier voor het aangezicht van Yahweh, bij de ingang van de tent van samenkomst.
וְשָׁחַטְתָּ֥
(veshachatta)
en slacht
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֖ר
(hapar)
de stier
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
פֶּ֖תַח
(petach)
ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Neem van het bloed van de stier en doe het met je vinger op de hoorns van het altaar. Al het overige bloed giet je uit aan de voet van het altaar.
וְלָֽקַחְתָּ֙
(velaqachta)
en neem
מִדַּ֣ם
(midam)
van het bloed van
הַפָּ֔ר
(hapar)
de stier
וְנָתַתָּ֛ה
(venatata)
en doe
עַל
(al)
op
קַרְנֹ֥ת
(qarnot)
hoorns van
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
בְּאֶצְבָּעֶ֑ךָ
(beetsbaekha)
met je vinger
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדָּ֣ם
(hadam)
het bloed
תִּשְׁפֹּ֔ךְ
(tishpokh)
giet uit
אֶל
(el)
aan
יְס֖וֹד
(yesod)
voet van
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Neem al het vet dat de ingewanden bedekt, het aanhangsel van de lever, de twee nieren en het vet daaromheen, en laat dat op het altaar in rook opgaan.
וְלָֽקַחְתָּ֗
(velaqachta)
en neem
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַחֵלֶב֮
(hachelev)
het vet
הַֽמְכַסֶּ֣ה
(hamkhase)
dat bedekt
אֶת
(et)
(obj.)
הַקֶּרֶב֒
(haqerev)
de ingewanden
וְאֵ֗ת
(veet)
en (obj.)
הַיֹּתֶ֨רֶת֙
(hayoteret)
het aanhangsel
עַל
(al)
op
הַכָּבֵ֔ד
(hakaved)
de lever
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
הַכְּלָיֹ֔ת
(hakelayot)
de nieren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחֵ֖לֶב
(hachelev)
het vet
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עֲלֵיהֶ֑ן
(aleihen)
op hen
וְהִקְטַרְתָּ֖
(vehiqtarta)
en laat in rook opgaan
הַמִּזְבֵּֽחָה
(hamizbecha)
op het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַיֹּתֶרֶת עַל־הַכָּבֵד (hayoteret al-hakaved) is het aanhangsel of de lap van de lever; de precieze betekenis is niet helemaal zeker.

14Het vlees van de stier, zijn huid en zijn mest moet je buiten het kamp met vuur verbranden; het is een zondoffer.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּשַׂ֤ר
(besar)
vlees van
הַפָּר֙
(hapar)
de stier
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֹר֣וֹ
(oro)
zijn huid
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פִּרְשׁ֔וֹ
(pirsho)
zijn mest
תִּשְׂרֹ֣ף
(tisrof)
verbrand
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֑ה
(lamachane)
het kamp
חַטָּ֖את
(chatat)
zondoffer
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het zondoffer wordt buiten het kamp verbrand.

Zie ook Lev. 4:11–12; Hebr. 13:11–12.

De eerste ram: het brandoffer

15Neem dan de ene ram, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de ram leggen.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַ֥יִל
(haayil)
de ram
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
de ene
תִּקָּ֑ח
(tiqach)
neem
וְסָ֨מְכ֜וּ
(vesamekhu)
en leggen
אַהֲרֹ֧ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
kop van
הָאָֽיִל
(haayil)
de ram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Slacht de ram, neem zijn bloed en sprenkel het rondom op het altaar.
וְשָׁחַטְתָּ֖
(veshachatta)
en slacht
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑יִל
(haayil)
de ram
וְלָֽקַחְתָּ֙
(velaqachta)
en neem
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמ֔וֹ
(damo)
zijn bloed
וְזָרַקְתָּ֥
(vezaraqta)
en sprenkel
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Snijd de ram in stukken, was zijn ingewanden en zijn poten, en leg ze bij zijn stukken en bij zijn kop.
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
הָאַ֔יִל
(haayil)
de ram
תְּנַתֵּ֖חַ
(tenateach)
snijd in stukken
לִנְתָחָ֑יו
(lintachav)
in zijn stukken
וְרָחַצְתָּ֤
(verachatsta)
en was
קִרְבּוֹ֙
(qirbo)
zijn ingewanden
וּכְרָעָ֔יו
(ukheraav)
en zijn poten
וְנָתַתָּ֥
(venatata)
en leg
עַל
(al)
bij
נְתָחָ֖יו
(netachav)
zijn stukken
וְעַל
(veal)
en bij
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn kop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Laat de hele ram op het altaar in rook opgaan: het is een brandoffer voor Yahweh, een aangename geur, een vuuroffer voor Yahweh.
וְהִקְטַרְתָּ֤
(vehiqtarta)
en laat in rook opgaan
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאַ֨יִל֙
(haayil)
de ram
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
op het altaar
עֹלָ֥ה
(ola)
brandoffer
ה֖וּא
(hu)
het is
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
רֵ֣יחַ
(reiach)
geur van
נִיח֔וֹחַ
(nichoach)
aangenaamheid
אִשֶּׁ֥ה
(ishe)
vuuroffer
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De tweede ram: de inwijding

19Neem dan de tweede ram, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de ram leggen.
וְלָ֣קַחְתָּ֔
(velaqachta)
en neem
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
הָאַ֣יִל
(haayil)
de ram
הַשֵּׁנִ֑י
(hasheni)
de tweede
וְסָמַ֨ךְ
(vesamakh)
en leggen
אַהֲרֹ֧ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
kop van
הָאָֽיִל
(haayil)
de ram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Slacht de ram, neem van zijn bloed en doe het op de rechteroorlel van Aäron en op de rechteroorlel van zijn zonen, op de rechterduim van hun hand en op de rechter grote teen van hun voet. Sprenkel het bloed rondom op het altaar.
וְשָׁחַטְתָּ֣
(veshachatta)
en slacht
אֶת
(et)
(obj.)
הָאַ֗יִל
(haayil)
de ram
וְלָקַחְתָּ֤
(velaqachta)
en neem
מִדָּמוֹ֙
(midamo)
van zijn bloed
וְנָֽתַתָּ֡ה
(venatata)
en doe
עַל
(al)
op
תְּנוּךְ֩
(tenukh)
lel van
אֹ֨זֶן
(ozen)
oor van
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
וְעַל
(veal)
en op
תְּנ֨וּךְ
(tenukh)
lel van
אֹ֤זֶן
(ozen)
oor van
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֤הֶן
(bohen)
duim van
יָדָם֙
(yadam)
hun hand
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֥הֶן
(bohen)
grote teen van
רַגְלָ֖ם
(raglam)
hun voet
הַיְמָנִ֑ית
(haymanit)
de rechter
וְזָרַקְתָּ֧
(vezaraqta)
en sprenkel
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּ֛ם
(hadam)
het bloed
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het bloed op oor, hand en voet wijdt de gehele persoon: wat hij hoort, doet en loopt.

21Neem van het bloed dat op het altaar is en van de zalfolie, en sprenkel het op Aäron en op zijn kleren, en op zijn zonen en op de kleren van zijn zonen met hem. Zo worden hij en zijn kleren geheiligd, en zijn zonen en de kleren van zijn zonen met hem.
וְלָקַחְתָּ֞
(velaqachta)
en neem
מִן
(min)
van
הַדָּ֨ם
(hadam)
het bloed
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַֽל
(al)
op
הַמִּזְבֵּחַ֮
(hamizbeach)
het altaar
וּמִשֶּׁ֣מֶן
(umishemen)
en van olie van
הַמִּשְׁחָה֒
(hamishcha)
de zalving
וְהִזֵּיתָ֤
(vehizeita)
en sprenkel
עַֽל
(al)
op
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
וְעַל
(veal)
en op
בְּגָדָ֔יו
(begadav)
zijn kleren
וְעַל
(veal)
en op
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
וְעַל
(veal)
en op
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
בָנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
וְקָדַ֥שׁ
(veqadash)
en zal geheiligd worden
הוּא֙
(hu)
hij
וּבְגָדָ֔יו
(uvegadav)
en zijn kleren
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
וּבִגְדֵ֥י
(uvigdei)
en kleren van
בָנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Neem van de ram het vet, de vette staart, het vet dat de ingewanden bedekt, het aanhangsel van de lever, de twee nieren, het vet daaromheen en de rechterdij, want het is een ram van de inwijding.
וְלָקַחְתָּ֣
(velaqachta)
en neem
מִן
(min)
van
הָ֠אַיִל
(haayil)
de ram
הַחֵ֨לֶב
(hachelev)
het vet
וְהָֽאַלְיָ֜ה
(vehaalya)
en de vette staart
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחֵ֣לֶב
(hachelev)
het vet
הַֽמְכַסֶּ֣ה
(hamkhase)
dat bedekt
אֶת
(et)
(obj.)
הַקֶּ֗רֶב
(haqerev)
de ingewanden
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
יֹתֶ֤רֶת
(yoteret)
aanhangsel van
הַכָּבֵד֙
(hakaved)
de lever
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
הַכְּלָיֹ֗ת
(hakelayot)
de nieren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחֵ֨לֶב֙
(hachelev)
het vet
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עֲלֵהֶ֔ן
(alehen)
op hen
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
שׁ֣וֹק
(shoq)
dij van
הַיָּמִ֑ין
(hayamin)
de rechterkant
כִּ֛י
(ki)
want
אֵ֥יל
(eil)
ram van
מִלֻּאִ֖ים
(miluim)
de inwijding
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵיל מִלֻּאִים (ayil millu'im), ‘ram van de inwijding’: letterlijk ‘ram van de vulling’ (zie vers 9).

23Ook één brood, één broodkoek met olie en één wafel uit de mand met de ongezuurde broden die voor het aangezicht van Yahweh staat.
וְכִכַּ֨ר
(vekhikar)
en een brood
לֶ֜חֶם
(lechem)
brood
אַחַ֗ת
(achat)
één
וַֽחַלַּ֨ת
(vachalat)
en koek van
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood
שֶׁ֛מֶן
(shemen)
olie
אַחַ֖ת
(achat)
één
וְרָקִ֣יק
(veraqiq)
en wafel
אֶחָ֑ד
(echad)
één
מִסַּל֙
(misal)
uit de mand van
הַמַּצּ֔וֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Leg dat alles op de handen van Aäron en op de handen van zijn zonen en zwaai het als een beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh.
וְשַׂמְתָּ֣
(vesamta)
en leg
הַכֹּ֔ל
(hakol)
alles
עַ֚ל
(al)
op
כַּפֵּ֣י
(kapei)
handen van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
וְעַ֖ל
(veal)
en op
כַּפֵּ֣י
(kapei)
handen van
בָנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
וְהֵנַפְתָּ֥
(vehenafta)
en zwaai
אֹתָ֛ם
(otam)
ze
תְּנוּפָ֖ה
(tenufa)
als beweegoffer
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּנוּפָה (tenufah), ‘beweegoffer’: een offer dat voor Yahweh heen en weer wordt bewogen.

25Neem het dan van hun handen en laat het op het altaar in rook opgaan, boven op het brandoffer, tot een aangename geur voor het aangezicht van Yahweh. Het is een vuuroffer voor Yahweh.
וְלָקַחְתָּ֤
(velaqachta)
en neem
אֹתָם֙
(otam)
ze
מִיָּדָ֔ם
(miyadam)
van hun handen
וְהִקְטַרְתָּ֥
(vehiqtarta)
en laat in rook opgaan
הַמִּזְבֵּ֖חָה
(hamizbecha)
op het altaar
עַל
(al)
op
הָעֹלָ֑ה
(haola)
het brandoffer
לְרֵ֤יחַ
(lereiach)
tot geur van
נִיח֨וֹחַ֙
(nichoach)
aangenaamheid
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִשֶּׁ֥ה
(ishe)
vuuroffer
ה֖וּא
(hu)
het is
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Neem de borst van de ram van de inwijding die voor Aäron is en zwaai hem als een beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh. Dat is jouw deel.
וְלָקַחְתָּ֣
(velaqachta)
en neem
אֶת
(et)
(obj.)
הֶֽחָזֶ֗ה
(hechaze)
de borst
מֵאֵ֤יל
(meeil)
van de ram van
הַמִּלֻּאִים֙
(hamiluim)
de inwijding
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְאַהֲרֹ֔ן
(leaharon)
voor Aäron
וְהֵנַפְתָּ֥
(vehenafta)
en zwaai
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
תְּנוּפָ֖ה
(tenufa)
als beweegoffer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
לְמָנָֽה
(lemana)
tot deel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Heilig de borst van het beweegoffer en de dij van de heffing, die bewogen en opgeheven zijn van de ram van de inwijding, van wat voor Aäron en van wat voor zijn zonen is.
וְקִדַּשְׁתָּ֞
(veqidashta)
en heilig
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
חֲזֵ֣ה
(chaze)
borst van
הַתְּנוּפָ֗ה
(hatenufa)
het beweegoffer
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שׁ֣וֹק
(shoq)
dij van
הַתְּרוּמָ֔ה
(hateruma)
de heffing
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הוּנַ֖ף
(hunaf)
bewogen werd
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en die
הוּרָ֑ם
(huram)
opgeheven werd
מֵאֵיל֙
(meeil)
van de ram van
הַמִּלֻּאִ֔ים
(hamiluim)
de inwijding
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
van wat
לְאַהֲרֹ֖ן
(leaharon)
voor Aäron
וּמֵאֲשֶׁ֥ר
(umeasher)
en van wat
לְבָנָֽיו
(levanav)
voor zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרוּמָה (terumah) is een ‘heffing’, hier de dij die voor de priester wordt opgeheven.

In 25:2 vertalen wij hetzelfde woord met ‘bijdrage’.

28Het is voor Aäron en zijn zonen een eeuwig voorschrift vanwege de zonen van Israël. Want het is een heffing. Een heffing moet het zijn van de zonen van Israël, van hun vredeoffers, hun heffing voor Yahweh.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en zal zijn
לְאַהֲרֹ֨ן
(leaharon)
voor Aäron
וּלְבָנָ֜יו
(ulevanav)
en voor zijn zonen
לְחָק
(lechaq)
tot een voorschrift van
עוֹלָ֗ם
(olam)
eeuwigheid
מֵאֵת֙
(meet)
vanwege
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
want
תְרוּמָ֖ה
(teruma)
heffing
ה֑וּא
(hu)
het is
וּתְרוּמָ֞ה
(uteruma)
en heffing
יִהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
מֵאֵ֤ת
(meet)
vanwege
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִזִּבְחֵ֣י
(mizivchei)
van de slachtoffers van
שַׁלְמֵיהֶ֔ם
(shalmeihem)
hun vredeoffers
תְּרוּמָתָ֖ם
(terumatam)
hun heffing
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29De heilige kleren van Aäron zullen na hem voor zijn zonen zijn, om erin gezalfd en ingewijd te worden.
וּבִגְדֵ֤י
(uvigdei)
en kleren van
הַקֹּ֨דֶשׁ֙
(haqodesh)
het heiligdom
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְאַהֲרֹ֔ן
(leaharon)
voor Aäron
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zullen zijn
לְבָנָ֖יו
(levanav)
voor zijn zonen
אַחֲרָ֑יו
(acharav)
na hem
לְמָשְׁחָ֣ה
(lemashecha)
om gezalfd te worden
בָהֶ֔ם
(bahem)
in hen
וּלְמַלֵּא
(ulemale)
en om te vullen
בָ֖ם
(bam)
in hen
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָֽם
(yadam)
hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Zeven dagen moet de priester die uit zijn zonen in zijn plaats komt en die de tent van samenkomst binnengaat om in het heiligdom te dienen, ze dragen.
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
יִלְבָּשָׁ֧ם
(yilbasham)
zal ze dragen
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
תַּחְתָּ֖יו
(tachtav)
in zijn plaats
מִבָּנָ֑יו
(mibanav)
uit zijn zonen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָבֹ֛א
(yavo)
zal komen
אֶל
(el)
naar
אֹ֥הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
לְשָׁרֵ֥ת
(lesharet)
om te dienen
בַּקֹּֽדֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De maaltijd van de inwijding

31De ram van de inwijding moet je nemen en zijn vlees op een heilige plaats koken.
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
אֵ֥יל
(eil)
ram van
הַמִּלֻּאִ֖ים
(hamiluim)
de inwijding
תִּקָּ֑ח
(tiqach)
zul je nemen
וּבִשַּׁלְתָּ֥
(uvishalta)
en kook
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂר֖וֹ
(besaro)
zijn vlees
בְּמָקֹ֥ם
(bemaqom)
op een plaats
קָדֹֽשׁ
(qadosh)
heilig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Aäron en zijn zonen moeten het vlees van de ram eten, en het brood dat in de mand is, bij de ingang van de tent van samenkomst.
וְאָכַ֨ל
(veakhal)
en eten
אַהֲרֹ֤ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָיו֙
(uvanav)
en zijn zonen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
הָאַ֔יִל
(haayil)
de ram
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַלֶּ֖חֶם
(halechem)
het brood
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּסָּ֑ל
(basal)
in de mand
פֶּ֖תַח
(petach)
ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Zij moeten eten waarmee verzoening is gedaan, om hen in te wijden en te heiligen. Een vreemde mag het niet eten, want het is heilig.
וְאָכְל֤וּ
(veakhelu)
en zij eten
אֹתָם֙
(otam)
ze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
כֻּפַּ֣ר
(kupar)
verzoening gedaan werd
בָּהֶ֔ם
(bahem)
met hen
לְמַלֵּ֥א
(lemale)
om te vullen
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָ֖ם
(yadam)
hun hand
לְקַדֵּ֣שׁ
(leqadesh)
om te heiligen
אֹתָ֑ם
(otam)
hen
וְזָ֥ר
(vezar)
en een vreemde
לֹא
(lo)
niet
יֹאכַ֖ל
(yokhal)
eet
כִּי
(ki)
want
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heilig
הֵֽם
(hem)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Alleen de priesters mogen van de inwijdingsoffers eten; een ‘vreemde’ is iemand die niet tot het priestergeslacht behoort.

34En als er van het vlees van de inwijding of van het brood iets overblijft tot de morgen, verbrand dan wat is overgebleven met vuur. Het mag niet gegeten worden, want het is heilig.
וְֽאִם
(veim)
en als
יִוָּתֵ֞ר
(yivater)
overblijft
מִבְּשַׂ֧ר
(mibesar)
van het vlees van
הַמִּלֻּאִ֛ים
(hamiluim)
de inwijding
וּמִן
(umin)
en van
הַלֶּ֖חֶם
(halechem)
het brood
עַד
(ad)
tot
הַבֹּ֑קֶר
(haboqer)
de morgen
וְשָׂרַפְתָּ֤
(vesarafta)
en verbrand
אֶת
(et)
(obj.)
הַנּוֹתָר֙
(hanotar)
het overgebleven
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵאָכֵ֖ל
(yeakhel)
wordt gegeten
כִּי
(ki)
want
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heilig
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Zo moet je het doen voor Aäron en zijn zonen, helemaal zoals Ik je geboden heb; zeven dagen lang moet je hen inwijden.
וְעָשִׂ֜יתָ
(veasita)
en doe
לְאַהֲרֹ֤ן
(leaharon)
voor Aäron
וּלְבָנָיו֙
(ulevanav)
en voor zijn zonen
כָּ֔כָה
(kakha)
zo
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
volgens alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוִּ֖יתִי
(tsiviti)
Ik gebood
אֹתָ֑כָה
(otakha)
je
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
תְּמַלֵּ֥א
(temale)
zul je vullen
יָדָֽם
(yadam)
hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De wijding van het altaar

36Elke dag moet je een stier als zondoffer brengen voor de verzoening. Ontzondig het altaar door er verzoening voor te doen, en zalf het om het te heiligen.
וּפַ֨ר
(ufar)
en een stier van
חַטָּ֜את
(chatat)
zondoffer
תַּעֲשֶׂ֤ה
(taase)
zul je maken
לַיּוֹם֙
(layom)
voor de dag
עַל
(al)
voor
הַכִּפֻּרִ֔ים
(hakipurim)
de verzoeningen
וְחִטֵּאתָ֙
(vechiteta)
en ontzondig
עַל
(al)
over
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
בְּכַפֶּרְךָ֖
(bekhaperkha)
wanneer je verzoening doet
עָלָ֑יו
(alav)
erover
וּמָֽשַׁחְתָּ֥
(umashachta)
en zalf
אֹת֖וֹ
(oto)
het
לְקַדְּשֽׁוֹ
(leqadesho)
om het te heiligen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְחִטֵּאתָ (wechitte'ta) betekent ‘ontzondig’ of ‘reinig van zonde’.

37Zeven dagen lang moet je voor het altaar verzoening doen en het heiligen. Dan is het altaar hoogheilig: al wat het altaar aanraakt, wordt heilig.
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
תְּכַפֵּר֙
(tekhaper)
zul je verzoening doen
עַל
(al)
voor
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְקִדַּשְׁתָּ֖
(veqidashta)
en heilig
אֹת֑וֹ
(oto)
het
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
heilig van
קָֽדָשִׁ֔ים
(qadashim)
heiligheden
כָּל
(kal)
alles
הַנֹּגֵ֥עַ
(hanogea)
wat raakt aan
בַּמִּזְבֵּ֖חַ
(bamizbeach)
het altaar
יִקְדָּֽשׁ
(yiqdash)
zal heilig zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹדֶשׁ קָדָשִׁים (qodesh qodashim), ‘hoogheilig’: het heiligste.

Het dagelijkse offer

38Dit moet je op het altaar brengen: elke dag voortdurend twee lammeren van een jaar.
וְזֶ֕ה
(veze)
en dit is
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תַּעֲשֶׂ֖ה
(taase)
je zult brengen
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
כְּבָשִׂ֧ים
(kevasim)
lammeren
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
שָׁנָ֛ה
(shana)
een jaar
שְׁנַ֥יִם
(shenayim)
twee
לַיּ֖וֹם
(layom)
per dag
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Het ene lam moet je in de morgen brengen en het andere lam tussen de twee avonden.
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֥בֶשׂ
(hakeves)
het lam
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
het ene
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zul je brengen
בַבֹּ֑קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הַכֶּ֣בֶשׂ
(hakeves)
het lam
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
het tweede
תַּעֲשֶׂ֖ה
(taase)
zul je brengen
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הָעַרְבָּֽיִם
(haarbayim)
de twee avonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּין הָעַרְבַּיִם (bein ha‘arbayim), ‘tussen de twee avonden’, is de tijd tussen zonsondergang en het donker (of tussen het middaguur en de schemering).

Zie 12:6.

40Bij het ene lam een tiende efa fijn meel, gekneed met een kwart hin gestampte olie, en als plengoffer een kwart hin wijn.
וְעִשָּׂרֹ֨ן
(veisaron)
en een tiende
סֹ֜לֶת
(solet)
meel
בָּל֨וּל
(balul)
gekneed
בְּשֶׁ֤מֶן
(beshemen)
met olie
כָּתִית֙
(katit)
gestampt
רֶ֣בַע
(reva)
een kwart van
הַהִ֔ין
(hahin)
de hin
וְנֵ֕סֶךְ
(venesekh)
en plengoffer
רְבִעִ֥ית
(reviit)
een kwart van
הַהִ֖ין
(hahin)
de hin
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
לַכֶּ֖בֶשׂ
(lakeves)
voor het lam
הָאֶחָֽד
(haechad)
het ene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een tiende efa is ongeveer 2,2 liter, een hin ongeveer 3,7 liter, een kwart hin dus ongeveer 0,9 liter.

Zie ook Num. 28:1–8.

41Het andere lam moet je tussen de twee avonden brengen, met hetzelfde graanoffer als in de morgen en hetzelfde plengoffer. Dat is een aangename geur, een vuuroffer voor Yahweh.
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הַכֶּ֣בֶשׂ
(hakeves)
het lam
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
het tweede
תַּעֲשֶׂ֖ה
(taase)
zul je brengen
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
הָעַרְבָּ֑יִם
(haarbayim)
de twee avonden
כְּמִנְחַ֨ת
(keminchat)
zoals het graanoffer van
הַבֹּ֤קֶר
(haboqer)
de morgen
וּכְנִסְכָּהּ֙
(ukheniskah)
en zoals zijn plengoffer
תַּֽעֲשֶׂה
(taase)
zul je brengen
לָּ֔הּ
(lah)
voor het
לְרֵ֣יחַ
(lereiach)
tot geur van
נִיחֹ֔חַ
(nichoach)
aangenaamheid
אִשֶּׁ֖ה
(ishe)
vuuroffer
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Dit is het voortdurende brandoffer voor al jullie generaties, bij de ingang van de tent van samenkomst, voor het aangezicht van Yahweh, waar Ik jullie ontmoet om daar met je te spreken.
עֹלַ֤ת
(olat)
brandoffer van
תָּמִיד֙
(tamid)
voortdurend
לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
פֶּ֥תַח
(petach)
ingang van
אֹֽהֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
אִוָּעֵ֤ד
(ivaed)
Ik ontmoet
לָכֶם֙
(lakhem)
jullie
שָׁ֔מָּה
(shama)
daar
לְדַבֵּ֥ר
(ledaber)
om te spreken
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
met jou
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is het dagelijkse offer (תָּמִיד, tamid), ochtend en avond.

Zie ookEx 25:22

Yahweh woont onder Zijn volk

43Daar zal Ik de zonen van Israël ontmoeten, en de plek zal door Mijn heerlijkheid geheiligd worden.
וְנֹעַדְתִּ֥י
(venoadti)
en Ik zal ontmoeten
שָׁ֖מָּה
(shama)
daar
לִבְנֵ֣י
(livnei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְנִקְדַּ֖שׁ
(veniqdash)
en zal geheiligd worden
בִּכְבֹדִֽי
(bikhvodi)
door Mijn heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Ik zal de tent van samenkomst en het altaar heiligen, en Aäron en zijn zonen zal Ik heiligen om Mij als priesters te dienen.
וְקִדַּשְׁתִּ֛י
(veqidashti)
en Ik zal heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
אֹ֥הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַהֲרֹ֧ן
(aharon)
Aäron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
אֲקַדֵּ֖שׁ
(aqadesh)
zal Ik heiligen
לְכַהֵ֥ן
(lekhahen)
om priester te zijn
לִֽי
(li)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Ik zal in het midden van de zonen van Israël wonen en hun tot Elohim zijn.
וְשָׁ֣כַנְתִּ֔י
(veshakhanti)
en Ik zal wonen
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
in het midden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְהָיִ֥יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De kern van de tabernakel: Yahweh woont onder Zijn volk.

Zie 25:8; Lev. 26:11–12.

46Zij zullen weten dat Ik Yahweh ben, hun Elohim, die hen uit het land Egypte heb geleid om in hun midden te wonen. Ik ben Yahweh, hun Elohim.
וְיָדְע֗וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun Elohim
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הוֹצֵ֧אתִי
(hotseti)
Ik uitleidde
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְשָׁכְנִ֣י
(leshakheni)
om te wonen
בְתוֹכָ֑ם
(betokham)
in hun midden
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.