Elohim Bijbel

Zacharia 2

1234567891011121314

De vier hoorns, de man met het meetsnoer en de belofte aan Sion

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Tweede visioen: vier hoorns en vier smeden

1Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie: vier hoorns.
וָאֶשָּׂ֥א
(vaesa)
en ik sloeg op
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינַ֖י
(einay)
mijn ogen
וָאֵ֑רֶא
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
אַרְבַּ֥ע
(arba)
vier
קְרָנֽוֹת
(qeranot)
hoorns
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het Hebreeuws begint hier hoofdstuk 2.

Hebr. 2:1–4 is in de Nederlandse telling Zach. 1:18–21, het slot van hoofdstuk 1.

Wij volgen de Hebreeuwse telling.

קְרָנוֹת (qarnot), ‘hoorns’: in de bijbel een beeld van kracht en macht, ook van volken die geweld gebruiken (Dan. 7 en 8, Ps. 75:5–6).

2Ik zei tegen de engel die met mij sprak: „Wat zijn dit?” Hij zei tegen mij: „Dit zijn de hoorns die Juda, Israël en Jeruzalem uiteen hebben gedreven.”
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en ik zei
אֶל
(el)
tot
הַמַּלְאָ֛ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֥ר
(hadover)
die sprak
בִּ֖י
(bi)
met mij
מָה
(ma)
wat
אֵ֑לֶּה
(ele)
zijn dit
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit zijn
הַקְּרָנוֹת֙
(haqeranot)
de hoorns
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
זֵר֣וּ
(zeru)
hebben uiteengedreven
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וִירוּשָׁלָֽם
(virushalam)
en Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

זֵרוּ (zeru), ‘uiteen hebben gedreven’: het werkwoord is het werk van een wanner die het koren in de wind gooit en zo scheidt.

Het wordt ook gebruikt voor verstrooiing van volken; zie ook vers 4.

De hoorns noemen Juda, Israël en Jeruzalem. Het Hebreeuws zegt niet welke volken de hoorns zijn. Wij laten dat open.

3Daarna liet Yahweh mij vier smeden zien.
וַיַּרְאֵ֣נִי
(vayareni)
en liet mij zien
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אַרְבָּעָ֖ה
(arbaa)
vier
חָרָשִֽׁים
(charashim)
smeden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרָשִׁים (charashim), ‘smeden’: ambachtslieden die met hout, metaal of steen werken.

Het woord kan ook ‘werkers’ in het algemeen betekenen.

Wij vertalen ‘smeden’, omdat de hoorns van de volken moeten worden neergeworpen (vers 4).

4Ik zei: „Wat komen die doen?” Hij zei: „Dit zijn de hoorns die Juda zo uiteen hebben gedreven dat niemand zijn hoofd ophief. Deze smeden zijn gekomen om hen te doen sidderen. Zij zullen de hoorns van de volken neerwerpen, die een hoorn hebben opgeheven tegen het land van Juda om het uiteen te drijven.”
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
מָ֛ה
(ma)
wat
אֵ֥לֶּה
(ele)
zijn dezen
בָאִ֖ים
(baim)
komend
לַֽעֲשׂ֑וֹת
(laasot)
om te doen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit zijn
הַקְּרָנ֞וֹת
(haqeranot)
de hoorns
אֲשֶׁר
(asher)
die
זֵ֣רוּ
(zeru)
hebben uiteengedreven
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
כְּפִי
(kefi)
zodat
אִישׁ֙
(ish)
een man
לֹא
(lo)
niet
נָשָׂ֣א
(nasa)
ophief
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en zij zijn gekomen
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
dezen
לְהַחֲרִ֣יד
(lehacharid)
om te doen sidderen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
לְיַדּ֞וֹת
(leyadot)
om neer te werpen
אֶת
(et)
(obj.)
קַרְנ֣וֹת
(qarnot)
de hoorns van
הַגּוֹיִ֗ם
(hagoyim)
de volken
הַנֹּשְׂאִ֥ים
(hanoseim)
die ophieven
קֶ֛רֶן
(qeren)
een hoorn
אֶל
(el)
tegen
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לְזָרוֹתָֽהּ
(lezarotah)
om het uiteen te drijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

לְהַחֲרִיד (lehacharid), ‘te doen sidderen’: de smeden jagen de volken schrik aan.

לְיַדּוֹת (leyaddot), ‘neer te werpen’: letterlijk ‘te werpen’, van יָדָה (yadah).

De hoorns van de volken worden dus neergeworpen.

כְּפִי אִישׁ לֹא נָשָׂא רֹאשׁוֹ (kefi ish lo nasa rosho): letterlijk ‘zodat een man zijn hoofd niet ophief’. Wie zijn hoofd niet ophief, kon geen kracht tonen of wat dan ook ondernemen.

Derde visioen: de man met het meetsnoer

5Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie: een man met een meetsnoer in zijn hand.
וָאֶשָּׂ֥א
(vaesa)
en ik sloeg op
עֵינַ֛י
(einay)
mijn ogen
וָאֵ֖רֶא
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
אִ֑ישׁ
(ish)
een man
וּבְיָד֖וֹ
(uveyado)
en in zijn hand
חֶ֥בֶל
(chevel)
een snoer van
מִדָּֽה
(mida)
meting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶבֶל מִדָּה (chevel middah), ‘meetsnoer’: letterlijk ‘snoer van maat’.

In 1:16 staat een ander woord, קָו (qav), voor hetzelfde gereedschap.

Wij vertalen beide met ‘meetsnoer’.

Vergelijk Ezech. 40:3 en Jer. 31:39.

Hier begint in de Nederlandse telling hoofdstuk 2: Hebr. 2:5–17 is Zach. 2:1–13.

6Ik zei: „Waar ga je heen?” Hij zei tegen mij: „Om Jeruzalem te meten, om te zien hoe breed het is en hoe lang.”
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
אָ֖נָה
(ana)
waarheen
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
הֹלֵ֑ךְ
(holekh)
gaat
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
לָמֹד֙
(lamod)
om te meten
אֶת
(et)
(obj.)
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
כַּמָּֽה
(kama)
hoeveel
רָחְבָּ֖הּ
(rachbah)
haar breedte
וְכַמָּ֥ה
(vekhama)
en hoeveel
אָרְכָּֽהּ
(arkah)
haar lengte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לָמֹד (lamod), ‘meten’: de man wil weten hoe breed en hoe lang de stad is.

Zijn bedoeling is de grenzen van de herbouw vast te stellen.

7En zie: de engel die met mij sprak, ging naar voren, en een andere engel ging hem tegemoet.
וְהִנֵּ֗ה
(vehine)
en zie
הַמַּלְאָ֛ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֥ר
(hadover)
die sprak
בִּ֖י
(bi)
met mij
יֹצֵ֑א
(yotse)
ging uit
וּמַלְאָ֣ךְ
(umalakh)
en een engel
אַחֵ֔ר
(acher)
andere
יֹצֵ֖א
(yotse)
ging uit
לִקְרָאתֽוֹ
(liqrato)
hem tegemoet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמַלְאָךְ אַחֵר (umal’akh acher), ‘en een andere engel’: een tweede engel.

De engel die met Zacharia sprak (zie 1:9) gaat naar voren; een tweede engel komt hem tegemoet en krijgt een opdracht (vers 8).

Jeruzalem zonder muren

8Hij zei tegen hem: „Ren, spreek tot die jongeman daar: ‘Jeruzalem zal bewoond worden als open dorpen, vanwege de menigte mensen en vee in haar midden.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֔ו
(elav)
tegen hem
רֻ֗ץ
(ruts)
ren
דַּבֵּ֛ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
הַנַּ֥עַר
(hanaar)
de jongeman
הַלָּ֖ז
(halaz)
die daar
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
פְּרָזוֹת֙
(perazot)
open dorpen
תֵּשֵׁ֣ב
(teshev)
zal bewoond worden
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מֵרֹ֥ב
(merov)
wegens de menigte van
אָדָ֛ם
(adam)
mensen
וּבְהֵמָ֖ה
(uvehema)
en vee
בְּתוֹכָֽהּ
(betokhah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

פְּרָזוֹת (perazot), ‘open dorpen’: plaatsen zonder muren.

Zo zal Jeruzalem bewoond worden, groter dan een stad met muren zou kunnen houden.

Yahweh zelf is straks de muur (vers 9).

הַנַּעַר הַלָּז (hanna’ar hallaz), ‘die jongeman daar’: waarschijnlijk de man met het meetsnoer (vers 5). Het Hebreeuws zegt niet wie ‘Hij’ in ‘Hij zei tegen hem’ is; waarschijnlijk is het de engel die met Zacharia sprak.

De woorden van de engel staan zwart; in vers 9 begint Yahweh zelf te spreken, en dan staan ze rood.

9En Ik zal voor haar zijn, godsspraak van Yahweh, een muur van vuur rondom. Tot heerlijkheid zal Ik in haar midden zijn.’”
וַאֲנִ֤י
(vaani)
en Ik
אֶֽהְיֶה
(ehye)
zal zijn
לָּהּ֙
(lah)
voor haar
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
ח֥וֹמַת
(chomat)
een muur van
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וּלְכָב֖וֹד
(ulekhavod)
en tot heerlijkheid
אֶֽהְיֶ֥ה
(ehye)
zal Ik zijn
בְתוֹכָֽהּ
(betokhah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חוֹמַת אֵשׁ (chomat esh), ‘een muur van vuur’: Yahweh zelf is de bescherming van Jeruzalem.

Vergelijk Exod. 13:21–22 (de vuurkolom).

וּלְכָבוֹד (ulekhavod), ‘en tot heerlijkheid’: Yahweh zal de heerlijkheid van Jeruzalem zijn, zoals Zijn heerlijkheid de tabernakel vulde (Exod. 40:34–35).

Vlucht uit het noorden

10„Ho, ho! Vlucht uit het land van het noorden, godsspraak van Yahweh. Want Ik heb jullie uitgespreid als de vier winden van de hemel, godsspraak van Yahweh.
ה֣וֹי
(hoy)
ho
ה֗וֹי
(hoy)
ho
וְנֻ֛סוּ
(venusu)
en vlucht
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
צָפ֖וֹן
(tsafon)
het noorden
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֠י
(ki)
want
כְּאַרְבַּ֞ע
(kearba)
als de vier
רוּח֧וֹת
(ruchot)
winden van
הַשָּׁמַ֛יִם
(hashamayim)
de hemel
פֵּרַ֥שְׂתִּי
(perasti)
heb Ik uitgespreid
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹי (hoy), ‘ho’: het woord staat elders in dit boek vaak voor ‘wee’ (bijvoorbeeld Jes. 5:8), maar hier is het een roep om aandacht en haast.

Daarom ‘Ho, ho!’.

אֶרֶץ צָפוֹן (erets tsafon), ‘het land van het noorden’: Babel, van waar de ballingen kwamen. Babel lag in het oosten, maar wie van daar naar Juda trok, kwam langs de noordkant het land binnen.

כְּאַרְבַּע רוּחוֹת (ke’arba ruchot), ‘als de vier winden’: het woord רוּחַ (ruach) is ‘wind’ en ook ‘geest’. Wij vertalen ‘winden’. Het kan ook betekenen dat Yahweh het volk naar de vier windstreken uit elkaar heeft gedreven.

11Ho, Sion! Ontkom, jij die woont bij de Dochter van Babel.”
ה֥וֹי
(hoy)
ho
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
הִמָּלְטִ֑י
(himaleti)
ontkom
יוֹשֶׁ֖בֶת
(yoshevet)
woonster
בַּת
(bat)
dochter van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

בַּת בָּבֶל (bat Bavel), ‘Dochter van Babel’: Babel als vrouw voorgesteld, zoals ‘Dochter Sion’ in vers 14.

De oproep: wie bij Babel woont, moet ontkomen.

12Want zo zegt Yahweh van de legermachten: Na de heerlijkheid heeft Hij mij gezonden naar de volken die jullie plunderen. Want wie jullie aanraakt, raakt de oogappel van Zijn oog aan.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֒
(tsevaot)
van de legermachten
אַחַ֣ר
(achar)
na
כָּב֔וֹד
(kavod)
heerlijkheid
שְׁלָחַ֕נִי
(shelachani)
heeft Hij mij gezonden
אֶל
(el)
naar
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
הַשֹּׁלְלִ֣ים
(hasholelim)
die plunderen
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
כִּ֚י
(ki)
want
הַנֹּגֵ֣עַ
(hanogea)
wie aanraakt
בָּכֶ֔ם
(bakhem)
jullie
נֹגֵ֖עַ
(nogea)
raakt aan
בְּבָבַ֥ת
(bevavat)
de oogappel van
עֵינֽוֹ
(eino)
Zijn oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַחַר כָּבוֹד שְׁלָחַנִי (achar kavod shelachani), ‘na heerlijkheid heeft Hij mij gezonden’: een moeilijke zin.

Letterlijk staat er: ‘achter heerlijkheid heeft Hij mij gezonden naar de volken’.

Men leest het onder meer als ‘om Zijn heerlijkheid te tonen’, ‘nadat Zijn heerlijkheid is getoond’ of ‘na de eer’.

De betekenis is onzeker.

Wij houden de woorden zo letterlijk mogelijk.

שְׁלָחַנִי (shelachani), ‘Hij heeft mij gezonden’: de spreker is hier niet Yahweh, maar degene die door Yahweh wordt gezonden. Dit kan de man met het meetsnoer zijn, de engel of de profeet; het Hebreeuws zegt het niet. Daarom staan de woorden van dit vers en de woorden ‘Yahweh van de legermachten heeft mij gezonden’ in de verzen 13 en 15 zwart. Dezelfde zin staat in 4:9 en 6:15.

בְּבָבַת עֵינוֹ (bevavat eino), ‘de oogappel van Zijn oog’: het zwarte middelste deel van het oog, dat men met zorg beschermt. Zie ook Deut. 32:10 en Ps. 17:8. ‘Zijn’ verwijst waarschijnlijk naar Yahweh; het Hebreeuws zegt het niet met zoveel woorden.

13„Want zie, Ik zwaai Mijn hand over hen, en zij worden buit voor hun slaven.” Dan zullen jullie weten dat Yahweh van de legermachten mij gezonden heeft.
כִּ֠י
(ki)
want
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מֵנִ֤יף
(menif)
zwaai
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
שָׁלָ֖ל
(shalal)
buit
לְעַבְדֵיהֶ֑ם
(leavdeihem)
voor hun slaven
וִֽידַעְתֶּ֕ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁלָחָֽנִי
(shelachani)
heeft mij gezonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵנִיף אֶת יָדִי (menif et yadi), ‘Ik zwaai Mijn hand’: een beweging waarmee Yahweh de volken treft.

Zie ook Jes. 11:15 en 19:16.

Het eerste deel van het vers is een woord van Yahweh in de eerste persoon en staat rood. Het tweede deel (‘Dan zullen jullie weten …’) spreekt over Yahweh in de derde persoon en over ‘mij’ als gezondene; het staat zwart (zie de uitleg bij vers 12).

Jubel, Dochter Sion

14„Jubel en verheug je, Dochter Sion, want zie, Ik kom en Ik zal in je midden wonen, godsspraak van Yahweh.
רָנִּ֥י
(rani)
jubel
וְשִׂמְחִ֖י
(vesimchi)
en verheug je
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֑וֹן
(tsiyon)
Sion
כִּ֧י
(ki)
want
הִנְנִי
(hinni)
zie Ik
בָ֛א
(ba)
kom
וְשָׁכַנְתִּ֥י
(veshakhanti)
en Ik zal wonen
בְתוֹכֵ֖ךְ
(betokhekh)
in je midden
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem en haar inwoners als een jonge vrouw voorgesteld.

Wij houden ‘Dochter Sion’ als vaste naam.

Zie ook Jes. 1:8.

וְשָׁכַנְתִּי בְּתוֹכֵךְ (veshakhanti betokhekh), ‘en Ik zal in je midden wonen’: het werkwoord שָׁכַן (shakan) hoort bij de ‘woning’ (mishkan, de tabernakel) en bij de aanwezigheid van Yahweh (Exod. 25:8, 29:45). Zie ook vers 15.

15Op die dag zullen vele volken zich voegen bij Yahweh en voor Mij tot een volk zijn. Ik zal in je midden wonen.” Dan zul je weten dat Yahweh van de legermachten mij naar jou gezonden heeft.
וְנִלְווּ֩
(venilvu)
en zullen zich voegen
גוֹיִ֨ם
(goyim)
volken
רַבִּ֤ים
(rabim)
vele
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
וְהָ֥יוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לִ֖י
(li)
voor Mij
לְעָ֑ם
(leam)
tot een volk
וְשָׁכַנְתִּ֣י
(veshakhanti)
en Ik zal wonen
בְתוֹכֵ֔ךְ
(betokhekh)
in je midden
וְיָדַ֕עַתְּ
(veyadaat)
en je zult weten
כִּי
(ki)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁלָחַ֥נִי
(shelachani)
heeft mij gezonden
אֵלָֽיִךְ
(elayikh)
tot jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִלְווּ גּוֹיִם רַבִּים אֶל יְהוָה (venilvu goyim rabbim el Yahweh), ‘vele volken zullen zich bij Yahweh voegen’: de volken worden deel van Yahweh’s volk.

Vergelijk 8:20–23 en Jes. 56:6–8.

Yahweh spreekt hier over Zichzelf ook in de derde persoon (‘zich voegen bij Yahweh’); dat gebeurt vaker binnen Zijn eigen woorden, zie Jes. 6:12. Daarom blijft het vers tot en met ‘wonen’ rood.

16Yahweh zal Juda erven als Zijn deel, op heilige grond, en Hij zal Jeruzalem opnieuw kiezen.
וְנָחַ֨ל
(venachal)
en zal erven
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
חֶלְק֔וֹ
(chelqo)
als zijn deel
עַ֖ל
(al)
op
אַדְמַ֣ת
(admat)
het land van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
heiligheid
וּבָחַ֥ר
(uvachar)
en zal kiezen
ע֖וֹד
(od)
nog
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וְנָחַל יְהוָה אֶת יְהוּדָה חֶלְקוֹ (venachal Yahweh et Yehudah chelqo), ‘Yahweh zal Juda erven als Zijn deel’: Yahweh neemt Juda in bezit als Zijn erfdeel.

Het werkwoord betekent ‘in bezit nemen’ of ‘als erfdeel krijgen’.

אַדְמַת הַקֹּדֶשׁ (admat haqodesh), ‘heilige grond’: het land heet zo omdat Yahweh er woont. Vergelijk Exod. 3:5.

וּבָחַר עוֹד (uvachar od), ‘en Hij zal opnieuw kiezen’: zie de uitleg bij 1:17.

17Wees stil, alle vlees, voor het aangezicht van Yahweh, want Hij is opgestaan uit Zijn heilige woning.
הַ֥ס
(has)
wees stil
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
נֵע֖וֹר
(neor)
Hij is opgestaan
מִמְּע֥וֹן
(mimeon)
uit de woning van
קָדְשֽׁוֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַס (has), ‘wees stil’: een korte roep tot stilte voor het ontzag van Yahweh.

Zie ook Hab. 2:20 en Sef. 1:7.

כָּל בָּשָׂר (kol basar), ‘alle vlees’: alle mensen, de hele mensheid.

נֵעוֹר (ne’or), ‘Hij is opgestaan’: letterlijk ‘Hij is wakker geworden’ of ‘Hij heeft Zich opgericht’, alsof Yahweh na een tijd van rust ingrijpt. מְעוֹן קָדְשׁוֹ (me’on qodsho), ‘Zijn heilige woning’: de hemel, zoals in Deut. 26:15.