Elohim Bijbel

Lucas 22

123456789101112131415161718192021222324

Het laatste maal, Getsemane, de gevangenneming en het verhoor door de Raad

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het plan om Yeshua te doden

1Het feest van de ongezuurde broden, dat Pesach genoemd wordt, naderde.
Ἤγγιζεν
(Engizen)
naderde
δὲ
(de)
en
ἡ
(he)
het
ἑορτὴ
(heorte)
feest
τῶν
(ton)
van de
ἀζύμων
(azymon)
ongezuurde broden
ἡ
(he)
het
λεγομένη
(legomene)
genoemde
Πάσχα
(Pascha)
Pesach
Bron: SBLGNT
Uitleg

πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest ter herinnering aan de uittocht uit Egypte (Exod. 12). ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurde broden’: het feest dat op het Pesach volgt (Lev. 23:5–6).

Lucas noemt hier het hele feest ‘Pesach’.

Zie ook Matt. 26:1–5; Mark. 14:1–2.

2De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem konden doden, want zij waren bang voor het volk.
καὶ
(kai)
en
ἐζήτουν
(ezetoun)
zochten
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
τὸ
(to)
het
πῶς
(pos)
hoe
ἀνέλωσιν
(anelosin)
zij zouden doden
αὐτόν
(auton)
Hem
ἐφοβοῦντο
(ephobounto)
zij waren bang
γὰρ
(gar)
want
τὸν
(ton)
het
λαόν
(laon)
volk
Bron: SBLGNT

Judas en de hogepriesters

3Toen ging Satan binnen in Judas, die Iskariot genoemd werd en tot de twaalf behoorde.
Εἰσῆλθεν
(Eiselthen)
ging binnen
δὲ
(de)
en
Σατανᾶς
(Satanas)
Satan
εἰς
(eis)
in
Ἰούδαν
(Ioudan)
Judas
τὸν
(ton)
de
καλούμενον
(kaloumenon)
genoemde
Ἰσκαριώτην
(Iskarioten)
Iskariot
ὄντα
(onta)
zijnde
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
ἀριθμοῦ
(arithmou)
aantal
τῶν
(ton)
van de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
Bron: SBLGNT
Uitleg

Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: van het Hebreeuwse שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’; zie Matt. 4:10.

Het Grieks zegt letterlijk dat Satan ‘in Judas binnenging’. Ἰσκαριώτης (Iskariotes), ‘Iskariot’: wat de naam betekent, is onzeker.

Zie ook Matt. 26:14–16; Mark. 14:10–11; Joh. 13:27.

4Hij ging weg en overlegde met de hogepriesters en de bevelhebbers hoe hij Hem aan hen kon overleveren.
καὶ
(kai)
en
ἀπελθὼν
(apelthon)
weggegaan
συνελάλησεν
(synelalesen)
sprak met
τοῖς
(tois)
de
ἀρχιερεῦσιν
(archiereusin)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
στρατηγοῖς
(strategois)
bevelhebbers
τὸ
(to)
het
πῶς
(pos)
hoe
αὐτοῖς
(autois)
hun
παραδῷ
(parado)
hij zou overleveren
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

στρατηγός (strategos), ‘bevelhebber’: iemand die leiding geeft; in 22:52 heten zij ‘bevelhebbers van de tempel’.

5Zij werden blij en kwamen met hem overeen hem geld te geven.
καὶ
(kai)
en
ἐχάρησαν
(echaresan)
werden blij
καὶ
(kai)
en
συνέθεντο
(synethento)
kwamen overeen
αὐτῷ
(auto)
met hem
ἀργύριον
(argyrion)
geld
δοῦναι
(dounai)
te geven
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀργύριον (argyrion), ‘geld’: letterlijk ‘zilver’.

Matteüs noemt 30 zilverstukken (Matt. 26:15).

Zie ookMat 26:15
6Hij stemde toe en zocht een gelegenheid om Hem aan hen over te leveren, zonder dat de menigte erbij was.
καὶ
(kai)
en
ἐξωμολόγησεν
(exomologesen)
stemde toe
καὶ
(kai)
en
ἐζήτει
(ezetei)
zocht
εὐκαιρίαν
(eukairian)
gelegenheid
τοῦ
(tou)
om
παραδοῦναι
(paradounai)
over te leveren
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἄτερ
(ater)
zonder
ὄχλου
(ochlou)
menigte
αὐτοῖς
(autois)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξομολογέω (exomologeo), ‘toestemmen’: ook ‘belijden’; hier gaat het om instemmen met het voorstel. ἄτερ ὄχλου (ater ochlou), ‘zonder menigte’: Judas zocht een moment waarop de menigte er niet bij was.

De voorbereiding van het Pesach

7Toen kwam de dag van de ongezuurde broden, waarop het Pesach geslacht moest worden.
Ἦλθεν
(Elthen)
kwam
δὲ
(de)
en
ἡ
(he)
de
ἡμέρα
(hemera)
dag
τῶν
(ton)
van de
ἀζύμων
(azymon)
ongezuurde broden
ᾗ
(he)
waarop
ἔδει
(edei)
moest
θύεσθαι
(thyesthai)
geslacht worden
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
Bron: SBLGNT
Uitleg

θύω (thyo), ‘slachten’: het Pesachlam werd geslacht op de veertiende van de eerste maand (Exod. 12:6; Lev. 23:5).

Zie ook Matt. 26:17–19; Mark. 14:12–16.

8Yeshua zond Petrus en Johannes en zei: „Ga het Pesach voor ons klaarmaken, zodat wij het kunnen eten.”
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
εἰπών
(eipon)
zeggend
Πορευθέντες
(Poreuthentes)
ga
ἑτοιμάσατε
(hetoimasate)
maak klaar
ἡμῖν
(hemin)
voor ons
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
ἵνα
(hina)
opdat
φάγωμεν
(phagomen)
wij eten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft hier geen onderwerp (‘en hij zond’); wij noemen de naam Yeshua.

9Zij zeiden tegen Hem: „Waar wilt U dat wij het klaarmaken?”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ποῦ
(Pou)
waar
θέλεις
(theleis)
wilt U
ἑτοιμάσωμεν
(hetoimasomen)
dat wij klaarmaken
Bron: SBLGNT
10Hij zei tegen hen: „Zie, wanneer jullie de stad binnengaan, zal een man jullie tegemoetkomen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
εἰσελθόντων
(eiselthonton)
binnengaand
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
συναντήσει
(synantesei)
zal tegemoetkomen
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
κεράμιον
(keramion)
kruik
ὕδατος
(hydatos)
van water
βαστάζων
(bastazon)
dragend
ἀκολουθήσατε
(akolouthesate)
volg
αὐτῷ
(auto)
hem
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
εἰς
(eis)
in
ἣν
(hen)
welk
εἰσπορεύεται
(eisporeuetai)
hij binnengaat
Bron: SBLGNT
11En zeg tegen de eigenaar van het huis: ‘De leraar zegt tegen je: „Waar is de gastenkamer, waar Ik het Pesach met Mijn leerlingen kan eten?”’
καὶ
(kai)
en
ἐρεῖτε
(ereite)
zult zeggen
τῷ
(to)
aan de
οἰκοδεσπότῃ
(oikodespote)
eigenaar
τῆς
(tes)
van het
οἰκίας
(oikias)
huis
Λέγει
(Legei)
zegt
σοι
(soi)
je
ὁ
(ho)
de
διδάσκαλος
(didaskalos)
leraar
Ποῦ
(Pou)
waar
ἐστιν
(estin)
is
τὸ
(to)
de
κατάλυμα
(katalyma)
gastenkamer
ὅπου
(hopou)
waar
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
μου
(mou)
Mijn
φάγω
(phago)
Ik eet
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατάλυμα (katalyma), ‘gastenkamer’: een plaats om te eten of te overnachten; zie ook Mark. 14:14.

Zie ookMar 14:14
12Die man zal jullie een grote bovenzaal laten zien, ingericht. Maak het daar klaar.”
κἀκεῖνος
(kakeinos)
en die
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
δείξει
(deixei)
zal tonen
ἀνάγαιον
(anagaion)
bovenzaal
μέγα
(mega)
grote
ἐστρωμένον
(estromenon)
ingerichte
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ἑτοιμάσατε
(hetoimasate)
maak klaar
Bron: SBLGNT
13Zij gingen weg en vonden het zoals Hij hun gezegd had. Zij maakten het Pesach klaar.
ἀπελθόντες
(apelthontes)
weggegaan
δὲ
(de)
en
εὗρον
(heuron)
vonden
καθὼς
(kathos)
zoals
εἰρήκει
(eirekei)
had gezegd
αὐτοῖς
(autois)
hun
καὶ
(kai)
en
ἡτοίμασαν
(hetoimasan)
maakten klaar
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
Bron: SBLGNT

Het Pesach-maal

14Toen het uur gekomen was, ging Hij aan tafel liggen, en de apostelen met Hem.
Καὶ
(Kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἐγένετο
(egeneto)
kwam
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
ἀνέπεσεν
(anepesen)
ging aan tafel
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀπόστολοι
(apostoloi)
apostelen
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is.

Lucas gebruikt dit woord voor de twaalf. ἀνέπεσεν (anepesen), ‘ging aan tafel liggen’: bij een feestmaal lag men aan tafel.

Zie ook Matt. 26:20; Mark. 14:17.

15Hij zei tegen hen: „Ik heb er vurig naar verlangd dit Pesach met jullie te eten, voordat Ik lijd.
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tot
αὐτούς
(autous)
hen
Ἐπιθυμίᾳ
(Epithymia)
met vurig verlangen
ἐπεθύμησα
(epethymesa)
Ik heb verlangd
τοῦτο
(touto)
dit
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
φαγεῖν
(phagein)
te eten
μεθ’
(meth’)
met
ὑμῶν
(hymon)
jullie
πρὸ
(pro)
voor
τοῦ
(tou)
het
με
(me)
Mij
παθεῖν
(pathein)
te lijden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπιθυμίᾳ ἐπεθύμησα (epithymia epethymesa), letterlijk ‘met verlangen heb Ik verlangd’: een nadrukkelijke manier van spreken. πάσχω (pascho), ‘lijden’.

16Want Ik zeg jullie: Ik zal het beslist niet meer eten, totdat het vervuld is in het koninkrijk van Elohim.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
γὰρ
(gar)
want
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
φάγω
(phago)
Ik eet
αὐτὸ
(auto)
het
ἕως
(heos)
totdat
ὅτου
(hotou)
wanneer
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld is
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
βασιλείᾳ
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
17Hij nam een beker, dankte en zei: „Neem dit en verdeel het onder jullie.
καὶ
(kai)
en
δεξάμενος
(dexamenos)
nemend
ποτήριον
(poterion)
beker
εὐχαριστήσας
(eucharistesas)
dankend
εἶπεν
(eipen)
zei
Λάβετε
(Labete)
neem
τοῦτο
(touto)
dit
καὶ
(kai)
en
διαμερίσατε
(diamerisate)
verdeel
εἰς
(eis)
onder
ἑαυτούς
(heautous)
jullie zelf
Bron: SBLGNT
Uitleg

Lucas noemt twee bekers: een vóór het brood (22:17) en een na de maaltijd (22:20).

Matteüs en Markus noemen één beker.

18Want Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik beslist niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok, totdat het koninkrijk van Elohim gekomen is.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
γὰρ
(gar)
want
ὑμῖν
(hymin)
jullie
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
πίω
(pio)
Ik drink
ἀπὸ
(apo)
vanaf
τοῦ
(tou)
het
νῦν
(nyn)
nu
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
γενήματος
(genematos)
vrucht
τῆς
(tes)
van de
ἀμπέλου
(ampelou)
wijnstok
ἕως
(heos)
totdat
οὗ
(hou)
wanneer
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἔλθῃ
(elthe)
komt
Bron: SBLGNT
19Hij nam brood, dankte, brak het en gaf het hun. Hij zei: „Dit is Mijn lichaam, dat voor jullie wordt gegeven. Doe dit tot Mijn gedachtenis.”
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
ἄρτον
(arton)
brood
εὐχαριστήσας
(eucharistesas)
dankend
ἔκλασεν
(eklasen)
brak
καὶ
(kai)
en
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγων
(legon)
zeggend
Τοῦτό
(Touto)
dit
ἐστιν
(estin)
is
τὸ
(to)
het
σῶμά
(soma)
lichaam
μου
(mou)
Mijn
τὸ
(to)
dat
ὑπὲρ
(hyper)
voor
ὑμῶν
(hymon)
jullie
διδόμενον
(didomenon)
gegeven wordt
τοῦτο
(touto)
dit
ποιεῖτε
(poieite)
doe
εἰς
(eis)
tot
τὴν
(ten)
de
ἐμὴν
(emen)
Mijn
ἀνάμνησιν
(anamnesin)
gedachtenis
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνάμνησις (anamnesis), ‘gedachtenis’: herinnering.

Zie ook Matt. 26:26–29; Mark. 14:22–25; 1 Kor. 11:23–26.

Lezing

De SBLGNT zet de woorden vanaf ‘dat voor jullie wordt gegeven’ in 22:19 tot en met 22:20 tussen rechte haken.

In sommige oude handschriften ontbreken ze.

Wij vertalen ze.

20Op dezelfde manier nam Hij na de maaltijd de beker. Hij zei: „Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond in Mijn bloed.
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ὡσαύτως
(hosautos)
evenzo
μετὰ
(meta)
na
τὸ
(to)
het
δειπνῆσαι
(deipnesai)
maaltijd houden
λέγων
(legon)
zeggend
Τοῦτο
(Touto)
deze
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ἡ
(he)
het
καινὴ
(kaine)
nieuwe
διαθήκη
(diatheke)
verbond
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
αἵματί
(haimati)
bloed
μου
(mou)
Mijn
τὸ
(to)
dat
ὑπὲρ
(hyper)
voor
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐκχυννόμενον
(ekchynnomenon)
uitgegoten wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: het Hebreeuwse בְּרִית (berit).

Het ‘nieuwe verbond’ staat in Jer. 31:31–34; ‘het bloed van het verbond’ in Exod. 24:8.

Het Grieks heeft bij ‘de beker’ geen werkwoord; wij vullen ‘nam Hij’ aan uit vers 19. ἐκχυννόμενον (ekchynnomenon), ‘uitgegoten’: de vorm hoort grammaticaal bij ‘de beker’.

Lezing

De rechte haken van de SBLGNT, die in 22:19 openen, sluiten aan het eind van dit vers.

Zie de voetnoot bij 22:19.

21Maar zie, de hand van degene die Mij overlevert, is met Mij aan tafel.
πλὴν
(plen)
maar
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἡ
(he)
de
χεὶρ
(cheir)
hand
τοῦ
(tou)
van de
παραδιδόντος
(paradidontos)
overleverende
με
(me)
Mij
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
Mij
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
τραπέζης
(trapezes)
tafel
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ps. 41:10 (in de Nederlandse telling is dit 41:9): ‘die mijn brood at, heeft de hiel groot gemaakt tegen mij’.

Zie ook Joh. 13:21–30.

22Want de Mensenzoon gaat wel heen, volgens wat bepaald is. Maar wee die mens door wie Hij wordt overgeleverd.”
ὅτι
(hoti)
want
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
μὲν
(men)
wel
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
κατὰ
(kata)
volgens
τὸ
(to)
het
ὡρισμένον
(horismenon)
bepaalde
πορεύεται
(poreuetai)
gaat heen
πλὴν
(plen)
maar
οὐαὶ
(ouai)
wee
τῷ
(to)
aan de
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
mens
ἐκείνῳ
(ekeino)
die
δι’
(di’)
door
οὗ
(hou)
wie
παραδίδοται
(paradidotai)
wordt overgeleverd
Bron: SBLGNT
Uitleg

υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24. ὁρίζω (horizo), ‘bepalen’: de lijdende vorm laat open wie het bepaald heeft.

Zie ook Matt. 26:24; Mark. 14:21.

23Zij begonnen onder elkaar te bespreken wie van hen het wel kon zijn die dit zou doen.
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zij
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
συζητεῖν
(syzetein)
te bespreken
πρὸς
(pros)
onder
ἑαυτοὺς
(heautous)
zichzelf
τὸ
(to)
het
τίς
(tis)
wie
ἄρα
(ara)
dan
εἴη
(eie)
zou zijn
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
ὁ
(ho)
de
τοῦτο
(touto)
dit
μέλλων
(mellon)
gaande
πράσσειν
(prassein)
te doen
Bron: SBLGNT

De twist over wie de grootste is

24Er ontstond ook een twist onder hen over wie van hen voor de grootste moest gelden.
Ἐγένετο
(Egeneto)
ontstond
δὲ
(de)
en
καὶ
(kai)
ook
φιλονεικία
(philoneikia)
twist
ἐν
(en)
onder
αὐτοῖς
(autois)
hen
τὸ
(to)
het
τίς
(tis)
wie
αὐτῶν
(auton)
van hen
δοκεῖ
(dokei)
geldt
εἶναι
(einai)
te zijn
μείζων
(meizon)
grootste
Bron: SBLGNT
25Hij zei tegen hen: „De koningen van de volken heersen over hen, en zij die gezag over hen uitoefenen, worden weldoeners genoemd.
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Οἱ
(Hoi)
de
βασιλεῖς
(basileis)
koningen
τῶν
(ton)
van de
ἐθνῶν
(ethnon)
volken
κυριεύουσιν
(kyrieuousin)
heersen
αὐτῶν
(auton)
over hen
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
zij die
ἐξουσιάζοντες
(exousiazontes)
gezag uitoefenen
αὐτῶν
(auton)
over hen
εὐεργέται
(euergetai)
weldoeners
καλοῦνται
(kalountai)
worden genoemd
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔθνη (ethne), ‘volken’: de niet-Joodse volken. εὐεργέτης (euergetes), ‘weldoener’: een eretitel voor heersers.

Zie ook Matt. 20:25–28; Mark. 10:42–45.

26Maar jullie niet zo. De grootste onder jullie moet worden als de jongste, en wie leiding geeft, als wie dient.
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
οὐχ
(ouch)
niet
οὕτως
(houtos)
zo
ἀλλ’
(all’)
maar
ὁ
(ho)
de
μείζων
(meizon)
grootste
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
γινέσθω
(ginestho)
moet worden
ὡς
(hos)
als
ὁ
(ho)
de
νεώτερος
(neoteros)
jongste
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἡγούμενος
(hegoumenos)
leidinggevende
ὡς
(hos)
als
ὁ
(ho)
de
διακονῶν
(diakonon)
dienende
Bron: SBLGNT
27Want wie is groter: wie aan tafel ligt of wie dient? Is het niet wie aan tafel ligt? Maar Ik ben in jullie midden als wie dient.
τίς
(tis)
wie
γὰρ
(gar)
want
μείζων
(meizon)
groter
ὁ
(ho)
de
ἀνακείμενος
(anakeimenos)
aan tafel liggende
ἢ
(e)
of
ὁ
(ho)
de
διακονῶν
(diakonon)
dienende
οὐχὶ
(ouchi)
niet
ὁ
(ho)
de
ἀνακείμενος
(anakeimenos)
aan tafel liggende
ἐγὼ
(ego)
Ik
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
μέσῳ
(meso)
midden
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
εἰμι
(eimi)
ben
ὡς
(hos)
als
ὁ
(ho)
de
διακονῶν
(diakonon)
dienende
Bron: SBLGNT
28Jullie zijn het die bij Mij gebleven zijn in Mijn beproevingen.
Ὑμεῖς
(Hymeis)
jullie
δέ
(de)
maar
ἐστε
(este)
zijn
οἱ
(hoi)
zij die
διαμεμενηκότες
(diamemenekotes)
gebleven zijn
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
Mij
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
πειρασμοῖς
(peirasmois)
beproevingen
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
29En ook Ik wijs jullie een koninkrijk toe, zoals Mijn Vader het Mij heeft toegewezen,
κἀγὼ
(kago)
en Ik ook
διατίθεμαι
(diatithemai)
wijs toe
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
καθὼς
(kathos)
zoals
διέθετό
(dietheto)
heeft toegewezen
μοι
(moi)
aan Mij
ὁ
(ho)
de
πατήρ
(pater)
Vader
μου
(mou)
Mijn
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
Bron: SBLGNT
Uitleg

διατίθεμαι (diatithemai), ‘toewijzen’: een regeling treffen.

Het is verwant aan διαθήκη (diatheke), ‘verbond’ (22:20).

30zodat jullie in Mijn koninkrijk aan Mijn tafel eten en drinken, en op tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te oordelen.
ἵνα
(hina)
opdat
ἔσθητε
(esthete)
jullie eten
καὶ
(kai)
en
πίνητε
(pinete)
jullie drinken
ἐπὶ
(epi)
aan
τῆς
(tes)
de
τραπέζης
(trapezes)
tafel
μου
(mou)
Mijn
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
βασιλείᾳ
(basileia)
koninkrijk
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
καθήσεσθε
(kathesesthe)
jullie zullen zitten
ἐπὶ
(epi)
op
θρόνων
(thronon)
tronen
τὰς
(tas)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
φυλὰς
(phylas)
stammen
κρίνοντες
(krinontes)
oordelend
τοῦ
(tou)
van de
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
Bron: SBLGNT
Uitleg

κρίνω (krino), ‘oordelen’: zoals in Matt. 19:28, waar de twaalf ook ‘op tronen zitten’.

Wat dit oordelen inhoudt, zegt de tekst niet.

Zie ookMat 19:28

Yeshua kondigt de verloochening aan

31Simon, Simon, zie, Satan heeft gevraagd jullie te mogen ziften als tarwe.
Σίμων
(Simon)
Simon
Σίμων
(Simon)
Simon
ἰδοὺ
(idou)
zie
ὁ
(ho)
de
Σατανᾶς
(Satanas)
Satan
ἐξῃτήσατο
(exetesato)
heeft gevraagd
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
τοῦ
(tou)
om
σινιάσαι
(siniasai)
te ziften
ὡς
(hos)
als
τὸν
(ton)
de
σῖτον
(siton)
tarwe
Bron: SBLGNT
Uitleg

σινιάζω (siniazo), ‘ziften’: tarwe in een zeef schudden om het kaf van het koren te scheiden.

Het Grieks gebruikt hier voor ‘jullie’ het meervoud (ὑμᾶς); daarna, in 22:32, wordt Simon alleen aangesproken (‘voor jou’).

32Maar Ik heb voor jou gebeden dat je geloof niet ophoudt. En jij, als je eenmaal teruggekeerd bent, sterk dan je broers.”
ἐγὼ
(ego)
Ik
δὲ
(de)
maar
ἐδεήθην
(edeethen)
heb gebeden
περὶ
(peri)
voor
σοῦ
(sou)
jou
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ἐκλίπῃ
(eklipe)
ophoudt
ἡ
(he)
het
πίστις
(pistis)
geloof
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
σύ
(sy)
jij
ποτε
(pote)
eenmaal
ἐπιστρέψας
(epistrepsas)
teruggekeerd
στήρισον
(sterison)
sterk
τοὺς
(tous)
de
ἀδελφούς
(adelphous)
broers
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπιστρέφω (epistrepho), ‘terugkeren’: het kan ook ‘zich omkeren’ betekenen. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: de andere leerlingen.

33Petrus zei tegen Hem: „Heer, met U ben ik bereid zowel naar de gevangenis als naar de dood te gaan.”
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Κύριε
(Kyrie)
Heer
μετὰ
(meta)
met
σοῦ
(sou)
U
ἕτοιμός
(hetoimos)
bereid
εἰμι
(eimi)
ben ik
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
naar
φυλακὴν
(phylaken)
gevangenis
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
naar
θάνατον
(thanaton)
dood
πορεύεσθαι
(poreuesthai)
te gaan
Bron: SBLGNT
34Hij zei: „Ik zeg je, Petrus: de haan zal vandaag niet kraaien, totdat je drie keer verloochend hebt dat je Mij kent.”
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Λέγω
(Lego)
Ik zeg
σοι
(soi)
je
Πέτρε
(Petre)
Petrus
οὐ
(ou)
niet
φωνήσει
(phonesei)
zal kraaien
σήμερον
(semeron)
vandaag
ἀλέκτωρ
(alektor)
haan
ἕως
(heos)
totdat
τρίς
(tris)
drie keer
με
(me)
Mij
ἀπαρνήσῃ
(aparnese)
je verloochent
εἰδέναι
(eidenai)
te kennen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπαρνέομαι (aparneomai), ‘verloochenen’: zeggen dat je iemand niet kent.

In 22:31 spreekt Yeshua hem aan met ‘Simon’, hier met ‘Petrus’.

Zie ook Matt. 26:33–35; Mark. 14:29–31; Joh. 13:36–38.

Beurs, reistas en zwaard

35Hij zei tegen hen: „Toen Ik jullie zond zonder beurs, reistas en sandalen, hebben jullie soms iets tekortgekomen?” Zij zeiden: „Niets.”
Καὶ
(Kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ὅτε
(Hote)
toen
ἀπέστειλα
(apesteila)
Ik zond
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἄτερ
(ater)
zonder
βαλλαντίου
(ballantiou)
beurs
καὶ
(kai)
en
πήρας
(peras)
reistas
καὶ
(kai)
en
ὑποδημάτων
(hypodematon)
sandalen
μή
(me)
soms niet
τινος
(tinos)
iets
ὑστερήσατε
(hysteresate)
hebben jullie tekortgekomen
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Οὐθενός
(Outhenos)
niets
Bron: SBLGNT
Uitleg

βαλλάντιον (ballantion), ‘beurs’; πήρα (pera), ‘reistas’: een tas voor onderweg; ὑπόδημα (hypodema), ‘sandaal’.

Zie ook Luc. 9:3; Luc. 10:4; Matt. 10:9–10; Mark. 6:8–9.

36Hij zei tegen hen: „Maar nu: wie een beurs heeft, moet die meenemen, en zo ook een reistas. En wie die niet heeft, moet zijn mantel verkopen en een zwaard kopen.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἀλλὰ
(Alla)
maar
νῦν
(nyn)
nu
ὁ
(ho)
wie
ἔχων
(echon)
heeft
βαλλάντιον
(ballantion)
beurs
ἀράτω
(arato)
moet meenemen
ὁμοίως
(homoios)
evenzo
καὶ
(kai)
ook
πήραν
(peran)
reistas
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
wie
μὴ
(me)
niet
ἔχων
(echon)
heeft
πωλησάτω
(polesato)
moet verkopen
τὸ
(to)
de
ἱμάτιον
(himation)
mantel
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἀγορασάτω
(agorasato)
moet kopen
μάχαιραν
(machairan)
zwaard
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: hier een kort zwaard of mes.

Het Grieks heeft alleen ‘en wie niet heeft’, zonder voorwerp; wij vullen ‘die’ aan en bedoelen de beurs en de reistas.

Het kan ook ‘een zwaard’ zijn.

37Want Ik zeg jullie dat dit wat geschreven staat, in Mij voltooid moet worden: ‘En Hij is gerekend onder de wetelozen.’ Want ook wat over Mij gezegd is, komt tot zijn einde.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
γὰρ
(gar)
want
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
τοῦτο
(touto)
dit
τὸ
(to)
het
γεγραμμένον
(gegrammenon)
geschrevene
δεῖ
(dei)
moet
τελεσθῆναι
(telesthenai)
voltooid worden
ἐν
(en)
in
ἐμοί
(emoi)
Mij
τό
(to)
het
Καὶ
(Kai)
en
μετὰ
(meta)
met
ἀνόμων
(anomon)
wetelozen
ἐλογίσθη
(elogisthe)
is gerekend
καὶ
(kai)
en
γὰρ
(gar)
want
τὸ
(to)
het
περὶ
(peri)
over
ἐμοῦ
(emou)
Mij
τέλος
(telos)
einde
ἔχει
(echei)
heeft
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Jes. 53:12.

Het Hebreeuws heeft ‘onder de overtreders is geteld’; de Griekse tekst heeft ἄνομοι (anomoi), ‘wetelozen’.

τέλος ἔχει (telos echei), ‘komt tot zijn einde’: ook ‘wordt vervuld’.

Zie ookJes 53:12
38Zij zeiden: „Heer, zie, hier zijn twee zwaarden.” Hij zei tegen hen: „Het is genoeg.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Κύριε
(Kyrie)
Heer
ἰδοὺ
(idou)
zie
μάχαιραι
(machairai)
zwaarden
ὧδε
(hode)
hier
δύο
(dyo)
twee
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἱκανόν
(Hikanon)
genoeg
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἱκανόν ἐστιν (hikanon estin), ‘het is genoeg’: dat kan betekenen dat twee zwaarden genoeg zijn, of ‘genoeg hierover’.

Wat Hij bedoelt, zegt de tekst niet.

Yeshua op de Olijfberg

39Hij ging naar buiten en ging, zoals gewoonlijk, naar de Olijfberg. De leerlingen volgden Hem ook.
Καὶ
(Kai)
en
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgegaan
ἐπορεύθη
(eporeuthe)
ging
κατὰ
(kata)
volgens
τὸ
(to)
het
ἔθος
(ethos)
gebruik
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
Ὄρος
(Oros)
berg
τῶν
(ton)
van de
Ἐλαιῶν
(Elaion)
olijven
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
δὲ
(de)
en
αὐτῷ
(auto)
Hem
καὶ
(kai)
ook
οἱ
(hoi)
de
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal.

Uitleg

De Olijfberg ligt tegenover Jeruzalem (Zach. 14:4).

Zie ook Matt. 26:30, 26:36–46; Mark. 14:26, 14:32–42; Joh. 18:1.

40Toen Hij op de plaats gekomen was, zei Hij tegen hen: „Bid dat jullie niet in beproeving komen.”
γενόμενος
(genomenos)
gekomen zijnde
δὲ
(de)
en
ἐπὶ
(epi)
op
τοῦ
(tou)
de
τόπου
(topou)
plaats
εἶπεν
(eipen)
zei Hij
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Προσεύχεσθε
(Proseuchesthe)
bid
μὴ
(me)
niet
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
εἰς
(eis)
in
πειρασμόν
(peirasmon)
beproeving
Bron: SBLGNT
Uitleg

πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: van hetzelfde woord als πειράζω, ‘op de proef stellen’ (Matt. 4:1).

Zie ook 22:46.

Zie ookMat 4:1
41Hij trok Zich van hen terug, ongeveer een steenworp ver, knielde neer en bad.
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
ἀπεσπάσθη
(apespasthe)
trok Zich terug
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ὡσεὶ
(hosei)
ongeveer
λίθου
(lithou)
van een steen
βολήν
(bolen)
worp
καὶ
(kai)
en
θεὶς
(theis)
plaatsend
τὰ
(ta)
de
γόνατα
(gonata)
knieën
προσηύχετο
(proseycheto)
bad
Bron: SBLGNT
42Hij zei: „Vader, als U wilt, neem deze beker van Mij weg. Toch laat niet Mijn wil geschieden, maar de Uwe.”
λέγων
(legon)
zeggend
Πάτερ
(Pater)
Vader
εἰ
(ei)
als
βούλει
(boulei)
U wilt
παρένεγκε
(parenenke)
neem weg
τοῦτο
(touto)
dit
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ἀπ’
(ap’)
van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
πλὴν
(plen)
toch
μὴ
(me)
niet
τὸ
(to)
de
θέλημά
(thelema)
wil
μου
(mou)
Mijn
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸ
(to)
de
σὸν
(son)
Uwe
γινέσθω
(ginestho)
laat geschieden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ποτήριον (poterion), ‘beker’: in de Schrift een beeld voor wat Elohim iemand toemeet, vooral Zijn oordeel (Ps. 75:9, in de Nederlandse telling 75:8; Jes. 51:17, 22).

43Er verscheen Hem een engel uit de hemel, die Hem versterkte.
ὤφθη
(ophthe)
verscheen
δὲ
(de)
en
αὐτῷ
(auto)
aan Hem
ἄγγελος
(angelos)
engel
ἀπ’
(ap’)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἐνισχύων
(enischyon)
versterkend
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Lezing

De verzen 22:43–44 staan in de SBLGNT, maar in sommige oude handschriften ontbreken ze.

Wij vertalen ze.

44In zware angst bad Hij nog vuriger. Zijn zweet werd als druppels bloed die op de aarde vielen.
καὶ
(kai)
en
γενόμενος
(genomenos)
zijnde
ἐν
(en)
in
ἀγωνίᾳ
(agonia)
angst
ἐκτενέστερον
(ektenesteron)
vuriger
προσηύχετο
(proseycheto)
bad Hij
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ὁ
(ho)
het
ἱδρὼς
(hidros)
zweet
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὡσεὶ
(hosei)
als
θρόμβοι
(thromboi)
druppels
αἵματος
(haimatos)
van bloed
καταβαίνοντες
(katabainontes)
neervallend
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγωνία (agonia), ‘angst’: eigenlijk ‘strijd’, de spanning vóór een beslissend moment. θρόμβος (thrombos), ‘druppel’: het kan ook ‘klont’ betekenen.

Lucas zegt ‘als druppels bloed’: het is een vergelijking.

45Hij stond op van het gebed, ging naar de leerlingen en vond hen slapend van verdriet.
καὶ
(kai)
en
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
het
προσευχῆς
(proseuches)
gebed
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
εὗρεν
(heuren)
vond
κοιμωμένους
(koimomenous)
slapend
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
het
λύπης
(lypes)
verdriet
Bron: SBLGNT
46Hij zei tegen hen: „Waarom slapen jullie? Sta op en bid, opdat jullie niet in beproeving komen.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τί
(Ti)
waarom
καθεύδετε
(katheudete)
slapen jullie
ἀναστάντες
(anastantes)
opgestaan
προσεύχεσθε
(proseuchesthe)
bid
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
εἰσέλθητε
(eiselthete)
jullie binnengaan
εἰς
(eis)
in
πειρασμόν
(peirasmon)
beproeving
Bron: SBLGNT

De gevangenneming

47Terwijl Hij nog sprak, zie: een menigte, en degene die Judas genoemd werd, een van de twaalf, ging hen voor. Judas naderde Yeshua om Hem te kussen.
Ἔτι
(Eti)
nog
αὐτοῦ
(autou)
Hij
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
ἰδοὺ
(idou)
zie
ὄχλος
(ochlos)
menigte
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
λεγόμενος
(legomenos)
genoemde
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
εἷς
(heis)
een
τῶν
(ton)
van de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
προήρχετο
(proercheto)
ging voor
αὐτούς
(autous)
hen
καὶ
(kai)
en
ἤγγισεν
(engisen)
naderde
τῷ
(to)
tot de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
φιλῆσαι
(philesai)
om te kussen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ‘en hij naderde Yeshua’; wij herhalen de naam Judas om verwarring te voorkomen.

Zie ook Matt. 26:47–56; Mark. 14:43–52; Joh. 18:2–12.

48Yeshua zei tegen hem: „Judas, lever je de Mensenzoon met een kus over?”
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἰούδα
(Iouda)
Judas
φιλήματι
(philemati)
met een kus
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
παραδίδως
(paradidos)
lever je over
Bron: SBLGNT
49Toen zij die om Hem heen waren zagen wat er ging gebeuren, zeiden zij: „Heer, zullen wij met het zwaard slaan?”
ἰδόντες
(idontes)
ziende
δὲ
(de)
en
οἱ
(hoi)
zij
περὶ
(peri)
rondom
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὸ
(to)
het
ἐσόμενον
(esomenon)
komende
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Κύριε
(Kyrie)
Heer
εἰ
(ei)
of
πατάξομεν
(pataxomen)
zullen wij slaan
ἐν
(en)
met
μαχαίρῃ
(machaire)
zwaard
Bron: SBLGNT
50Een van hen sloeg de knecht van de hogepriester en hieuw hem het rechteroor af.
καὶ
(kai)
en
ἐπάταξεν
(epataxen)
sloeg
εἷς
(heis)
een
τις
(tis)
zekere
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
τὸν
(ton)
de
δοῦλον
(doulon)
knecht
καὶ
(kai)
en
ἀφεῖλεν
(apheilen)
hieuw af
τὸ
(to)
het
οὖς
(ous)
oor
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὸ
(to)
het
δεξιόν
(dexion)
rechter
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand in dienst van een heer.

Johannes noemt hem Malchus (Joh. 18:10).

Zie ookJoh 18:10
51Yeshua antwoordde en zei: „Laat het hierbij.” Hij raakte het oor aan en genas hem.
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐᾶτε
(Eate)
laat toe
ἕως
(heos)
tot
τούτου
(toutou)
dit
καὶ
(kai)
en
ἁψάμενος
(hapsamenos)
aanrakend
τοῦ
(tou)
het
ὠτίου
(otiou)
oor
ἰάσατο
(iasato)
genas
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἐᾶτε ἕως τούτου (eate heos toutou), letterlijk ‘laat toe tot dit’: het kan een bevel zijn aan de leerlingen om op te houden (‘laat het hierbij’) of een verzoek aan de mannen om Hem dit te laten doen.

Wij lezen het eerste.

Alleen Lucas vertelt dat Yeshua het oor aanraakte en genas.

52Hogepriesters, bevelhebbers van de tempel en oudsten waren tegen Hem gekomen. Yeshua zei tegen hen: „Zijn jullie er als tegen een rover op uitgetrokken, met zwaarden en knuppels?
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πρὸς
(pros)
tot
τοὺς
(tous)
de
παραγενομένους
(paragenomenous)
gekomenen
ἐπ’
(ep’)
tegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
στρατηγοὺς
(strategous)
bevelhebbers
τοῦ
(tou)
van de
ἱεροῦ
(hierou)
tempel
καὶ
(kai)
en
πρεσβυτέρους
(presbyterous)
oudsten
Ὡς
(Hos)
als
ἐπὶ
(epi)
tegen
λῃστὴν
(lesten)
rover
ἐξήλθατε
(exelthate)
zijn jullie uitgetrokken
μετὰ
(meta)
met
μαχαιρῶν
(machairon)
zwaarden
καὶ
(kai)
en
ξύλων
(xylon)
knuppels
Bron: SBLGNT
Uitleg

στρατηγοὶ τοῦ ἱεροῦ (strategoi tou hierou), ‘bevelhebbers van de tempel’: zij die over de tempel gesteld waren. λῃστής (lestes), ‘rover’.

53Elke dag was Ik bij jullie in de tempel, en jullie hebben de handen niet naar Mij uitgestrekt. Maar dit is jullie uur en het gezag van de duisternis.”
καθ’
(kath’)
elke
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ὄντος
(ontos)
zijnde
μου
(mou)
Ik
μεθ’
(meth’)
met
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
οὐκ
(ouk)
niet
ἐξετείνατε
(exeteinate)
hebben jullie uitgestrekt
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐπ’
(ep’)
naar
ἐμέ
(eme)
Mij
ἀλλ’
(all’)
maar
αὕτη
(haute)
dit
ἐστὶν
(estin)
is
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
ἐξουσία
(exousia)
gezag
τοῦ
(tou)
van de
σκότους
(skotous)
duisternis
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te handelen.

‘Het gezag van de duisternis’ is het gezag dat de duisternis nu heeft.

Petrus verloochent Yeshua

54Zij grepen Hem, voerden Hem weg en brachten Hem het huis van de hogepriester binnen. Petrus volgde van veraf.
Συλλαβόντες
(Syllabontes)
grijpend
δὲ
(de)
en
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἤγαγον
(egagon)
voerden weg
καὶ
(kai)
en
εἰσήγαγον
(eisegagon)
brachten binnen
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἠκολούθει
(ekolouthei)
volgde
μακρόθεν
(makrothen)
van veraf
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van de hogepriester stond in Jeruzalem.

De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel.

Uitleg

Zie ook Matt. 26:57–75; Mark. 14:53–72; Joh. 18:12–27.

55Zij hadden midden op de binnenplaats een vuur aangestoken en gingen samen zitten. Petrus zat in hun midden.
περιαψάντων
(periapsanton)
aangestoken hebbend
δὲ
(de)
en
πῦρ
(pyr)
vuur
ἐν
(en)
in
μέσῳ
(meso)
midden
τῆς
(tes)
van de
αὐλῆς
(aules)
binnenplaats
καὶ
(kai)
en
συγκαθισάντων
(synkathisanton)
samen gaan zitten
ἐκάθητο
(ekatheto)
zat
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
μέσος
(mesos)
midden
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): Het huis van de hogepriester stond in Jeruzalem.

De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel.

Uitleg

αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: de open binnenplaats van het huis, zoals in Matt. 26:58 en Joh. 18:15.

56Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: „Ook deze was met Hem.”
ἰδοῦσα
(idousa)
ziende
δὲ
(de)
en
αὐτὸν
(auton)
hem
παιδίσκη
(paidiske)
dienstmeisje
τις
(tis)
een
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
πρὸς
(pros)
bij
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
vuur
καὶ
(kai)
en
ἀτενίσασα
(atenisasa)
strak aankijkend
αὐτῷ
(auto)
naar hem
εἶπεν
(eipen)
zei
Καὶ
(Kai)
ook
οὗτος
(houtos)
deze
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἦν
(en)
was
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft φῶς (fos), ‘licht’; wij schrijven ‘vuur’, omdat het licht van het vuur in 22:55 komt.

57Maar hij ontkende het en zei: „Vrouw, ik ken Hem niet.”
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
ἠρνήσατο
(ernesato)
ontkende
λέγων
(legon)
zeggend
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ik ken
αὐτόν
(auton)
Hem
γύναι
(gynai)
vrouw
Bron: SBLGNT
58Even later zag een ander hem en zei: „Jij bent ook een van hen.” Maar Petrus zei: „Man, dat ben ik niet.”
καὶ
(kai)
en
μετὰ
(meta)
na
βραχὺ
(brachy)
kort
ἕτερος
(heteros)
een ander
ἰδὼν
(idon)
ziend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔφη
(ephe)
zei
Καὶ
(Kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἔφη
(ephe)
zei
Ἄνθρωπε
(Anthrope)
man
οὐκ
(ouk)
niet
εἰμί
(eimi)
ben ik
Bron: SBLGNT
59Ongeveer een uur later hield weer een ander met klem vol: „Werkelijk, ook deze was met Hem, want hij is ook een Galileeër.”
καὶ
(kai)
en
διαστάσης
(diastases)
verstreken zijnde
ὡσεὶ
(hosei)
ongeveer
ὥρας
(horas)
uur
μιᾶς
(mias)
een
ἄλλος
(allos)
een andere
τις
(tis)
zekere
διϊσχυρίζετο
(diischyrizeto)
hield vol
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐπ’
(Ep’)
in
ἀληθείας
(aletheias)
waarheid
καὶ
(kai)
ook
οὗτος
(houtos)
deze
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἦν
(en)
was
καὶ
(kai)
ook
γὰρ
(gar)
want
Γαλιλαῖός
(Galilaios)
Galileeër
ἐστιν
(estin)
is hij
Bron: SBLGNT
60Petrus zei: „Man, ik weet niet wat je zegt.” En meteen, terwijl hij nog sprak, kraaide een haan.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Ἄνθρωπε
(Anthrope)
man
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ik weet
ὃ
(ho)
wat
λέγεις
(legeis)
je zegt
καὶ
(kai)
en
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
ἔτι
(eti)
nog
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
αὐτοῦ
(autou)
hij
ἐφώνησεν
(ephonesen)
kraaide
ἀλέκτωρ
(alektor)
haan
Bron: SBLGNT
61De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tegen hem gezegd had: „Voordat de haan vandaag kraait, zul je Mij drie keer verloochenen.”
καὶ
(kai)
en
στραφεὶς
(strapheis)
omgedraaid
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
ἐνέβλεψεν
(eneblepsen)
keek aan
τῷ
(to)
de
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
καὶ
(kai)
en
ὑπεμνήσθη
(hypemnesthe)
herinnerde zich
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
τοῦ
(tou)
het
λόγου
(logou)
woord
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
Heer
ὡς
(hos)
hoe
εἶπεν
(eipen)
had gezegd
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὅτι
(hoti)
dat
Πρὶν
(Prin)
voordat
ἀλέκτορα
(alektora)
haan
φωνῆσαι
(phonesai)
kraait
σήμερον
(semeron)
vandaag
ἀπαρνήσῃ
(aparnese)
zul verloochenen
με
(me)
Mij
τρίς
(tris)
drie keer
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος (kyrios), ‘Heer’: zie 7:13.

Alleen Lucas vertelt dat de Heer Petrus aankeek.

62Hij ging naar buiten en huilde bitter.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgegaan
ἔξω
(exo)
buiten
ἔκλαυσεν
(eklausen)
huilde
πικρῶς
(pikros)
bitter
Bron: SBLGNT

Yeshua wordt bespot en geslagen

63De mannen die Hem vasthielden, bespotten Hem en sloegen Hem.
Καὶ
(Kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἄνδρες
(andres)
mannen
οἱ
(hoi)
die
συνέχοντες
(synechontes)
vasthielden
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐνέπαιζον
(enepaizon)
bespotten
αὐτῷ
(auto)
Hem
δέροντες
(derontes)
slaand
Bron: SBLGNT
Uitleg

Lucas vertelt de bespotting vóór het verhoor door de Raad; Matteüs en Markus vertellen haar erna (Matt. 26:67–68; Mark. 14:65).

64Zij bedekten Zijn gezicht en vroegen Hem: „Profeteer! Wie is het die U geslagen heeft?”
καὶ
(kai)
en
περικαλύψαντες
(perikalypsantes)
bedekkend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐπηρώτων
(eperoton)
vroegen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Προφήτευσον
(Propheteuson)
profeteer
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
παίσας
(paisas)
geslagen hebbende
σε
(se)
U
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft alleen ‘zij bedekten Hem’; wij vullen ‘Zijn gezicht’ aan, zoals in Mark. 14:65.

Zie ookMar 14:65
65Zij zeiden ook nog veel andere dingen tegen Hem en lasterden Hem.
καὶ
(kai)
en
ἕτερα
(hetera)
andere
πολλὰ
(polla)
veel
βλασφημοῦντες
(blasphemountes)
lasterend
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
εἰς
(eis)
tegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT

Yeshua voor de Raad

66Toen het dag werd, kwam de oudstenraad van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden. Zij voerden Hem weg naar hun Raad.
Καὶ
(Kai)
en
ὡς
(hos)
toen
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ἡμέρα
(hemera)
dag
συνήχθη
(synechthe)
kwam bijeen
τὸ
(to)
de
πρεσβυτέριον
(presbyterion)
oudstenraad
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
als
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
ἀπήγαγον
(apegagon)
voerden weg
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
συνέδριον
(synedrion)
Raad
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

πρεσβυτέριον (presbyterion), ‘oudstenraad’: de vergadering van de oudsten. συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: het hoogste Joodse gerechtshof in Jeruzalem; zie Matt. 26:59.

Zie ook Matt. 26:63–66; Mark. 14:61–64.

67Zij zeiden: „Als U de Messias bent, zeg het ons.” Hij zei tegen hen: „Als Ik het jullie zeg, zullen jullie beslist niet geloven.
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Εἰ
(Ei)
als
σὺ
(sy)
U
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
χριστός
(christos)
Messias
εἰπὸν
(eipon)
zeg
ἡμῖν
(hemin)
ons
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἐὰν
(Ean)
als
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
εἴπω
(eipo)
Ik zeg
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
πιστεύσητε
(pisteusete)
geloven jullie
Bron: SBLGNT
68En als Ik vraag, zullen jullie beslist niet antwoorden.
ἐὰν
(ean)
als
δὲ
(de)
maar
ἐρωτήσω
(eroteso)
Ik vraag
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
ἀποκριθῆτε
(apokrithete)
antwoorden jullie
Bron: SBLGNT
69Maar vanaf nu zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de kracht van Elohim.”
ἀπὸ
(apo)
vanaf
τοῦ
(tou)
het
νῦν
(nyn)
nu
δὲ
(de)
maar
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
καθήμενος
(kathemenos)
zittend
ἐκ
(ek)
aan
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
τῆς
(tes)
van de
δυνάμεως
(dynameos)
kracht
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Zitten aan de rechterhand’ komt uit Ps. 110:1 en ‘Mensenzoon’ uit Dan. 7:13.

Matteüs en Markus hebben hier ‘de Kracht’ als omschrijving voor Elohim (Matt. 26:64; Mark. 14:62); Lucas schrijft ‘de kracht van Elohim’.

70Zij zeiden allen: „U bent dan de Zoon van Elohim?” Hij zei tegen hen: „Jullie zeggen dat Ik het ben.”
εἶπαν
(eipan)
zeiden
δὲ
(de)
en
πάντες
(pantes)
allen
Σὺ
(Sy)
U
οὖν
(oun)
dan
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tot
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἔφη
(ephe)
zei
Ὑμεῖς
(Hymeis)
jullie
λέγετε
(legete)
zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
ἐγώ
(ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ὑμεῖς λέγετε ὅτι ἐγώ εἰμι (Hymeis legete hoti ego eimi) is letterlijk ‘Jullie zeggen dat Ik ben’.

Het kan opgevat worden als ‘Jullie zeggen het, en Ik ben het’ of als ‘Dat Ik het ben, zeggen jullie’.

Vergelijk 23:3 (‘Jij zegt het’).

71Zij zeiden: „Waarvoor hebben wij nog getuigenis nodig? Want wij hebben het zelf uit Zijn mond gehoord.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Τί
(Ti)
wat
ἔτι
(eti)
nog
ἔχομεν
(echomen)
hebben wij
μαρτυρίας
(martyrias)
van getuigenis
χρείαν
(chreian)
behoefte
αὐτοὶ
(autoi)
wijzelf
γὰρ
(gar)
want
ἠκούσαμεν
(ekousamen)
hebben gehoord
ἀπὸ
(apo)
uit
τοῦ
(tou)
de
στόματος
(stomatos)
mond
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT