Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jozef in het huis van Potifar
1Jozef was naar Egypte afgevoerd. Potifar, een Egyptische man, hofdienaar van de farao en bevelhebber van de lijfwacht, kocht hem van de Ismaëlieten die hem daarheen hadden gebracht.
וְיוֹסֵ֖ף
(veyosef)
en Jozef
הוּרַ֣ד
(hurad)
was afgevoerd
מִצְרָ֑יְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
וַיִּקְנֵ֡הוּ
(vayiqnehu)
en hij kocht hem
פּוֹטִיפַר֩
(potifar)
Potifar
סְרִ֨יס
(seris)
hofdienaar van
פַּרְעֹ֜ה
(paro)
farao
שַׂ֤ר
(sar)
overste van
הַטַּבָּחִים֙
(hatabachim)
de slachters
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
מִצְרִ֔י
(mitsri)
Egyptische
מִיַּד֙
(miyad)
uit de hand van
הַיִּשְׁמְעֵאלִ֔ים
(hayishmeelim)
de Ismaëlieten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הוֹרִדֻ֖הוּ
(horiduhu)
hadden hem afgevoerd
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
ויקנהו פוטיפר סריס פרעה שׂר הטבחים (vayyiqnehu Potifar saris Par’oh sar hattabbachim), ‘Potifar, hofdienaar van de farao, bevelhebber van de lijfwacht, kocht hem’: zie 37:36.
Aanvullend
Jubileeën 39:3 zegt dat de Egyptenaar Jozef over heel zijn huis zette.
Jasher 44:1–11 vertelt dat de Ismaëlieten Jozef bij de grens van Egypte aan vier Medanieten verkochten, dat die hem aan Potifar verkochten voor vierhonderd zilverstukken en dat Potifar hem eerst op herkomst liet onderzoeken.
5Vanaf het moment dat hij hem had aangesteld over zijn huis en over alles wat hij had, zegende Yahweh het huis van de Egyptenaar vanwege Jozef. De zegen van Yahweh was op alles wat hij had, in het huis en op het veld.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
מֵאָז֩
(meaz)
vanaf toen
הִפְקִ֨יד
(hifqid)
hij had aangesteld
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
בְּבֵית֗וֹ
(beveito)
over zijn huis
וְעַל֙
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
יֶשׁ
(yesh)
is
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וַיְבָ֧רֶךְ
(vayvarekh)
en Hij zegende
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
הַמִּצְרִ֖י
(hamitsri)
de Egyptenaar
בִּגְלַ֣ל
(biglal)
omwille van
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en was
בִּרְכַּ֤ת
(birkat)
zegen van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּכָל
(bekhal)
in alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
יֶשׁ
(yesh)
is
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
בַּבַּ֖יִת
(babayit)
in het huis
וּבַשָּׂדֶֽה
(uvasade)
en op het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Hij liet alles wat hij had in de hand van Jozef, en hij bekommerde zich om niets, behalve om het brood dat hij at. Jozef was mooi van gestalte en mooi van aanzien.
וַיַּעֲזֹ֣ב
(vayaazov)
en hij liet
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לוֹ֮
(lo)
aan hem
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
יוֹסֵף֒
(yosef)
Jozef
וְלֹא
(velo)
en niet
יָדַ֤ע
(yada)
hij wist
אִתּוֹ֙
(ito)
met hem
מְא֔וּמָה
(meuma)
iets
כִּ֥י
(ki)
want
אִם
(im)
tenzij
הַלֶּ֖חֶם
(halechem)
het brood
אֲשֶׁר
(asher)
dat
ה֣וּא
(hu)
hij
אוֹכֵ֑ל
(okhel)
at
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
יְפֵה
(yefe)
mooi van
תֹ֖אַר
(toar)
gestalte
וִיפֵ֥ה
(vife)
en mooi van
מַרְאֶֽה
(mare)
aanzien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כי אם הלחם אשׁר הוא אוכל (ki im halechem asher hu okhel), ‘behalve het brood dat hij at’: een uitdrukking voor zijn eigen maaltijd.
Een Egyptenaar eet niet met Hebreeën (zie 43:32).
יפה תאר ויפה מראה (yefeh to’ar viyfeh mar’eh), ‘mooi van gestalte en mooi van aanzien’: dezelfde woorden als bij Rachel in 29:17.
Aanvullend
Jasher 44:14 zegt dat Jozef achttien jaar was en een jongeman met mooie ogen.
Jubileeën 39:5 zegt dat Jozef mooi van aanblik was.
8Hij weigerde en zei tegen de vrouw van zijn heer: „Zie, mijn heer weet bij mij niet wat er in het huis is, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven.
וַיְמָאֵ֓ן
(vaymaen)
en hij weigerde
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אֲדֹנָ֔יו
(adonav)
zijn heer
הֵ֣ן
(hen)
zie
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֥ע
(yada)
hij weet
אִתִּ֖י
(iti)
met mij
מַה
(ma)
wat
בַּבָּ֑יִת
(babayit)
in het huis
וְכֹ֥ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֶשׁ
(yesh)
is
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
נָתַ֥ן
(natan)
hij gaf
בְּיָדִֽי
(beyadi)
in mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend
Jasher 44:44–46 geeft Jozefs antwoord in dezelfde zin: alles is hem toevertrouwd, behalve de vrouw van zijn heer.
9Niemand in dit huis is groter dan ik, en hij heeft mij niets onthouden, behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen Elohim?”
אֵינֶ֨נּוּ
(einenu)
niet is
גָד֜וֹל
(gadol)
groter
בַּבַּ֣יִת
(babayit)
in het huis
הַזֶּה֮
(haze)
dit
מִמֶּנִּי֒
(mimeni)
dan ik
וְלֹֽא
(velo)
en niet
חָשַׂ֤ךְ
(chasakh)
hij hield achter
מִמֶּ֨נִּי֙
(mimeni)
voor mij
מְא֔וּמָה
(meuma)
iets
כִּ֥י
(ki)
want
אִם
(im)
tenzij
אוֹתָ֖ךְ
(otakh)
jou
בַּאֲשֶׁ֣ר
(baasher)
omdat
אַתְּ
(at)
jij
אִשְׁתּ֑וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְאֵ֨יךְ
(veeikh)
en hoe
אֶֽעֱשֶׂ֜ה
(eese)
zou ik doen
הָרָעָ֤ה
(haraa)
het kwaad
הַגְּדֹלָה֙
(hagedola)
het grote
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְחָטָ֖אתִי
(vechatati)
en zou ik zondigen
לֵֽאלֹהִֽים
(lElohim)
tegen Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אותך באשׁר את אשׁתו (otakh ba’asher att ishto), ‘u, omdat u zijn vrouw bent’.
ואיך אעשׂה הרעה הגדלה הזאת וחטאתי לאלהים (ve’eikh e’eseh haraah haggedolah hazot vechatati lelohim), ‘hoe zou ik dit grote kwaad doen en zondigen tegen Elohim’: overspel is zonde tegen Elohim, zie 20:6; Exod. 20:14.
Aanvullend
Jubileeën 39:6–7 zegt dat Jozef zijn ziel niet overgaf en niet bij haar wilde liggen.
11Op zekere dag kwam hij het huis in om zijn werk te doen, en niemand van de mannen van het huis was daar in het huis.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כְּהַיּ֣וֹם
(kehayom)
op de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij kwam
הַבַּ֖יְתָה
(habayta)
in het huis
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
מְלַאכְתּ֑וֹ
(melakhto)
zijn werk
וְאֵ֨ין
(veein)
en er was niet
אִ֜ישׁ
(ish)
man
מֵאַנְשֵׁ֥י
(meanshei)
van de mannen van
הַבַּ֛יִת
(habayit)
het huis
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בַּבָּֽיִת
(babayit)
in het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כהיום הזה (kehayom hazzeh), ‘op zekere dag’: letterlijk ‘als deze dag’.
ואין אישׁ מאנשׁי הבית שׁם בבית (ve’ein ish me’anshei habayit sham babayit), ‘niemand van de mannen van het huis was daar’: Jasher 44:47–49 zegt dat het de dag was van het feest bij de overstroming van de rivier de Sichor, dat heel Egypte uittrok en dat Zelicha thuisbleef met de woorden dat ze ziek was.
14riep ze de mannen van haar huis en zei tegen hen: „Kijk, hij heeft ons een Hebreeër gebracht om met ons te spotten. Hij kwam bij mij om met mij te slapen, maar ik riep met luide stem.
וַתִּקְרָ֞א
(vatiqra)
en ze riep
לְאַנְשֵׁ֣י
(leanshei)
de mannen van
בֵיתָ֗הּ
(beitah)
haar huis
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
רְא֗וּ
(reu)
ziet
הֵ֥בִיא
(hevi)
hij heeft gebracht
לָ֛נוּ
(lanu)
voor ons
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
עִבְרִ֖י
(ivri)
Hebreeuwse
לְצַ֣חֶק
(letsacheq)
om te spotten
בָּ֑נוּ
(banu)
met ons
בָּ֤א
(ba)
hij kwam
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
לִשְׁכַּ֣ב
(lishkav)
om te liggen
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
וָאֶקְרָ֖א
(vaeqra)
en ik riep
בְּק֥וֹל
(beqol)
met stem
גָּדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עברי (Ivri), ‘Hebreeër’: zie 14:13; 40:15; 43:32.
לצחק בנו (letsachek banu), ‘om met ons te spotten’: tsachaq is ‘lachen’ of ‘spelen’, hier met een seksuele bijklank, zie 26:8.
Aanvullend
Jasher 44:57–59 geeft haar verhaal aan het huisgezin.
Jubileeën 39:10–12 zegt dat de vrouw Jozef bij haar heer beschuldigde, dat de Egyptenaar het kleed en de gebroken deur zag en dat Jozef in de gevangenis was.
Jasher 44:62–75 vertelt dat Potifar Jozef liet slaan, dat een kind van elf maanden de waarheid sprak en dat priesters als rechters het kleed onderzochten: het was aan de voorkant gescheurd, dus ze had hem vastgegrepen.
22De bevelhebber van de gevangenis gaf alle gevangenen die in de gevangenis waren in de hand van Jozef, en alles wat ze daar deden, was door hem gedaan.
וַיִּתֵּ֞ן
(vayiten)
en hij gaf
שַׂ֤ר
(sar)
overste van
בֵּית
(beit)
huis van
הַסֹּ֨הַר֙
(hasohar)
de gevangenis
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֵ֚ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הָ֣אֲסִירִ֔ם
(haasirim)
de gevangenen
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הַסֹּ֑הַר
(hasohar)
de gevangenis
וְאֵ֨ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
עֹשִׂים֙
(osim)
ze deden
שָׁ֔ם
(sham)
daar
ה֖וּא
(hu)
hij
הָיָ֥ה
(haya)
was
עֹשֶֽׂה
(ose)
doende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוא היה עשׂה (hu hayah oseh), ‘hij was het die het deed’.
Aanvullend
Jubileeën 39:13 zegt dat de bevelhebber alles in zijn hand gaf en van niets wist.