Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jozef en zijn broers
1Jakob woonde in het land waar zijn vader als vreemdeling had gewoond, in het land Kanaän.
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
מְגוּרֵ֣י
(megurei)
verblijf van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
מגורי אביו (megurei aviv), ‘waar zijn vader als vreemdeling had gewoond’: zie 17:8; 35:27.
Aanvullend
Jasher 41:1 zegt dat Jakob en zijn huis in het dal van Hebron woonden en dat hun kudden dagelijks in Sichem graasden.
2Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef, 17 jaar oud, weidde met zijn broers de kudde. Hij was nog een jongen bij de zonen van Bilha en bij de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader. Jozef bracht een kwaad gerucht over hen bij hun vader.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
תֹּלְד֣וֹת
(toledot)
geschiedenis van
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
יוֹסֵ֞ף
(yosef)
Jozef
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁבַֽע
(sheva)
zeven
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
הָיָ֨ה
(haya)
hij was
רֹעֶ֤ה
(roe)
weidend
אֶת
(et)
met
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
בַּצֹּ֔אן
(batson)
bij het kleinvee
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
נַ֗עַר
(naar)
jongen
אֶת
(et)
met
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
בִלְהָ֛ה
(bilha)
Bilha
וְאֶת
(veet)
en met
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
זִלְפָּ֖ה
(zilpa)
Zilpa
נְשֵׁ֣י
(neshei)
vrouwen van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבָּתָ֥ם
(dibatam)
hun gerucht
רָעָ֖ה
(raa)
slecht
אֶל
(el)
tot
אֲבִיהֶֽם
(avihem)
hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אלה תלדות יעקב (eleh toledot Yaakov), ‘dit is de geschiedenis van Jakob’: zie 2:4; 6:9; 36:1.
Het verhaal gaat nu over Jakobs zonen, vooral over Jozef.
נער (na’ar), ‘jongen’: ook ‘jonge bediende’.
Jozef is zeventien.
דבתם רעה (dibbatam ra’ah), ‘hun kwade gerucht’: wat Jozef precies meldde, zegt de tekst niet (zie Num. 13:32; 14:36–37).
Aanvullend
Jasher 41:5–9 zegt dat Jozef en Benjamin nog te jong waren om met hun broers te vechten, dat Jozef zich boven zijn broers verhief en dat hij kwaad over hen aan zijn vader bracht.
7Zie, wij waren schoven aan het binden midden op het veld. En zie, mijn schoof stond op en bleef ook rechtop staan, en zie, jullie schoven omringden haar en bogen zich neer voor mijn schoof.”
וְ֠הִנֵּה
(vehine)
en zie
אֲנַ֜חְנוּ
(anachnu)
wij
מְאַלְּמִ֤ים
(mealemim)
bindend
אֲלֻמִּים֙
(alumim)
schoven
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
קָ֥מָה
(qama)
stond op
אֲלֻמָּתִ֖י
(alumati)
mijn schoof
וְגַם
(vegam)
en ook
נִצָּ֑בָה
(nitsava)
stond rechtop
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
תְסֻבֶּ֨ינָה֙
(tesubeina)
ze omringden
אֲלֻמֹּ֣תֵיכֶ֔ם
(alumoteikhem)
jullie schoven
וַתִּֽשְׁתַּחֲוֶ֖יןָ
(vatishtachaveina)
en ze bogen zich neer
לַאֲלֻמָּתִֽי
(laalumati)
voor mijn schoof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מאלמים אלמים (me’allemim alummim), ‘schoven aan het binden’: het woord voor ‘schoof’ komt verder alleen voor in Ps. 126:6.
תסבינה אלמתיכם ותשׁתחוין (tesubbenah alummoteikhem vattishtachaveyn), ‘jullie schoven omringden haar en bogen zich neer’: zie 42:6; 43:26, 28 voor de vervulling.
8Zijn broers zeiden tegen hem: „Zul jij dan koning over ons worden? Of zul jij ons werkelijk beheersen?” Ze haatten hem nog meer om zijn dromen en om zijn woorden.
וַיֹּ֤אמְרוּ
(vayomru)
en ze zeiden
לוֹ֙
(lo)
tot hem
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
הֲמָלֹ֤ךְ
(hamalokh)
zul je dan koning zijn
תִּמְלֹךְ֙
(timlokh)
je zult koning zijn
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
אִם
(im)
of
מָשׁ֥וֹל
(mashol)
heersen
תִּמְשֹׁ֖ל
(timshol)
je zult heersen
בָּ֑נוּ
(banu)
over ons
וַיּוֹסִ֤פוּ
(vayosifu)
en ze voegden toe
עוֹד֙
(od)
nog
שְׂנֹ֣א
(seno)
haten
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
עַל
(al)
om
חֲלֹמֹתָ֖יו
(chalomotav)
zijn dromen
וְעַל
(veal)
en om
דְּבָרָֽיו
(devarav)
zijn woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
המלך תמלך עלינו (hamalokh timlokh aleinu), ‘zul je koning over ons worden’: de eerste keer dat in Genesis een koningschap over Jakobs kinderen wordt genoemd; zie 36:31; 49:10.
9Hij had nog een andere droom en vertelde die aan zijn broers. Hij zei: „Zie, ik heb nog een droom gedroomd, en zie, de zon en de maan en elf sterren bogen zich neer voor mij.”
וַיַּחֲלֹ֥ם
(vayachalom)
en hij droomde
עוֹד֙
(od)
nog
חֲל֣וֹם
(chalom)
een droom
אַחֵ֔ר
(acher)
andere
וַיְסַפֵּ֥ר
(vaysaper)
en hij vertelde
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לְאֶחָ֑יו
(leechav)
aan zijn broers
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
חָלַ֤מְתִּֽי
(chalamti)
ik heb gedroomd
חֲלוֹם֙
(chalom)
een droom
ע֔וֹד
(od)
nog
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
הַשֶּׁ֣מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
וְהַיָּרֵ֗חַ
(vehayareach)
en de maan
וְאַחַ֤ד
(veachad)
en een
עָשָׂר֙
(asar)
tien
כּֽוֹכָבִ֔ים
(kokhavim)
sterren
מִֽשְׁתַּחֲוִ֖ים
(mishtachavim)
zich neerbuigend
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
השׁמשׁ והירח ואחד עשׂר כוכבים (hashemesh vehayareach ve’achad asar kokhavim), ‘de zon en de maan en elf sterren’: vader, moeder en elf broers (zie vers 10).
Zie ook 15:5 voor sterren als beeld van nageslacht.
10Hij vertelde het aan zijn vader en aan zijn broers. Zijn vader berispte hem en zei tegen hem: „Wat is dit voor een droom die je gedroomd hebt? Zullen wij dan komen, ik, je moeder en je broers, om ons voor je neer te buigen tot op de grond?”
וַיְסַפֵּ֣ר
(vaysaper)
en hij vertelde
אֶל
(el)
aan
אָבִיו֮
(aviv)
zijn vader
וְאֶל
(veel)
en aan
אֶחָיו֒
(echav)
zijn broers
וַיִּגְעַר
(vayigar)
en hij berispte
בּ֣וֹ
(bo)
hem
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֔וֹ
(lo)
tot hem
מָ֛ה
(ma)
wat
הַחֲל֥וֹם
(hachalom)
de droom
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָלָ֑מְתָּ
(chalamta)
je hebt gedroomd
הֲב֣וֹא
(havo)
zullen komen
נָב֗וֹא
(navo)
wij zullen komen
אֲנִי֙
(ani)
ik
וְאִמְּךָ֣
(veimekha)
en je moeder
וְאַחֶ֔יךָ
(veacheikha)
en je broers
לְהִשְׁתַּחֲוֺ֥ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
אָֽרְצָה
(aretsa)
ter aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ואמך (ve’immekha), ‘en je moeder’: Rachel was al gestorven (zie 35:19).
Een oude uitleg denkt aan Bilha, die Jozef grootbracht (zie 35:22).
להשׁתחות לך ארצה (lehishtachavot lekha artsah), ‘om ons voor je neer te buigen tot op de grond’: zie 33:3; 42:6.
Aanvullend
Jubileeën 34:15 zegt dat Bilha stierf toen ze hoorde dat Jozef verdwenen was.
Jasher 41:15–16 geeft Jakobs berisping in dezelfde bewoordingen weer.
14Hij zei tegen hem: „Ga toch kijken hoe het met je broers gaat en hoe het met de kudde gaat, en breng mij bericht.” Zo stuurde hij hem uit het dal van Hebron, en hij kwam bij Sichem.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
לֶךְ
(lekh)
ga
נָ֨א
(na)
toch
רְאֵ֜ה
(ree)
zie
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁל֤וֹם
(shelom)
welzijn van
אַחֶ֨יךָ֙
(acheikha)
je broers
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שְׁל֣וֹם
(shelom)
welzijn van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de kudde
וַהֲשִׁבֵ֖נִי
(vahashiveni)
en breng mij terug
דָּבָ֑ר
(davar)
bericht
וַיִּשְׁלָחֵ֨הוּ֙
(vayishlachehu)
en hij stuurde hem
מֵעֵ֣מֶק
(meemeq)
uit het dal van
חֶבְר֔וֹן
(chevron)
Hebron
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
שְׁכֶֽמָה
(shekhema)
naar Sichem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
מעמק חברון (me’emeq Chevron), ‘uit het dal van Hebron’: zie 13:18; 23:2.
Van Hebron naar Sichem is het ongeveer 80 km.
Uitleg
שׁלום אחיך (shelom acheikha), ‘het welzijn van je broers’: zie vers 4.
Aanvullend
Jasher 41:20–21 zegt dat Jakob Jozef uit het dal van Hebron stuurde en dat Jozef zijn broers in Sichem niet vond en op het veld verdwaalde.
20Kom nu, laten wij hem doden en in een van de putten gooien. Dan zullen wij zeggen: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten.’ Dan zien wij wat van zijn dromen zal worden.”
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
לְכ֣וּ
(lekhu)
kom
וְנַֽהַרְגֵ֗הוּ
(venahargehu)
en laten we hem doden
וְנַשְׁלִכֵ֨הוּ֙
(venashlikhehu)
en laten we hem werpen
בְּאַחַ֣ד
(beachad)
in een van
הַבֹּר֔וֹת
(haborot)
de putten
וְאָמַ֕רְנוּ
(veamarnu)
en we zullen zeggen
חַיָּ֥ה
(chaya)
dier
רָעָ֖ה
(raa)
wild
אֲכָלָ֑תְהוּ
(akhalatehu)
heeft hem opgegeten
וְנִרְאֶ֕ה
(venire)
en laten we zien
מַה
(ma)
wat
יִּהְי֖וּ
(yihyu)
ze zullen worden
חֲלֹמֹתָֽיו
(chalomotav)
zijn dromen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חיה רעה (chayah ra’ah), ‘een wild dier’: zie vers 33; Lev. 26:6.
Aanvullend
Jasher 41:25 heeft hier hetzelfde: een kwaad dier.
22Ruben zei tegen hen: „Vergiet geen bloed. Gooi hem in deze put in de woestijn, maar leg de hand niet aan hem.” Hij wilde hem uit hun hand redden en hem terugbrengen naar zijn vader.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֣ם
(alehem)
tot hen
רְאוּבֵן֮
(reuven)
Ruben
אַל
(al)
niet
תִּשְׁפְּכוּ
(tishpekhu)
vergiet
דָם֒
(dam)
bloed
הַשְׁלִ֣יכוּ
(hashlikhu)
werp
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
in
הַבּ֤וֹר
(habor)
de put
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְיָ֖ד
(veyad)
en hand
אַל
(al)
niet
תִּשְׁלְחוּ
(tishlechu)
leg
ב֑וֹ
(bo)
aan hem
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
הַצִּ֤יל
(hatsil)
om te redden
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
מִיָּדָ֔ם
(miyadam)
uit hun hand
לַהֲשִׁיב֖וֹ
(lahashivo)
om hem terug te brengen
אֶל
(el)
naar
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תשׁפכו דם (tishpekhu dam), ‘vergiet geen bloed’: zie 9:6.
במדבר (bamidbar), ‘in de woestijn’: het onbewoonde weideland buiten de akkers, niet een zandwoestijn.
Aanvullend
Jasher 41:26 geeft Rubens woorden en zegt dat hij dit zei om Jozef uit hun hand te redden en hem naar zijn vader terug te brengen.
25Daarna gingen ze zitten om brood te eten. Ze sloegen hun ogen op en zagen een karavaan van Ismaëlieten die uit Gilead kwam. Hun kamelen droegen kruidengom, balsem en hars, op weg om het naar Egypte te brengen.
וַיֵּשְׁבוּ֮
(vayeshevu)
en ze zaten
לֶֽאֱכָל
(leekhal)
om te eten
לֶחֶם֒
(lechem)
brood
וַיִּשְׂא֤וּ
(vayisu)
en ze sloegen op
עֵֽינֵיהֶם֙
(eineihem)
hun ogen
וַיִּרְא֔וּ
(vayiru)
en ze zagen
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
אֹרְחַ֣ת
(orechat)
karavaan van
יִשְׁמְעֵאלִ֔ים
(yishmeelim)
Ismaëlieten
בָּאָ֖ה
(baa)
komend
מִגִּלְעָ֑ד
(migilad)
uit Gilead
וּגְמַלֵּיהֶ֣ם
(ugemaleihem)
en hun kamelen
נֹֽשְׂאִ֗ים
(noseim)
dragend
נְכֹאת֙
(nekhot)
kruidengom
וּצְרִ֣י
(utseri)
en balsem
וָלֹ֔ט
(valot)
en hars
הוֹלְכִ֖ים
(holekhim)
gaand
לְהוֹרִ֥יד
(lehorid)
om af te voeren
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
וישׁבו לאכל לחם (vayyeshvu le’ekhol lachem), ‘gingen zitten om brood te eten’: zie 42:21, waar de broers zich herinneren hoe Jozef smeekte.
ארחת ישׁמעאלים (orchat yishme’elim), ‘karavaan van Ismaëlieten’: zie 39:1.
נכאת וצרי ולט (nekhot utseri valot), ‘kruidengom, balsem en hars’: nekot is waarschijnlijk tragantgom, tseri balsem (zie Jer. 8:22; 46:11) en lot ladanum, een hars.
Gilead ligt oostelijk van de Jordaan.
Aanvullend
Jasher 42:1–2 zegt dat de broers zaten te beraadslagen toen ze de karavaan zagen.
28Midianitische kooplieden trokken voorbij. Ze trokken Jozef omhoog en haalden hem uit de put, en verkochten Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten. Ze brachten Jozef naar Egypte.
וַיַּֽעַבְרוּ֩
(vayaavru)
en ze trokken voorbij
אֲנָשִׁ֨ים
(anashim)
mannen
מִדְיָנִ֜ים
(midyanim)
Midianitische
סֹֽחֲרִ֗ים
(socharim)
kooplieden
וַֽיִּמְשְׁכוּ֙
(vayimshekhu)
en ze trokken
וַיַּֽעֲל֤וּ
(vayaalu)
en ze haalden omhoog
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
מִן
(min)
uit
הַבּ֔וֹר
(habor)
de put
וַיִּמְכְּר֧וּ
(vayimkeru)
en ze verkochten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
לַיִּשְׁמְעֵאלִ֖ים
(layishmeelim)
aan de Ismaëlieten
בְּעֶשְׂרִ֣ים
(beesrim)
voor twintig
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
וַיָּבִ֥יאוּ
(vayaviu)
en ze brachten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
וימכרו (vayimkeru), ‘verkochten’: wie hier handelt, is niet duidelijk.
Vers 27 bedoelt de broers, vers 36 noemt de Medanieten, en 39:1 zegt dat de Ismaëlieten hem naar Egypte brachten.
Jozef zegt later: ‘die jullie naar Egypte verkocht hebben’ (zie 45:4–5).
בעשׂרים כסף (be’esrim kasef), ‘voor twintig zilverstukken’: zie Lev. 27:5, waar twintig sikkel de waarde is van een jongen tussen vijf en twintig jaar.
Aanvullend
Jasher 42:5–19 vertelt dat zeven Midianitische kooplieden Jozef uit de put haalden, dat de broers hem na een twist voor twintig zilverstukken aan hen verkochten, zonder Ruben, en dat de Midianieten hem aan de Ismaëlieten doorverkochten voor hetzelfde bedrag (Jasher 42:23–25).
Jasher 42:29–40 vertelt dat Jozef onderweg op Rachels graf viel en daar een stem hoorde.
Jubileeën 34:10–11 zegt dat Jakob Jozef zond en dat zijn broers een plan tegen hem smeedden om hem te doden; over de verkoop zegt Jubileeën daar niets.
32Ze stuurden de jas met lange mouwen weg en brachten die naar hun vader. Ze zeiden: „Dit hebben we gevonden. Herken toch of het de jas van je zoon is of niet.”
וַֽיְשַׁלְּח֞וּ
(vayshalechu)
en ze stuurden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּתֹ֣נֶת
(ketonet)
jas van
הַפַּסִּ֗ים
(hapasim)
de lange mouwen
וַיָּבִ֨יאוּ֙
(vayaviu)
en ze brachten
אֶל
(el)
naar
אֲבִיהֶ֔ם
(avihem)
hun vader
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en ze zeiden
זֹ֣את
(zot)
dit
מָצָ֑אנוּ
(matsanu)
we hebben gevonden
הַכֶּר
(haker)
herken
נָ֗א
(na)
toch
הַכְּתֹ֧נֶת
(haketonet)
de jas
בִּנְךָ֛
(binkha)
je zoon
הִ֖וא
(hi)
zij
אִם
(im)
of
לֹֽא
(lo)
niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הכר נא (hakker na), ‘herken toch’: hetzelfde werkwoord als in 27:23 en 38:25.
Aanvullend
Jasher 43:13–15 zegt dat de broers de jas door Naftali lieten brengen, met de woorden dat ze hem op de weg gevonden hadden.
35Al zijn zonen en al zijn dochters stonden op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten. Hij zei: „Nee, rouwend zal ik naar mijn zoon afdalen in de Sjeol.” Zijn vader beweende hem.
וַיָּקֻמוּ֩
(vayaqumu)
en ze stonden op
כָל
(kal)
al
בָּנָ֨יו
(banav)
zijn zonen
וְכָל
(vekhal)
en al
בְּנֹתָ֜יו
(benotav)
zijn dochters
לְנַחֲמ֗וֹ
(lenachamo)
om hem te troosten
וַיְמָאֵן֙
(vaymaen)
en hij weigerde
לְהִתְנַחֵ֔ם
(lehitnachem)
zich te laten troosten
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּֽי
(ki)
want
אֵרֵ֧ד
(ered)
ik zal afdalen
אֶל
(el)
naar
בְּנִ֛י
(beni)
mijn zoon
אָבֵ֖ל
(avel)
rouwend
שְׁאֹ֑לָה
(sheola)
naar de Sjeol
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כל בניו וכל בנתיו (kol banav vekhol benotav), ‘al zijn zonen en al zijn dochters’: ook Dina en de schoondochters.
כי ארד אל בני אבל שׁאלה (ki ered el beni avel she’olah), ‘want ik zal rouwend naar mijn zoon afdalen in de Sjeol’: she’ol is het dodenrijk, de plaats van de gestorvenen; zie 42:38; 44:29, 31; Num. 16:30.
Aanvullend
Jubileeën 34:14 spreekt van zijn zonen en zijn dochter.
Jubileeën 34:17 zegt dat hij een jaar om Jozef rouwde en niet ophield.
36De Medanieten verkochten hem in Egypte aan Potifar, een hofdienaar van de farao, de bevelhebber van de lijfwacht.
וְהַ֨מְּדָנִ֔ים
(vehamedanim)
en de Medanieten
מָכְר֥וּ
(makheru)
ze verkochten
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְפֽוֹטִיפַר֙
(lefotifar)
aan Potifar
סְרִ֣יס
(seris)
hofdienaar van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
שַׂ֖ר
(sar)
overste van
הַטַּבָּחִֽים
(hatabachim)
de slachters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
והמדנים (vehamedanim), ‘de Medanieten’: zo staat het in de Hebreeuwse tekst; Medan was een zoon van Abraham en Ketura (zie 25:2), een broer van Midian.
Oude vertalingen lezen hier Midianieten.
לפוטיפר סריס פרעה (lePotifar seris Par’oh), ‘aan Potifar, hofdienaar van de farao’: saris is ‘hofdienaar’, soms ‘eunuch’; Potifar is getrouwd (zie 39:7).
שׂר הטבחים (sar hattabbachim), ‘bevelhebber van de lijfwacht’: letterlijk ‘overste van de slachters’; zie 39:1; 40:3–4; 2 Kon. 25:8.
Aanvullend
Jasher 42:53 zegt dat de Ismaëlieten Jozef verder naar Egypte brachten.