Elohim Bijbel

Genesis 20

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Abraham en Abimelech in Gerar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Abraham en Sarah in Gerar

1Abraham trok vandaar naar het land van de Negev en woonde tussen Kades en Sur. Hij verbleef als vreemdeling in Gerar.
וַיִּסַּ֨ע
(vayisa)
en hij trok
מִשָּׁ֤ם
(misham)
vandaar
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
אַ֣רְצָה
(artsa)
naar het land
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
de Negev
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
בֵּין
(bein)
tussen
קָדֵ֖שׁ
(qadesh)
Kades
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
שׁ֑וּר
(shur)
Sur
וַיָּ֖גָר
(vayagar)
en hij verbleef als vreemdeling
בִּגְרָֽר
(bigrar)
in Gerar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

הַנֶּגֶב (hanegev), ‘de Negev’: het dorre zuiden van Kanaän (zie 12:9).

Kades (קָדֵשׁ) ligt in de Negev; Sur (שׁוּר) ligt aan de weg naar Egypte (zie 16:7).

Gerar (בִּגְרָר) ligt in de Negev, ten zuidoosten van het huidige Gaza (zie 10:19).

Uitleg

וַיָּגָר (vayyagar), ‘hij verbleef als vreemdeling’: een ger is een vreemdeling zonder eigen grond (zie 19:9).

Aanvullend

Jubileeën 16:10 zegt dat Abraham van Hebron vertrok en tussen Kades en Sur woonde, in het gebergte van Gerar.

Jasher 20:1 zegt dat hij naar het land van de Filistijnen ging en zich in Gerar vestigde.

2Abraham zei over zijn vrouw Sarah: „Zij is mijn zus.” Abimelech, de koning van Gerar, liet Sarah halen en nam haar.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
אֶל
(el)
over
שָׂרָ֥ה
(sara)
Sarah
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
אֲחֹ֣תִי
(achoti)
mijn zus
הִ֑וא
(hi)
zij
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en hij zond
אֲבִימֶ֨לֶךְ֙
(avimelekh)
Abimelech
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
גְּרָ֔ר
(gerar)
Gerar
וַיִּקַּ֖ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שָׂרָֽה
(sara)
Sarah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gerar: Gerar lag in het zuidwesten van het land, ten westen van Beër-Sjeba, in de buurt van Gaza.

Uitleg

אֲחֹתִי (achoti), ‘mijn zus’: Abraham zegt hetzelfde als eerder in Egypte (zie 12:13).

אֲבִימֶלֶךְ (Avimelekh), ‘mijn vader is koning’: dat kan een titel zijn; ook de koning van Gerar in Isaaks tijd heet zo (zie 26:1).

Aanvullend

Jasher 20:2–8 vertelt dat Abraham Sarah dit liet zeggen en dat de dienaren van Abimelech haar schoonheid zagen.

Elohim waarschuwt Abimelech

3Maar Elohim kwam 's nachts in een droom tot Abimelech en zei tegen hem: „Zie, je sterft vanwege de vrouw die je genomen hebt, want zij is de vrouw van een man.”
וַיָּבֹ֧א
(vayavo)
en Hij kwam
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
אֲבִימֶ֖לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
בַּחֲל֣וֹם
(bachalom)
in een droom
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
van de nacht
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
הִנְּךָ֥
(hinekha)
zie jou
מֵת֙
(met)
dood
עַל
(al)
vanwege
הָאִשָּׁ֣ה
(haisha)
de vrouw
אֲשֶׁר
(asher)
die
לָקַ֔חְתָּ
(laqachta)
je hebt genomen
וְהִ֖וא
(vehi)
en zij
בְּעֻ֥לַת
(beulat)
gehuwd met
בָּֽעַל
(baal)
een man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיָּבֹא אֱלֹהִים אֶל אֲבִימֶלֶךְ בַּחֲלוֹם הַלָּיְלָה (vayavo Elohim el Avimelekh bachalom halaylah), ‘Elohim kwam tot Abimelech in een droom van de nacht’: Elohim spreekt hier tot iemand die niet bij Abrahams familie hoort, zoals ook tot Laban in 31:24 (zie 31:24).

בְּעֻלַת בָּעַל (be’ulat ba’al), ‘in het bezit van een eigenaar’: een gehuwde vrouw.

Aanvullend

Jasher 20:12–14 vertelt dezelfde droom, met een engel van Yahweh met een getrokken zwaard.

4Abimelech was haar nog niet genaderd. Hij zei: „Mijn Heer, zult U zelfs een rechtvaardig volk doden?
וַאֲבִימֶ֕לֶךְ
(vaavimelekh)
en Abimelech
לֹ֥א
(lo)
niet
קָרַ֖ב
(qarav)
was genaderd
אֵלֶ֑יהָ
(eleiha)
tot haar
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en hij zei
אֲדֹנָ֕י
(adonay)
mijn Heer
הֲג֥וֹי
(hagoy)
het volk
גַּם
(gam)
ook
צַדִּ֖יק
(tsadiq)
rechtvaardig
תַּהֲרֹֽג
(taharog)
zult U doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (adonay), ‘mijn Heer’: met de klinkers van Adonai, als aanspreking van Elohim (zie 18:3; 19:18).

הֲגוֹי גַּם צַדִּיק תַּהֲרֹג (hagoy gam tsaddiq taharog), ‘zult U zelfs een rechtvaardig volk doden?’: Abimelech pleit voor zijn volk, zoals Abraham deed voor Sodom (zie 18:23–25).

5Heeft hij zelf niet tegen mij gezegd: ‘Zij is mijn zus’? En zij zelf heeft ook gezegd: ‘Hij is mijn broer.’ Ik heb dit gedaan met een oprecht hart en met schone handen.”
הֲלֹ֨א
(halo)
niet
ה֤וּא
(hu)
hij
אָֽמַר
(amar)
heeft gezegd
לִי֙
(li)
tegen mij
אֲחֹ֣תִי
(achoti)
mijn zus
הִ֔וא
(hi)
zij
וְהִֽיא
(vehi)
en zij
גַם
(gam)
ook
הִ֥וא
(hi)
zij
אָֽמְרָ֖ה
(amera)
heeft gezegd
אָחִ֣י
(achi)
mijn broer
ה֑וּא
(hu)
hij
בְּתָם
(betam)
in oprechtheid van
לְבָבִ֛י
(levavi)
mijn hart
וּבְנִקְיֹ֥ן
(uveniqyon)
en in reinheid van
כַּפַּ֖י
(kapay)
mijn handen
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּתָם לְבָבִי וּבְנִקְיֹן כַּפַּי (betom levavi uvenikyon kappay), ‘in oprechtheid van mijn hart en in reinheid van mijn handen’: tom is ‘onschuld, ongeschondenheid’; ‘reine handen’ komt ook voor in Ps. 26:6.

6Elohim zei tegen hem in de droom: „Ook Ik weet dat je dit met een oprecht hart gedaan hebt. Ik heb je ook zelf weerhouden om tegen Mij te zondigen. Daarom heb Ik niet toegelaten dat je haar aanraakte.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֨יו
(elav)
tot hem
הָֽאֱלֹהִ֜ים
(haElohim)
Elohim
בַּחֲלֹ֗ם
(bachalom)
in de droom
גַּ֣ם
(gam)
ook
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
Ik
יָדַ֨עְתִּי֙
(yadati)
Ik heb geweten
כִּ֤י
(ki)
dat
בְתָם
(betam)
in oprechtheid van
לְבָבְךָ֙
(levavekha)
je hart
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
je hebt gedaan
זֹּ֔את
(zot)
dit
וָאֶחְשֹׂ֧ךְ
(vaechsokh)
en Ik heb weerhouden
גַּם
(gam)
ook
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
Ik
אֽוֹתְךָ֖
(otekha)
jou
מֵחֲטוֹ
(mechato)
van zondigen
לִ֑י
(li)
tegen Mij
עַל
(al)
daarom
כֵּ֥ן
(ken)
daarom
לֹא
(lo)
niet
נְתַתִּ֖יךָ
(netatikha)
Ik heb je gegeven
לִנְגֹּ֥עַ
(lingoa)
om aan te raken
אֵלֶֽיהָ
(eleiha)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וָאֶחְשֹׂךְ גַּם אָנֹכִי אוֹתְךָ (vaechsokh gam anokhi otekha), ‘en Ik heb jou ook weerhouden’: het is Elohim zelf die Abimelech ervan weerhoudt.

De zonde (chet) zou tegen Elohim gericht zijn geweest (zie 39:9).

7Geef nu de vrouw van de man terug, want hij is een profeet. Hij zal voor je bidden en dan blijf je leven. Maar als je haar niet teruggeeft, weet dan dat je zeker zult sterven, jij en allen die van jou zijn.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הָשֵׁ֤ב
(hashev)
geef terug
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
כִּֽי
(ki)
want
נָבִ֣יא
(navi)
profeet
ה֔וּא
(hu)
hij
וְיִתְפַּלֵּ֥ל
(veyitpalel)
en hij zal bidden
בַּֽעַדְךָ֖
(baadkha)
voor jou
וֶֽחְיֵ֑ה
(vechye)
en leef
וְאִם
(veim)
en als
אֵֽינְךָ֣
(einekha)
niet jij
מֵשִׁ֗יב
(meshiv)
teruggevend
דַּ֚ע
(da)
weet
כִּי
(ki)
dat
מ֣וֹת
(mot)
sterven
תָּמ֔וּת
(tamut)
je zult sterven
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָבִיא (navi), ‘profeet’: dit is het eerste voorkomen van het woord in de Schrift.

Abraham is profeet omdat Elohim met hem spreekt (zie 15:1; Ps. 105:15).

מוֹת תָּמוּת (mot tamut), ‘je zult zeker sterven’, dezelfde nadrukkelijke vorm als in 2:17 (zie 2:17).

8Abimelech stond 's morgens vroeg op, riep al zijn dienaren en vertelde hun al deze dingen. De mannen werden zeer bang.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
אֲבִימֶ֜לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en hij riep
לְכָל
(lekhal)
alle
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיְדַבֵּ֛ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
בְּאָזְנֵיהֶ֑ם
(beazeneihem)
in hun oren
וַיִּֽירְא֥וּ
(vayireu)
en ze waren bang
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Abimelech spreekt Abraham aan

9Abimelech riep Abraham en zei tegen hem: „Wat heb je ons aangedaan? Waarmee heb ik tegen jou gezondigd, dat je een grote zonde over mij en mijn koninkrijk gebracht hebt? Je hebt dingen met mij gedaan die niet gedaan mogen worden.”
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij riep
אֲבִימֶ֜לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
לְאַבְרָהָ֗ם
(leavraham)
tot Abraham
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֜וֹ
(lo)
tot hem
מֶֽה
(me)
wat
עָשִׂ֤יתָ
(asita)
heb je gedaan
לָּ֨נוּ֙
(lanu)
aan ons
וּמֶֽה
(ume)
en wat
חָטָ֣אתִי
(chatati)
heb ik gezondigd
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen jou
כִּֽי
(ki)
dat
הֵבֵ֧אתָ
(heveta)
je hebt gebracht
עָלַ֛י
(alay)
over mij
וְעַל
(veal)
en over
מַמְלַכְתִּ֖י
(mamlakhti)
mijn koninkrijk
חֲטָאָ֣ה
(chataa)
zonde
גְדֹלָ֑ה
(gedola)
grote
מַעֲשִׂים֙
(maasim)
daden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יֵֽעָשׂ֔וּ
(yeasu)
gedaan worden
עָשִׂ֖יתָ
(asita)
je hebt gedaan
עִמָּדִֽי
(imadi)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Abimelech zei tegen Abraham: „Wat zag je dan, dat je dit gedaan hebt?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲבִימֶ֖לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
מָ֣ה
(ma)
wat
רָאִ֔יתָ
(raita)
zag je
כִּ֥י
(ki)
dat
עָשִׂ֖יתָ
(asita)
je hebt gedaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Abraham zei: „Ik dacht: er is zeker geen ontzag voor Elohim op deze plaats, en ze zullen mij doden vanwege mijn vrouw.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
ik dacht
רַ֚ק
(raq)
alleen
אֵין
(ein)
niet is
יִרְאַ֣ת
(yirat)
vrees voor
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
בַּמָּק֖וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַהֲרָג֖וּנִי
(vaharaguni)
en ze zullen mij doden
עַל
(al)
vanwege
דְּבַ֥ר
(devar)
zaak van
אִשְׁתִּֽי
(ishti)
mijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִרְאַת אֱלֹהִים (yirat Elohim), ‘ontzag voor Elohim’: eerbied voor Elohim, die zich uit in rechtvaardig handelen (zie 22:12; 42:18).

Abrahams inschatting blijkt onjuist: Abimelech en zijn mannen vrezen Elohim wel (vers 8).

12Ze is ook werkelijk mijn zus: ze is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder. Zo is ze mijn vrouw geworden.
וְגַם
(vegam)
en ook
אָמְנָ֗ה
(amena)
werkelijk
אֲחֹתִ֤י
(achoti)
mijn zus
בַת
(bat)
dochter van
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
הִ֔וא
(hi)
zij
אַ֖ךְ
(akh)
maar
לֹ֣א
(lo)
niet
בַת
(bat)
dochter van
אִמִּ֑י
(imi)
mijn moeder
וַתְּהִי
(vatehi)
en ze werd
לִ֖י
(li)
voor mij
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַת אָבִי (bat avi), ‘dochter van mijn vader’: Sarah is dan een halfzus van Abraham.

Later verbiedt de wet zo’n huwelijk (Lev. 18:9; 20:17).

Aanvullend

Jubileeën 12:9 zegt ook dat Sarai ‘de dochter van zijn vader’ was.

13Toen Elohim mij liet zwerven weg uit het huis van mijn vader, zei ik tegen haar: ‘Dit is de trouw die je mij moet bewijzen: overal waar wij komen, zeg over mij: Hij is mijn broer.’”
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֧ר
(kaasher)
toen
הִתְע֣וּ
(hitu)
lieten zwerven
אֹתִ֗י
(oti)
mij
אֱלֹהִים֮
(Elohim)
Elohim
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
אָבִי֒
(avi)
mijn vader
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en ik zei
לָ֔הּ
(lah)
tot haar
זֶ֣ה
(ze)
dit
חַסְדֵּ֔ךְ
(chasdekh)
je trouw
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תַּעֲשִׂ֖י
(taasi)
je zult doen
עִמָּדִ֑י
(imadi)
met mij
אֶ֤ל
(el)
naar
כָּל
(kal)
elke
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
נָב֣וֹא
(navo)
we komen
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
אִמְרִי
(imri)
zeg
לִ֖י
(li)
voor mij
אָחִ֥י
(achi)
mijn broer
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִתְעוּ אֹתִי אֱלֹהִים (hit’u oti Elohim), ‘Elohim liet mij zwerven’: het werkwoord staat bij Elohim hier in het meervoud, terwijl het bij Elohim bijna overal in het enkelvoud staat (zie 1:1).

Hetzelfde komt voor in 35:7 (zie 35:7).

חַסְדֵּךְ (chasdekh), ‘je trouw’: chesed, zie 19:19.

Sarah wordt teruggegeven

14Abimelech nam schapen en runderen, dienaren en slavinnen en gaf ze aan Abraham. Hij gaf hem zijn vrouw Sarah terug.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
אֲבִימֶ֜לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
צֹ֣אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָ֗ר
(uvaqar)
en rundvee
וַעֲבָדִים֙
(vaavadim)
en dienaren
וּשְׁפָחֹ֔ת
(ushefachot)
en slavinnen
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en hij gaf
לְאַבְרָהָ֑ם
(leavraham)
aan Abraham
וַיָּ֣שֶׁב
(vayashev)
en hij gaf terug
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
שָׂרָ֥ה
(sara)
Sarah
אִשְׁתּֽוֹ
(ishto)
zijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Abimelech zei: „Zie, mijn land ligt open voor je. Woon waar het goed is in je ogen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲבִימֶ֔לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
אַרְצִ֖י
(artsi)
mijn land
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor jou
בַּטּ֥וֹב
(batov)
naar het goede
בְּעֵינֶ֖יךָ
(beeineikha)
in je ogen
שֵֽׁב
(shev)
woon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Tegen Sarah zei hij: „Zie, ik heb je broer duizend zilverstukken gegeven. Dat is voor jou een schadevergoeding voor de ogen van allen die bij je zijn. Zo ben je vrijgepleit.”
וּלְשָׂרָ֣ה
(ulesara)
en tot Sarah
אָמַ֗ר
(amar)
hij zei
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
נָתַ֜תִּי
(natati)
ik heb gegeven
אֶ֤לֶף
(elef)
duizend
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
לְאָחִ֔יךְ
(leachikh)
aan je broer
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הוּא
(hu)
het
לָךְ֙
(lakh)
voor jou
כְּס֣וּת
(kesut)
bedekking van
עֵינַ֔יִם
(einayim)
ogen
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor allen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met jou
וְאֵ֥ת
(veet)
en bij
כֹּ֖ל
(kol)
iedereen
וְנֹכָֽחַת
(venokhachat)
en je bent vrijgepleit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶלֶף כֶּסֶף (elef kesef), ‘duizend zilverstukken’: duizend sjekel, ongeveer 11 kilo zilver.

כְּסוּת עֵינַיִם (kesut einayim), ‘een bedekking van de ogen’: een uitdrukking met onzekere betekenis.

וְנֹכָחַת (venokhachat), ‘en je bent vrijgepleit’: van yakach, ‘vaststellen wie gelijk heeft’.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘een schadevergoeding voor de ogen van allen’: het geld is een zichtbare vergoeding, zodat iedereen kan zien dat Sarah recht is gedaan.

Anderen lezen ‘een bedekking van de ogen voor allen’: het geld bedekt de schande, zodat niemand haar nog iets kan verwijten.

17Abraham bad tot Elohim, en Elohim genas Abimelech, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij weer kinderen kregen.
וַיִּתְפַּלֵּ֥ל
(vayitpalel)
en hij bad
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אֶל
(el)
tot
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וַיִּרְפָּ֨א
(vayirpa)
en Hij genas
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲבִימֶ֧לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אִשְׁתּ֛וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְאַמְהֹתָ֖יו
(veamhotav)
en zijn slavinnen
וַיֵּלֵֽדוּ
(vayeledu)
en ze baarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּרְפָּא (vayirpa), ‘en hij genas’: Abraham bidt als profeet (zie 20:7).

Aanvullend

Jasher 20:29–30 vertelt dat Abimelech Abraham liet bidden en dat Yahweh Abimelech en zijn onderdanen genas.

18Want Yahweh had elke baarmoeder in het huis van Abimelech gesloten, vanwege Sarah, de vrouw van Abraham.
כִּֽי
(ki)
want
עָצֹ֤ר
(atsor)
sluiten
עָצַר֙
(atsar)
Hij sloot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעַ֥ד
(bead)
om heen van
כָּל
(kal)
elke
רֶ֖חֶם
(rechem)
baarmoeder
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
אֲבִימֶ֑לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
עַל
(al)
vanwege
דְּבַ֥ר
(devar)
zaak van
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אַבְרָהָֽם
(avraham)
Abraham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָצֹר עָצַר (atsor atsar), ‘Hij sloot werkelijk’: een nadrukkelijke vorm.

In dit hele verhaal staat Elohim; alleen hier staat Yahweh, als Degene die de baarmoeders sloot, zoals in 16:2 (zie 16:2).

Aanvullend

Jasher 20:17 zegt dat al hun kracht en al hun uitgang werd tegengehouden.