Elohim Bijbel

Deuteronomium 26

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

De eerstelingen, de tiende en het verbond met Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De eerstelingen

1Wanneer je in het land komt dat Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel, en je neemt het in bezit en gaat erin wonen,
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
תָב֣וֹא
(tavo)
je komt
אֶל
(el)
in
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לְךָ֖
(lekha)
aan je
נַחֲלָ֑ה
(nachala)
erfdeel
וִֽירִשְׁתָּ֖הּ
(virishtah)
en je neemt het in bezit
וְיָשַׁ֥בְתָּ
(veyashavta)
en je gaat wonen
בָּֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Dan moet je een deel van de eerstelingen van alle vrucht van de grond nemen. Die breng je binnen uit je land, het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft. Leg ze in een mand en ga naar de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest om Zijn naam daar te laten wonen.
וְלָקַחְתָּ֞
(velaqachta)
en je zult nemen
מֵרֵאשִׁ֣ית
(mereshit)
van eerstelingen van
כָּל
(kal)
alle
פְּרִ֣י
(peri)
vrucht van
הָאֲדָמָ֗ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
תָּבִ֧יא
(tavi)
je zult brengen
מֵֽאַרְצְךָ֛
(meartsekha)
uit je land
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֛יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָ֖ךְ
(lakh)
aan je
וְשַׂמְתָּ֣
(vesamta)
en je zult zetten
בַטֶּ֑נֶא
(batene)
in de mand
וְהָֽלַכְתָּ֙
(vehalakhta)
en je zult gaan
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יִבְחַר֙
(yivchar)
zal kiezen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְשַׁכֵּ֥ן
(leshaken)
om te laten wonen
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
Zijn naam
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵאשִׁית (reshit), ‘eerstelingen’: het eerste en beste van de oogst, dat aan Yahweh wordt gegeven (Exod. 23:19).

טֶנֶא (tene), ‘mand’.

De plaats die Yahweh kiest, is de plaats van het heiligdom (Deut. 12:5).

3Ga naar de priester die in die dagen dienst heeft. Zeg tegen hem: „Ik verklaar vandaag aan Yahweh, uw Elohim, dat ik gekomen ben in het land. Yahweh heeft onze vaders gezworen dat Hij het ons zou geven.”
וּבָאתָ֙
(uvata)
en je zult komen
אֶל
(el)
tot
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֑ם
(hahem)
die
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
הִגַּ֤דְתִּי
(higadti)
ik verklaar
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
כִּי
(ki)
dat
בָ֨אתִי֙
(bati)
ik ben gekomen
אֶל
(el)
in
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֧ע
(nishba)
gezworen heeft
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לַאֲבֹתֵ֖ינוּ
(laavoteinu)
aan onze vaders
לָ֥תֶת
(latet)
om te geven
לָֽנוּ
(lanu)
aan ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De man spreekt tot de priester en noemt Yahweh ‘uw Elohim’.

Wij vertalen met ‘u’, omdat hij de priester aanspreekt.

4De priester moet de mand uit je hand nemen en voor het altaar van Yahweh, je Elohim, neerzetten.
וְלָקַ֧ח
(velaqach)
en zal nemen
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
הַטֶּ֖נֶא
(hatene)
de mand
מִיָּדֶ֑ךָ
(miyadekha)
uit je hand
וְהִ֨נִּיח֔וֹ
(vehinicho)
en zal hem zetten
לִפְנֵ֕י
(lifnei)
voor
מִזְבַּ֖ח
(mizbach)
altaar van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De belijdenis bij de eerstelingen

5Dan moet je antwoorden en zeggen voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim: „Een rondtrekkende Arameeër was mijn vader. Hij daalde af naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling met maar weinig mannen. Daar werd hij een groot, machtig en talrijk volk.
וְעָנִ֨יתָ
(veanita)
en je zult antwoorden
וְאָמַרְתָּ֜
(veamarta)
en je zult zeggen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֲרַמִּי֙
(arami)
Arameeër
אֹבֵ֣ד
(oved)
rondtrekkend
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וַיֵּ֣רֶד
(vayered)
en hij daalde af
מִצְרַ֔יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
וַיָּ֥גָר
(vayagar)
en verbleef
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בִּמְתֵ֣י
(bimtei)
met mannen van
מְעָ֑ט
(meat)
weinig
וַֽיְהִי
(vayhi)
en hij werd
שָׁ֕ם
(sham)
daar
לְג֥וֹי
(legoy)
tot volk
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
עָצ֥וּם
(atsum)
machtig
וָרָֽב
(varav)
en talrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֹבֵד (oved), ‘rondtrekkend’: het woord betekent letterlijk ‘verloren gaand’ of ‘omkomend’.

Het gaat om een man zonder vaste woonplaats die zwerft, of om een man die bijna verloren ging.

Het beeld past bij Jakob, die uit Aram kwam (Gen. 28:5) en naar Egypte afdaalde (Gen. 46:1–7).

Wij houden ‘rondtrekkend’.

גּוּר (gur), ‘als vreemdeling verblijven’. Het Hebreeuws zegt ‘met mannen van weinig’: een kleine groep (Gen. 46:27).

Dit is de oudste belijdenis van Israël: een korte geschiedenis van de uittocht. Vers 5–10 staat tussen aanhalingstekens, omdat de man deze woorden uitspreekt.

6De Egyptenaren deden ons kwaad en onderdrukten ons, en legden ons zware dienst op.
וַיָּרֵ֧עוּ
(vayareu)
en deden kwaad
אֹתָ֛נוּ
(otanu)
ons
הַמִּצְרִ֖ים
(hamitsrim)
de Egyptenaren
וַיְעַנּ֑וּנוּ
(vayanunu)
en onderdrukten ons
וַיִּתְּנ֥וּ
(vayitenu)
en legden
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
op ons
עֲבֹדָ֥ה
(avoda)
dienst
קָשָֽׁה
(qasha)
zware
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Toen riepen wij om hulp tot Yahweh, de Elohim van onze vaders. Yahweh hoorde onze stem en zag onze ellende, onze moeite en onze onderdrukking.
וַנִּצְעַ֕ק
(vanitsaq)
en wij riepen om hulp
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
קֹלֵ֔נוּ
(qolenu)
onze stem
וַיַּ֧רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
עָנְיֵ֛נוּ
(aneyenu)
onze ellende
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲמָלֵ֖נוּ
(amalenu)
onze moeite
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
לַחֲצֵֽנוּ
(lachatsenu)
onze onderdrukking
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 2:23–25 en Exod. 3:7–9.

8Yahweh leidde ons uit Egypte met sterke hand en uitgestrekte arm, met groot ontzag, met tekenen en met wonderen.
וַיּוֹצִאֵ֤נוּ
(vayotsienu)
en leidde ons uit
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
בְּיָ֤ד
(beyad)
met hand
חֲזָקָה֙
(chazaqa)
sterke
וּבִזְרֹ֣עַ
(uvizroa)
en met arm
נְטוּיָ֔ה
(netuya)
uitgestrekte
וּבְמֹרָ֖א
(uvemora)
en met ontzag
גָּדֹ֑ל
(gadol)
groot
וּבְאֹת֖וֹת
(uveotot)
en met tekenen
וּבְמֹפְתִֽים
(uvemofetim)
en met wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מוֹרָא (mora), ‘ontzag’: wat ontzag opwekt, zoals de plagen.

Zie Deut. 4:34.

9Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing.
וַיְבִאֵ֖נוּ
(vayvienu)
en bracht ons
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en gaf
לָ֨נוּ֙
(lanu)
aan ons
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
אֶ֛רֶץ
(erets)
land
זָבַ֥ת
(zavat)
dat overvloeit van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָֽשׁ
(udevash)
en honing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Nu, zie, ik heb de eerstelingen van de vrucht van de grond gebracht die U mij gegeven hebt, Yahweh.” Dan moet je ze neerzetten voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, en je neerbuigen voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הֵבֵ֨אתִי֙
(heveti)
ik heb gebracht
אֶת
(et)
(obj.)
רֵאשִׁית֙
(reshit)
eerstelingen van
פְּרִ֣י
(peri)
vrucht van
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לִּ֖י
(li)
aan mij
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִנַּחְתּ֗וֹ
(vehinachto)
en je zult het neerzetten
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וְהִֽשְׁתַּחֲוִ֔יתָ
(vehishtachavita)
en je zult je neerbuigen
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Je moet je verheugen over al het goede dat Yahweh, je Elohim, aan jou en aan je huis gegeven heeft. Dit geldt voor jou, de Leviet en de vreemdeling in je midden.
וְשָׂמַחְתָּ֣
(vesamachta)
en je zult je verheugen
בְכָל
(bekhal)
in al
הַטּ֗וֹב
(hatov)
het goede
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
נָֽתַן
(natan)
gaf
לְךָ֛
(lekha)
aan je
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וּלְבֵיתֶ֑ךָ
(uleveitekha)
en aan je huis
אַתָּה֙
(ata)
jij
וְהַלֵּוִ֔י
(vehalevi)
en de Leviet
וְהַגֵּ֖ר
(vehager)
en de vreemdeling
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּקִרְבֶּֽךָ
(beqirbekha)
in je midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De tiende van het derde jaar

12Wanneer je klaar bent met het afdragen van heel de tiende van je opbrengst, in het derde jaar, het jaar van de tiende. Dan moet je die geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe. Zij zullen binnen je poorten eten en verzadigd worden.
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תְכַלֶּ֞ה
(tekhale)
je klaar bent
לַ֠עְשֵׂר
(laser)
om af te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מַעְשַׂ֧ר
(masar)
tiende van
תְּבוּאָתְךָ֛
(tevuatekha)
je opbrengst
בַּשָּׁנָ֥ה
(bashana)
in het jaar
הַשְּׁלִישִׁ֖ת
(hashelishit)
het derde
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַֽמַּעֲשֵׂ֑ר
(hamaaser)
de tiende
וְנָתַתָּ֣ה
(venatata)
en je zult geven
לַלֵּוִ֗י
(lalevi)
aan de Leviet
לַגֵּר֙
(lager)
aan de vreemdeling
לַיָּת֣וֹם
(layatom)
aan de wees
וְלָֽאַלְמָנָ֔ה
(velaalmana)
en aan de weduwe
וְאָכְל֥וּ
(veakhelu)
en zij zullen eten
בִשְׁעָרֶ֖יךָ
(bishareikha)
in je poorten
וְשָׂבֵֽעוּ
(vesaveu)
en zullen verzadigd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’.

Elk derde jaar wordt de tiende niet naar het heiligdom gebracht maar in de eigen steden gegeven aan wie niets bezit: de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe.

Zie ook Deut. 14:28–29.

13Zeg dan voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim: „Ik heb het heilige uit het huis weggehaald. Ook heb ik het gegeven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, volgens heel Uw gebod dat U mij geboden hebt. Ik heb Uw geboden niet overtreden en niet vergeten.
וְאָמַרְתָּ֡
(veamarta)
en je zult zeggen
לִפְנֵי֩
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בִּעַ֧רְתִּי
(biarti)
ik heb weggehaald
הַקֹּ֣דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
מִן
(min)
uit
הַבַּ֗יִת
(habayit)
het huis
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
נְתַתִּ֤יו
(netativ)
ik heb het gegeven
לַלֵּוִי֙
(lalevi)
aan de Leviet
וְלַגֵּר֙
(velager)
en aan de vreemdeling
לַיָּת֣וֹם
(layatom)
aan de wees
וְלָאַלְמָנָ֔ה
(velaalmana)
en aan de weduwe
כְּכָל
(kekhal)
volgens al
מִצְוָתְךָ֖
(mitsvatekha)
Uw gebod
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
צִוִּיתָ֑נִי
(tsivitani)
U mij geboden hebt
לֹֽא
(lo)
niet
עָבַ֥רְתִּי
(avarti)
ik heb overtreden
מִמִּצְוֺתֶ֖יךָ
(mimitsvoteikha)
van Uw geboden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁכָֽחְתִּי
(shakhachti)
ik heb vergeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹדֶשׁ (qodesh), ‘het heilige’: het deel van de tiende dat aan Yahweh toebehoort.

Het wordt uit het huis ‘weggehaald’ (בִּעַרְתִּי, bi’arti) en gegeven aan hen die geen eigen erfdeel hebben.

14Ik heb er niet van gegeten in mijn rouw. Ik heb er niet van weggehaald toen ik onrein was. Ik heb er niet van gegeven voor een dode. Ik heb geluisterd naar de stem van Yahweh, mijn Elohim. Ik heb gedaan zoals U mij geboden hebt.
לֹא
(lo)
niet
אָכַ֨לְתִּי
(akhalti)
ik heb gegeten
בְאֹנִ֜י
(beoni)
in mijn rouw
מִמֶּ֗נּוּ
(mimenu)
ervan
וְלֹא
(velo)
en niet
בִעַ֤רְתִּי
(biarti)
ik heb weggehaald
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
ervan
בְּטָמֵ֔א
(betame)
in onreinheid
וְלֹא
(velo)
en niet
נָתַ֥תִּי
(natati)
ik heb gegeven
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
ervan
לְמֵ֑ת
(lemet)
voor een dode
שָׁמַ֗עְתִּי
(shamati)
ik heb geluisterd
בְּקוֹל֙
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔י
(elohay)
mijn Elohim
עָשִׂ֕יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
volgens alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
צִוִּיתָֽנִי
(tsivitani)
U mij geboden hebt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

לְמֵת (lemet), ‘voor een dode’: het kan bedoeld zijn voor een rouwmaaltijd of voor een offer aan een overledene.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘voor een dode’; wij houden dat.

Rouw (אוֹן, on) en onreinheid maken het eten van het heilige onmogelijk (Lev. 7:20–21).

15Kijk neer vanuit Uw heilige woning, vanuit de hemel, en zegen Uw volk Israël. En zegen de grond die U ons gegeven hebt, zoals U onze vaders gezworen hebt, een land dat overvloeit van melk en honing.”
הַשְׁקִיפָה֩
(hashqifa)
kijk neer
מִמְּע֨וֹן
(mimeon)
vanuit woning van
קָדְשְׁךָ֜
(qadeshekha)
Uw heiligheid
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
וּבָרֵ֤ךְ
(uvarekh)
en zegen
אֶֽת
(et)
(obj.)
עַמְּךָ֙
(amekha)
Uw volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לָ֑נוּ
(lanu)
aan ons
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
נִשְׁבַּ֨עְתָּ֙
(nishbata)
U hebt gezworen
לַאֲבֹתֵ֔ינוּ
(laavoteinu)
aan onze vaders
אֶ֛רֶץ
(erets)
land
זָבַ֥ת
(zavat)
dat overvloeit van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָֽשׁ
(udevash)
en honing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְעוֹן קָדְשְׁךָ (me’on qodshekha), ‘Uw heilige woning’: de hemel als woning van Yahweh.

Zie ook 1 Kon. 8:30 en Ps. 33:13–14.

Yahweh en Zijn volk

16Vandaag gebiedt Yahweh, je Elohim, je deze voorschriften en rechtsregels te doen. Je moet ze houden en doen met heel je hart en heel je ziel.
הַיּ֣וֹם
(hayom)
vandaag
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
מְצַוְּךָ֧
(metsavekha)
gebiedt je
לַעֲשׂ֛וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֻקִּ֥ים
(hachuqim)
de voorschriften
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּשְׁפָּטִ֑ים
(hamishpatim)
de rechtsregels
וְשָׁמַרְתָּ֤
(veshamarta)
en je zult houden
וְעָשִׂ֨יתָ֙
(veasita)
en je zult doen
אוֹתָ֔ם
(otam)
ze
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָבְךָ֖
(levavekha)
je hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
je ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Je hebt vandaag van Yahweh verklaard dat Hij je Elohim is, en dat je in Zijn wegen zult wandelen. Je zult Zijn voorschriften, Zijn geboden en Zijn rechtsregels houden en naar Zijn stem luisteren.
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
הֶאֱמַ֖רְתָּ
(heemarta)
je hebt laten zeggen
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
לִהְיוֹת֩
(lihyot)
om te zijn
לְךָ֨
(lekha)
voor je
לֵֽאלֹהִ֜ים
(lElohim)
tot Elohim
וְלָלֶ֣כֶת
(velalekhet)
en om te wandelen
בִּדְרָכָ֗יו
(bidrakhav)
in Zijn wegen
וְלִשְׁמֹ֨ר
(velishmor)
en om te houden
חֻקָּ֧יו
(chuqav)
Zijn voorschriften
וּמִצְוֺתָ֛יו
(umitsvotav)
en Zijn geboden
וּמִשְׁפָּטָ֖יו
(umishpatav)
en Zijn rechtsregels
וְלִשְׁמֹ֥עַ
(velishmoa)
en om te luisteren
בְּקֹלֽוֹ
(beqolo)
naar Zijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

הֶאֱמַרְתָּ (he’emarta) en הֶאֱמִירְךָ (he’emirekha) in vers 18 komen alleen hier voor.

De vorm betekent letterlijk ‘laten zeggen’; wij vertalen ‘verklaren’.

Het gaat om een wederzijdse verklaring: Israël verklaart dat Yahweh zijn Elohim is, en Yahweh verklaart dat Israël Zijn volk is.

18En Yahweh heeft vandaag van jou verklaard dat je Zijn eigen volk zult zijn, zoals Hij tot je gesproken heeft. En dat je al Zijn geboden zult houden,
וַֽיהוָ֞ה
(vaYahweh)
en Yahweh
הֶאֱמִֽירְךָ֣
(heemirekha)
heeft laten zeggen je
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לוֹ֙
(lo)
voor Hem
לְעַ֣ם
(leam)
tot volk van
סְגֻלָּ֔ה
(segula)
eigen bezit
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּר
(diber)
Hij heeft gesproken
לָ֑ךְ
(lakh)
tot je
וְלִשְׁמֹ֖ר
(velishmor)
en om te houden
כָּל
(kal)
al
מִצְוֺתָֽיו
(mitsvotav)
Zijn geboden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: de kostbare schat van een koning.

Zie Exod. 19:5; Deut. 7:6 en 14:2.

19en dat Hij je hoog boven alle volken zal stellen die Hij gemaakt heeft, tot lof, tot naam en tot sieraad. En dat je een heilig volk zult zijn voor Yahweh, je Elohim, zoals Hij gesproken heeft.
וּֽלְתִתְּךָ֣
(uletitekha)
en om je te maken
עֶלְי֗וֹן
(elyon)
hoog
עַ֤ל
(al)
boven
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֔ה
(asa)
Hij heeft gemaakt
לִתְהִלָּ֖ה
(lithila)
tot lof
וּלְשֵׁ֣ם
(uleshem)
en tot naam
וּלְתִפְאָ֑רֶת
(uletifaret)
en tot sieraad
וְלִֽהְיֹתְךָ֧
(velihyotekha)
en dat je zult zijn
עַם
(am)
volk
קָדֹ֛שׁ
(qadosh)
heilig
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבֵּֽר
(diber)
Hij heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 19:6.