Het laatste maal, Getsemane, de gevangenneming en het verhoor door de Raad
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het plan om Yeshua te doden
1Het feest van de ongezuurde broden, dat Pesach genoemd wordt, naderde.
Ἤγγιζεν
(Engizen)
naderde
δὲ
(de)
en
ἡ
(he)
het
ἑορτὴ
(heorte)
feest
τῶν
(ton)
van de
ἀζύμων
(azymon)
ongezuurde broden
ἡ
(he)
het
λεγομένη
(legomene)
genoemde
Πάσχα
(Pascha)
Pesach
Bron: SBLGNT
Uitleg
πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest ter herinnering aan de uittocht uit Egypte (Exod. 12). ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurde broden’: het feest dat op het Pesach volgt (Lev. 23:5–6).
6Hij stemde toe en zocht een gelegenheid om Hem aan hen over te leveren, zonder dat de menigte erbij was.
καὶ
(kai)
en
ἐξωμολόγησεν
(exomologesen)
stemde toe
καὶ
(kai)
en
ἐζήτει
(ezetei)
zocht
εὐκαιρίαν
(eukairian)
gelegenheid
τοῦ
(tou)
om
παραδοῦναι
(paradounai)
over te leveren
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἄτερ
(ater)
zonder
ὄχλου
(ochlou)
menigte
αὐτοῖς
(autois)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐξομολογέω (exomologeo), ‘toestemmen’: ook ‘belijden’; hier gaat het om instemmen met het voorstel. ἄτερ ὄχλου (ater ochlou), ‘zonder menigte’: Judas zocht een moment waarop de menigte er niet bij was.
De voorbereiding van het Pesach
7Toen kwam de dag van de ongezuurde broden, waarop het Pesach geslacht moest worden.
Ἦλθεν
(Elthen)
kwam
δὲ
(de)
en
ἡ
(he)
de
ἡμέρα
(hemera)
dag
τῶν
(ton)
van de
ἀζύμων
(azymon)
ongezuurde broden
ᾗ
(he)
waarop
ἔδει
(edei)
moest
θύεσθαι
(thyesthai)
geslacht worden
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
Bron: SBLGNT
Uitleg
θύω (thyo), ‘slachten’: het Pesachlam werd geslacht op de veertiende van de eerste maand (Exod. 12:6; Lev. 23:5).
8Yeshua zond Petrus en Johannes en zei: „Ga het Pesach voor ons klaarmaken, zodat wij het kunnen eten.”
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
εἰπών
(eipon)
zeggend
Πορευθέντες
(Poreuthentes)
ga
ἑτοιμάσατε
(hetoimasate)
maak klaar
ἡμῖν
(hemin)
voor ons
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
ἵνα
(hina)
opdat
φάγωμεν
(phagomen)
wij eten
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft hier geen onderwerp (‘en hij zond’); wij noemen de naam Yeshua.
9Zij zeiden tegen Hem: „Waar wilt U dat wij het klaarmaken?”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ποῦ
(Pou)
waar
θέλεις
(theleis)
wilt U
ἑτοιμάσωμεν
(hetoimasomen)
dat wij klaarmaken
Bron: SBLGNT
10Hij zei tegen hen: „Zie, wanneer jullie de stad binnengaan, zal een man jullie tegemoetkomen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
εἰσελθόντων
(eiselthonton)
binnengaand
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
συναντήσει
(synantesei)
zal tegemoetkomen
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
κεράμιον
(keramion)
kruik
ὕδατος
(hydatos)
van water
βαστάζων
(bastazon)
dragend
ἀκολουθήσατε
(akolouthesate)
volg
αὐτῷ
(auto)
hem
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
εἰς
(eis)
in
ἣν
(hen)
welk
εἰσπορεύεται
(eisporeuetai)
hij binnengaat
Bron: SBLGNT
11En zeg tegen de eigenaar van het huis: ‘De leraar zegt tegen je: „Waar is de gastenkamer, waar Ik het Pesach met Mijn leerlingen kan eten?”’
καὶ
(kai)
en
ἐρεῖτε
(ereite)
zult zeggen
τῷ
(to)
aan de
οἰκοδεσπότῃ
(oikodespote)
eigenaar
τῆς
(tes)
van het
οἰκίας
(oikias)
huis
Λέγει
(Legei)
zegt
σοι
(soi)
je
ὁ
(ho)
de
διδάσκαλος
(didaskalos)
leraar
Ποῦ
(Pou)
waar
ἐστιν
(estin)
is
τὸ
(to)
de
κατάλυμα
(katalyma)
gastenkamer
ὅπου
(hopou)
waar
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
μου
(mou)
Mijn
φάγω
(phago)
Ik eet
Bron: SBLGNT
Uitleg
κατάλυμα (katalyma), ‘gastenkamer’: een plaats om te eten of te overnachten; zie ook Mark. 14:14.
20Op dezelfde manier nam Hij na de maaltijd de beker. Hij zei: „Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond in Mijn bloed.
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ὡσαύτως
(hosautos)
evenzo
μετὰ
(meta)
na
τὸ
(to)
het
δειπνῆσαι
(deipnesai)
maaltijd houden
λέγων
(legon)
zeggend
Τοῦτο
(Touto)
deze
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ἡ
(he)
het
καινὴ
(kaine)
nieuwe
διαθήκη
(diatheke)
verbond
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
αἵματί
(haimati)
bloed
μου
(mou)
Mijn
τὸ
(to)
dat
ὑπὲρ
(hyper)
voor
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐκχυννόμενον
(ekchynnomenon)
uitgegoten wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg
διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: het Hebreeuwse בְּרִית (berit).
Het ‘nieuwe verbond’ staat in Jer. 31:31–34; ‘het bloed van het verbond’ in Exod. 24:8.
Het Grieks heeft bij ‘de beker’ geen werkwoord; wij vullen ‘nam Hij’ aan uit vers 19. ἐκχυννόμενον (ekchynnomenon), ‘uitgegoten’: de vorm hoort grammaticaal bij ‘de beker’.
Lezing
De rechte haken van de SBLGNT, die in 22:19 openen, sluiten aan het eind van dit vers.
36Hij zei tegen hen: „Maar nu: wie een beurs heeft, moet die meenemen, en zo ook een reistas. En wie die niet heeft, moet zijn mantel verkopen en een zwaard kopen.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἀλλὰ
(Alla)
maar
νῦν
(nyn)
nu
ὁ
(ho)
wie
ἔχων
(echon)
heeft
βαλλάντιον
(ballantion)
beurs
ἀράτω
(arato)
moet meenemen
ὁμοίως
(homoios)
evenzo
καὶ
(kai)
ook
πήραν
(peran)
reistas
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
wie
μὴ
(me)
niet
ἔχων
(echon)
heeft
πωλησάτω
(polesato)
moet verkopen
τὸ
(to)
de
ἱμάτιον
(himation)
mantel
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἀγορασάτω
(agorasato)
moet kopen
μάχαιραν
(machairan)
zwaard
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: hier een kort zwaard of mes.
Het Grieks heeft alleen ‘en wie niet heeft’, zonder voorwerp; wij vullen ‘die’ aan en bedoelen de beurs en de reistas.
Het kan ook ‘een zwaard’ zijn.
37Want Ik zeg jullie dat dit wat geschreven staat, in Mij voltooid moet worden: ‘En Hij is gerekend onder de wetelozen.’ Want ook wat over Mij gezegd is, komt tot zijn einde.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
γὰρ
(gar)
want
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
τοῦτο
(touto)
dit
τὸ
(to)
het
γεγραμμένον
(gegrammenon)
geschrevene
δεῖ
(dei)
moet
τελεσθῆναι
(telesthenai)
voltooid worden
ἐν
(en)
in
ἐμοί
(emoi)
Mij
τό
(to)
het
Καὶ
(Kai)
en
μετὰ
(meta)
met
ἀνόμων
(anomon)
wetelozen
ἐλογίσθη
(elogisthe)
is gerekend
καὶ
(kai)
en
γὰρ
(gar)
want
τὸ
(to)
het
περὶ
(peri)
over
ἐμοῦ
(emou)
Mij
τέλος
(telos)
einde
ἔχει
(echei)
heeft
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het citaat is Jes. 53:12.
Het Hebreeuws heeft ‘onder de overtreders is geteld’; de Griekse tekst heeft ἄνομοι (anomoi), ‘wetelozen’.
τέλος ἔχει (telos echei), ‘komt tot zijn einde’: ook ‘wordt vervuld’.
41Hij trok Zich van hen terug, ongeveer een steenworp ver, knielde neer en bad.
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
ἀπεσπάσθη
(apespasthe)
trok Zich terug
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ὡσεὶ
(hosei)
ongeveer
λίθου
(lithou)
van een steen
βολήν
(bolen)
worp
καὶ
(kai)
en
θεὶς
(theis)
plaatsend
τὰ
(ta)
de
γόνατα
(gonata)
knieën
προσηύχετο
(proseycheto)
bad
Bron: SBLGNT
42Hij zei: „Vader, als U wilt, neem deze beker van Mij weg. Toch laat niet Mijn wil geschieden, maar de Uwe.”
λέγων
(legon)
zeggend
Πάτερ
(Pater)
Vader
εἰ
(ei)
als
βούλει
(boulei)
U wilt
παρένεγκε
(parenenke)
neem weg
τοῦτο
(touto)
dit
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ἀπ’
(ap’)
van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
πλὴν
(plen)
toch
μὴ
(me)
niet
τὸ
(to)
de
θέλημά
(thelema)
wil
μου
(mou)
Mijn
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸ
(to)
de
σὸν
(son)
Uwe
γινέσθω
(ginestho)
laat geschieden
Bron: SBLGNT
Uitleg
ποτήριον (poterion), ‘beker’: in de Schrift een beeld voor wat Elohim iemand toemeet, vooral Zijn oordeel (Ps. 75:9, in de Nederlandse telling 75:8; Jes. 51:17, 22).
51Yeshua antwoordde en zei: „Laat het hierbij.” Hij raakte het oor aan en genas hem.
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐᾶτε
(Eate)
laat toe
ἕως
(heos)
tot
τούτου
(toutou)
dit
καὶ
(kai)
en
ἁψάμενος
(hapsamenos)
aanrakend
τοῦ
(tou)
het
ὠτίου
(otiou)
oor
ἰάσατο
(iasato)
genas
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἐᾶτε ἕως τούτου (eate heos toutou), letterlijk ‘laat toe tot dit’: het kan een bevel zijn aan de leerlingen om op te houden (‘laat het hierbij’) of een verzoek aan de mannen om Hem dit te laten doen.
Wij lezen het eerste.
Alleen Lucas vertelt dat Yeshua het oor aanraakte en genas.
52Hogepriesters, bevelhebbers van de tempel en oudsten waren tegen Hem gekomen. Yeshua zei tegen hen: „Zijn jullie er als tegen een rover op uitgetrokken, met zwaarden en knuppels?
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πρὸς
(pros)
tot
τοὺς
(tous)
de
παραγενομένους
(paragenomenous)
gekomenen
ἐπ’
(ep’)
tegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
στρατηγοὺς
(strategous)
bevelhebbers
τοῦ
(tou)
van de
ἱεροῦ
(hierou)
tempel
καὶ
(kai)
en
πρεσβυτέρους
(presbyterous)
oudsten
Ὡς
(Hos)
als
ἐπὶ
(epi)
tegen
λῃστὴν
(lesten)
rover
ἐξήλθατε
(exelthate)
zijn jullie uitgetrokken
μετὰ
(meta)
met
μαχαιρῶν
(machairon)
zwaarden
καὶ
(kai)
en
ξύλων
(xylon)
knuppels
Bron: SBLGNT
Uitleg
στρατηγοὶ τοῦ ἱεροῦ (strategoi tou hierou), ‘bevelhebbers van de tempel’: zij die over de tempel gesteld waren. λῃστής (lestes), ‘rover’.
53Elke dag was Ik bij jullie in de tempel, en jullie hebben de handen niet naar Mij uitgestrekt. Maar dit is jullie uur en het gezag van de duisternis.”
καθ’
(kath’)
elke
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ὄντος
(ontos)
zijnde
μου
(mou)
Ik
μεθ’
(meth’)
met
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
οὐκ
(ouk)
niet
ἐξετείνατε
(exeteinate)
hebben jullie uitgestrekt
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐπ’
(ep’)
naar
ἐμέ
(eme)
Mij
ἀλλ’
(all’)
maar
αὕτη
(haute)
dit
ἐστὶν
(estin)
is
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
ἐξουσία
(exousia)
gezag
τοῦ
(tou)
van de
σκότους
(skotous)
duisternis
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te handelen.
‘Het gezag van de duisternis’ is het gezag dat de duisternis nu heeft.
Petrus verloochent Yeshua
54Zij grepen Hem, voerden Hem weg en brachten Hem het huis van de hogepriester binnen. Petrus volgde van veraf.
Συλλαβόντες
(Syllabontes)
grijpend
δὲ
(de)
en
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἤγαγον
(egagon)
voerden weg
καὶ
(kai)
en
εἰσήγαγον
(eisegagon)
brachten binnen
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἠκολούθει
(ekolouthei)
volgde
μακρόθεν
(makrothen)
van veraf
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van de hogepriester stond in Jeruzalem.
De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel.
Uitleg
Zie ook Matt. 26:57–75; Mark. 14:53–72; Joh. 18:12–27.
56Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: „Ook deze was met Hem.”
ἰδοῦσα
(idousa)
ziende
δὲ
(de)
en
αὐτὸν
(auton)
hem
παιδίσκη
(paidiske)
dienstmeisje
τις
(tis)
een
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
πρὸς
(pros)
bij
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
vuur
καὶ
(kai)
en
ἀτενίσασα
(atenisasa)
strak aankijkend
αὐτῷ
(auto)
naar hem
εἶπεν
(eipen)
zei
Καὶ
(Kai)
ook
οὗτος
(houtos)
deze
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἦν
(en)
was
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft φῶς (fos), ‘licht’; wij schrijven ‘vuur’, omdat het licht van het vuur in 22:55 komt.
57Maar hij ontkende het en zei: „Vrouw, ik ken Hem niet.”
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
ἠρνήσατο
(ernesato)
ontkende
λέγων
(legon)
zeggend
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ik ken
αὐτόν
(auton)
Hem
γύναι
(gynai)
vrouw
Bron: SBLGNT
58Even later zag een ander hem en zei: „Jij bent ook een van hen.” Maar Petrus zei: „Man, dat ben ik niet.”
καὶ
(kai)
en
μετὰ
(meta)
na
βραχὺ
(brachy)
kort
ἕτερος
(heteros)
een ander
ἰδὼν
(idon)
ziend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔφη
(ephe)
zei
Καὶ
(Kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἔφη
(ephe)
zei
Ἄνθρωπε
(Anthrope)
man
οὐκ
(ouk)
niet
εἰμί
(eimi)
ben ik
Bron: SBLGNT
59Ongeveer een uur later hield weer een ander met klem vol: „Werkelijk, ook deze was met Hem, want hij is ook een Galileeër.”
καὶ
(kai)
en
διαστάσης
(diastases)
verstreken zijnde
ὡσεὶ
(hosei)
ongeveer
ὥρας
(horas)
uur
μιᾶς
(mias)
een
ἄλλος
(allos)
een andere
τις
(tis)
zekere
διϊσχυρίζετο
(diischyrizeto)
hield vol
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐπ’
(Ep’)
in
ἀληθείας
(aletheias)
waarheid
καὶ
(kai)
ook
οὗτος
(houtos)
deze
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἦν
(en)
was
καὶ
(kai)
ook
γὰρ
(gar)
want
Γαλιλαῖός
(Galilaios)
Galileeër
ἐστιν
(estin)
is hij
Bron: SBLGNT
60Petrus zei: „Man, ik weet niet wat je zegt.” En meteen, terwijl hij nog sprak, kraaide een haan.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Ἄνθρωπε
(Anthrope)
man
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ik weet
ὃ
(ho)
wat
λέγεις
(legeis)
je zegt
καὶ
(kai)
en
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
ἔτι
(eti)
nog
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
αὐτοῦ
(autou)
hij
ἐφώνησεν
(ephonesen)
kraaide
ἀλέκτωρ
(alektor)
haan
Bron: SBLGNT
61De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tegen hem gezegd had: „Voordat de haan vandaag kraait, zul je Mij drie keer verloochenen.”
καὶ
(kai)
en
στραφεὶς
(strapheis)
omgedraaid
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
ἐνέβλεψεν
(eneblepsen)
keek aan
τῷ
(to)
de
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
καὶ
(kai)
en
ὑπεμνήσθη
(hypemnesthe)
herinnerde zich
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
τοῦ
(tou)
het
λόγου
(logou)
woord
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
Heer
ὡς
(hos)
hoe
εἶπεν
(eipen)
had gezegd
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὅτι
(hoti)
dat
Πρὶν
(Prin)
voordat
ἀλέκτορα
(alektora)
haan
φωνῆσαι
(phonesai)
kraait
σήμερον
(semeron)
vandaag
ἀπαρνήσῃ
(aparnese)
zul verloochenen
με
(me)
Mij
τρίς
(tris)
drie keer
Bron: SBLGNT
Uitleg
κύριος (kyrios), ‘Heer’: zie 7:13.
Alleen Lucas vertelt dat de Heer Petrus aankeek.
62Hij ging naar buiten en huilde bitter.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgegaan
ἔξω
(exo)
buiten
ἔκλαυσεν
(eklausen)
huilde
πικρῶς
(pikros)
bitter
Bron: SBLGNT
Yeshua wordt bespot en geslagen
63De mannen die Hem vasthielden, bespotten Hem en sloegen Hem.
Καὶ
(Kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἄνδρες
(andres)
mannen
οἱ
(hoi)
die
συνέχοντες
(synechontes)
vasthielden
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐνέπαιζον
(enepaizon)
bespotten
αὐτῷ
(auto)
Hem
δέροντες
(derontes)
slaand
Bron: SBLGNT
Uitleg
Lucas vertelt de bespotting vóór het verhoor door de Raad; Matteüs en Markus vertellen haar erna (Matt. 26:67–68; Mark. 14:65).
65Zij zeiden ook nog veel andere dingen tegen Hem en lasterden Hem.
καὶ
(kai)
en
ἕτερα
(hetera)
andere
πολλὰ
(polla)
veel
βλασφημοῦντες
(blasphemountes)
lasterend
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
εἰς
(eis)
tegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Yeshua voor de Raad
66Toen het dag werd, kwam de oudstenraad van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden. Zij voerden Hem weg naar hun Raad.
Καὶ
(Kai)
en
ὡς
(hos)
toen
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ἡμέρα
(hemera)
dag
συνήχθη
(synechthe)
kwam bijeen
τὸ
(to)
de
πρεσβυτέριον
(presbyterion)
oudstenraad
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
als
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
ἀπήγαγον
(apegagon)
voerden weg
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
συνέδριον
(synedrion)
Raad
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg
πρεσβυτέριον (presbyterion), ‘oudstenraad’: de vergadering van de oudsten. συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: het hoogste Joodse gerechtshof in Jeruzalem; zie Matt. 26:59.