Elohim Bijbel

Jozua 2

123456789101112131415161718192021222324

Twee spionnen in Jericho en Rachab

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jozua stuurt twee spionnen naar Jericho

1Jozua, de zoon van Nun, stuurde heimelijk twee mannen als spionnen weg uit Sittim. Hij zei: „Ga, verken het land en Jericho.” Zij gingen en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer. Haar naam was Rachab. Daar sliepen zij.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֠וּן
(nun)
Nun
מִֽן
(min)
uit
הַשִּׁטִּ֞ים
(hashitim)
Sittim
שְׁנַֽיִם
(shenayim)
twee
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mannen
מְרַגְּלִים֙
(meragelim)
spionnen
חֶ֣רֶשׁ
(cheresh)
heimelijk
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לְכ֛וּ
(lekhu)
ga
רְא֥וּ
(reu)
zie
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְרִיח֑וֹ
(yericho)
Jericho
וַיֵּ֨לְכ֜וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
וַ֠יָּבֹאוּ
(vayavou)
en zij kwamen
בֵּית
(beit)
het huis van
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
זוֹנָ֛ה
(zona)
hoer
וּשְׁמָ֥הּ
(ushemah)
en haar naam
רָחָ֖ב
(rachav)
Rachab
וַיִּשְׁכְּבוּ
(vayishkevu)
en zij sliepen
שָֽׁמָּה
(shama)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sittim (ook Abel-Sittim, Num. 33:49) lag ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho, in het huidige Jordanië.

De precieze plek is niet zeker; Tell el-Hammam is een voorstel.

Jericho ligt bij Tell es-Sultan, op de Westelijke Jordaanoever, in het Jordaandal.

Uitleg

זוֹנָה (zonah), ‘hoer’: een vrouw die haar lichaam aanbiedt voor loon.

Het Nieuwe Testament noemt Rachab ook zo (Hebr. 11:31; Jak. 2:25).

Zie ook Matt. 1:5.

חֶרֶשׁ (cheresj), ‘heimelijk’: letterlijk ‘in stilte’.

Aanvullend

Jasher 88:7 bevestigt dat Jozua twee mannen stuurde om Jericho te verspieden.

De koning van Jericho zoekt de mannen

2Men zei tegen de koning van Jericho: „Zie, vannacht zijn mannen van de zonen van Israël hier gekomen om het land te verkennen.”
וַיֵּ֣אָמַ֔ר
(vayeamar)
en men zei
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
יְרִיח֖וֹ
(yericho)
Jericho
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אֲ֠נָשִׁים
(anashim)
mannen
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
הֵ֧נָּה
(hena)
hierheen
הַלַּ֛יְלָה
(halayla)
vannacht
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לַחְפֹּ֥ר
(lachpor)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt alleen ‘en hij zei’, zonder onderwerp.

Wij vertalen ‘men zei’.

3De koning van Jericho liet Rachab zeggen: „Breng de mannen naar buiten die bij je gekomen zijn, die in je huis zijn gekomen. Want zij zijn gekomen om heel het land te verkennen.”
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en stuurde
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְרִיח֔וֹ
(yericho)
Jericho
אֶל
(el)
tot
רָחָ֖ב
(rachav)
Rachab
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
ה֠וֹצִיאִי
(hotsii)
breng naar buiten
הָאֲנָשִׁ֨ים
(haanashim)
de mannen
הַבָּאִ֤ים
(habaim)
die komen
אֵלַ֨יִךְ֙
(elayikh)
tot jou
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
לְבֵיתֵ֔ךְ
(leveitekh)
naar je huis
כִּ֛י
(ki)
want
לַחְפֹּ֥ר
(lachpor)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
בָּֽאוּ
(bau)
zijn zij gekomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

4De vrouw nam de twee mannen en verborg hen. Daarna zei zij: „Ja, de mannen zijn bij mij gekomen. Maar ik wist niet waar zij vandaan kwamen.
וַתִּקַּ֧ח
(vatiqach)
en nam
הָֽאִשָּׁ֛ה
(haisha)
de vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
וַֽתִּצְפְּנ֑וֹ
(vatitspeno)
en verborg hem
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
כֵּ֗ן
(ken)
ja
בָּ֤אוּ
(bau)
zijn gekomen
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָדַ֖עְתִּי
(yadati)
ik wist
מֵאַ֥יִן
(meayin)
waar vandaan
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft hier ‘zij verborg hem’, in het enkelvoud.

Wij vertalen ‘hen’, omdat het om beide mannen gaat.

5Toen de poort bij het donker gesloten zou worden, zijn de mannen weggegaan. Ik weet niet waarheen de mannen zijn gegaan. Zet snel de achtervolging in, want jullie zullen hen inhalen.”
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
הַשַּׁ֜עַר
(hashaar)
de poort
לִסְגּ֗וֹר
(lisgor)
om te sluiten
בַּחֹ֨שֶׁךְ֙
(bachoshekh)
in het donker
וְהָאֲנָשִׁ֣ים
(vehaanashim)
en de mannen
יָצָ֔אוּ
(yatsau)
zijn weggegaan
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik weet
אָ֥נָה
(ana)
waarheen
הָלְכ֖וּ
(halekhu)
zij zijn gegaan
הָֽאֲנָשִׁ֑ים
(haanashim)
de mannen
רִדְפ֥וּ
(ridfu)
achtervolg
מַהֵ֛ר
(maher)
snel
אַחֲרֵיהֶ֖ם
(achareihem)
achter hen aan
כִּ֥י
(ki)
want
תַשִּׂיגֽוּם
(tasigum)
jullie zullen hen inhalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zij had hen naar het dak gebracht. Zij had hen verborgen onder de vlasstengels die zij voor zich op het dak had neergelegd.
וְהִ֖יא
(vehi)
en zij
הֶעֱלָ֣תַם
(heelatam)
had hen laten opgaan
הַגָּ֑גָה
(hagaga)
naar het dak
וַֽתִּטְמְנֵם֙
(vatitmenem)
en verborg hen
בְּפִשְׁתֵּ֣י
(befishtei)
in de stengels van
הָעֵ֔ץ
(haets)
het vlas
הָעֲרֻכ֥וֹת
(haarukhot)
die uitgespreid waren
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
עַל
(al)
op
הַגָּֽג
(hagag)
het dak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּשְׁתֵּי הָעֵץ (pisjtei ha’ets), ‘vlasstengels’: letterlijk ‘vlas van het hout’.

Dat zijn de stengels van het vlas, die op het dak te drogen lagen.

7De mannen achtervolgden hen op de weg naar de Jordaan, tot aan de doorwaadbare plaatsen. Zodra de achtervolgers achter hen aan waren uitgegaan, sloot men de poort.
וְהָאֲנָשִׁ֗ים
(vehaanashim)
en de mannen
רָדְפ֤וּ
(radefu)
achtervolgden
אַֽחֲרֵיהֶם֙
(achareihem)
achter hen aan
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg naar
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
עַ֖ל
(al)
tot aan
הַֽמַּעְבְּר֑וֹת
(hamaberot)
de doorwaadbare plaatsen
וְהַשַּׁ֣עַר
(vehashaar)
en de poort
סָגָ֔רוּ
(sagaru)
sloten
אַחֲרֵ֕י
(acharei)
nadat
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
toen
יָצְא֥וּ
(yatseu)
waren uitgegaan
הָרֹדְפִ֖ים
(harodefim)
de achtervolgers
אַחֲרֵיהֶֽם
(achareihem)
achter hen aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

מַעְבְּרוֹת (ma’avarot), ‘doorwaadbare plaatsen’: plaatsen in de rivier waar je kunt oversteken.

Rachab belijdt Yahweh

8De spionnen waren nog niet gaan slapen, toen zij bij hen op het dak kwam.
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
en zij
טֶ֣רֶם
(terem)
nog niet
יִשְׁכָּב֑וּן
(yishkavun)
zouden gaan slapen
וְהִ֛יא
(vehi)
en zij
עָלְתָ֥ה
(aleta)
klom omhoog
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
naar hen
עַל
(al)
op
הַגָּֽג
(hagag)
het dak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zij zei tegen de mannen: „Ik weet dat Yahweh jullie het land heeft gegeven. De schrik voor jullie is op ons gevallen. Alle bewoners van het land zijn verlamd van angst voor jullie.
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zij zei
אֶל
(el)
tot
הָ֣אֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
יָדַ֕עְתִּי
(yadati)
ik weet
כִּֽי
(ki)
dat
נָתַ֧ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְכִֽי
(vekhi)
en dat
נָפְלָ֤ה
(nafela)
is gevallen
אֵֽימַתְכֶם֙
(eimatkhem)
jullie schrik
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
op ons
וְכִ֥י
(vekhi)
en dat
נָמֹ֛גוּ
(namogu)
zijn verlamd
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
מִפְּנֵיכֶֽם
(mipeneikhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָמֹגוּ (namogoe), ‘verlamd zijn’: letterlijk ‘smelten’.

Het is een beeld van mensen die door angst alle kracht verliezen.

Zie ook Exod. 15:15.

10Want wij hebben gehoord dat Yahweh het water van de Rietzee voor jullie heeft laten opdrogen, toen jullie uit Egypte trokken. Ook hebben wij gehoord wat jullie gedaan hebben met de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan, met Sichon en Og. Jullie hebben hen onder de ban gelegd.
כִּ֣י
(ki)
want
שָׁמַ֗עְנוּ
(shamanu)
wij hebben gehoord
אֵ֠ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הוֹבִ֨ישׁ
(hovish)
heeft laten opdrogen
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֵ֤י
(mei)
het water van
יַם
(yam)
de zee van
סוּף֙
(suf)
riet
מִפְּנֵיכֶ֔ם
(mipeneikhem)
voor jullie
בְּצֵאתְכֶ֖ם
(betsetkhem)
toen jullie uittrokken
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en wat
עֲשִׂיתֶ֡ם
(asitem)
jullie hebben gedaan
לִשְׁנֵי֩
(lishnei)
aan twee
מַלְכֵ֨י
(malkhei)
koningen van
הָאֱמֹרִ֜י
(haemori)
de Amorieten
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
בְּעֵ֤בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּן֙
(hayarden)
de Jordaan
לְסִיחֹ֣ן
(lesichon)
aan Sichon
וּלְע֔וֹג
(uleog)
en aan Og
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶחֱרַמְתֶּ֖ם
(hecheramtem)
jullie onder de ban hebben gelegd
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Rietzee is de zee die Israël bij de uittocht overstak (Exod. 14:21–22).

Sichon en Og zijn de twee koningen die Israël ten oosten van de Jordaan versloeg (Num. 21:21–35).

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

חֶרֶם (cherem), ‘ban’: iets of iemand geheel aan Yahweh wijden, zodat het wordt vernietigd.

Wij zeggen ‘onder de ban leggen’, zoals in Deut. 2:34.

11Toen wij dat hoorden, werd ons hart moedeloos. Niemand heeft nog moed tegenover jullie. Want Yahweh, jullie Elohim, Hij is Elohim boven in de hemel en beneden op de aarde.
וַנִּשְׁמַע֙
(vanishma)
en wij hoorden
וַיִּמַּ֣ס
(vayimas)
en werd moedeloos
לְבָבֵ֔נוּ
(levavenu)
ons hart
וְלֹא
(velo)
en niet
קָ֨מָה
(qama)
staat op
ע֥וֹד
(od)
nog
ר֛וּחַ
(ruach)
geest
בְּאִ֖ישׁ
(beish)
in een man
מִפְּנֵיכֶ֑ם
(mipeneikhem)
voor jullie
כִּ֚י
(ki)
want
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
ה֤וּא
(hu)
Hij
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
בַּשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
מִמַּ֔עַל
(mimaal)
boven
וְעַל
(veal)
en op
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
מִתָּֽחַת
(mitachat)
beneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּמַּס (vayimmas), ‘moedeloos worden’: letterlijk ‘smelten’.

Wij vertalen zoals in Deut. 1:28.

רוּחַ (roeach), ‘moed’: letterlijk ‘geest’ of ‘adem’.

Rachab vraagt om trouw

12Zweer mij nu bij Yahweh. Ik heb jullie trouw bewezen, dus bewijs ook jullie trouw aan het huis van mijn vader. Geef mij een betrouwbaar teken.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הִשָּֽׁבְעוּ
(hishaveu)
zweer
נָ֥א
(na)
toch
לִי֙
(li)
mij
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
bij Yahweh
כִּי
(ki)
want
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
ik heb bewezen
עִמָּכֶ֖ם
(imakhem)
aan jullie
חָ֑סֶד
(chased)
trouw
וַעֲשִׂיתֶ֨ם
(vaasitem)
en jullie zullen bewijzen
גַּם
(gam)
ook
אַתֶּ֜ם
(atem)
jullie
עִם
(im)
aan
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
וּנְתַתֶּ֥ם
(unetatem)
en jullie zullen geven
לִ֖י
(li)
mij
א֥וֹת
(ot)
teken
אֱמֶֽת
(emet)
van betrouwbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: trouw die uit liefde en verbondenheid voortkomt.

אוֹת אֱמֶת (ot emet), ‘betrouwbaar teken’: letterlijk ‘teken van waarheid’, een teken waarop zij kan rekenen.

13Laat mijn vader, mijn moeder, mijn broers, mijn zusters en alles wat van hen is in leven. Red ons leven van de dood.”
וְהַחֲיִתֶ֞ם
(vehachayitem)
en jullie zullen laten leven
אֶת
(et)
(obj.)
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִמִּ֗י
(imi)
mijn moeder
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַחַי֙
(achay)
mijn broers
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַחְיוֹתַ֔י
(achyotay)
mijn zusters
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
לָהֶ֑ם
(lahem)
is van hen
וְהִצַּלְתֶּ֥ם
(vehitsaltem)
en jullie zullen redden
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֹׁתֵ֖ינוּ
(nafshoteinu)
ons leven
מִמָּֽוֶת
(mimavet)
van de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De mannen beloven haar te sparen

14De mannen zeiden tegen haar: „Wij willen in jullie plaats sterven, als jullie deze zaak van ons niet bekendmaken. Als Yahweh ons het land geeft, zullen wij jou trouw en betrouwbaarheid bewijzen.”
וַיֹּ֧אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
לָ֣הּ
(lah)
tot haar
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
נַפְשֵׁ֤נוּ
(nafshenu)
ons leven
תַחְתֵּיכֶם֙
(tachteikhem)
in plaats van jullie
לָמ֔וּת
(lamut)
om te sterven
אִ֚ם
(im)
als
לֹ֣א
(lo)
niet
תַגִּ֔ידוּ
(tagidu)
jullie bekendmaken
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרֵ֖נוּ
(devarenu)
onze zaak
זֶ֑ה
(ze)
deze
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּתֵת
(betet)
als geeft
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֨נוּ֙
(lanu)
aan ons
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְעָשִׂ֥ינוּ
(veasinu)
en wij zullen bewijzen
עִמָּ֖ךְ
(imakh)
aan jou
חֶ֥סֶד
(chesed)
trouw
וֶאֱמֶֽת
(veemet)
en betrouwbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘ons leven in jullie plaats om te sterven’.

Het is een gezegde: de mannen staan met hun leven voor haar en haar familie in.

חֶסֶד וֶאֱמֶת (chesed ve’emet), ‘trouw en betrouwbaarheid’, zoals in Exod. 34:6.

De ontsnapping

15Zij liet hen met een touw door het raam zakken. Want haar huis lag in de wand van de stadsmuur, en zij woonde in de muur.
וַתּוֹרִדֵ֥ם
(vatoridem)
en zij liet hen zakken
בַּחֶ֖בֶל
(bachevel)
met een touw
בְּעַ֣ד
(bead)
door
הַֽחַלּ֑וֹן
(hachalon)
het raam
כִּ֤י
(ki)
want
בֵיתָהּ֙
(beitah)
haar huis
בְּקִ֣יר
(beqir)
in de wand van
הַֽחוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
וּבַֽחוֹמָ֖ה
(uvachoma)
en in de muur
הִ֥יא
(hi)
zij
יוֹשָֽׁבֶת
(yoshavet)
woonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt dat haar huis ‘in de wand van de muur’ lag en dat zij ‘in de muur’ woonde.

Dat past bij een huis dat tegen of in de stadsmuur was gebouwd.

16Zij zei tegen hen: „Ga naar het bergland, anders ontmoeten de achtervolgers jullie. Houd jullie daar drie dagen schuil, totdat de achtervolgers terug zijn. Daarna mogen jullie jullie weg gaan.”
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zij zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
הָהָ֣רָה
(hahara)
naar het bergland
לֵּ֔כוּ
(lekhu)
ga
פֶּֽן
(pen)
opdat niet
יִפְגְּע֥וּ
(yifgeu)
ontmoeten
בָכֶ֖ם
(bakhem)
jullie
הָרֹדְפִ֑ים
(harodefim)
de achtervolgers
וְנַחְבֵּתֶ֨ם
(venachbetem)
en jullie zullen jullie verbergen
שָׁ֜מָּה
(shama)
daar
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
עַ֚ד
(ad)
tot
שׁ֣וֹב
(shov)
terugkeren
הָרֹֽדְפִ֔ים
(harodefim)
de achtervolgers
וְאַחַ֖ר
(veachar)
en daarna
תֵּלְכ֥וּ
(telekhu)
jullie mogen gaan
לְדַרְכְּכֶֽם
(ledarkekhem)
jullie weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De voorwaarden van de eed

17De mannen zeiden tegen haar: „Wij zijn vrij van deze eed van jou, die je ons hebt laten zweren.
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
הָאֲנָשִׁ֑ים
(haanashim)
de mannen
נְקִיִּ֣ם
(neqiyim)
vrij
אֲנַ֔חְנוּ
(anachnu)
wij
מִשְּׁבֻעָתֵ֥ךְ
(mishevuatekh)
van je eed
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִשְׁבַּעְתָּֽנוּ
(hishbatanu)
je ons hebt laten zweren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De eed geldt onder voorwaarden.

Die volgen in vers 18–20: het koord in het raam, haar familie in haar huis en zwijgen over de zaak.

18Zie, wij komen het land binnen. Dit koord van karmozijn moet je vastbinden in het raam waardoor je ons hebt laten zakken. Je vader, je moeder, je broers en heel het huis van je vader moet je bij je in huis verzamelen.
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
אֲנַ֥חְנוּ
(anachnu)
wij
בָאִ֖ים
(baim)
komen
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
אֶת
(et)
(obj.)
תִּקְוַ֡ת
(tiqvat)
koord van
חוּט֩
(chut)
draad van
הַשָּׁנִ֨י
(hashani)
karmozijn
הַזֶּ֜ה
(haze)
dit
תִּקְשְׁרִ֗י
(tiqsheri)
je zult vastbinden
בַּֽחַלּוֹן֙
(bachalon)
in het raam
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waardoor
הוֹרַדְתֵּ֣נוּ
(horadtenu)
je ons hebt laten zakken
ב֔וֹ
(bo)
erdoor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אָבִ֨יךְ
(avikh)
je vader
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִמֵּ֜ךְ
(imekh)
je moeder
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַחַ֗יִךְ
(achayikh)
je broers
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יךְ
(avikh)
je vader
תַּאַסְפִ֥י
(taasfi)
je zult verzamelen
אֵלַ֖יִךְ
(elayikh)
bij jou
הַבָּֽיְתָה
(habayeta)
in huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּקְוָה (tiqva), ‘koord’: het woord betekent ook ‘hoop’.

Hier is het een koord of draad.

שָׁנִי (sjani), ‘karmozijn’: een felrode kleur, zoals in Exod. 25:4.

19Ieder die buiten de deuren van je huis komt, zijn bloed komt op zijn hoofd. Wij zijn dan vrij. Maar het bloed van ieder die bij jou in huis is, komt op ons hoofd, als er een hand op hem komt.
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
כֹּ֣ל
(kol)
ieder
אֲשֶׁר
(asher)
die
יֵצֵא֩
(yetse)
uitgaat
מִדַּלְתֵ֨י
(midaltei)
uit de deuren van
בֵיתֵ֧ךְ
(beitekh)
je huis
הַח֛וּצָה
(hachutsa)
naar buiten
דָּמ֥וֹ
(damo)
zijn bloed
בְרֹאשׁ֖וֹ
(berosho)
op zijn hoofd
וַאֲנַ֣חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
נְקִיִּ֑ם
(neqiyim)
vrij
וְ֠כֹל
(vekhol)
en ieder
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יִֽהְיֶ֤ה
(yihye)
zal zijn
אִתָּךְ֙
(itakh)
bij jou
בַּבַּ֔יִת
(babayit)
in huis
דָּמ֣וֹ
(damo)
zijn bloed
בְרֹאשֵׁ֔נוּ
(beroshenu)
op ons hoofd
אִם
(im)
als
יָ֖ד
(yad)
een hand
תִּֽהְיֶה
(tihye)
komt
בּֽוֹ
(bo)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘als een hand op hem is’.

Dat betekent: als iemand hem iets aandoet.

20Maar als je deze zaak van ons bekendmaakt, dan zijn wij vrij van de eed die je ons hebt laten zweren.”
וְאִם
(veim)
en als
תַּגִּ֖ידִי
(tagidi)
je bekendmaakt
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרֵ֣נוּ
(devarenu)
onze zaak
זֶ֑ה
(ze)
deze
וְהָיִ֣ינוּ
(vehayinu)
en wij zullen zijn
נְקִיִּ֔ם
(neqiyim)
vrij
מִשְּׁבֻעָתֵ֖ךְ
(mishevuatekh)
van je eed
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִשְׁבַּעְתָּֽנוּ
(hishbatanu)
je ons hebt laten zweren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookSpr 11:13
21Zij zei: „Zoals jullie zeggen, zo is het.” Zij liet hen gaan en zij vertrokken. Daarna bond zij het koord van karmozijn in het raam.
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zij zei
כְּדִבְרֵיכֶ֣ם
(kedivreikhem)
volgens jullie woorden
כֶּן
(ken)
zo
ה֔וּא
(hu)
is het
וַֽתְּשַׁלְּחֵ֖ם
(vateshalechem)
en zij liet hen gaan
וַיֵּלֵ֑כוּ
(vayelekhu)
en zij gingen
וַתִּקְשֹׁ֛ר
(vatiqshor)
en zij bond vast
אֶת
(et)
(obj.)
תִּקְוַ֥ת
(tiqvat)
koord van
הַשָּׁנִ֖י
(hashani)
karmozijn
בַּחַלּֽוֹן
(bachalon)
in het raam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het verslag aan Jozua

22Zij gingen weg en kwamen in het bergland. Daar bleven zij drie dagen, totdat de achtervolgers teruggekeerd waren. De achtervolgers zochten hen langs de hele weg, maar vonden hen niet.
וַיֵּלְכוּ֙
(vayelekhu)
en zij gingen
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
הָהָ֔רָה
(hahara)
naar het bergland
וַיֵּ֤שְׁבוּ
(vayeshevu)
en zij bleven
שָׁם֙
(sham)
daar
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
עַד
(ad)
tot
שָׁ֖בוּ
(shavu)
teruggekeerd waren
הָרֹדְפִ֑ים
(harodefim)
de achtervolgers
וַיְבַקְשׁ֧וּ
(vayvaqshu)
en zochten
הָרֹדְפִ֛ים
(harodefim)
de achtervolgers
בְּכָל
(bekhal)
langs
הַדֶּ֖רֶךְ
(haderekh)
de hele weg
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָצָֽאוּ
(matsau)
zij vonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De twee mannen keerden terug. Zij daalden af van het bergland, staken over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun. Zij vertelden hem alles wat hun was overkomen.
וַיָּשֻׁ֜בוּ
(vayashuvu)
en keerden terug
שְׁנֵ֤י
(shenei)
de twee
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
mannen
וַיֵּרְד֣וּ
(vayeredu)
en daalden af
מֵֽהָהָ֔ר
(mehahar)
van het bergland
וַיַּעַבְרוּ֙
(vayaavru)
en staken over
וַיָּבֹ֔אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֑וּן
(nun)
Nun
וַיְסַ֨פְּרוּ
(vaysaperu)
en vertelden
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
הַמֹּצְא֖וֹת
(hamotseot)
wat hun overkomen was
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Zij zeiden tegen Jozua: „Ja, Yahweh heeft heel het land in onze hand gegeven. Ook zijn alle bewoners van het land verlamd van angst voor ons.”
וַיֹּאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
כִּֽי
(ki)
ja
נָתַ֧ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיָדֵ֖נוּ
(beyadenu)
in onze hand
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְגַם
(vegam)
en ook
נָמֹ֛גוּ
(namogu)
zijn verlamd
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
מִפָּנֵֽינוּ
(mipaneinu)
voor ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)