Elohim Bijbel

Genesis 37

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jozef verkocht; Dotan

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jozef en zijn broers

1Jakob woonde in het land waar zijn vader als vreemdeling had gewoond, in het land Kanaän.
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
מְגוּרֵ֣י
(megurei)
verblijf van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

מגורי אביו (megurei aviv), ‘waar zijn vader als vreemdeling had gewoond’: zie 17:8; 35:27.

Aanvullend

Jasher 41:1 zegt dat Jakob en zijn huis in het dal van Hebron woonden en dat hun kudden dagelijks in Sichem graasden.

2Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef, 17 jaar oud, weidde met zijn broers de kudde. Hij was nog een jongen bij de zonen van Bilha en bij de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader. Jozef bracht een kwaad gerucht over hen bij hun vader.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
תֹּלְד֣וֹת
(toledot)
geschiedenis van
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
יוֹסֵ֞ף
(yosef)
Jozef
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁבַֽע
(sheva)
zeven
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
הָיָ֨ה
(haya)
hij was
רֹעֶ֤ה
(roe)
weidend
אֶת
(et)
met
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
בַּצֹּ֔אן
(batson)
bij het kleinvee
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
נַ֗עַר
(naar)
jongen
אֶת
(et)
met
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
בִלְהָ֛ה
(bilha)
Bilha
וְאֶת
(veet)
en met
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
זִלְפָּ֖ה
(zilpa)
Zilpa
נְשֵׁ֣י
(neshei)
vrouwen van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבָּתָ֥ם
(dibatam)
hun gerucht
רָעָ֖ה
(raa)
slecht
אֶל
(el)
tot
אֲבִיהֶֽם
(avihem)
hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אלה תלדות יעקב (eleh toledot Yaakov), ‘dit is de geschiedenis van Jakob’: zie 2:4; 6:9; 36:1.

Het verhaal gaat nu over Jakobs zonen, vooral over Jozef.

נער (na’ar), ‘jongen’: ook ‘jonge bediende’.

Jozef is zeventien.

דבתם רעה (dibbatam ra’ah), ‘hun kwade gerucht’: wat Jozef precies meldde, zegt de tekst niet (zie Num. 13:32; 14:36–37).

Aanvullend

Jasher 41:5–9 zegt dat Jozef en Benjamin nog te jong waren om met hun broers te vechten, dat Jozef zich boven zijn broers verhief en dat hij kwaad over hen aan zijn vader bracht.

3Israël hield meer van Jozef dan van al zijn zonen, want hij was een zoon van zijn oude dag. Hij liet een jas met lange mouwen voor hem maken.
וְיִשְׂרָאֵ֗ל
(veyisrael)
en Israël
אָהַ֤ב
(ahav)
hij hield van
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
מִכָּל
(mikal)
meer dan alle
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
כִּֽי
(ki)
want
בֶן
(ben)
zoon van
זְקֻנִ֥ים
(zequnim)
oude dag
ה֖וּא
(hu)
hij
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
וְעָ֥שָׂה
(veasa)
en hij maakte
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
כְּתֹ֥נֶת
(ketonet)
jas van
פַּסִּֽים
(pasim)
lange mouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זקנים (zeqenim), ‘oude dag’: Benjamin is jonger (zie 44:20).

כתנת פסים (ketonet passim), ‘jas met lange mouwen’: de betekenis van passim is onzeker.

Het woord komt ook voor in 2 Sam. 13:18–19, voor het kleed van Tamar, de dochter van de koning.

Het kan ‘lang’ betekenen, tot de polsen en de enkels, of ‘veelkleurig’; zo vertaalt de Septuagint.

Aanvullend

Jasher 41:6 zegt dat Jakob hem uit liefde een jas met lange mouwen maakte.

4Zijn broers zagen dat hun vader meer van hem hield dan van al zijn broers. Ze haatten hem en konden hem niet in vrede toespreken.
וַיִּרְא֣וּ
(vayiru)
en ze zagen
אֶחָ֗יו
(echav)
zijn broers
כִּֽי
(ki)
dat
אֹת֞וֹ
(oto)
hem
אָהַ֤ב
(ahav)
hij hield van
אֲבִיהֶם֙
(avihem)
hun vader
מִכָּל
(mikal)
meer dan alle
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וַֽיִּשְׂנְא֖וּ
(vayisneu)
en ze haatten
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָכְל֖וּ
(yakhelu)
ze konden
דַּבְּר֥וֹ
(dabero)
hem toespreken
לְשָׁלֹֽם
(leshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דברו לשׁלם (dabbero leshalom), ‘hem in vrede toespreken’: shalom is hier de vriendelijke groet en het goede woord; zie ook vers 14.

Aanvullend

Jasher 41:8 zegt dat ze hem al zijn dagen niet vredig konden toespreken.

5Jozef had een droom en vertelde die aan zijn broers. Ze haatten hem nog meer.
וַיַּחֲלֹ֤ם
(vayachalom)
en hij droomde
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
חֲל֔וֹם
(chalom)
een droom
וַיַּגֵּ֖ד
(vayaged)
en hij vertelde
לְאֶחָ֑יו
(leechav)
aan zijn broers
וַיּוֹסִ֥פוּ
(vayosifu)
en ze voegden toe
ע֖וֹד
(od)
nog
שְׂנֹ֥א
(seno)
haten
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חלום (chalom), ‘droom’: dromen in Genesis, zie 20:3; 28:12; 31:10–11, 24; 40:5; 41:1.

Aanvullend

Jasher 41:10–13 vertelt de droom van de schoven; vers 12–13 voegt toe dat Jakob Jozef kuste en zegende, waardoor de broers nog jaloerser werden.

6Hij zei tegen hen: „Luister toch naar deze droom die ik gedroomd heb.
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tot hen
שִׁמְעוּ
(shimu)
hoor
נָ֕א
(na)
toch
הַחֲל֥וֹם
(hachalom)
de droom
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָלָֽמְתִּי
(chalamti)
ik heb gedroomd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zie, wij waren schoven aan het binden midden op het veld. En zie, mijn schoof stond op en bleef ook rechtop staan, en zie, jullie schoven omringden haar en bogen zich neer voor mijn schoof.”
וְ֠הִנֵּה
(vehine)
en zie
אֲנַ֜חְנוּ
(anachnu)
wij
מְאַלְּמִ֤ים
(mealemim)
bindend
אֲלֻמִּים֙
(alumim)
schoven
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
קָ֥מָה
(qama)
stond op
אֲלֻמָּתִ֖י
(alumati)
mijn schoof
וְגַם
(vegam)
en ook
נִצָּ֑בָה
(nitsava)
stond rechtop
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
תְסֻבֶּ֨ינָה֙
(tesubeina)
ze omringden
אֲלֻמֹּ֣תֵיכֶ֔ם
(alumoteikhem)
jullie schoven
וַתִּֽשְׁתַּחֲוֶ֖יןָ
(vatishtachaveina)
en ze bogen zich neer
לַאֲלֻמָּתִֽי
(laalumati)
voor mijn schoof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מאלמים אלמים (me’allemim alummim), ‘schoven aan het binden’: het woord voor ‘schoof’ komt verder alleen voor in Ps. 126:6.

תסבינה אלמתיכם ותשׁתחוין (tesubbenah alummoteikhem vattishtachaveyn), ‘jullie schoven omringden haar en bogen zich neer’: zie 42:6; 43:26, 28 voor de vervulling.

8Zijn broers zeiden tegen hem: „Zul jij dan koning over ons worden? Of zul jij ons werkelijk beheersen?” Ze haatten hem nog meer om zijn dromen en om zijn woorden.
וַיֹּ֤אמְרוּ
(vayomru)
en ze zeiden
לוֹ֙
(lo)
tot hem
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
הֲמָלֹ֤ךְ
(hamalokh)
zul je dan koning zijn
תִּמְלֹךְ֙
(timlokh)
je zult koning zijn
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
אִם
(im)
of
מָשׁ֥וֹל
(mashol)
heersen
תִּמְשֹׁ֖ל
(timshol)
je zult heersen
בָּ֑נוּ
(banu)
over ons
וַיּוֹסִ֤פוּ
(vayosifu)
en ze voegden toe
עוֹד֙
(od)
nog
שְׂנֹ֣א
(seno)
haten
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
עַל
(al)
om
חֲלֹמֹתָ֖יו
(chalomotav)
zijn dromen
וְעַל
(veal)
en om
דְּבָרָֽיו
(devarav)
zijn woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

המלך תמלך עלינו (hamalokh timlokh aleinu), ‘zul je koning over ons worden’: de eerste keer dat in Genesis een koningschap over Jakobs kinderen wordt genoemd; zie 36:31; 49:10.

9Hij had nog een andere droom en vertelde die aan zijn broers. Hij zei: „Zie, ik heb nog een droom gedroomd, en zie, de zon en de maan en elf sterren bogen zich neer voor mij.”
וַיַּחֲלֹ֥ם
(vayachalom)
en hij droomde
עוֹד֙
(od)
nog
חֲל֣וֹם
(chalom)
een droom
אַחֵ֔ר
(acher)
andere
וַיְסַפֵּ֥ר
(vaysaper)
en hij vertelde
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לְאֶחָ֑יו
(leechav)
aan zijn broers
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
חָלַ֤מְתִּֽי
(chalamti)
ik heb gedroomd
חֲלוֹם֙
(chalom)
een droom
ע֔וֹד
(od)
nog
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
הַשֶּׁ֣מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
וְהַיָּרֵ֗חַ
(vehayareach)
en de maan
וְאַחַ֤ד
(veachad)
en een
עָשָׂר֙
(asar)
tien
כּֽוֹכָבִ֔ים
(kokhavim)
sterren
מִֽשְׁתַּחֲוִ֖ים
(mishtachavim)
zich neerbuigend
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

השׁמשׁ והירח ואחד עשׂר כוכבים (hashemesh vehayareach ve’achad asar kokhavim), ‘de zon en de maan en elf sterren’: vader, moeder en elf broers (zie vers 10).

Zie ook 15:5 voor sterren als beeld van nageslacht.

Aanvullend

Jasher 41:14 vertelt dezelfde droom.

10Hij vertelde het aan zijn vader en aan zijn broers. Zijn vader berispte hem en zei tegen hem: „Wat is dit voor een droom die je gedroomd hebt? Zullen wij dan komen, ik, je moeder en je broers, om ons voor je neer te buigen tot op de grond?”
וַיְסַפֵּ֣ר
(vaysaper)
en hij vertelde
אֶל
(el)
aan
אָבִיו֮
(aviv)
zijn vader
וְאֶל
(veel)
en aan
אֶחָיו֒
(echav)
zijn broers
וַיִּגְעַר
(vayigar)
en hij berispte
בּ֣וֹ
(bo)
hem
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֔וֹ
(lo)
tot hem
מָ֛ה
(ma)
wat
הַחֲל֥וֹם
(hachalom)
de droom
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָלָ֑מְתָּ
(chalamta)
je hebt gedroomd
הֲב֣וֹא
(havo)
zullen komen
נָב֗וֹא
(navo)
wij zullen komen
אֲנִי֙
(ani)
ik
וְאִמְּךָ֣
(veimekha)
en je moeder
וְאַחֶ֔יךָ
(veacheikha)
en je broers
לְהִשְׁתַּחֲוֺ֥ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
אָֽרְצָה
(aretsa)
ter aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואמך (ve’immekha), ‘en je moeder’: Rachel was al gestorven (zie 35:19).

Een oude uitleg denkt aan Bilha, die Jozef grootbracht (zie 35:22).

להשׁתחות לך ארצה (lehishtachavot lekha artsah), ‘om ons voor je neer te buigen tot op de grond’: zie 33:3; 42:6.

Aanvullend

Jubileeën 34:15 zegt dat Bilha stierf toen ze hoorde dat Jozef verdwenen was.

Jasher 41:15–16 geeft Jakobs berisping in dezelfde bewoordingen weer.

11Zijn broers waren jaloers op hem, maar zijn vader bewaarde de zaak.
וַיְקַנְאוּ
(vayqanu)
en ze werden jaloers
ב֖וֹ
(bo)
op hem
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
וְאָבִ֖יו
(veaviv)
en zijn vader
שָׁמַ֥ר
(shamar)
hij bewaarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַדָּבָֽר
(hadavar)
de zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויקנאו (vayqan’u), ‘werden jaloers’: zie 26:14; 30:1.

שׁמר את הדבר (shamar et hadavar), ‘bewaarde de zaak’: Jakob onthield het in zijn hart.

Aanvullend

Jasher 41:17 zegt dat Jakob de dromen in zijn hart bewaarde.

Jozef wordt naar zijn broers gestuurd

12Zijn broers gingen de kudde van hun vader weiden in Sichem.
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
לִרְע֛וֹת
(lirot)
om te weiden
אֶׄתׄ
(et)
(lijdend voorwerp)
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee van
אֲבִיהֶ֖ם
(avihem)
hun vader
בִּשְׁכֶֽם
(bishkhem)
in Sichem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Uitleg

את (et), ‘(lijdend voorwerp)’: boven dit woord staan stippen, een teken dat de schrijvers het bijzonder merkten.

Oude uitleggers lezen daarin dat de broers zichzelf weidden en niet de kudde.

בשׁכם (bishkhem), ‘in Sichem’: de plaats van de gebeurtenissen van hoofdstuk 34.

Aanvullend

Jasher 41:18–19 zegt dat Jakob zich zorgen maakte toen zijn zonen te lang wegbleven, uit vrees dat de inwoners van Sichem tegen hen waren opgestaan.

Jubileeën 34:1–9 vertelt dat Jakob zeven koningen van de Amorieten versloeg die zijn zonen en hun kudden bij Sichem aanvielen.

13Israël zei tegen Jozef: „Weiden je broers niet bij Sichem? Kom, ik zal je naar hen toe sturen.” Hij zei tegen hem: „Hier ben ik.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
הֲל֤וֹא
(halo)
niet
אַחֶ֨יךָ֙
(acheikha)
je broers
רֹעִ֣ים
(roim)
weidend
בִּשְׁכֶ֔ם
(bishkhem)
in Sichem
לְכָ֖ה
(lekha)
ga
וְאֶשְׁלָחֲךָ֣
(veeshlachakha)
en ik zal je sturen
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
naar hen
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֖וֹ
(lo)
tot hem
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Uitleg

ואשׁלחך (ve’eshlachakha), ‘en ik zal je sturen’: zie Ps. 105:17.

הנני (hineni), ‘Hier ben ik’: zie 22:1, 7, 11; 27:1; 31:11; 46:2.

14Hij zei tegen hem: „Ga toch kijken hoe het met je broers gaat en hoe het met de kudde gaat, en breng mij bericht.” Zo stuurde hij hem uit het dal van Hebron, en hij kwam bij Sichem.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
לֶךְ
(lekh)
ga
נָ֨א
(na)
toch
רְאֵ֜ה
(ree)
zie
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁל֤וֹם
(shelom)
welzijn van
אַחֶ֨יךָ֙
(acheikha)
je broers
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שְׁל֣וֹם
(shelom)
welzijn van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de kudde
וַהֲשִׁבֵ֖נִי
(vahashiveni)
en breng mij terug
דָּבָ֑ר
(davar)
bericht
וַיִּשְׁלָחֵ֨הוּ֙
(vayishlachehu)
en hij stuurde hem
מֵעֵ֣מֶק
(meemeq)
uit het dal van
חֶבְר֔וֹן
(chevron)
Hebron
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
שְׁכֶֽמָה
(shekhema)
naar Sichem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

מעמק חברון (me’emeq Chevron), ‘uit het dal van Hebron’: zie 13:18; 23:2.

Van Hebron naar Sichem is het ongeveer 80 km.

Uitleg

שׁלום אחיך (shelom acheikha), ‘het welzijn van je broers’: zie vers 4.

Aanvullend

Jasher 41:20–21 zegt dat Jakob Jozef uit het dal van Hebron stuurde en dat Jozef zijn broers in Sichem niet vond en op het veld verdwaalde.

15Een man vond hem, en zie, hij dwaalde rond op het veld. De man vroeg hem: „Wat zoek je?”
וַיִּמְצָאֵ֣הוּ
(vayimtsaehu)
en hij vond hem
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
תֹעֶ֖ה
(toe)
dwalend
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
op het veld
וַיִּשְׁאָלֵ֧הוּ
(vayishalehu)
en hij vroeg hem
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
מַה
(ma)
wat
תְּבַקֵּֽשׁ
(tevaqesh)
zoek je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אישׁ (ish), ‘een man’: een niet bij naam genoemde man.

תעה (to’eh), ‘dwalend’: ‘verdwaald’; zie 21:14.

Aanvullend

Jasher 41:22 zegt dat het een engel van Yahweh was.

16Hij zei: „Mijn broers zoek ik. Zeg me toch waar zij de kudde weiden.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַחַ֖י
(achay)
mijn broers
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
מְבַקֵּ֑שׁ
(mevaqesh)
zoekend
הַגִּֽידָה
(hagida)
vertel
נָּ֣א
(na)
toch
לִ֔י
(li)
mij
אֵיפֹ֖ה
(eifo)
waar
הֵ֥ם
(hem)
zij
רֹעִֽים
(roim)
weidend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De man zei: „Ze zijn vertrokken, want ik hoorde hen zeggen: ‘Laten wij naar Dotan gaan.’” Jozef ging zijn broers achterna en vond hen in Dotan.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
נָסְע֣וּ
(naseu)
ze zijn vertrokken
מִזֶּ֔ה
(mize)
van hier
כִּ֤י
(ki)
want
שָׁמַ֨עְתִּי֙
(shamati)
ik hoorde
אֹֽמְרִ֔ים
(omerim)
zeggend
נֵלְכָ֖ה
(nelekha)
laten we gaan
דֹּתָ֑יְנָה
(dotayena)
naar Dotan
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אַחַ֣ר
(achar)
achter
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וַיִּמְצָאֵ֖ם
(vayimtsaem)
en hij vond hen
בְּדֹתָֽן
(bedotan)
in Dotan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

דתינה (Dotaynah), ‘naar Dotan’: Dotan ligt ongeveer 20 km ten noorden van Sichem, op de oude handelsweg naar Egypte (zie vers 25).

Uitleg

Zie ook 2 Kon. 6:13.

Aanvullend

Jasher 41:22–23 zegt dat de engel Jozef de weg naar Dotan wees.

De samenzwering

18Ze zagen hem van verre, en voordat hij bij hen was, smeedden ze een plan tegen hem om hem te doden.
וַיִּרְא֥וּ
(vayiru)
en ze zagen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
מֵרָחֹ֑ק
(merachoq)
van verre
וּבְטֶ֨רֶם֙
(uveterem)
en voordat
יִקְרַ֣ב
(yiqrav)
hij naderde
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
וַיִּֽתְנַכְּל֥וּ
(vayitnakelu)
en ze smeedden listig plannen
אֹת֖וֹ
(oto)
tegen hem
לַהֲמִיתֽוֹ
(lahamito)
om hem te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויתנכלו (vayitnakkelu), ‘smeedden listig een plan’: zie Num. 25:18; Ps. 105:25.

Aanvullend

Jasher 41:24 zegt dat ze al besloten hadden hem te doden voordat hij bij hen was.

19Ze zeiden tegen elkaar: „Kijk, daar komt die meester van de dromen.
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
tot
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
הִנֵּ֗ה
(hine)
zie
בַּ֛עַל
(baal)
meester van
הַחֲלֹמ֥וֹת
(hachalomot)
de dromen
הַלָּזֶ֖ה
(halaze)
die daar
בָּֽא
(ba)
komt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בעל החלמות (ba’al hachalomot), ‘meester van de dromen’: spottend bedoeld.

Aanvullend

Jasher 41:25 legt deze woorden in de mond van Simeon, die zegt dat ze hem moeten doden en in een van de putten gooien.

20Kom nu, laten wij hem doden en in een van de putten gooien. Dan zullen wij zeggen: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten.’ Dan zien wij wat van zijn dromen zal worden.”
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
לְכ֣וּ
(lekhu)
kom
וְנַֽהַרְגֵ֗הוּ
(venahargehu)
en laten we hem doden
וְנַשְׁלִכֵ֨הוּ֙
(venashlikhehu)
en laten we hem werpen
בְּאַחַ֣ד
(beachad)
in een van
הַבֹּר֔וֹת
(haborot)
de putten
וְאָמַ֕רְנוּ
(veamarnu)
en we zullen zeggen
חַיָּ֥ה
(chaya)
dier
רָעָ֖ה
(raa)
wild
אֲכָלָ֑תְהוּ
(akhalatehu)
heeft hem opgegeten
וְנִרְאֶ֕ה
(venire)
en laten we zien
מַה
(ma)
wat
יִּהְי֖וּ
(yihyu)
ze zullen worden
חֲלֹמֹתָֽיו
(chalomotav)
zijn dromen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חיה רעה (chayah ra’ah), ‘een wild dier’: zie vers 33; Lev. 26:6.

Aanvullend

Jasher 41:25 heeft hier hetzelfde: een kwaad dier.

21Ruben hoorde het en redde hem uit hun hand. Hij zei: „Laten wij hem het leven niet ontnemen.”
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hij hoorde
רְאוּבֵ֔ן
(reuven)
Ruben
וַיַּצִּלֵ֖הוּ
(vayatsilehu)
en hij redde hem
מִיָּדָ֑ם
(miyadam)
uit hun hand
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹ֥א
(lo)
niet
נַכֶּ֖נּוּ
(nakenu)
laten we hem slaan
נָֽפֶשׁ
(nafesh)
het leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויצלהו (vayyatsilehu), ‘redde hem’: Ruben, de eerstgeborene (zie 35:23), voelt zich verantwoordelijk (zie 42:22, 37).

נכנו נפשׁ (nakkenu nafesh), ‘laten wij hem het leven niet ontnemen’: letterlijk ‘laten wij hem niet slaan wat het leven betreft’; zie Deut. 19:6, 11.

22Ruben zei tegen hen: „Vergiet geen bloed. Gooi hem in deze put in de woestijn, maar leg de hand niet aan hem.” Hij wilde hem uit hun hand redden en hem terugbrengen naar zijn vader.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֣ם
(alehem)
tot hen
רְאוּבֵן֮
(reuven)
Ruben
אַל
(al)
niet
תִּשְׁפְּכוּ
(tishpekhu)
vergiet
דָם֒
(dam)
bloed
הַשְׁלִ֣יכוּ
(hashlikhu)
werp
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
in
הַבּ֤וֹר
(habor)
de put
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְיָ֖ד
(veyad)
en hand
אַל
(al)
niet
תִּשְׁלְחוּ
(tishlechu)
leg
ב֑וֹ
(bo)
aan hem
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
הַצִּ֤יל
(hatsil)
om te redden
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
מִיָּדָ֔ם
(miyadam)
uit hun hand
לַהֲשִׁיב֖וֹ
(lahashivo)
om hem terug te brengen
אֶל
(el)
naar
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תשׁפכו דם (tishpekhu dam), ‘vergiet geen bloed’: zie 9:6.

במדבר (bamidbar), ‘in de woestijn’: het onbewoonde weideland buiten de akkers, niet een zandwoestijn.

Aanvullend

Jasher 41:26 geeft Rubens woorden en zegt dat hij dit zei om Jozef uit hun hand te redden en hem naar zijn vader terug te brengen.

23Toen Jozef bij zijn broers kwam, trokken ze Jozef het kleed uit, de jas met lange mouwen die hij aanhad.
וַֽיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כַּֽאֲשֶׁר
(kaasher)
toen
בָּ֥א
(ba)
kwam
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
bij
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
וַיַּפְשִׁ֤יטוּ
(vayafshitu)
en ze trokken uit
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כֻּתָּנְתּ֔וֹ
(kutanto)
zijn kleed
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּתֹ֥נֶת
(ketonet)
jas van
הַפַּסִּ֖ים
(hapasim)
de lange mouwen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָלָֽיו
(alav)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כתנת הפסים (ketonet happassim), ‘de jas met lange mouwen’: zie vers 3.

Aanvullend

Jasher 41:27 zegt dat ze hem op de grond sloegen en de jas uittrokken.

24Ze namen hem en gooiden hem in de put. De put was leeg, er was geen water in.
וַיִּ֨קָּחֻ֔הוּ
(vayiqachuhu)
en ze namen hem
וַיַּשְׁלִ֥כוּ
(vayashlikhu)
en ze wierpen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
הַבֹּ֑רָה
(habora)
in de put
וְהַבּ֣וֹר
(vehabor)
en de put
רֵ֔ק
(req)
leeg
אֵ֥ין
(ein)
er was geen
בּ֖וֹ
(bo)
in hem
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

והבור רק (vehabbor req), ‘de put was leeg’: een uitgegraven regenwaterput; zie Jer. 38:6.

Aanvullend

Jasher 41:28 zegt dat er wel slangen en schorpioenen in waren, die Yahweh in de wanden verborg zodat ze Jozef niet deerden.

Jasher 41:29–34 geeft Jozefs smeekbede uit de put.

Jozef wordt verkocht

25Daarna gingen ze zitten om brood te eten. Ze sloegen hun ogen op en zagen een karavaan van Ismaëlieten die uit Gilead kwam. Hun kamelen droegen kruidengom, balsem en hars, op weg om het naar Egypte te brengen.
וַיֵּשְׁבוּ֮
(vayeshevu)
en ze zaten
לֶֽאֱכָל
(leekhal)
om te eten
לֶחֶם֒
(lechem)
brood
וַיִּשְׂא֤וּ
(vayisu)
en ze sloegen op
עֵֽינֵיהֶם֙
(eineihem)
hun ogen
וַיִּרְא֔וּ
(vayiru)
en ze zagen
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
אֹרְחַ֣ת
(orechat)
karavaan van
יִשְׁמְעֵאלִ֔ים
(yishmeelim)
Ismaëlieten
בָּאָ֖ה
(baa)
komend
מִגִּלְעָ֑ד
(migilad)
uit Gilead
וּגְמַלֵּיהֶ֣ם
(ugemaleihem)
en hun kamelen
נֹֽשְׂאִ֗ים
(noseim)
dragend
נְכֹאת֙
(nekhot)
kruidengom
וּצְרִ֣י
(utseri)
en balsem
וָלֹ֔ט
(valot)
en hars
הוֹלְכִ֖ים
(holekhim)
gaand
לְהוֹרִ֥יד
(lehorid)
om af te voeren
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

וישׁבו לאכל לחם (vayyeshvu le’ekhol lachem), ‘gingen zitten om brood te eten’: zie 42:21, waar de broers zich herinneren hoe Jozef smeekte.

ארחת ישׁמעאלים (orchat yishme’elim), ‘karavaan van Ismaëlieten’: zie 39:1.

נכאת וצרי ולט (nekhot utseri valot), ‘kruidengom, balsem en hars’: nekot is waarschijnlijk tragantgom, tseri balsem (zie Jer. 8:22; 46:11) en lot ladanum, een hars.

Gilead ligt oostelijk van de Jordaan.

Aanvullend

Jasher 42:1–2 zegt dat de broers zaten te beraadslagen toen ze de karavaan zagen.

26Juda zei tegen zijn broers: „Wat winnen wij ermee dat we onze broer doden en zijn bloed verbergen?
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
tot
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
מַה
(ma)
wat
בֶּ֗צַע
(betsa)
winst
כִּ֤י
(ki)
als
נַהֲרֹג֙
(naharog)
we doden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָחִ֔ינוּ
(achinu)
onze broer
וְכִסִּ֖ינוּ
(vekhisinu)
en we bedekken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דָּמֽוֹ
(damo)
zijn bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מה בצע (mah betsa), ‘wat winnen wij’: Jasher 42:3 zegt dat Juda zei dat Elohim Jozef misschien van hen zou eisen.

וכסינו את דמו (vekhissinu et damo), ‘en zijn bloed verbergen’: zie 4:10; Job 16:18.

27Kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen, en laat onze hand niet aan hem zijn, want hij is onze broer, ons vlees.” Zijn broers luisterden.
לְכ֞וּ
(lekhu)
kom
וְנִמְכְּרֶ֣נּוּ
(venimkerenu)
en laten we hem verkopen
לַיִּשְׁמְעֵאלִ֗ים
(layishmeelim)
aan de Ismaëlieten
וְיָדֵ֨נוּ֙
(veyadenu)
en onze hand
אַל
(al)
niet
תְּהִי
(tehi)
laat zijn
ב֔וֹ
(bo)
aan hem
כִּֽי
(ki)
want
אָחִ֥ינוּ
(achinu)
onze broer
בְשָׂרֵ֖נוּ
(besarenu)
ons vlees
ה֑וּא
(hu)
hij
וַֽיִּשְׁמְע֖וּ
(vayishmeu)
en ze luisterden
אֶחָֽיו
(echav)
zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ונמכרנו (venimkerennu), ‘laten wij hem verkopen’: zie Ex. 21:16; Deut. 24:7.

בשׂרנו (besarenu), ‘ons vlees’: zie 2:23; 29:14.

Aanvullend

Jasher 42:4 zegt dat het voorstel de broers beviel.

28Midianitische kooplieden trokken voorbij. Ze trokken Jozef omhoog en haalden hem uit de put, en verkochten Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten. Ze brachten Jozef naar Egypte.
וַיַּֽעַבְרוּ֩
(vayaavru)
en ze trokken voorbij
אֲנָשִׁ֨ים
(anashim)
mannen
מִדְיָנִ֜ים
(midyanim)
Midianitische
סֹֽחֲרִ֗ים
(socharim)
kooplieden
וַֽיִּמְשְׁכוּ֙
(vayimshekhu)
en ze trokken
וַיַּֽעֲל֤וּ
(vayaalu)
en ze haalden omhoog
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
מִן
(min)
uit
הַבּ֔וֹר
(habor)
de put
וַיִּמְכְּר֧וּ
(vayimkeru)
en ze verkochten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
לַיִּשְׁמְעֵאלִ֖ים
(layishmeelim)
aan de Ismaëlieten
בְּעֶשְׂרִ֣ים
(beesrim)
voor twintig
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
וַיָּבִ֥יאוּ
(vayaviu)
en ze brachten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אנשׁים מדינים סחרים (anashim Midyanim socharim), ‘Midianitische kooplieden’: zie 25:2.

וימכרו (vayimkeru), ‘verkochten’: wie hier handelt, is niet duidelijk.

Vers 27 bedoelt de broers, vers 36 noemt de Medanieten, en 39:1 zegt dat de Ismaëlieten hem naar Egypte brachten.

Jozef zegt later: ‘die jullie naar Egypte verkocht hebben’ (zie 45:4–5).

בעשׂרים כסף (be’esrim kasef), ‘voor twintig zilverstukken’: zie Lev. 27:5, waar twintig sikkel de waarde is van een jongen tussen vijf en twintig jaar.

Aanvullend

Jasher 42:5–19 vertelt dat zeven Midianitische kooplieden Jozef uit de put haalden, dat de broers hem na een twist voor twintig zilverstukken aan hen verkochten, zonder Ruben, en dat de Midianieten hem aan de Ismaëlieten doorverkochten voor hetzelfde bedrag (Jasher 42:23–25).

Jasher 42:29–40 vertelt dat Jozef onderweg op Rachels graf viel en daar een stem hoorde.

Jubileeën 34:10–11 zegt dat Jakob Jozef zond en dat zijn broers een plan tegen hem smeedden om hem te doden; over de verkoop zegt Jubileeën daar niets.

29Ruben keerde terug naar de put, en zie, Jozef was niet in de put. Hij scheurde zijn kleren.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
רְאוּבֵן֙
(reuven)
Ruben
אֶל
(el)
naar
הַבּ֔וֹר
(habor)
de put
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
אֵין
(ein)
er was niet
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
בַּבּ֑וֹר
(babor)
in de put
וַיִּקְרַ֖ע
(vayiqra)
en hij scheurde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּגָדָֽיו
(begadav)
zijn kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויקרע את בגדיו (vayyiqra et begadav), ‘hij scheurde zijn kleren’: rouwgebaar; zie vers 34; 44:13.

Aanvullend

Jasher 43:2–4 vertelt dat Ruben bij de put terugkwam, in de put afdaalde en Jozef niet vond, en dat hij zijn kleren scheurde.

30Hij ging terug naar zijn broers en zei: „De jongen is er niet meer, en ik, waar moet ik heen?”
וַיָּ֥שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
אֶל
(el)
tot
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
הַיֶּ֣לֶד
(hayeled)
de jongen
אֵינֶ֔נּוּ
(einenu)
niet meer
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אָ֥נָה
(ana)
waar
אֲנִי
(ani)
ik
בָֽא
(ba)
kom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואני אנה אני בא (va’ani anah ani va), ‘en ik, waar moet ik heen’: zie 42:22, 37.

Aanvullend

Jasher 43:5–8 zegt dat de broers vertelden wat ze gedaan hadden en elkaar zwoeren Jakob niets te vertellen.

De jas en Jakobs rouw

31Ze namen Jozefs jas, slachtten een geitenbok en doopten de jas in het bloed.
וַיִּקְח֖וּ
(vayiqchu)
en ze namen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּתֹ֣נֶת
(ketonet)
jas van
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וַֽיִּשְׁחֲטוּ֙
(vayishchatu)
en ze slachtten
שְׂעִ֣יר
(seir)
bok van
עִזִּ֔ים
(izim)
geiten
וַיִּטְבְּל֥וּ
(vayitbelu)
en ze doopten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַכֻּתֹּ֖נֶת
(hakutonet)
de jas
בַּדָּֽם
(badam)
in het bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂעיר עזים (se’ir izzim), ‘geitenbok’: zie ook 27:9, 16; 38:17, 20.

Aanvullend

Jasher 43:10–13 zegt dat Issachar dit voorstelde: de jas scheuren, een bok slachten en de jas in het bloed dopen.

Jubileeën 34:12 zegt dat ze de jas stuurden op de tiende van de zevende maand.

32Ze stuurden de jas met lange mouwen weg en brachten die naar hun vader. Ze zeiden: „Dit hebben we gevonden. Herken toch of het de jas van je zoon is of niet.”
וַֽיְשַׁלְּח֞וּ
(vayshalechu)
en ze stuurden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּתֹ֣נֶת
(ketonet)
jas van
הַפַּסִּ֗ים
(hapasim)
de lange mouwen
וַיָּבִ֨יאוּ֙
(vayaviu)
en ze brachten
אֶל
(el)
naar
אֲבִיהֶ֔ם
(avihem)
hun vader
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en ze zeiden
זֹ֣את
(zot)
dit
מָצָ֑אנוּ
(matsanu)
we hebben gevonden
הַכֶּר
(haker)
herken
נָ֗א
(na)
toch
הַכְּתֹ֧נֶת
(haketonet)
de jas
בִּנְךָ֛
(binkha)
je zoon
הִ֖וא
(hi)
zij
אִם
(im)
of
לֹֽא
(lo)
niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הכר נא (hakker na), ‘herken toch’: hetzelfde werkwoord als in 27:23 en 38:25.

Aanvullend

Jasher 43:13–15 zegt dat de broers de jas door Naftali lieten brengen, met de woorden dat ze hem op de weg gevonden hadden.

33Hij herkende hem en zei: „De jas van mijn zoon! Een wild dier heeft hem opgegeten. Jozef is zeker verscheurd.”
וַיַּכִּירָ֤הּ
(vayakirah)
en hij herkende haar
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
כְּתֹ֣נֶת
(ketonet)
jas van
בְּנִ֔י
(beni)
mijn zoon
חַיָּ֥ה
(chaya)
dier
רָעָ֖ה
(raa)
wild
אֲכָלָ֑תְהוּ
(akhalatehu)
heeft hem opgegeten
טָרֹ֥ף
(tarof)
verscheuren
טֹרַ֖ף
(toraf)
is verscheurd
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויכירה (vayyakkirah), ‘herkende hem’: zie 38:25.

טרף טרף (taroph toraph), ‘zeker verscheurd’: zie vers 20.

Aanvullend

Jasher 43:16 zegt dat Jakob op zijn gezicht viel, stil als een steen, en daarna luid riep dat het Jozefs jas was.

34Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om zijn heupen en rouwde vele dagen om zijn zoon.
וַיִּקְרַ֤ע
(vayiqra)
en hij scheurde
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
שִׂמְלֹתָ֔יו
(simlotav)
zijn kleren
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
שַׂ֖ק
(saq)
rouwkleed
בְּמָתְנָ֑יו
(bematenav)
om zijn heupen
וַיִּתְאַבֵּ֥ל
(vayitabel)
en hij rouwde
עַל
(al)
om
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grof gewaad, vaak van haar; zie 2 Sam. 3:31; 1 Kon. 21:27.

Aanvullend

Jubileeën 34:12–13 zegt dat het bericht Jakob in de avond bereikte en dat hij die nacht rouwde, en dat het hele huis met hem rouwde.

35Al zijn zonen en al zijn dochters stonden op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten. Hij zei: „Nee, rouwend zal ik naar mijn zoon afdalen in de Sjeol.” Zijn vader beweende hem.
וַיָּקֻמוּ֩
(vayaqumu)
en ze stonden op
כָל
(kal)
al
בָּנָ֨יו
(banav)
zijn zonen
וְכָל
(vekhal)
en al
בְּנֹתָ֜יו
(benotav)
zijn dochters
לְנַחֲמ֗וֹ
(lenachamo)
om hem te troosten
וַיְמָאֵן֙
(vaymaen)
en hij weigerde
לְהִתְנַחֵ֔ם
(lehitnachem)
zich te laten troosten
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּֽי
(ki)
want
אֵרֵ֧ד
(ered)
ik zal afdalen
אֶל
(el)
naar
בְּנִ֛י
(beni)
mijn zoon
אָבֵ֖ל
(avel)
rouwend
שְׁאֹ֑לָה
(sheola)
naar de Sjeol
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כל בניו וכל בנתיו (kol banav vekhol benotav), ‘al zijn zonen en al zijn dochters’: ook Dina en de schoondochters.

כי ארד אל בני אבל שׁאלה (ki ered el beni avel she’olah), ‘want ik zal rouwend naar mijn zoon afdalen in de Sjeol’: she’ol is het dodenrijk, de plaats van de gestorvenen; zie 42:38; 44:29, 31; Num. 16:30.

Aanvullend

Jubileeën 34:14 spreekt van zijn zonen en zijn dochter.

Jubileeën 34:17 zegt dat hij een jaar om Jozef rouwde en niet ophield.

36De Medanieten verkochten hem in Egypte aan Potifar, een hofdienaar van de farao, de bevelhebber van de lijfwacht.
וְהַ֨מְּדָנִ֔ים
(vehamedanim)
en de Medanieten
מָכְר֥וּ
(makheru)
ze verkochten
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְפֽוֹטִיפַר֙
(lefotifar)
aan Potifar
סְרִ֣יס
(seris)
hofdienaar van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
שַׂ֖ר
(sar)
overste van
הַטַּבָּחִֽים
(hatabachim)
de slachters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

והמדנים (vehamedanim), ‘de Medanieten’: zo staat het in de Hebreeuwse tekst; Medan was een zoon van Abraham en Ketura (zie 25:2), een broer van Midian.

Oude vertalingen lezen hier Midianieten.

לפוטיפר סריס פרעה (lePotifar seris Par’oh), ‘aan Potifar, hofdienaar van de farao’: saris is ‘hofdienaar’, soms ‘eunuch’; Potifar is getrouwd (zie 39:7).

שׂר הטבחים (sar hattabbachim), ‘bevelhebber van de lijfwacht’: letterlijk ‘overste van de slachters’; zie 39:1; 40:3–4; 2 Kon. 25:8.

Aanvullend

Jasher 42:53 zegt dat de Ismaëlieten Jozef verder naar Egypte brachten.