Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh neemt de steun weg
1Want zie, de Heer, Yahweh van de legermachten, neemt uit Jeruzalem en uit Juda de steun en de stut weg. Elke steun van brood en elke steun van water.
כִּי֩
(ki)
want
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
הָאָד֜וֹן
(haadon)
de Heer
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
מֵסִ֤יר
(mesir)
neemt weg
מִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
וּמִ֣יהוּדָ֔ה
(umihuda)
en uit Juda
מַשְׁעֵ֖ן
(mashen)
steun
וּמַשְׁעֵנָ֑ה
(umashena)
en stut
כֹּ֚ל
(kol)
elke
מִשְׁעַן
(mishan)
steun van
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en elke
מִשְׁעַן
(mishan)
steun van
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
הָאָדוֹן (ha’adon), ‘de Heer’: met lidwoord, een titel voor Yahweh; zie Jes. 1:24.
מַשְׁעֵן וּמַשְׁעֵנָה (mash’en umash’enah), ‘steun en stut’: twee verwante woorden, het eerste mannelijk en het tweede vrouwelijk. Zo wordt alles bedoeld waarop men steunt: ‘elke steun van brood en elke steun van water’. Brood en water zijn het levensnoodzakelijke.
Dit en de volgende twee verzen zijn woorden van de profeet. Yahweh wordt in de derde persoon genoemd.
3de aanvoerder van vijftig en de man van aanzien, de raadsman, de man die kundig is in toverkunst en de kenner van bezweringen.
שַׂר
(sar)
aanvoerder van
חֲמִשִּׁ֖ים
(chamishim)
vijftig
וּנְשׂ֣וּא
(unesu)
en man van
פָנִ֑ים
(panim)
aanzien
וְיוֹעֵ֛ץ
(veyoets)
en raadsman
וַחֲכַ֥ם
(vachakham)
en kundige in
חֲרָשִׁ֖ים
(charashim)
toverkunst
וּנְב֥וֹן
(unevon)
en kenner van
לָֽחַשׁ
(lachash)
bezweringen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְשׂוּא פָנִים (nesu fanim), ‘man van aanzien’: letterlijk ‘iemand wiens gezicht wordt opgeheven’.
חֲכַם חֲרָשִׁים (chakham charashim), ‘kundig in toverkunst’: het woord חֲרָשִׁים (charashim) kan ‘vakmanschap’ of ‘toverkunst’ betekenen. Wij kiezen ‘toverkunst’ vanwege de samenhang met ‘bezweringen’.
לָחַשׁ (lachash), ‘bezwering’: een fluisterende spreuk. De betekenis is hier onzeker.
4„Ik zal jongens als hun oversten geven, en wispelturige mensen zullen over hen heersen.”
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
נְעָרִ֖ים
(nearim)
jongens
שָׂרֵיהֶ֑ם
(sareihem)
tot hun oversten
וְתַעֲלוּלִ֖ים
(vetaalulim)
en wispelturigen
יִמְשְׁלוּ
(yimshelu)
zullen heersen
בָֽם
(bam)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf dit vers spreekt Yahweh in de eerste persoon (‘Ik zal geven’); Zijn woorden staan rood.
Daarvoor sprak de profeet over Hem in de derde persoon.
נְעָרִים (ne’arim), ‘jongens’: jonge mannen, of kinderen.
תַּעֲלוּלִים (ta’alulim), ‘wispelturige mensen’: het woord komt zelden voor en de betekenis is onzeker. Het kan ‘kinderachtige grillen’ zijn, of ‘willekeur’.
5Het volk zal onderdrukt worden, de een door de ander en ieder door zijn naaste. De jongen zal brutaal zijn tegen de oude, en de geminachte tegen de aanzienlijke.
וְנִגַּ֣שׂ
(venigas)
en zal onderdrukt worden
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אִ֥ישׁ
(ish)
man
בְּאִ֖ישׁ
(beish)
door man
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en man
בְּרֵעֵ֑הוּ
(bereehu)
door zijn naaste
יִרְהֲב֗וּ
(yirhavu)
zal brutaal zijn
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
בַּזָּקֵ֔ן
(bazaqen)
tegen de oude
וְהַנִּקְלֶ֖ה
(vehaniqle)
en de geminachte
בַּנִּכְבָּֽד
(banikhbad)
tegen de aanzienlijke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Op die dag zal hij zijn stem verheffen en zeggen: „Ik wil geen wondverbinder zijn. In mijn huis is geen brood en geen mantel. Maak mij niet tot aanvoerder van het volk.”
יִשָּׂא֩
(yisa)
zal opheffen
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֤וּא
(hahu)
die
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
אֶהְיֶ֣ה
(ehye)
zal ik zijn
חֹבֵ֔שׁ
(chovesh)
verbinder
וּבְבֵיתִ֕י
(uveveiti)
en in mijn huis
אֵ֥ין
(ein)
niet is
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
שִׂמְלָ֑ה
(simla)
mantel
לֹ֥א
(lo)
niet
תְשִׂימֻ֖נִי
(tesimuni)
maakt mij
קְצִ֥ין
(qetsin)
aanvoerder van
עָֽם
(am)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִשָּׂא (yissa), ‘zal opheffen’: in het Hebreeuws staat hier geen voorwerp.
Bedoeld is: hij zal zijn stem opheffen.
Het woord ‘stem’ staat er niet; wij voegen het toe.
חֹבֵשׁ (chovesh), ‘wondverbinder’: iemand die wonden verbindt; hier iemand die de wonden van de stad heelt. Zie ook Jes. 1:6.
9De uitdrukking van hun gezicht getuigt tegen hen. Hun zonde maken zij bekend zoals Sodom, zij verbergen haar niet. Wee hun ziel, want zij hebben zichzelf kwaad vergolden.
הַכָּרַ֤ת
(hakarat)
de uitdrukking van
פְּנֵיהֶם֙
(peneihem)
hun gezicht
עָ֣נְתָה
(aneta)
getuigt
בָּ֔ם
(bam)
tegen hen
וְחַטָּאתָ֛ם
(vechatatam)
en hun zonde
כִּסְדֹ֥ם
(kisdom)
zoals Sodom
הִגִּ֖ידוּ
(higidu)
maken zij bekend
לֹ֣א
(lo)
niet
כִחֵ֑דוּ
(kichedu)
verbergen zij
א֣וֹי
(oy)
wee
לְנַפְשָׁ֔ם
(lenafsham)
hun ziel
כִּֽי
(ki)
want
גָמְל֥וּ
(gamelu)
zij hebben vergolden
לָהֶ֖ם
(lahem)
zichzelf
רָעָֽה
(raa)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַכָּרַת פְּנֵיהֶם (hakkarat peneihem), ‘de uitdrukking van hun gezicht’: het woord הַכָּרָה (hakkarah) komt alleen hier voor.
Het kan ‘blik, uitdrukking’ of ‘partijdigheid’ betekenen.
Wij kiezen ‘uitdrukking’.
כִּסְדֹם (kisdom), ‘zoals Sodom’: zie Jes. 1:9–10. Sodom verborg zijn zonde niet; zie Gen. 19:4–9.
גָּמְלוּ (gamelu), ‘zij hebben vergolden’: het werkwoord גָּמַל (gamal) is ‘vergelden’, zowel in het goede als in het kwade. Het zelfstandig naamwoord גְּמוּל (gemul), ‘vergelding’, staat in vers 11.
12Mijn volk, zijn drijvers zijn kinderen, en vrouwen heersen over hem. Mijn volk, je leiders misleiden je, en de weg van je paden hebben zij verslonden.
עַמִּי֙
(ami)
mijn volk
נֹגְשָׂ֣יו
(nogesav)
zijn drijvers
מְעוֹלֵ֔ל
(meolel)
kind
וְנָשִׁ֖ים
(venashim)
en vrouwen
מָ֣שְׁלוּ
(mashelu)
heersen
ב֑וֹ
(bo)
over hem
עַמִּי֙
(ami)
mijn volk
מְאַשְּׁרֶ֣יךָ
(meashereikha)
je leiders
מַתְעִ֔ים
(matim)
misleiden
וְדֶ֥רֶךְ
(vederekh)
en de weg van
אֹֽרְחֹתֶ֖יךָ
(orechoteikha)
je paden
בִּלֵּֽעוּ
(bileu)
hebben zij verslonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַמִּי (ammi), ‘Mijn volk’: het is niet duidelijk of hier de profeet of Yahweh spreekt.
Wij laten het zwart, omdat Yahweh in vers 13 in de derde persoon wordt genoemd.
מְעוֹלֵל (me’olel), ‘kind’: het woord is enkelvoud. Het kan ook ‘plunderaar’ betekenen. Wij vertalen ‘kinderen’, in het verband met ‘vrouwen’.
בִּלֵּעוּ (bille’u), ‘zij hebben verslonden’: letterlijk ‘ingeslikt’. De leiders laten de goede weg verdwijnen.
14Yahweh komt in het gericht met de oudsten van Zijn volk en met hun oversten. „Jullie, jullie hebben de wijngaard kaalgevreten! De roof van de arme is in jullie huizen.
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּמִשְׁפָּ֣ט
(bemishpat)
in het gericht
יָב֔וֹא
(yavo)
komt
עִם
(im)
met
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
עַמּ֖וֹ
(amo)
Zijn volk
וְשָׂרָ֑יו
(vesarav)
en zijn oversten
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
בִּֽעַרְתֶּ֣ם
(biartem)
jullie hebben kaalgevreten
הַכֶּ֔רֶם
(hakerem)
de wijngaard
גְּזֵלַ֥ת
(gezelat)
roof van
הֶֽעָנִ֖י
(heani)
de arme
בְּבָתֵּיכֶֽם
(bevateikhem)
in jullie huizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּמִשְׁפָּט (bemishpat), ‘in het gericht’: letterlijk ‘in recht’.
Yahweh gaat in het rechtsgeding met de oudsten en oversten.
בִּעַרְתֶּם (bi’artem), ‘jullie hebben kaalgevreten’: het werkwoord betekent ‘afweiden, kaal vreten’ en ook ‘in brand steken’. De leiders hebben de wijngaard, het volk, kaalgevreten.
Hier begint Yahweh zelf te spreken; Zijn woorden staan rood.
15Wat bedoelen jullie, dat jullie Mijn volk vermorzelen en het gezicht van de armen vermalen? Godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten.”
מַה
(ma)
wat
לָּכֶם֙
(lakhem)
is er met jullie
תְּדַכְּא֣וּ
(tedakeu)
vermorzelen jullie
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
וּפְנֵ֥י
(ufenei)
en het gezicht van
עֲנִיִּ֖ים
(aniyim)
armen
תִּטְחָ֑נוּ
(titchanu)
vermalen jullie
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
de Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַה לָּכֶם (mah lakhem), ‘wat bedoelen jullie’: letterlijk ‘wat is er met jullie’.
Het is een verwijtende vraag.
נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (ne’um Adonai Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’. Zie ook Jes. 1:24 voor de formule ne’um.
De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood.
Lezing
In de geschreven tekst staat מלכם (mlkm), als één woord; de overlevering leest dat als twee woorden: מַה לָּכֶם (mah lakhem).
16En Yahweh zei: „Omdat de dochters van Sion hoogmoedig zijn: zij lopen met uitgestrekte hals en lonkende ogen. Zij gaan trippelend voort, en met hun voeten laten zij enkelringen rinkelen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
כִּ֤י
(ki)
dat
גָֽבְהוּ֙
(gavehu)
zijn hoogmoedig
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
וַתֵּלַ֨כְנָה֙
(vatelakhna)
en zij lopen
נְטוּי֣וֹת
(netuyot)
uitgestrekt
גָּר֔וֹן
(garon)
hals
וּֽמְשַׂקְּר֖וֹת
(umesaqerot)
en lonkend
עֵינָ֑יִם
(einayim)
ogen
הָל֤וֹךְ
(halokh)
lopend
וְטָפֹף֙
(vetafof)
en trippelend
תֵּלַ֔כְנָה
(telakhna)
gaan zij
וּבְרַגְלֵיהֶ֖ם
(uveragleihem)
en met hun voeten
תְּעַכַּֽסְנָה
(teakasna)
laten zij rinkelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
וַיֹּאמֶר יְהוָה (vayyomer Yahweh), ‘En Yahweh zei’: deze inleiding staat zwart; de woorden die erop volgen staan rood.
Yahweh spreekt hier ook in de derde persoon over Zichzelf (‘de Heer’, ‘Yahweh’), zoals in Hos. 1:7.
מְשַׂקְּרוֹת עֵינָיִם (mesaqqerot einayim), ‘lonkende ogen’: het werkwoord is onzeker; het kan ‘schuin kijken’, ‘lonken’ of ‘bedrieglijk’ betekenen.
תְּעַכַּסְנָה (te’akkasnah), ‘laten zij enkelringen rinkelen’: het werkwoord is verwant met het woord ‘enkelringen’ in vers 18. De vrouwen lopen zo dat hun sieraden rinkelen.
Lezing
In de geschreven tekst staat נטוות (netuvot); de overlevering leest נְטוּיוֹת (netuyot), ‘uitgestrekte’.
24In plaats van balsem zal er verrotting zijn. In plaats van een gordel een touw. In plaats van gevlochten haar kaalheid. In plaats van een feestkleed een omgording van zak. Ja, in plaats van schoonheid!
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
תַ֨חַת
(tachat)
in plaats van
בֹּ֜שֶׂם
(bosem)
balsem
מַ֣ק
(maq)
verrotting
יִֽהְיֶ֗ה
(yihye)
zal zijn
וְתַ֨חַת
(vetachat)
en in plaats van
חֲגוֹרָ֤ה
(chagora)
gordel
נִקְפָּה֙
(niqpa)
touw
וְתַ֨חַת
(vetachat)
en in plaats van
מַעֲשֶׂ֤ה
(maase)
werk van
מִקְשֶׁה֙
(miqshe)
vlechten
קָרְחָ֔ה
(qarecha)
kaalheid
וְתַ֥חַת
(vetachat)
en in plaats van
פְּתִיגִ֖יל
(petigil)
feestkleed
מַחֲגֹ֣רֶת
(machagoret)
omgording van
שָׂ֑ק
(saq)
zak
כִּי
(ki)
ja
תַ֖חַת
(tachat)
in plaats van
יֹֽפִי
(yofi)
schoonheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֹּשֶׂם (bosem), ‘balsem’: een geurige hars, tegenover מָק (maq), ‘verrotting’.
נִקְפָּה (niqpah), ‘touw’: de betekenis is onzeker; het kan ook ‘wond’ of ‘scheur’ zijn.
מַעֲשֵׂה מִקְשֶׁה (ma’aseh miqsheh), ‘gevlochten werk’: letterlijk ‘kunstig gevlochten werk’. Bedoeld is het gevlochten haar. Het woord ‘haar’ staat er niet; wij voegen het toe voor de duidelijkheid.
פְּתִיגִיל (petigil), ‘feestkleed’: dit woord komt alleen hier voor.
כִּי תַחַת יֹפִי (ki tachat yofi), ‘ja, in plaats van schoonheid’: het slot is kort en moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders.