Elohim Bijbel

Jesaja 60

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Sta op, word licht: de heerlijkheid van Yahweh over Sion

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Sta op, word licht

1Sta op, word licht, want je licht is gekomen en de heerlijkheid van Yahweh is over je opgegaan.
ק֥וּמִי
(qumi)
sta op
א֖וֹרִי
(ori)
word licht
כִּ֣י
(ki)
want
בָ֣א
(ba)
is gekomen
אוֹרֵ֑ךְ
(orekh)
je licht
וּכְב֥וֹד
(ukhevod)
en de heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלַ֥יִךְ
(alayikh)
over je
זָרָֽח
(zarach)
is opgegaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt de profeet tot Sion, vrouwelijk aangesproken: קוּמִי (qumi), ‘sta op’.

Zijn woorden staan zwart, want hij spreekt over Yahweh in de derde persoon.

אוֹר (or), ‘licht’: het licht van Yahweh’s heerlijkheid, die over Sion opgaat.

2Want zie, de duisternis bedekt de aarde en een donkere wolk de naties. Maar over jou gaat Yahweh op, en Zijn heerlijkheid wordt over jou gezien.
כִּֽי
(ki)
want
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הַחֹ֨שֶׁךְ֙
(hachoshekh)
de duisternis
יְכַסֶּה
(yekhase)
bedekt
אֶ֔רֶץ
(erets)
de aarde
וַעֲרָפֶ֖ל
(vaarafel)
en een donkere wolk
לְאֻמִּ֑ים
(leumim)
de naties
וְעָלַ֨יִךְ֙
(vealayikh)
en over jou
יִזְרַ֣ח
(yizrach)
gaat op
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּכְבוֹד֖וֹ
(ukhevodo)
en Zijn heerlijkheid
עָלַ֥יִךְ
(alayikh)
over jou
יֵרָאֶֽה
(yerae)
wordt gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲרָפֶל (arafel), ‘donkere wolk’: dezelfde woorden als in Exod. 20:21.

3Volken trekken naar je licht en koningen naar de glans van je opgang.
וְהָלְכ֥וּ
(vehalekhu)
en zij trekken
גוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
לְאוֹרֵ֑ךְ
(leorekh)
naar je licht
וּמְלָכִ֖ים
(umelakhim)
en koningen
לְנֹ֥גַהּ
(lenogah)
naar de glans van
זַרְחֵֽךְ
(zarchekh)
je opgang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Je zonen komen van ver

4Sla je ogen rondom op en kijk: zij komen allen bijeen, zij komen naar je toe. Je zonen komen van ver, en je dochters worden op de heup gedragen.
שְׂאִֽי
(sei)
sla op
סָבִ֤יב
(saviv)
rondom
עֵינַ֨יִךְ֙
(einayikh)
je ogen
וּרְאִ֔י
(urei)
en kijk
כֻּלָּ֖ם
(kulam)
allen
נִקְבְּצ֣וּ
(niqbetsu)
zijn verzameld
בָֽאוּ
(bau)
zij komen
לָ֑ךְ
(lakh)
naar je toe
בָּנַ֨יִךְ֙
(banayikh)
je zonen
מֵרָח֣וֹק
(merachoq)
van ver
יָבֹ֔אוּ
(yavou)
komen
וּבְנֹתַ֖יִךְ
(uvenotayikh)
en je dochters
עַל
(al)
op
צַ֥ד
(tsad)
de heup
תֵּאָמַֽנָה
(teamana)
worden gedragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֵּאָמַנָה (te’amanah), ‘worden gedragen’: kleine kinderen worden op de heup of aan de zijde gedragen.

Vergelijk Jes. 66:12.

5Dan zul je het zien en stralen. Je hart zal beven en wijd worden. Want de overvloed van de zee keert zich naar je toe; de rijkdom van de volken komt naar je toe.
אָ֤ז
(az)
dan
תִּרְאִי֙
(tiri)
zie je
וְנָהַ֔רְתְּ
(venahart)
en straal je
וּפָחַ֥ד
(ufachad)
en beeft
וְרָחַ֖ב
(verachav)
en wordt wijd
לְבָבֵ֑ךְ
(levavekh)
je hart
כִּֽי
(ki)
want
יֵהָפֵ֤ךְ
(yehafekh)
keert zich
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
naar jou
הֲמ֣וֹן
(hamon)
de overvloed van
יָ֔ם
(yam)
de zee
חֵ֥יל
(cheil)
de rijkdom van
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
de volken
יָבֹ֥אוּ
(yavou)
komt
לָֽךְ
(lakh)
naar je toe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָהַרְתְּ (naharet), ‘je zult stralen’: hetzelfde werkwoord als in Ps. 34:6, waar wij ‘straalden’ vertalen.

וּפָחַד (ufachad), ‘en beeft’: het werkwoord kan beven van ontzag of van vreugde zijn. Het hart wordt ‘wijd’, dus ruim en open.

חֵיל (chayil), ‘rijkdom’: ook ‘kracht’ en ‘leger’. Hier gaat het om wat de volken aan bezit en kostbaarheden brengen.

6Een menigte kamelen bedekt je, jonge kamelen van Midian en Efa. Zij komen allen uit Sjeba. Goud en wierook dragen zij mee, en de lof van Yahweh verkondigen zij.
שִֽׁפְעַ֨ת
(shifat)
de menigte van
גְּמַלִּ֜ים
(gemalim)
kamelen
תְּכַסֵּ֗ךְ
(tekhasekh)
bedekt je
בִּכְרֵ֤י
(bikhrei)
jonge kamelen van
מִדְיָן֙
(midyan)
Midian
וְעֵיפָ֔ה
(veeifa)
en Efa
כֻּלָּ֖ם
(kulam)
allen
מִשְּׁבָ֣א
(misheva)
uit Sjeba
יָבֹ֑אוּ
(yavou)
komen zij
זָהָ֤ב
(zahav)
goud
וּלְבוֹנָה֙
(ulevona)
en wierook
יִשָּׂ֔אוּ
(yisau)
dragen zij
וּתְהִלֹּ֥ת
(utehilot)
en de lofzangen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יְבַשֵּֽׂרוּ
(yevaseru)
verkondigen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

בִּכְרֵי (bikhrei), ‘jonge kamelen’: kamelen die snel en sterk zijn, goed voor lange tochten.

מִדְיָן (Midian) en עֵיפָה (Efa): Efa is een zoon van Midian (Gen. 25:4).

שְׁבָא (Sjeba): een rijk in het zuiden van het Arabisch schiereiland, bekend om zijn goud en specerijen; zie 1 Kon. 10:1–2.

Mijn huis van luister

7Alle kudden van Kedar worden voor jou verzameld; de rammen van Nebajot dienen je. „Met welbehagen stijgen zij op Mijn altaar, en het huis van Mijn luister verfraai Ik.
כָּל
(kal)
alle
צֹ֤אן
(tson)
kudden van
קֵדָר֙
(qedar)
Kedar
יִקָּ֣בְצוּ
(yiqavetsu)
worden verzameld
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
אֵילֵ֥י
(eilei)
rammen van
נְבָי֖וֹת
(nevayot)
Nebajot
יְשָׁרְת֑וּנֶךְ
(yesharetunekh)
zij dienen je
יַעֲל֤וּ
(yaalu)
zij stijgen op
עַל
(al)
met
רָצוֹן֙
(ratson)
welbehagen
מִזְבְּחִ֔י
(mizbechi)
op Mijn altaar
וּבֵ֥ית
(uveit)
en het huis van
תִּפְאַרְתִּ֖י
(tifarti)
Mijn luister
אֲפָאֵֽר
(afaer)
verfraai Ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië.

De precieze ligging is niet zeker.

Uitleg

Vanaf het tweede deel van dit vers spreekt Yahweh zelf in de eerste persoon (‘Mijn altaar’, ‘Mijn huis’).

Daarom begint hier het rood.

Het blijft rood tot het einde van het hoofdstuk, ook waar Hij over Zichzelf in de derde persoon spreekt (vers 9, 14, 19 en 20).

קֵדָר (Kedar) en נְבָיוֹת (Nebajot): zonen van Ismaël en tevens Arabische stammen (Gen. 25:13). Zij stonden bekend om hun kudden.

עַל רָצוֹן (al ratson), ‘met welbehagen’: de offers worden gunstig aangenomen.

8Wie zijn dezen die als een wolk vliegen, als duiven naar hun duivenhokken?
מִי
(mi)
wie
אֵ֖לֶּה
(ele)
zijn dezen
כָּעָ֣ב
(kaav)
als een wolk
תְּעוּפֶ֑ינָה
(teufeina)
zij vliegen
וְכַיּוֹנִ֖ים
(vekhayonim)
en als duiven
אֶל
(el)
naar
אֲרֻבֹּתֵיהֶֽם
(aruboteihem)
hun duivenhokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲרֻבֹּת (arubbot), ‘duivenhokken’: letterlijk ‘vensteropeningen’ of ‘roosters’, de gaten van een duiventil waarin duiven terugkeren.

9Want op Mij hopen de eilanden, en de schepen van Tarsis zijn de eersten. Zij brengen je zonen van ver, hun zilver en hun goud met hen, voor de naam van Yahweh, je Elohim, en voor de Heilige van Israël. Want Hij heeft je verfraaid.
כִּֽי
(ki)
want
לִ֣י
(li)
op Mij
אִיִּ֣ים
(iyim)
de eilanden
יְקַוּ֗וּ
(yeqauu)
hopen
וָאֳנִיּ֤וֹת
(vaoniyot)
en de schepen van
תַּרְשִׁישׁ֙
(tarshish)
Tarsis
בָּרִ֣אשֹׁנָ֔ה
(barishona)
als eersten
לְהָבִ֤יא
(lehavi)
om te brengen
בָנַ֨יִךְ֙
(banayikh)
je zonen
מֵֽרָח֔וֹק
(merachoq)
van ver
כַּסְפָּ֥ם
(kaspam)
hun zilver
וּזְהָבָ֖ם
(uzehavam)
en hun goud
אִתָּ֑ם
(itam)
met hen
לְשֵׁם֙
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֔יִךְ
(elohayikh)
je Elohim
וְלִקְד֥וֹשׁ
(veliqdosh)
en voor de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
want
פֵאֲרָֽךְ
(pearakh)
Hij heeft je verfraaid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.

Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.

Uitleg

אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: verre kustlanden over zee.

תַּרְשִׁישׁ (Tarsis): een ver gelegen handelsplaats of land in het westen. Schepen van Tarsis zijn grote zeeschepen (1 Kon. 10:22).

פֵאֲרָךְ (fe’arekh), ‘Hij heeft je verfraaid’: van het werkwoord פֵּאֵר (pe’er), ‘versieren’, verwant aan תִּפְאֶרֶת (tif’eret), ‘luister’. Wij gebruiken ‘luister’ voor tif’eret en ‘verfraaien’ voor pe’er.

Vreemden bouwen je muren

10Vreemden zullen je muren bouwen, en hun koningen dienen je. Want in Mijn toorn heb Ik je geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over je ontfermd.
וּבָנ֤וּ
(uvanu)
en zullen bouwen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
נֵכָר֙
(nekhar)
de vreemde
חֹמֹתַ֔יִךְ
(chomotayikh)
je muren
וּמַלְכֵיהֶ֖ם
(umalkheihem)
en hun koningen
יְשָׁרְת֑וּנֶךְ
(yesharetunekh)
dienen je
כִּ֤י
(ki)
want
בְקִצְפִּי֙
(beqitspi)
in Mijn toorn
הִכִּיתִ֔יךְ
(hikitikh)
heb Ik je geslagen
וּבִרְצוֹנִ֖י
(uvirtsoni)
en in Mijn welbehagen
רִֽחַמְתִּֽיךְ
(richamtikh)
heb Ik Mij over je ontfermd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי נֵכָר (bnei nekhar), ‘vreemden’: letterlijk ‘zonen van de vreemde’; mensen van buiten het volk.

רִחַמְתִּיךְ (richamtikh), ‘Ik heb Mij over je ontfermd’: van רִחֵם (richem), ‘zich ontfermen’; zie Hos. 1:6–7.

11Je poorten staan altijd open. Dag en nacht worden ze niet gesloten, om de rijkdom van de volken naar je toe te brengen, terwijl hun koningen worden meegevoerd.
וּפִתְּח֨וּ
(ufitechu)
en zullen openstaan
שְׁעָרַ֧יִךְ
(shearayikh)
je poorten
תָּמִ֛יד
(tamid)
altijd
יוֹמָ֥ם
(yomam)
bij dag
וָלַ֖יְלָה
(valayla)
en bij nacht
לֹ֣א
(lo)
niet
יִסָּגֵ֑רוּ
(yisageru)
worden gesloten
לְהָבִ֤יא
(lehavi)
om te brengen
אֵלַ֨יִךְ֙
(elayikh)
naar je toe
חֵ֣יל
(cheil)
de rijkdom van
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
de volken
וּמַלְכֵיהֶ֖ם
(umalkheihem)
en hun koningen
נְהוּגִֽים
(nehugim)
meegevoerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְהוּגִים (nehugim), ‘meegevoerd’: de tekst zegt niet of de koningen als gevangenen worden meegevoerd of in een feestelijke optocht.

Vers 14 laat zien dat zij zich neerbuigen.

12Want het volk en het koninkrijk dat jou niet dient, zullen omkomen. Die volken zullen volledig verwoest worden.
כִּֽי
(ki)
want
הַגּ֧וֹי
(hagoy)
het volk
וְהַמַּמְלָכָ֛ה
(vehamamlakha)
en het koninkrijk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יַעַבְד֖וּךְ
(yaavdukh)
jou dient
יֹאבֵ֑דוּ
(yovedu)
zullen omkomen
וְהַגּוֹיִ֖ם
(vehagoyim)
en die volken
חָרֹ֥ב
(charov)
verwoesting
יֶחֱרָֽבוּ
(yecheravu)
zullen verwoest worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De heerlijkheid van de Libanon komt naar je toe: cipres, es en buksboom samen, om de plaats van Mijn heiligdom te verfraaien. De plaats van Mijn voeten eer Ik.
כְּב֤וֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
הַלְּבָנוֹן֙
(halevanon)
de Libanon
אֵלַ֣יִךְ
(elayikh)
naar je toe
יָב֔וֹא
(yavo)
komt
בְּר֛וֹשׁ
(berosh)
cipres
תִּדְהָ֥ר
(tidhar)
es
וּתְאַשּׁ֖וּר
(uteashur)
en buksboom
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
לְפָאֵר֙
(lefaer)
om te verfraaien
מְק֣וֹם
(meqom)
de plaats van
מִקְדָּשִׁ֔י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
וּמְק֥וֹם
(umeqom)
en de plaats van
רַגְלַ֖י
(raglay)
Mijn voeten
אֲכַבֵּֽד
(akhabed)
eer Ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרוֹשׁ (berosh), תִּדְהָר (tidhar) en תְּאַשּׁוּר (te’ashshur): drie bomen of houtsoorten van de Libanon.

Wat ze precies zijn, is onzeker.

Wij kiezen ‘cipres’, ‘es’ en ‘buksboom’, zoals in 41:19.

מְקוֹם רַגְלַי (meqom raglai), ‘de plaats van Mijn voeten’: waar Yahweh’s voeten rusten; vergelijk Ps. 132:7 en Ezech. 43:7.

14De zonen van je onderdrukkers komen gebogen naar je toe. Allen die je minachten, buigen zich neer voor de zolen van je voeten. Zij noemen je ‘Stad van Yahweh’, ‘Sion van de Heilige van Israël’.
וְהָלְכ֨וּ
(vehalekhu)
en komen
אֵלַ֤יִךְ
(elayikh)
naar je toe
שְׁח֨וֹחַ֙
(shechoach)
gebogen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
מְעַנַּ֔יִךְ
(meanayikh)
je onderdrukkers
וְהִֽשְׁתַּחֲו֛וּ
(vehishtachavu)
en zij buigen zich neer
עַל
(al)
aan
כַּפּ֥וֹת
(kapot)
de zolen van
רַגְלַ֖יִךְ
(raglayikh)
je voeten
כָּל
(kal)
allen
מְנַֽאֲצָ֑יִךְ
(menaatsayikh)
die je minachten
וְקָ֤רְאוּ
(veqareu)
en zij noemen
לָךְ֙
(lakh)
je
עִ֣יר
(ir)
stad van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion van
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שָׁחוֹחַ (shachoach), ‘gebogen’: diep voorovergebogen.

כַּפּוֹת רַגְלַיִךְ (kappot raglayikh), ‘de zolen van je voeten’.

צִיּוֹן קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (Tsiyyon qedosh Yisra’el), ‘Sion van de Heilige van Israël’: dezelfde titel ‘de Heilige van Israël’ als in vers 9.

Van verlaten tot trots

15Je was verlaten en gehaat, zodat niemand door je heen trok. In plaats daarvan maak Ik je tot een trots voor eeuwig, een vreugde van geslacht op geslacht.
תַּ֧חַת
(tachat)
in plaats van
הֱיוֹתֵ֛ךְ
(heyotekh)
dat je was
עֲזוּבָ֥ה
(azuva)
verlaten
וּשְׂנוּאָ֖ה
(usenua)
en gehaat
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand was
עוֹבֵ֑ר
(over)
doortrekkend
וְשַׂמְתִּיךְ֙
(vesamtikh)
dan maak Ik je
לִגְא֣וֹן
(ligon)
tot een trots
עוֹלָ֔ם
(olam)
voor eeuwig
מְשׂ֖וֹשׂ
(mesos)
een vreugde van
דּ֥וֹר
(dor)
geslacht
וָדֽוֹר
(vador)
op geslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּאוֹן עוֹלָם (ge’on olam), ‘een trots voor eeuwig’: wat Sion eert en groot maakt, zonder einde.

16Je zult de melk van volken zuigen en aan de borst van koningen zuigen. Dan weet je dat Ik, Yahweh, je Redder ben, en je Verlosser, de Machtige van Jakob.
וְיָנַקְתְּ֙
(veyanaqt)
en je zult zuigen
חֲלֵ֣ב
(chalev)
de melk van
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
וְשֹׁ֥ד
(veshod)
en de borst van
מְלָכִ֖ים
(melakhim)
koningen
תִּינָ֑קִי
(tinaqi)
je zult zuigen
וְיָדַ֗עַתְּ
(veyadaat)
en je zult weten
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מֽוֹשִׁיעֵ֔ךְ
(moshiekh)
je Redder
וְגֹאֲלֵ֖ךְ
(vegoalekh)
en je Verlosser
אֲבִ֥יר
(avir)
de Machtige van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁד (shod), ‘borst’: de vorm is gelijk aan שֹׁד (shod), ‘verwoesting’ (vers 18).

Hier past ‘borst’ bij ‘zuigen’ en bij de ‘melk’ van het eerste deel.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Het beeld: Sion wordt gevoed door volken en koningen.

אֲבִיר יַעֲקֹב (avir Ya’aqov), ‘de Machtige van Jakob’: zoals in Gen. 49:24.

גֹּאֲלֵךְ (go’alekh), ‘je Verlosser’: zoals in Jes. 59:20.

17In plaats van koper breng Ik goud, in plaats van ijzer breng Ik zilver, in plaats van hout koper en in plaats van stenen ijzer. Ik maak de vrede tot je bestuur en gerechtigheid tot je drijvers.
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
הַנְּחֹ֜שֶׁת
(hanechoshet)
koper
אָבִ֣יא
(avi)
breng Ik
זָהָ֗ב
(zahav)
goud
וְתַ֤חַת
(vetachat)
en in plaats van
הַבַּרְזֶל֙
(habarzel)
ijzer
אָ֣בִיא
(avi)
breng Ik
כֶ֔סֶף
(kesef)
zilver
וְתַ֤חַת
(vetachat)
en in plaats van
הָֽעֵצִים֙
(haetsim)
hout
נְחֹ֔שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְתַ֥חַת
(vetachat)
en in plaats van
הָאֲבָנִ֖ים
(haavanim)
stenen
בַּרְזֶ֑ל
(barzel)
ijzer
וְשַׂמְתִּ֤י
(vesamti)
en Ik maak
פְקֻדָּתֵךְ֙
(pequdatekh)
je bestuur
שָׁל֔וֹם
(shalom)
de vrede
וְנֹגְשַׂ֖יִךְ
(venogesayikh)
en je drijvers
צְדָקָֽה
(tsedaqa)
gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: zoals in Exod. 25:3.

Het woord kan ook ‘brons’ zijn.

פְּקֻדָּה (pequddah), ‘bestuur’: toezicht of de mensen die toezicht houden.

נֹגֵשׂ (noges), ‘drijver’: hetzelfde woord als ‘drijvers’ in Exod. 3:7. Meestal is het een dwingeland. Hier wordt gerechtigheid zelf je ‘drijver’: zij dwingt tot goed.

18Geweld wordt niet meer gehoord in je land, verwoesting en ondergang niet binnen je grenzen. Je noemt je muren ‘Redding’ en je poorten ‘Lof’.
לֹא
(lo)
niet
יִשָּׁמַ֨ע
(yishama)
wordt gehoord
ע֤וֹד
(od)
meer
חָמָס֙
(chamas)
geweld
בְּאַרְצֵ֔ךְ
(beartsekh)
in je land
שֹׁ֥ד
(shod)
verwoesting
וָשֶׁ֖בֶר
(vashever)
en ondergang
בִּגְבוּלָ֑יִךְ
(bigvulayikh)
binnen je grenzen
וְקָרָ֤את
(veqarat)
en je zult noemen
יְשׁוּעָה֙
(yeshua)
Redding
חוֹמֹתַ֔יִךְ
(chomotayikh)
je muren
וּשְׁעָרַ֖יִךְ
(ushearayikh)
en je poorten
תְּהִלָּֽה
(tehila)
Lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁד וָשֶׁבֶר (shod vashever), ‘verwoesting en ondergang’: zoals in Jes. 59:7.

יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’ en תְּהִלָּה (tehillah), ‘lof’: de muren en poorten dragen deze namen.

Yahweh wordt je licht voor eeuwig

19De zon is overdag niet meer je licht, en met haar glans schijnt de maan je niet. Maar Yahweh wordt je licht voor eeuwig, en je Elohim je luister.
לֹא
(lo)
niet
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּ֨ךְ
(lakh)
voor jou
ע֤וֹד
(od)
meer
הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(hashemesh)
de zon
לְא֣וֹר
(leor)
tot licht
יוֹמָ֔ם
(yomam)
overdag
וּלְנֹ֕גַהּ
(ulenogah)
en tot glans
הַיָּרֵ֖חַ
(hayareach)
de maan
לֹא
(lo)
niet
יָאִ֣יר
(yair)
zal schijnen
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jou
וְהָיָה
(vehaya)
maar zal zijn
לָ֤ךְ
(lakh)
voor jou
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְא֣וֹר
(leor)
tot licht
עוֹלָ֔ם
(olam)
voor eeuwig
וֵאלֹהַ֖יִךְ
(velohayikh)
en je Elohim
לְתִפְאַרְתֵּֽךְ
(letifartekh)
tot je luister
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 19 en 20 lijken op Openb. 21:23 en 22:5.

20Je zon gaat niet meer onder, en je maan wordt niet weggenomen, want Yahweh zal je licht zijn voor eeuwig. De dagen van je rouw zijn ten einde.
לֹא
(lo)
niet
יָב֥וֹא
(yavo)
gaat onder
עוֹד֙
(od)
meer
שִׁמְשֵׁ֔ךְ
(shimshekh)
je zon
וִירֵחֵ֖ךְ
(virechekh)
en je maan
לֹ֣א
(lo)
niet
יֵאָסֵ֑ף
(yeasef)
wordt weggenomen
כִּ֣י
(ki)
want
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּךְ֙
(lakh)
voor jou
לְא֣וֹר
(leor)
tot licht
עוֹלָ֔ם
(olam)
voor eeuwig
וְשָׁלְמ֖וּ
(veshalemu)
en zijn ten einde
יְמֵ֥י
(yemei)
de dagen van
אֶבְלֵֽךְ
(evlekh)
je rouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָבוֹא (yavo), ‘gaat onder’: letterlijk ‘komt’ (binnen).

Van de zon zegt men dat zij ‘binnenkomt’ als ze ondergaat.

יֵאָסֵף (ye’asef), ‘wordt weggenomen’: van אָסַף (asaf), ‘verzamelen’, en ook ‘wegnemen’. Zie ook Jes. 58:8, waar hetzelfde werkwoord ‘achterhoede’ betekent.

21En je volk, zij allen zijn rechtvaardigen. Voor eeuwig zullen zij het land bezitten, een scheut van Mijn aanplant, het werk van Mijn handen, om Mijn luister te tonen.
וְעַמֵּךְ֙
(veamekh)
en je volk
כֻּלָּ֣ם
(kulam)
allen
צַדִּיקִ֔ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor eeuwig
יִ֣ירְשׁוּ
(yireshu)
zullen bezitten
אָ֑רֶץ
(arets)
het land
נֵ֧צֶר
(netser)
een scheut van
מַטָּעַ֛י
(mataay)
Mijn aanplant
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
het werk van
יָדַ֖י
(yaday)
Mijn handen
לְהִתְפָּאֵֽר
(lehitpaer)
om Mijn luister te tonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵצֶר (netser), ‘scheut’: een jonge loot; vergelijk Jes. 11:1.

אֶרֶץ (arets), ‘het land’: het woord kan ook ‘aarde’ betekenen. Hier gaat het om het beloofde land.

לְהִתְפָּאֵר (lehitpa’er), ‘om Mijn luister te tonen’: van hetzelfde woord als ‘verfraaien’ in vers 9 en 13. Het is de wederkerige vorm: Yahweh toont daarin Zijn luister, zoals in 44:23.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is מטעו (matta’o), ‘zijn aanplant’.

Het qere is מַטָּעַי (matta’ai), ‘Mijn aanplant’.

Wij volgen het qere.

22De kleinste wordt tot duizend en de geringste tot een machtig volk. Ik, Yahweh, zal het op zijn tijd haasten.”
הַקָּטֹן֙
(haqaton)
de kleinste
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
zal worden
לָאֶ֔לֶף
(laelef)
tot duizend
וְהַצָּעִ֖יר
(vehatsair)
en de geringste
לְג֣וֹי
(legoy)
tot een volk
עָצ֑וּם
(atsum)
machtig
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעִתָּ֥הּ
(beitah)
op zijn tijd
אֲחִישֶֽׁנָּה
(achishena)
zal het haasten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶלֶף (elef), ‘duizend’: het woord kan ook een familiegroep of stam aanduiden.

Vergelijk Micha 5:1 (Hebreeuwse telling).

אֲחִישֶׁנָּה (achishennah), ‘Ik zal het haasten’: Yahweh brengt het snel, maar op de tijd die Hij bepaalt: בְּעִתָּהּ (be’ittah), ‘op zijn tijd’.