Elohim Bijbel

Amos 9

123456789

Niemand ontkomt, en dan het herstel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Vijfde visioen: niemand ontkomt

1Ik zag de Heer bij het altaar staan. Hij zei: „Sla het kapiteel, zodat de drempels beven. Sla ze stuk op het hoofd van hen allen. Wat van hen overblijft, zal Ik met het zwaard doden. Geen vluchteling van hen zal vluchten. Geen ontsnapte van hen zal ontkomen.
רָאִ֨יתִי
(raiti)
ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנָ֜י
(adonay)
de Heer
נִצָּ֣ב
(nitsav)
staande
עַֽל
(al)
bij
הַמִּזְבֵּ֗חַ
(hamizbeach)
het altaar
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en Hij zei
הַ֨ךְ
(hakh)
sla
הַכַּפְתּ֜וֹר
(hakaftor)
het kapiteel
וְיִרְעֲשׁ֣וּ
(veyirashu)
zodat zullen beven
הַסִּפִּ֗ים
(hasipim)
de drempels
וּבְצַ֨עַם֙
(uvetsaam)
en sla ze stuk
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
op het hoofd van
כֻּלָּ֔ם
(kulam)
hen allen
וְאַחֲרִיתָ֖ם
(veacharitam)
en wat van hen overblijft
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
met het zwaard
אֶהֱרֹ֑ג
(eherog)
zal Ik doden
לֹֽא
(lo)
niet
יָנ֤וּס
(yanus)
zal vluchten
לָהֶם֙
(lahem)
van hen
נָ֔ס
(nas)
een vluchteling
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִמָּלֵ֥ט
(yimalet)
zal ontkomen
לָהֶ֖ם
(lahem)
van hen
פָּלִֽיט
(palit)
een ontsnapte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai) staat hier zonder Yahweh: wij vertalen ‘de Heer’.

עַל־הַמִּזְבֵּחַ (al hammizbeach), ‘bij het altaar’: het voorzetsel על betekent ook ‘op’ of ‘boven’. Het is niet gezegd welk altaar het is.

הַכַּפְתּוֹר (hakkaftor), ‘het kapiteel’: de knop of het bovenste deel van een zuil. Het woord klinkt gelijk aan de plaatsnaam Kaftor in vers 7.

הַסִּפִּים (hassippim), ‘de drempels’: ook ‘de deurposten’.

בְּצָעַם (betsa’am), ‘sla ze stuk’: het werkwoord betekent ‘afsnijden’ of ‘afbreken’. De stukken vallen op de hoofden van de mensen.

2Als zij zich ingraven in Sjeol, haalt Mijn hand hen vandaar weg. En als zij opstijgen naar de hemel, haal Ik hen vandaar omlaag.
אִם
(im)
als
יַחְתְּר֣וּ
(yachteru)
zij zich ingraven
בִשְׁא֔וֹל
(bishol)
in Sjeol
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
יָדִ֣י
(yadi)
Mijn hand
תִקָּחֵ֑ם
(tiqachem)
zal hen halen
וְאִֽם
(veim)
en als
יַעֲלוּ֙
(yaalu)
zij opstijgen
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
naar de hemel
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
אוֹרִידֵֽם
(oridem)
zal Ik hen omlaag brengen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk, diep onder de aarde.

De hemel is het tegenovergestelde: heel hoog.

Geen plaats is te hoog of te laag.

3En als zij zich verbergen op de top van de Karmel, spoor Ik hen daar op en haal hen weg. En als zij zich voor Mijn ogen verstoppen op de bodem van de zee, beveel Ik daar de slang, en hij zal hen bijten.
וְאִם
(veim)
en als
יֵחָֽבְאוּ֙
(yechaveu)
zij zich verbergen
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
op de top van
הַכַּרְמֶ֔ל
(hakarmel)
de Karmel
מִשָּׁ֥ם
(misham)
vandaar
אֲחַפֵּ֖שׂ
(achapes)
zal Ik opsporen
וּלְקַחְתִּ֑ים
(uleqachtim)
en zal Ik hen halen
וְאִם
(veim)
en als
יִסָּ֨תְר֜וּ
(yisateru)
zij zich verstoppen
מִנֶּ֤גֶד
(mineged)
voor
עֵינַי֙
(einay)
Mijn ogen
בְּקַרְקַ֣ע
(beqarqa)
op de bodem van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
מִשָּׁ֛ם
(misham)
vandaar
אֲצַוֶּ֥ה
(atsave)
zal Ik bevelen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנָּחָ֖שׁ
(hanachash)
de slang
וּנְשָׁכָֽם
(uneshakham)
en hij zal hen bijten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa.

Uitleg

הַנָּחָשׁ (hannachash), ‘de slang’: Yahweh heeft macht over alles, ook in de diepte van de zee.

4En als zij in gevangenschap gaan, voor hun vijanden uit, beveel Ik daar het zwaard, en het zal hen doden. Ik richt Mijn oog op hen, ten kwade en niet ten goede.”
וְאִם
(veim)
en als
יֵלְכ֤וּ
(yelekhu)
zij gaan
בַשְּׁבִי֙
(bashevi)
in gevangenschap
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אֹֽיבֵיהֶ֔ם
(oyveihem)
hun vijanden
מִשָּׁ֛ם
(misham)
vandaar
אֲצַוֶּ֥ה
(atsave)
zal Ik bevelen
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֖רֶב
(hacherev)
het zwaard
וַהֲרָגָ֑תַם
(vaharagatam)
en het zal hen doden
וְשַׂמְתִּ֨י
(vesamti)
en Ik zal richten
עֵינִ֧י
(eini)
Mijn oog
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
op hen
לְרָעָ֖ה
(leraa)
ten kwade
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לְטוֹבָֽה
(letova)
ten goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁבִי (shevi), ‘gevangenschap’: het meenemen van mensen als krijgsgevangenen.

Yahweh is Zijn naam

5En Heer Yahweh van de legermachten raakt het land aan, en het smelt. Allen die erin wonen, rouwen. Het komt helemaal omhoog als de Nijl en zinkt weg als de Nijl van Egypte.
וַאדֹנָ֨י
(vadonay)
en Heer
יְהוִ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
הַצְּבָא֗וֹת
(hatsevaot)
van de legermachten
הַנּוֹגֵ֤עַ
(hanogea)
die aanraakt
בָּאָ֨רֶץ֙
(baarets)
het land
וַתָּמ֔וֹג
(vatamog)
en het smelt
וְאָבְל֖וּ
(veavelu)
en zij rouwen
כָּל
(kal)
alle
י֣וֹשְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
בָ֑הּ
(bah)
erin
וְעָלְתָ֤ה
(vealeta)
en het komt omhoog
כַיְאֹר֙
(kayor)
als de Nijl
כֻּלָּ֔הּ
(kulah)
geheel
וְשָׁקְעָ֖ה
(veshaqea)
en het zinkt weg
כִּיאֹ֥ר
(kior)
als de Nijl van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה הַצְּבָאוֹת (Adonai Yahweh hatsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: ‘Heer Yahweh van de legers’.

De laatste zin van dit vers is bijna gelijk aan Amos 8:8.

6Hij bouwt Zijn opgangen in de hemel en heeft Zijn gewelf op de aarde gegrondvest. Hij roept de wateren van de zee en giet ze uit over het oppervlak van de aarde. Yahweh is Zijn naam.
הַבּוֹנֶ֤ה
(habone)
Hij die bouwt
בַשָּׁמַ֨יִם֙
(bashamayim)
in de hemel
מַעֲלוֹתָ֔יו
(maalotav)
Zijn opgangen
וַאֲגֻדָּת֖וֹ
(vaagudato)
en Zijn gewelf
עַל
(al)
op
אֶ֣רֶץ
(erets)
de aarde
יְסָדָ֑הּ
(yesadah)
heeft gegrondvest
הַקֹּרֵ֣א
(haqore)
Hij die roept
לְמֵֽי
(lemei)
de wateren van
הַיָּ֗ם
(hayam)
de zee
וַֽיִּשְׁפְּכֵ֛ם
(vayishpekhem)
en giet ze uit
עַל
(al)
over
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
שְׁמֽוֹ
(shemo)
is Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲלוֹתָיו (ma’alotav), ‘Zijn opgangen’: trappen of verdiepingen, de verheven vertrekken waar Yahweh woont.

De betekenis is niet zeker.

אֲגֻדָּתוֹ (aguddato), ‘Zijn gewelf’: het hemelgewelf. Het woord betekent ook ‘bundel’ of ‘gebouw’.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft מעלותו (ma’alato), ‘Zijn opgang’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft מַעֲלוֹתָיו, ‘Zijn opgangen’.

Wij volgen de qere.

Israël onder de volken

7„Zijn jullie, zonen van Israël, voor Mij niet als de zonen van de Kushieten? Godsspraak van Yahweh. Heb Ik Israël niet uit het land Egypte laten optrekken, en de Filistijnen uit Kaftor, en Aram uit Kir?”
הֲל֣וֹא
(halo)
niet waar
כִבְנֵי֩
(kivnei)
als de zonen van
כֻשִׁיִּ֨ים
(kushiyim)
de Kushieten
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
לִ֛י
(li)
voor Mij
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲל֣וֹא
(halo)
niet waar
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הֶעֱלֵ֨יתִי֙
(heeleiti)
heb Ik laten optrekken
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּפְלִשְׁתִּיִּ֥ים
(ufelishtiyim)
en de Filistijnen
מִכַּפְתּ֖וֹר
(mikaftor)
uit Kaftor
וַאֲרָ֥ם
(vaaram)
en Aram
מִקִּֽיר
(miqir)
uit Kir
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Kaftor (Kreta?; ligging onzeker): Kaftor wordt meestal gezocht op Kreta of elders in de Egeïsche Zee.

Dit is niet zeker.

Uitleg

כֻשִׁיִּם (Kushiyyim), ‘Kushieten’: het volk van Kush, ver in het zuiden, ten zuiden van Egypte.

Yahweh noemt Israël, de Filistijnen en Aram naast elkaar: ook die volken heeft Hij uit een andere plaats laten optrekken.

כַּפְתּוֹר (Kaftor), ‘Kaftor’: waarschijnlijk Kreta; van daar kwamen de Filistijnen.

קִיר (Qir), ‘Kir’: volgens dit vers de plaats of streek waar Aram vandaan kwam. De ligging is onzeker. In 2 Kon. 16:9 wordt Aram naar Kir weggevoerd.

8Zie, de ogen van Heer Yahweh zijn op het zondige koninkrijk. „Ik zal het van het oppervlak van de grond verdelgen. Alleen zal Ik het huis van Jakob niet helemaal verdelgen, godsspraak van Yahweh.
הִנֵּ֞ה
(hine)
zie
עֵינֵ֣י
(einei)
de ogen van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּמַּמְלָכָה֙
(bamamlakha)
op het koninkrijk
הַֽחַטָּאָ֔ה
(hachataa)
zondige
וְהִשְׁמַדְתִּ֣י
(vehishmadti)
en Ik zal verdelgen
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
מֵעַ֖ל
(meal)
van
פְּנֵ֣י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
אֶ֗פֶס
(efes)
alleen
כִּ֠י
(ki)
dat
לֹ֣א
(lo)
niet
הַשְׁמֵ֥יד
(hashmeid)
helemaal
אַשְׁמִ֛יד
(ashmid)
zal Ik verdelgen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּמְלָכָה הַחַטָּאָה (hammamlakhah hachatta’ah), ‘het zondige koninkrijk’: waarschijnlijk het koninkrijk Israël, het Noordrijk.

אֶפֶס כִּי (efes ki), ‘alleen dat’: Yahweh maakt een uitzondering. Het huis van Jakob wordt niet helemaal vernietigd.

9Want zie, Ik geef bevel. Ik zal het huis van Israël schudden onder alle volken, zoals er in een zeef geschud wordt. Geen steentje zal op de aarde vallen.
כִּֽי
(ki)
want
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
מְצַוֶּ֔ה
(metsave)
bevelend
וַהֲנִע֥וֹתִי
(vahanioti)
en Ik zal schudden
בְכָֽל
(bekhal)
onder alle
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
volken
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
יִנּ֨וֹעַ֙
(yinoa)
er wordt geschud
בַּכְּבָרָ֔ה
(bakevara)
in een zeef
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִפּ֥וֹל
(yipol)
zal vallen
צְר֖וֹר
(tseror)
een steentje
אָֽרֶץ
(arets)
op de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְרוֹר (tseror), ‘steentje’: het woord kan ook ‘korrel’ betekenen.

De uitleg van dit beeld is niet zeker: het kan gaan om bewaring (niets gaat verloren) of om oordeel.

10Door het zwaard zullen al de zondaars van Mijn volk sterven. Zij zeggen: ‘Het onheil zal niet naderen en ons niet inhalen.’
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
יָמ֔וּתוּ
(yamutu)
zullen sterven
כֹּ֖ל
(kol)
alle
חַטָּאֵ֣י
(chataei)
zondaars van
עַמִּ֑י
(ami)
Mijn volk
הָאֹמְרִ֗ים
(haomerim)
die zeggen
לֹֽא
(lo)
niet
תַגִּ֧ישׁ
(tagish)
zal naderen
וְתַקְדִּ֛ים
(vetaqdim)
en zal inhalen
בַּעֲדֵ֖ינוּ
(baadeinu)
om ons heen
הָרָעָֽה
(haraa)
het onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַקְדִּים (taqdim), ‘inhalen’: letterlijk ‘vooruit zijn op’.

בַּעֲדֵנוּ (ba’adenu), ‘om ons heen’.

De hut van David wordt hersteld

11Op die dag zal Ik de gevallen hut van David oprichten. Ik zal hun bressen dichtmaken en zijn ruïnes oprichten. Ik zal haar bouwen zoals in de dagen van lang geleden,
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
אָקִ֛ים
(aqim)
zal Ik oprichten
אֶת
(et)
(obj.)
סֻכַּ֥ת
(sukat)
de hut van
דָּוִ֖יד
(david)
David
הַנֹּפֶ֑לֶת
(hanofelet)
de gevallen
וְגָדַרְתִּ֣י
(vegadarti)
en Ik zal dichtmaken
אֶת
(et)
(obj.)
פִּרְצֵיהֶ֗ן
(pirtseihen)
hun bressen
וַהֲרִֽסֹתָיו֙
(vaharisotav)
en zijn ruïnes
אָקִ֔ים
(aqim)
zal Ik oprichten
וּבְנִיתִ֖יהָ
(uvenitiha)
en Ik zal haar bouwen
כִּימֵ֥י
(kimei)
zoals de dagen van
עוֹלָֽם
(olam)
lang geleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֻכַּת דָּוִיד (sukkat David), ‘de hut van David’: het huis of koninkrijk van David, dat bijna vervallen is.

In het Hebreeuws wisselen de voornaamwoorden: ‘hun bressen’, ‘zijn ruïnes’, ‘haar’.

Wij laten dat zo staan.

Vergelijk Hand. 15:16–18.

עוֹלָם (olam): in ‘de dagen van olam’ betekent het ‘lang geleden’, de verre oudheid.

12opdat zij de rest van Edom in bezit nemen, en alle volken over wie Mijn naam is uitgeroepen, godsspraak van Yahweh, die dit doet.
לְמַ֨עַן
(lemaan)
opdat
יִֽירְשׁ֜וּ
(yireshu)
zij in bezit nemen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֤ית
(sheerit)
de rest van
אֱדוֹם֙
(edom)
Edom
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
volken
אֲשֶׁר
(asher)
over wie
נִקְרָ֥א
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹ֥שֶׂה
(ose)
die doet
זֹּֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

שְׁאֵרִית אֱדוֹם (she’erit Edom), ‘de rest van Edom’: Hand. 15:17 haalt dit vers anders aan.

Sommige oude vertalingen lezen ook anders.

Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

נִקְרָא שְׁמִי עֲלֵיהֶם (niqra shemi aleihem), ‘over wie Mijn naam is uitgeroepen’: zij horen bij Yahweh.

13Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat de ploeger de maaier inhaalt en de druiventreder hem die het zaad uitstrooit. De bergen zullen druipen van zoete wijn en alle heuvels zullen smelten.
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
יָמִ֤ים
(yamim)
dagen
בָּאִים֙
(baim)
komende
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנִגַּ֤שׁ
(venigash)
en zal inhalen
חוֹרֵשׁ֙
(choresh)
de ploeger
בַּקֹּצֵ֔ר
(baqotser)
de maaier
וְדֹרֵ֥ךְ
(vedorekh)
en de treder van
עֲנָבִ֖ים
(anavim)
druiven
בְּמֹשֵׁ֣ךְ
(bemoshekh)
hem die uitstrooit
הַזָּ֑רַע
(hazara)
het zaad
וְהִטִּ֤יפוּ
(vehitifu)
en zullen druipen
הֶֽהָרִים֙
(heharim)
de bergen
עָסִ֔יס
(asis)
zoete wijn
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַגְּבָע֖וֹת
(hagevaot)
de heuvels
תִּתְמוֹגַֽגְנָה
(titmogagna)
zullen smelten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּמְשֹׁךְ הַזָּרַע (bemoshekh hazzara), ‘bij hem die het zaad uitstrooit’: het werkwoord betekent ‘trekken’; het gaat om de zaaier.

Het beeld: de oogst is zo rijk dat het ene werk het andere inhaalt.

תִּתְמוֹגַגְנָה (titmogagnah), ‘zullen smelten’: de heuvels vloeien over van de wijn. Het werkwoord is hetzelfde als in vers 5, waar de aarde smelt.

14Ik zal het lot van Mijn volk Israël keren. Zij zullen verwoeste steden bouwen en erin wonen. Zij zullen wijngaarden planten en hun wijn drinken. Zij zullen tuinen aanleggen en hun vruchten eten.
וְשַׁבְתִּי֮
(veshavti)
en Ik zal keren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁב֣וּת
(shevut)
het lot van
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וּבָנ֞וּ
(uvanu)
en zij zullen bouwen
עָרִ֤ים
(arim)
steden
נְשַׁמּוֹת֙
(neshamot)
verwoeste
וְיָשָׁ֔בוּ
(veyashavu)
en zij zullen wonen
וְנָטְע֣וּ
(venateu)
en zij zullen planten
כְרָמִ֔ים
(keramim)
wijngaarden
וְשָׁת֖וּ
(veshatu)
en zij zullen drinken
אֶת
(et)
(obj.)
יֵינָ֑ם
(yeinam)
hun wijn
וְעָשׂ֣וּ
(veasu)
en zij zullen maken
גַנּ֔וֹת
(ganot)
tuinen
וְאָכְל֖וּ
(veakhelu)
en zij zullen eten
אֶת
(et)
(obj.)
פְּרִיהֶֽם
(perihem)
hun vruchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְשַׁבְתִּי אֶת־שְׁבוּת (veshavti et shevut), ‘Ik zal het lot keren’: het woord שְׁבוּת kan ook ‘ballingschap’ betekenen.

Het gaat om herstel van wat verloren is.

15Ik zal hen planten op hun grond. Zij zullen niet meer worden uitgerukt van hun grond, die Ik hun gegeven heb, zegt Yahweh, jouw Elohim.”
וּנְטַעְתִּ֖ים
(unetatim)
en Ik zal hen planten
עַל
(al)
op
אַדְמָתָ֑ם
(admatam)
hun grond
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
יִנָּתְשׁ֜וּ
(yinateshu)
zullen zij worden uitgerukt
ע֗וֹד
(od)
meer
מֵעַ֤ל
(meal)
van
אַדְמָתָם֙
(admatam)
hun grond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָתַ֣תִּי
(natati)
Ik gaf
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָמַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ (amar Yahweh Eloheikha), ‘zegt Yahweh, jouw Elohim’: Yahweh spreekt tot het volk.

Dit is het slot van het boek.