Elohim Bijbel

Jeremia 49

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Oordeel over Ammon, Edom, Damascus, Kedar, Chasor en Elam

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Over Ammon

1Over de zonen van Ammon. Zo zegt Yahweh: „Heeft Israël geen zonen? Heeft het geen erfgenaam? Waarom heeft hun koning Gad in bezit genomen, en woont zijn volk in zijn steden?
לִבְנֵ֣י
(livnei)
over de zonen van
עַמּ֗וֹן
(amon)
Ammon
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲבָנִ֥ים
(havanim)
zijn er zonen
אֵין֙
(ein)
niet
לְיִשְׂרָאֵ֔ל
(leyisrael)
voor Israël
אִם
(im)
of
יוֹרֵ֖שׁ
(yoresh)
een erfgenaam
אֵ֣ין
(ein)
niet
ל֑וֹ
(lo)
is er voor hem
מַדּ֗וּעַ
(madua)
waarom
יָרַ֤שׁ
(yarash)
heeft in bezit genomen
מַלְכָּם֙
(malkam)
hun koning
אֶת
(et)
(obj.)
גָּ֔ד
(gad)
Gad
וְעַמּ֖וֹ
(veamo)
en zijn volk
בְּעָרָ֥יו
(bearav)
in zijn steden
יָשָֽׁב
(yashav)
woont
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

לִבְנֵי (livnei), ‘over de zonen van’: elk volkenoordeel in dit deel heeft zo’n opschrift.

Hier volgt het oordeel over Ammon, het volk ten oosten van de Jordaan.

מַלְכָּם (malkam), ‘hun koning’: dezelfde letters kunnen ook ‘Milkom’ zijn, de god van de Ammonieten (1 Kon. 11:5). Zo leest men het vaak, omdat Gad en zijn volk in het vers genoemd worden. Wij lezen ‘hun koning’, zoals in Amos 1:15; dat is onzeker. Het woord staat ook in vers 3.

יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’: dit werkwoord klinkt door in יוֹרֵשׁ (yoresh), ‘erfgenaam’, en in vers 2. Gad is de stam die ten oosten van de Jordaan, naast Ammon, woonde (Num. 32).

2Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik tegen Rabba van de zonen van Ammon oorlogsgeschreeuw laat horen. Zij wordt een woeste puinheuvel, en haar dochters worden met vuur in brand gestoken. Dan neemt Israël in bezit wie hem in bezit namen, zegt Yahweh.
לָכֵ֡ן
(lakhen)
daarom
הִנֵּה֩
(hine)
zie
יָמִ֨ים
(yamim)
dagen
בָּאִ֜ים
(baim)
komen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְ֠הִשְׁמַעְתִּי
(vehishmati)
en Ik zal laten horen
אֶל
(el)
tegen
רַבַּ֨ת
(rabat)
Rabba van
בְּנֵי
(benei)
zonen van
עַמּ֜וֹן
(amon)
Ammon
תְּרוּעַ֣ת
(teruat)
strijdgeschreeuw van
מִלְחָמָ֗ה
(milchama)
oorlog
וְהָֽיְתָה֙
(vehayeta)
en zij zal worden
לְתֵ֣ל
(letel)
tot een puinheuvel
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
van verwoesting
וּבְנֹתֶ֖יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
בָּאֵ֣שׁ
(baesh)
met vuur
תִּצַּ֑תְנָה
(titsatna)
zullen worden aangestoken
וְיָרַ֧שׁ
(veyarash)
en zal in bezit nemen
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
יֹרְשָׁ֖יו
(yoreshav)
zijn bezitters
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.

לְתֵל שְׁמָמָה (tel shemamah), ‘woeste puinheuvel’: een tel is de heuvel die ontstaat uit de resten van een verwoeste stad.

וּבְנֹתֶיהָ (uvnoteha), ‘en haar dochters’: de omliggende plaatsen die bij de hoofdstad Rabba horen. Rabba is het huidige Amman (Amos 1:14).

וְיָרַשׁ יִשְׂרָאֵל אֶת יֹרְשָׁיו (veyarash Yisra’el et yorshav), ‘Dan neemt Israël in bezit wie hem in bezit namen’: het werkwoord yarash uit vers 1 keert terug. Wat Ammon nam, krijgt Israël terug.

3Jammer, Chesbon, want Ai is verwoest. Schreeuw, dochters van Rabba, gord zakken om, houd rouwklacht en zwerf rond langs de omheiningen. Want hun koning gaat in ballingschap, zijn priesters en zijn oversten samen.
הֵילִ֨ילִי
(heilili)
jammer
חֶשְׁבּ֜וֹן
(cheshbon)
Chesbon
כִּ֣י
(ki)
want
שֻׁדְּדָה
(shudeda)
is verwoest
עַ֗י
(ay)
Ai
צְעַקְנָה֮
(tseaqna)
schreeuwt
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
רַבָּה֒
(raba)
Rabba
חֲגֹ֣רְנָה
(chagorena)
gordt om
שַׂקִּ֔ים
(saqim)
zakken
סְפֹ֕דְנָה
(sefodena)
houdt rouwklacht
וְהִתְשׁוֹטַ֖טְנָה
(vehitshotatna)
en zwerft rond
בַּגְּדֵר֑וֹת
(bagederot)
langs de omheiningen
כִּ֤י
(ki)
want
מַלְכָּם֙
(malkam)
hun koning
בַּגּוֹלָ֣ה
(bagola)
in ballingschap
יֵלֵ֔ךְ
(yelekh)
zal gaan
כֹּהֲנָ֥יו
(kohanav)
zijn priesters
וְשָׂרָ֖יו
(vesarav)
en zijn oversten
יַחְדָּֽיו
(yachdav)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.

Uitleg

חֶשְׁבּוֹן (Cheshbon), ‘Chesbon’: een stad op de grens van Moab en Ammon; zie Num. 21:25–30 en Jer. 48:2.

עַי (Ay), ‘Ai’: een stad in Ammon. Ze is onbekend en moet niet verward worden met Ai bij Betel (Joz. 7–8).

בַּגְּדֵרוֹת (gederot), ‘omheiningen’: de muurtjes of omheiningen rond weiden en schaapskooien. De rouwenden rennen er heen en weer.

כֹּהֲנָיו (kohanav), ‘zijn priesters’: priesters horen bij een god. Dat is een reden waarom men in vers 1 en 3 vaak ‘Milkom’ leest voor ‘hun koning’.

4Wat roem je op de dalen? Je dal stroomt weg, afkerige dochter, die op haar schatten vertrouwt: ‘Wie komt er naar mij?’
מַה
(ma)
wat
תִּתְהַֽלְלִי֙
(tithalli)
roem je
בָּֽעֲמָקִ֔ים
(baamaqim)
op de dalen
זָ֣ב
(zav)
stroomt
עִמְקֵ֔ךְ
(imqekh)
je dal
הַבַּ֖ת
(habat)
dochter
הַשּֽׁוֹבֵבָ֑ה
(hashoveva)
afkerige
הַבֹּֽטְחָה֙
(habotecha)
die vertrouwt
בְּאֹ֣צְרֹתֶ֔יהָ
(beotseroteiha)
op haar schatten
מִ֖י
(mi)
wie
יָב֥וֹא
(yavo)
zal komen
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָב (zav), ‘stroomt’: van het werkwoord zuv, ‘vloeien’.

Of het gaat om een dal dat van water of vruchtbaarheid overstroomt, of dat de kracht wegvloeit, is onzeker.

הַבַּת הַשּׁוֹבֵבָה (habbat hashshovevah), ‘de afkerige dochter’: dezelfde aanspreking als voor Israël in Jer. 31:22.

De sprekende persoon verspringt van ‘je’ naar ‘haar’ en ‘mij’: de dochter praat zelf (‘Wie komt er naar mij?’).

5Zie, Ik breng een schrik over je, godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten, van al wie rondom je is. Jullie worden verdreven, ieder recht voor zich uit, en niemand verzamelt de vluchtelingen.
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Mij
מֵבִ֨יא
(mevi)
die brengt
עָלַ֜יִךְ
(alayikh)
over je
פַּ֗חַד
(pachad)
schrik
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֧י
(adonay)
Heer
יְהוִ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
מִכָּל
(mikal)
van alle
סְבִיבָ֑יִךְ
(sevivayikh)
rondom je
וְנִדַּחְתֶּם֙
(venidachtem)
en jullie zullen verdreven worden
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
recht voor zich uit
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is er
מְקַבֵּ֖ץ
(meqabets)
een verzamelaar
לַנֹּדֵֽד
(lanoded)
van de vluchtelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (ne’um Adonai Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jer. 2:19.

וְנִדַּחְתֶּם (venidachtem), ‘jullie worden verdreven’: de aanspreking verspringt van ‘je’ (enkelvoud) naar ‘jullie’ (meervoud).

מְקַבֵּץ לַנֹּדֵד (mekabbets lenodeid), ‘iemand die de vluchtelingen verzamelt’: er is niemand die de verstrooiden bijeenbrengt.

6Maar daarna keer Ik het lot van de zonen van Ammon, godsspraak van Yahweh.”
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֗ן
(ken)
dus
אָשִׁ֛יב
(ashiv)
Ik zal keren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁב֥וּת
(shevut)
het lot van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

אָשִׁיב אֶת שְׁבוּת (ashiv et shevut), ‘Ik keer het lot’: een vaste uitdrukking voor herstel.

Het woord shevut kan ook ‘ballingschap’ of ‘gevangenen’ betekenen.

Wij vertalen ‘het lot keren’, zoals in Ps. 126:1 en Amos 9:14.

Zo gaat het ook met Moab (Jer. 48:47) en Elam (vers 39).

Over Edom

7Over Edom. Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Is er geen wijsheid meer in Teman? Is de raad verloren gegaan bij de verstandigen? Is hun wijsheid bedorven?
לֶאֱד֗וֹם
(leedom)
over Edom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הַאֵ֥ין
(haein)
is er niet
ע֛וֹד
(od)
nog
חָכְמָ֖ה
(chakhema)
wijsheid
בְּתֵימָ֑ן
(beteiman)
in Teman
אָבְדָ֤ה
(aveda)
is verloren gegaan
עֵצָה֙
(etsa)
raad
מִבָּנִ֔ים
(mibanim)
bij de verstandigen
נִסְרְחָ֖ה
(nisrecha)
is bedorven
חָכְמָתָֽם
(chakhematam)
hun wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).

Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.

לֶאֱדוֹם (le’Edom), ‘over Edom’: het land van Ezau, de broer van Jakob (Gen. 36). Vers 7–22 lopen voor een groot deel parallel met Obad. 1–9: bij elk vers van Obadja is dat aangegeven.

בְּתֵימָן (Teiman), ‘Teman’: een streek of stad in Edom (Amos 1:12). Ook Elifaz, een van de vrienden van Job, kwam uit Teman (Job 2:11).

מִבָּנִים (mibbanim), ‘bij de verstandigen’: letterlijk ‘van zonen’. Men leest het meestal als ‘van de inzichtigen’ (verwant met het werkwoord bin, ‘verstaan’). Dat is onzeker.

נִסְרְחָה (nisrechah), ‘bedorven’: een zeldzame vorm van het werkwoord sarach, dat ook ‘overhangen’ of ‘stinken’ kan betekenen.

8Vlucht, keer om, woon diep, bewoners van Dedan. Want de ondergang van Ezau breng Ik over hem, de tijd dat Ik hem straf.
נֻ֤סוּ
(nusu)
vlucht
הָפְנוּ֙
(hafenu)
keer om
הֶעְמִ֣יקוּ
(hemiqu)
woon diep
לָשֶׁ֔בֶת
(lashevet)
om te wonen
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
bewoners van
דְּדָ֑ן
(dedan)
Dedan
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥יד
(eid)
de ondergang van
עֵשָׂ֛ו
(esav)
Ezau
הֵבֵ֥אתִי
(heveti)
breng Ik
עָלָ֖יו
(alav)
over hem
עֵ֥ת
(et)
de tijd
פְּקַדְתִּֽיו
(peqadtiv)
dat Ik hem straf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute.

Uitleg

דְּדָן (Dedan), ‘Dedan’: een stam en een plaats in het noorden van Arabië (Jes. 21:13).

Hun ‘diep wonen’ is een oproep om diep weg te kruipen; zie vers 30.

אֵיד עֵשָׂו (eid Esav), ‘de ondergang van Ezau’: Ezau is hier de naam van het volk Edom. Hetzelfde woord eid staat in vers 32 voor de ondergang van Kedar.

עֵת פְּקַדְתִּיו (et pequddato), ‘de tijd dat Ik hem straf’: het werkwoord pakad betekent ‘bezoeken’, ‘straffen’ en ‘aanstellen’.

9Als wijnplukkers bij je komen, laten zij geen nalezing over. Als dieven ’s nachts komen, richten zij schade aan zoveel als hun genoeg is.
אִם
(im)
als
בֹּֽצְרִים֙
(botserim)
wijnplukkers
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
לָ֔ךְ
(lakh)
bij je
לֹ֥א
(lo)
niet
יַשְׁאִ֖רוּ
(yashiru)
laten zij over
עֽוֹלֵל֑וֹת
(olelot)
nalezing
אִם
(im)
als
גַּנָּבִ֥ים
(ganavim)
dieven
בַּלַּ֖יְלָה
(balayla)
’s nachts
הִשְׁחִ֥יתוּ
(hishchitu)
richten schade aan
דַיָּֽם
(dayam)
wat genoeg is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹּצְרִים (botsrim), ‘wijnplukkers’; עוֹלֵלוֹת (olelot), ‘nalezing’: de druiven die na de pluk aan de wijnstok blijven hangen (Lev. 19:10; Deut. 24:21).

Bij Edom blijft niets over, zelfs niet de nalezing.

דַיָּם (dayyam), ‘wat hun genoeg is’: dieven nemen alleen zoveel als ze nodig hebben. Edom wordt erger geplunderd dan door dieven.

In Obad. 5 staat hetzelfde als twee vragen (‘laten zij dan geen nalezing over?’); hier staat het als stelling.

10Want Ik heb Ezau ontbloot. Ik heb zijn schuilplaatsen onthuld, en hij kan zich niet verbergen. Zijn nageslacht, zijn broers en zijn buren zijn verwoest, en hij is er niet meer.
כִּֽי
(ki)
want
אֲנִ֞י
(ani)
Ik
חָשַׂ֣פְתִּי
(chasafti)
heb ontbloot
אֶת
(et)
(obj.)
עֵשָׂ֗ו
(esav)
Ezau
גִּלֵּ֨יתִי֙
(gileiti)
heb onthuld
אֶת
(et)
(obj.)
מִסְתָּרָ֔יו
(mistarav)
zijn schuilplaatsen
וְנֶחְבָּ֖ה
(venechba)
en zich verbergen
לֹ֣א
(lo)
niet
יוּכָ֑ל
(yukhal)
kan hij
שֻׁדַּ֥ד
(shudad)
is verwoest
זַרְע֛וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
וְאֶחָ֥יו
(veechav)
en zijn broers
וּשְׁכֵנָ֖יו
(ushekhenav)
en zijn buren
וְאֵינֶֽנּוּ
(veeinenu)
en hij is er niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָשַׂפְתִּי (chasafti), ‘Ik heb ontbloot’: Yahweh ontbloot Ezau, zodat zijn schuilplaatsen in de rotsen zichtbaar zijn.

Vergelijk Obad. 6.

11Laat je wezen achter. Ik zal hen in leven houden. Je weduwen mogen op Mij vertrouwen.”
עָזְבָ֥ה
(azeva)
laat achter
יְתֹמֶ֖יךָ
(yetomeikha)
je wezen
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
אֲחַיֶּ֑ה
(achaye)
zal in leven houden
וְאַלְמְנֹתֶ֖יךָ
(vealmenoteikha)
en je weduwen
עָלַ֥י
(alay)
op Mij
תִּבְטָֽחוּ
(tivtachu)
mogen vertrouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is een woord van genade midden in het oordeel.

Yahweh zelf zorgt voor de wezen en weduwen van Edom (אֲנִי אֲחַיֶּה, ani achayyeh, ‘Ik zal in leven houden’).

Zie ook Ps. 68:6 over Elohim als vader van wezen en rechter van weduwen.

12Want zo zegt Yahweh: „Zie, zij die volgens het recht de beker niet hoefden te drinken, moeten hem zeker drinken. En jij, zou jij ongestraft blijven? Je blijft niet ongestraft, maar je zult zeker drinken.
כִּי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִ֠נֵּה
(hine)
zie
אֲשֶׁר
(asher)
zij die
אֵ֨ין
(ein)
niet
מִשְׁפָּטָ֜ם
(mishpatam)
hun recht
לִשְׁתּ֤וֹת
(lishtot)
om te drinken
הַכּוֹס֙
(hakos)
de beker
שָׁת֣וֹ
(shato)
zeker drinken
יִשְׁתּ֔וּ
(yishtu)
zullen drinken
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
ה֔וּא
(hu)
jijzelf
נָקֹ֖ה
(naqo)
zeker ongestraft
תִּנָּקֶ֑ה
(tinaqe)
zul je blijven
לֹ֣א
(lo)
niet
תִנָּקֶ֔ה
(tinaqe)
zul je ongestraft blijven
כִּ֥י
(ki)
maar
שָׁתֹ֖ה
(shato)
zeker drinken
תִּשְׁתֶּֽה
(tishte)
zul je drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכּוֹס (hakkos), ‘de beker’: het beeld van Yahweh’s oordeel, zie Jer. 25:15–29 (waar ook Edom de beker moet drinken) en Ps. 75:9.

אֲשֶׁר אֵין מִשְׁפָּטָם (asher ein mishpatam), ‘zij die volgens het recht niet’: letterlijk ‘zij wier recht het niet is’. Wie bedoeld wordt, laat het Hebreeuws open. Vaak denkt men aan Juda, dat de beker ook drinkt. Edom kan er dan zeker niet aan ontkomen.

נָקֹה תִּנָּקֶה (naqeh tinnaqeh), ‘ongestraft blijven’: het werkwoord naqah betekent ‘onschuldig zijn’ of ‘vrijuit gaan’.

13Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, godsspraak van Yahweh, dat Bozra tot een verwoesting, een smaad, een ruïne en een vloek zal worden. En al haar steden worden eeuwige ruïnes.”
כִּ֣י
(ki)
want
בִ֤י
(bi)
bij Mij
נִשְׁבַּ֨עְתִּי֙
(nishbati)
heb Ik gezworen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
dat
לְשַׁמָּ֧ה
(leshama)
tot een verwoesting
לְחֶרְפָּ֛ה
(lecherpa)
tot smaad
לְחֹ֥רֶב
(lechorev)
tot een ruïne
וְלִקְלָלָ֖ה
(veliqlala)
en tot een vloek
תִּֽהְיֶ֣ה
(tihye)
zal worden
בָצְרָ֑ה
(batsera)
Bozra
וְכָל
(vekhal)
en al
עָרֶ֥יהָ
(areiha)
haar steden
תִהְיֶ֖ינָה
(tihyeina)
zullen worden
לְחָרְב֥וֹת
(lecharevot)
tot ruïnes
עוֹלָֽם
(olam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom.

Uitleg

בִי נִשְׁבַּעְתִּי (bi nishba’ti), ‘bij Mijzelf heb Ik gezworen’: Yahweh zweert bij Zichzelf, omdat er niemand groter is om bij te zweren (Gen. 22:16; Jes. 45:23).

Dezelfde eed staat in Jer. 22:5.

בָצְרָה (Botsrah), ‘Bozra’: de belangrijkste stad van Edom (Amos 1:12; Jes. 34:6).

לְשַׁמָּה (leshammah), ‘tot een verwoesting’: het woord shammah staat ook in vers 17 en 33. לְחֹרֶב (lacharev), ‘een ruïne’: een plaats die in puin ligt; in het meervoud לְחָרְבוֹת (lecharvot) ‘ruïnes’, zoals in Jer. 25:9.

14Een bericht heb ik gehoord van Yahweh. Een bode is onder de volken gezonden: „Verzamel jullie, trek tegen haar op en sta op voor de strijd.”
שְׁמוּעָ֤ה
(shemua)
een bericht
שָׁמַ֨עְתִּי֙
(shamati)
heb ik gehoord
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְצִ֖יר
(vetsir)
en een bode
בַּגּוֹיִ֣ם
(bagoyim)
onder de volken
שָׁל֑וּחַ
(shaluach)
is gezonden
הִֽתְקַבְּצוּ֙
(hitqabetsu)
verzamelt jullie
וּבֹ֣אוּ
(uvou)
en komt
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
tegen haar
וְק֖וּמוּ
(vequmu)
en staat op
לַמִּלְחָמָֽה
(lamilchama)
voor de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier spreekt de profeet: ‘heb ik gehoord’.

Het vers staat daarom zwart.

Het komt overeen met Obad. 1, waar het ‘wij’ is: ‘een bericht hebben wij gehoord’.

שְׁמוּעָה (shemu’ah), ‘bericht’: hier het bericht van Yahweh over Edom. וְצִיר (vetsir), ‘en een bode’: een afgezant onder de volken. In Jeremia is het שָׁלוּחַ (shaluach), ‘gezonden’, een deelwoord; in Obad. 1 een voltooide tijd.

15„Want zie, klein heb Ik je gemaakt onder de volken, veracht onder de mensen.
כִּֽי
(ki)
want
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
קָטֹ֛ן
(qaton)
klein
נְתַתִּ֖יךָ
(netatikha)
heb Ik je gemaakt
בַּגּוֹיִ֑ם
(bagoyim)
onder de volken
בָּז֖וּי
(bazuy)
veracht
בָּאָדָֽם
(baadam)
onder de mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt Yahweh weer zelf.

Dit vers komt vrijwel overeen met Obad. 2.

קָטֹן (qatan), ‘klein’: Edom, dat zichzelf groot waande, is klein bij de volken.

16De schrik die je inboezemt, heeft je misleid, de overmoed van je hart. Jij woont in de kloven van de rots en bezet de top van de heuvel. Al maak je je nest zo hoog als een arend, vandaar haal Ik je neer, godsspraak van Yahweh.
תִּֽפְלַצְתְּךָ֞
(tiflatstekha)
de schrik die je inboezemt
הִשִּׁ֤יא
(hishi)
heeft misleid
אֹתָךְ֙
(otakh)
je
זְד֣וֹן
(zedon)
overmoed van
לִבֶּ֔ךָ
(libekha)
je hart
שֹֽׁכְנִי֙
(shokheni)
die woont
בְּחַגְוֵ֣י
(bechagvei)
in de kloven van
הַסֶּ֔לַע
(hasela)
de rots
תֹּפְשִׂ֖י
(tofesi)
die bezet houdt
מְר֣וֹם
(merom)
de hoogte van
גִּבְעָ֑ה
(giva)
een heuvel
כִּֽי
(ki)
want
תַגְבִּ֤יהַ
(tagbiha)
je maakt hoog
כַּנֶּ֨שֶׁר֙
(kanesher)
als een arend
קִנֶּ֔ךָ
(qinekha)
je nest
מִשָּׁ֥ם
(misham)
vandaar
אֽוֹרִידְךָ֖
(oridekha)
zal Ik je neerhalen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּפְלַצְתְּךָ (tiflatsetekha), ‘de schrik die je inboezemt’: een zeldzaam woord, afgeleid van palats, ‘beven’.

Of het de schrik is die Edom verspreidt, of de schrik voor Edom, is onzeker.

בְּחַגְוֵי הַסֶּלַע (bechagvei hasela), ‘in de kloven van de rots’: Edom woonde hoog in een rotsgebied. Vergelijk Obad. 3. Sela, ‘rots’, is ook de naam van een stad in Edom (2 Kon. 14:7). Hier staat het met lidwoord en betekent het ‘de rots’.

כַּנֶּשֶׁר (kannesher), ‘als een arend’: vergelijk Obad. 4, waar het slot luidt ‘al zet je je nest tussen de sterren’.

17Edom wordt een verwoesting. Ieder die er langs gaat, staat verbijsterd en sist om al haar plagen.
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en zal worden
אֱד֖וֹם
(edom)
Edom
לְשַׁמָּ֑ה
(leshama)
tot een verwoesting
כֹּ֚ל
(kol)
ieder
עֹבֵ֣ר
(over)
die voorbijkomt
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
erlangs
יִשֹּׁ֥ם
(yishom)
staat verbijsterd
וְיִשְׁרֹ֖ק
(veyishroq)
en sist
עַל
(al)
om
כָּל
(kal)
al
מַכּוֹתֶֽהָ
(makoteha)
haar plagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

לְשַׁמָּה (leshammah), ‘een verwoesting’; יִשֹּׁם (yishom), ‘staat verbijsterd’: beide woorden komen van hetzelfde werkwoord shamem.

Wie langs komt, schrikt van wat er van Edom over is.

וְיִשְׁרֹק (veyishrok), ‘en sist’: een teken van schrik en afschuw (zoals in Jer. 19:8 en 1 Kon. 9:8). Dezelfde zin staat in 50:13 over Babel.

18Zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra en hun buursteden, zegt Yahweh, zal daar niemand wonen en geen mensenkind in haar verblijven.
כְּֽמַהְפֵּכַ֞ת
(kemahpekhat)
zoals de omkering van
סְדֹ֧ם
(sedom)
Sodom
וַעֲמֹרָ֛ה
(vaamora)
en Gomorra
וּשְׁכֵנֶ֖יהָ
(ushekheneiha)
en hun buursteden
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
יֵשֵׁ֥ב
(yeshev)
zal wonen
שָׁם֙
(sham)
daar
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָג֥וּר
(yagur)
zal verblijven
בָּ֖הּ
(bah)
in haar
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָֽם
(adam)
mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

כְּמַהְפֵּכַת סְדֹם (kemahpekhat Sedom), ‘zoals bij de omkering van Sodom’: de verwoesting van Sodom en Gomorra (Gen. 19:24–25; Deut. 29:22).

Dezelfde zin staat in 50:40 over Babel, daar met ‘Elohim’ en ‘godsspraak’.

Zie ook Jes. 13:19 en Amos 4:11.

וּשְׁכֵנֶיהָ (ushekhenehah), ‘en hun buursteden’: letterlijk ‘en haar buren’.

בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: hier gewoon ‘een mens’.

19Zie, als een leeuw komt hij op uit het struikgewas van de Jordaan naar een duurzame weide. Want in een oogwenk jaag Ik hem van haar weg. En wie is de uitverkorene die Ik daarover aanstel? Want wie is als Ik, en wie daagt Mij? En wie is die herder die voor Mijn aangezicht standhoudt?”
הִ֠נֵּה
(hine)
zie
כְּאַרְיֵ֞ה
(kearye)
als een leeuw
יַעֲלֶ֨ה
(yaale)
komt hij op
מִגְּא֣וֹן
(migeon)
uit het struikgewas van
הַיַּרְדֵּן֮
(hayarden)
de Jordaan
אֶל
(el)
naar
נְוֵ֣ה
(neve)
weide van
אֵיתָן֒
(eitan)
duurzame
כִּֽי
(ki)
want
אַרְגִּ֤יעָה
(argia)
in een oogwenk
אֲרִיצֶ֨נּוּ
(aritsenu)
zal Ik hem wegjagen
מֵֽעָלֶ֔יהָ
(mealeiha)
van haar
וּמִ֥י
(umi)
en wie
בָח֖וּר
(bachur)
uitverkorene
אֵלֶ֣יהָ
(eleiha)
daarover
אֶפְקֹ֑ד
(efqod)
zal Ik aanstellen
כִּ֣י
(ki)
want
מִ֤י
(mi)
wie
כָמ֨וֹנִי֙
(kamoni)
is als Ik
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יֹעִידֶ֔נִּי
(yoideni)
zal Mij dagen
וּמִי
(umi)
en wie
זֶ֣ה
(ze)
is deze
רֹעֶ֔ה
(roe)
herder
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יַעֲמֹ֖ד
(yaamod)
zal standhouden
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

מִגְּאוֹן הַיַּרְדֵּן (mege’on haYarden), ‘uit het struikgewas van de Jordaan’: ge’on betekent letterlijk ‘trots’ of ‘pracht’.

Hier is het de weelderige begroeiing langs de Jordaan, waar leeuwen zich verscholen (Jer. 12:5; Zach. 11:3).

נְוֵה אֵיתָן (naveh eitan), ‘duurzame weide’: eitan betekent ‘duurzaam’, ‘altijd aanwezig’ (zoals in Amos 5:24 ‘altijd stromende beek’).

Wie ‘de leeuw’ is, zegt het Hebreeuws niet. Sommigen denken aan de vijand, anderen aan Yahweh Zelf. Wij laten het open.

אֶפְקֹד (efqod), ‘Ik zal aanstellen’: hetzelfde werkwoord pakad als ‘straffen’ in vers 8. בָחוּר (bachur), ‘uitverkorene’: ook ‘jongeman’. יֹעִידֶנִּי (ya’ideni), ‘Mij dagen’: iemand ter verantwoording roepen.

Vers 19–21 staan bijna woordelijk in 50:44–46, daar tegen Babel.

20Daarom, hoor het besluit van Yahweh dat Hij tegen Edom heeft genomen, en Zijn plannen die Hij heeft bedacht tegen de inwoners van Teman. Voorwaar, de kleinsten van de kudde zullen hen wegslepen. Voorwaar, Hij zal hun weide met hen verwoesten.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
hoort
עֲצַת
(atsat)
het besluit van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יָעַץ֙
(yaats)
Hij heeft genomen
אֶל
(el)
tegen
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
וּמַ֨חְשְׁבוֹתָ֔יו
(umachshevotav)
en Zijn plannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָשַׁ֖ב
(chashav)
Hij heeft bedacht
אֶל
(el)
tegen
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de inwoners van
תֵימָ֑ן
(teiman)
Teman
אִם
(im)
voorwaar
לֹ֤א
(lo)
(als niet)
יִסְחָבוּם֙
(yischavum)
zullen hen wegslepen
צְעִירֵ֣י
(tseirei)
de kleinsten van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de kudde
אִם
(im)
voorwaar
לֹ֥א
(lo)
(als niet)
יַשִּׁ֛ים
(yashim)
zal Hij verwoesten
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
נְוֵהֶֽם
(nevehem)
hun weide
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).

Uitleg

עֲצַת (atsat), ‘het besluit van’: etsah van Yahweh vertalen wij met ‘besluit’, van mensen met ‘raad’ (zie vers 30).

אִם לֹא (im lo), ‘voorwaar’: letterlijk ‘als niet’, de vaste vorm van een zekere bevestiging.

צְעִירֵי (tse’irei), ‘de kleinsten van’: de jongste en geringste dieren van de kudde. Het beeld van de weide uit vers 19 loopt door.

Dit vers staat bijna woordelijk in 50:45, daar tegen Babel (met ‘de weide’ in plaats van ‘hun weide’).

21Van het geluid van hun val beeft de aarde. Een kreet: haar geluid wordt gehoord bij de Rietzee.
מִקּ֣וֹל
(miqol)
van het geluid van
נִפְלָ֔ם
(niflam)
hun val
רָעֲשָׁ֖ה
(raasha)
beeft
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
צְעָקָ֕ה
(tseaqa)
een kreet
בְּיַם
(beyam)
bij de zee
ס֖וּף
(suf)
Riet
נִשְׁמַ֥ע
(nishma)
wordt gehoord
קוֹלָֽהּ
(qolah)
haar geluid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Uitleg

בְּיַם סוּף (beyam suf), ‘Rietzee’: dezelfde naam als in Exod. 13:18.

De kreet is dus ver naar het zuiden te horen.

Of de Golf van Akaba, aan de zuidkant van Edom, bedoeld is, is niet zeker.

22Zie, als een arend stijgt hij op en duikt neer, en hij spreidt zijn vleugels uit over Bozra. Op die dag zal het hart van de helden van Edom zijn als het hart van een vrouw in barensnood.
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
כַנֶּ֨שֶׁר֙
(kanesher)
als een arend
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
stijgt hij op
וְיִדְאֶ֔ה
(veyide)
en duikt neer
וְיִפְרֹ֥שׂ
(veyifros)
en spreidt uit
כְּנָפָ֖יו
(kenafav)
zijn vleugels
עַל
(al)
over
בָּצְרָ֑ה
(batsera)
Bozra
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en zal zijn
לֵ֞ב
(lev)
hart van
גִּבּוֹרֵ֤י
(giborei)
helden van
אֱדוֹם֙
(edom)
Edom
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
כְּלֵ֖ב
(kelev)
als het hart van
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
מְצֵרָֽה
(metsera)
in barensnood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom.

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

Dit vers komt vrijwel overeen met Jer. 48:40–41 over Moab.

בָּצְרָה (Botsrah), ‘Bozra’: zie vers 13.

כְּלֵב אִשָּׁה מְצֵרָה (keleiv ishah metserah), ‘als het hart van een vrouw in barensnood’: letterlijk ‘een vrouw in nood’ (van tsar, ‘benauwd’). De nood van het baren is bedoeld; zie ook vers 24 en 50:43.

Over Damascus

23Over Damascus. Chamat en Arpad zijn beschaamd, want zij hebben een slecht bericht gehoord. Zij zijn weggesmolten. Er is zorg bij de zee, zij kan niet tot rust komen.
לְדַמֶּ֗שֶׂק
(ledameseq)
over Damascus
בּ֤וֹשָֽׁה
(bosha)
zijn beschaamd
חֲמָת֙
(chamat)
Chamat
וְאַרְפָּ֔ד
(vearpad)
en Arpad
כִּי
(ki)
want
שְׁמֻעָ֥ה
(shemua)
een bericht
רָעָ֛ה
(raa)
slecht
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
hebben zij gehoord
נָמֹ֑גוּ
(namogu)
zijn weggesmolten
בַּיָּ֣ם
(bayam)
bij de zee
דְּאָגָ֔ה
(deaga)
zorg
הַשְׁקֵ֖ט
(hashqet)
rust
לֹ֥א
(lo)
niet
יוּכָֽל
(yukhal)
kan zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië.

Uitleg

חֲמָת (Chamat), ‘Chamat’, en וְאַרְפָּד (Arpad): steden in het noorden van Syrië (Jes. 10:9; 2 Kon. 18:34).

Als zelfs die vallen, is ook Damascus in gevaar.

בַּיָּם דְּאָגָה (bayyam de’agah), ‘bij de zee zorg’: onzeker. De zee kan de Middellandse Zee aan de kust zijn, of een beeld voor onrust zoals in Jes. 57:20.

24Damascus is slap geworden. Zij heeft zich omgekeerd om te vluchten, en siddering heeft haar gegrepen. Benauwdheid en weeën hebben haar gegrepen, als een barende vrouw.
רָפְתָ֥ה
(rafeta)
is slap geworden
דַמֶּ֛שֶׂק
(dameseq)
Damascus
הִפְנְתָ֥ה
(hifneta)
heeft zich omgekeerd
לָנ֖וּס
(lanus)
om te vluchten
וְרֶ֣טֶט
(veretet)
en siddering
הֶחֱזִ֑יקָה
(hecheziqa)
heeft gegrepen
צָרָ֧ה
(tsara)
benauwdheid
וַחֲבָלִ֛ים
(vachavalim)
en weeën
אֲחָזַ֖תָּה
(achazata)
hebben haar gegrepen
כַּיּוֹלֵדָֽה
(kayoleda)
als een barende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

אֲחָזַתָּה (achazatah), ‘hebben haar gegrepen’: de benauwdheid en de weeën grijpen haar als een barende vrouw.

Verwante woorden staan in Jer. 6:24 en 50:43.

וְרֶטֶט (verett), ‘siddering’: een zeldzaam woord.

25Hoe is de stad van lof niet verlaten, de stad van mijn vreugde!
אֵ֥יךְ
(eikh)
hoe
לֹֽא
(lo)
niet
עֻזְּבָ֖ה
(uzeva)
is verlaten
עִ֣יר
(ir)
stad van
תְּהִלָּ֑ת
(tehilat)
lof
קִרְיַ֖ת
(qiryat)
stad van
מְשׂוֹשִֽׂי
(mesosi)
mijn vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא (lo), ‘niet’: dit ‘niet’ is moeilijk.

Sommigen lezen ‘hoe is de stad van lof verlaten!’.

Anderen lezen het als een klacht: ‘waarom is zij niet verlaten, de stad van mijn vreugde?’, dat wil zeggen: waarom is zij niet gespaard?

Wij laten het Hebreeuws staan.

מְשׂוֹשִׂי (mesosi), ‘mijn vreugde’: de profeet spreekt hier, vol medeleven.

26„Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar pleinen, en alle krijgslieden zullen zwijgen op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten.
לָכֵ֛ן
(lakhen)
daarom
יִפְּל֥וּ
(yipelu)
zullen vallen
בַחוּרֶ֖יהָ
(bachureiha)
haar jongemannen
בִּרְחֹבֹתֶ֑יהָ
(birchovoteiha)
op haar pleinen
וְכָל
(vekhal)
en alle
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֤ה
(hamilchama)
de oorlog
יִדַּ֨מּוּ֙
(yidamu)
zullen zwijgen
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers staat bijna woordelijk in 50:30 over Babel.

Door de formule ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’ staat het vers rood.

27Ik zal vuur aansteken op de muur van Damascus. Het zal de paleizen van Ben-Hadad verteren.”
וְהִצַּ֥תִּי
(vehitsati)
en Ik zal aansteken
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
בְּחוֹמַ֣ת
(bechomat)
op de muur van
דַּמָּ֑שֶׂק
(damaseq)
Damascus
וְאָכְלָ֖ה
(veakhela)
en het zal verteren
אַרְמְנ֥וֹת
(armenot)
paleizen van
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדָֽד
(hadad)
Hadad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

בֶּן הֲדָד (Ben-Hadad), ‘Ben-Hadad’: de naam van meerdere koningen van Damascus (1 Kon. 15:18; 2 Kon. 13:3).

Het slot van het vers is gelijk aan Amos 1:4 en de eerste zin aan Amos 1:14 (over Rabba).

Over Kedar en Chasor

28Over Kedar en over de koninkrijken van Chasor, die Nebukadnezar, de koning van Babel, versloeg. Zo zegt Yahweh: „Sta op, trek op naar Kedar en plunder de zonen van het oosten.
לְקֵדָ֣ר
(leqedar)
over Kedar
וּֽלְמַמְלְכ֣וֹת
(ulemamlekhot)
en over de koninkrijken van
חָצ֗וֹר
(chatsor)
Chasor
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הִכָּה֙
(hika)
versloeg
נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֣ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
ק֚וּמוּ
(qumu)
sta op
עֲל֣וּ
(alu)
trek op
אֶל
(el)
naar
קֵדָ֔ר
(qedar)
Kedar
וְשָׁדְד֖וּ
(veshadedu)
en plunder
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵי
(benei)
zonen van
קֶֽדֶם
(qedem)
het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië.

De precieze ligging is niet zeker.

Zie Chasor (Arabië; ligging onzeker): De koninkrijken van Chasor (Jeremia 49:28-33) zijn de nomadische gebieden van de Arabische woestijn, bij Kedar.

Dit is niet het Chasor in Galilea.

De ligging is niet bekend.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

לְקֵדָר (leQedar), ‘over Kedar’: nomaden in de woestijn ten oosten van het land (Gen. 25:13; Jes. 21:16–17).

חָצוֹר (Chatsor), ‘Chasor’: hier een Arabische streek van tentkampen, niet de stad Chasor in het noorden van het land (Joz. 11:1). Het woord betekent ‘omheind erf’.

בְּנֵי קֶדֶם (bnei qedem), ‘zonen van het oosten’: bewoners van de woestijn ten oosten van Israël (Richt. 6:3; Job 1:3).

29Hun tenten en hun kleinvee nemen zij weg, hun tentdoeken, al hun voorwerpen en hun kamelen voeren zij voor zich weg. En zij roepen over hen: ‘Schrik rondom!’
אָהֳלֵיהֶ֤ם
(aholeihem)
hun tenten
וְצֹאנָם֙
(vetsonam)
en hun kleinvee
יִקָּ֔חוּ
(yiqachu)
zullen zij nemen
יְרִיעוֹתֵיהֶ֧ם
(yerioteihem)
hun tentdoeken
וְכָל
(vekhal)
en al
כְּלֵיהֶ֛ם
(keleihem)
hun voorwerpen
וּגְמַלֵּיהֶ֖ם
(ugemaleihem)
en hun kamelen
יִשְׂא֣וּ
(yisu)
zullen zij dragen
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor zich
וְקָרְא֧וּ
(veqareu)
en zij roepen
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
over hen
מָג֖וֹר
(magor)
schrik
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְרִיעוֹתֵיהֶם (yeri’otehem), ‘hun tentdoeken’: de geweven doeken waarmee een tent wordt bedekt (Exod. 26:1).

מָגוֹר מִסָּבִיב (magor missaviv), ‘Schrik rondom’: een uitroep die Jeremia vaker gebruikt (Jer. 6:25; 20:3, 10; 46:5).

30Vlucht, zwerf ver weg, woon diep, inwoners van Chasor, godsspraak van Yahweh. Want Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft tegen jullie raad gehouden en een plan tegen jullie bedacht.
נֻסוּ֩
(nusu)
vlucht
נֻּ֨דוּ
(nudu)
zwerf
מְאֹ֜ד
(meod)
ver weg
הֶעְמִ֧יקוּ
(hemiqu)
woon diep
לָשֶׁ֛בֶת
(lashevet)
om te wonen
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
inwoners van
חָצ֖וֹר
(chatsor)
Chasor
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
יָעַ֨ץ
(yaats)
heeft raad gehouden
עֲלֵיכֶ֜ם
(aleikhem)
tegen jullie
נְבוּכַדְרֶאצַּ֤ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
עֵצָ֔ה
(etsa)
raad
וְחָשַׁ֥ב
(vechashav)
en heeft bedacht
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
tegen jullie
מַחֲשָׁבָֽה
(machashava)
een plan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chasor (Arabië; ligging onzeker): De koninkrijken van Chasor (Jeremia 49:28-33) zijn de nomadische gebieden van de Arabische woestijn, bij Kedar.

Dit is niet het Chasor in Galilea.

De ligging is niet bekend.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

עֵצָה (etsah), ‘raad’: de etsah van een mens vertalen wij met ‘raad’, die van Yahweh met ‘besluit’ (vers 20).

Nebukadnezar houdt raad tegen Chasor, terwijl Yahweh zijn besluit al genomen heeft.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) עֲלֵיכֶם (aleikhem), ‘tegen jullie’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘tegen hen’.

31Sta op, trek op tegen een rustig volk dat veilig woont, godsspraak van Yahweh. Het heeft geen deuren en geen grendel. Het woont alleen.
ק֣וּמוּ
(qumu)
sta op
עֲל֗וּ
(alu)
trek op
אֶל
(el)
naar
גּ֥וֹי
(goy)
een volk
שְׁלֵ֛יו
(sheleiv)
rustig
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
dat woont
לָבֶ֖טַח
(lavetach)
in veiligheid
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
דְלָתַ֧יִם
(delatayim)
deuren
וְלֹֽא
(velo)
en niet
בְרִ֛יחַ
(beriach)
grendel
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
בָּדָ֥ד
(badad)
alleen
יִשְׁכֹּֽנוּ
(yishkonu)
wonen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גּוֹי שְׁלֵיו (goy shalev), ‘een rustig volk’: een volk dat zich niet bedreigd voelt.

לֹא דְלָתַיִם וְלֹא בְרִיחַ לוֹ (lo delatayim velo veriach), ‘geen deuren en geen grendel’: nomaden zonder muren of poorten.

32Hun kamelen zullen buit worden en de menigte van hun vee een roof. Ik verstrooi hen naar alle windstreken, hen die de rand van hun haar afknippen. Van alle kanten breng Ik hun ondergang, godsspraak van Yahweh.
וְהָי֨וּ
(vehayu)
en zullen zijn
גְמַלֵּיהֶ֜ם
(gemaleihem)
hun kamelen
לָבַ֗ז
(lavaz)
tot buit
וַהֲמ֤וֹן
(vahamon)
en de menigte van
מִקְנֵיהֶם֙
(miqneihem)
hun vee
לְשָׁלָ֔ל
(leshalal)
tot roof
וְזֵרִתִ֥ים
(vezeritim)
en Ik zal hen verstrooien
לְכָל
(lekhal)
naar alle
ר֖וּחַ
(ruach)
wind
קְצוּצֵ֣י
(qetsutsei)
die afknippen
פֵאָ֑ה
(pea)
de rand
וּמִכָּל
(umikal)
en van alle
עֲבָרָ֛יו
(avarav)
zijden ervan
אָבִ֥יא
(avi)
zal Ik brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֵידָ֖ם
(eidam)
hun ondergang
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְצוּצֵי פֵאָה (qetsutsei fe’ah), ‘die de rand van hun haar afknippen’: de rand van het haar bij de slapen.

Sommige Arabische stammen deden dat.

Voor Israël was het verboden (Lev. 19:27).

Zie ook Jer. 9:25 (Hebr.) en 25:23.

אֵידָם (eidam), ‘hun ondergang’: zie vers 8.

33Chasor wordt een woonplaats van jakhalzen, een verwoesting voor eeuwig. Niemand zal daar wonen en geen mensenkind in haar verblijven.”
וְהָיְתָ֨ה
(vehayeta)
en zal worden
חָצ֜וֹר
(chatsor)
Chasor
לִמְע֥וֹן
(limon)
tot een woonplaats van
תַּנִּ֛ים
(tanim)
jakhalzen
שְׁמָמָ֖ה
(shemama)
verwoesting
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
לֹֽא
(lo)
niet
יֵשֵׁ֥ב
(yeshev)
zal wonen
שָׁם֙
(sham)
daar
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָג֥וּר
(yagur)
zal verblijven
בָּ֖הּ
(bah)
in haar
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָֽם
(adam)
mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chasor (Arabië; ligging onzeker): De koninkrijken van Chasor (Jeremia 49:28-33) zijn de nomadische gebieden van de Arabische woestijn, bij Kedar.

Dit is niet het Chasor in Galilea.

De ligging is niet bekend.

Uitleg

לִמְעוֹן תַּנִּים (me’on tannim), ‘woonplaats van jakhalzen’: een plaats die leeg en verlaten is.

De slotzin is gelijk aan vers 18.

Over Elam

34Het woord van Yahweh dat tot Jeremia, de profeet, kwam over Elam, in het begin van het koningschap van Zedekia, de koning van Juda:
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הָיָ֧ה
(haya)
was
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יִרְמְיָ֥הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
אֶל
(el)
over
עֵילָ֑ם
(eilam)
Elam
בְּרֵאשִׁ֗ית
(bereshith)
in het begin van
מַלְכ֛וּת
(malkhut)
het koningschap van
צִדְקִיָּ֥ה
(tsidqiya)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לֵאמֹֽר
(lemor)
luidend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Uitleg

עֵילָם (Eilam), ‘Elam’: een land ten oosten van Babel, in het zuidwesten van het huidige Iran.

בְּרֵאשִׁית מַלְכוּת צִדְקִיָּה (bereshit malkhut Tsidqiyyah), ‘in het begin van het koningschap van Zedekia’: Zedekia is de laatste koning van Juda (2 Kon. 24:17–25:7). Hier staat dus een datering bij het oordeel over Elam.

35Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Zie, Ik breek de boog van Elam, het voornaamste van hun kracht.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Mij
שֹׁבֵ֖ר
(shover)
die breekt
אֶת
(et)
(obj.)
קֶ֣שֶׁת
(qeshet)
de boog van
עֵילָ֑ם
(eilam)
Elam
רֵאשִׁ֖ית
(reshit)
het voornaamste van
גְּבוּרָתָֽם
(gevuratam)
hun kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Uitleg

קֶשֶׁת עֵילָם (qeshet Eilam), ‘de boog van Elam’: de Elamieten stonden bekend als boogschutters (Jes. 22:6).

רֵאשִׁית גְּבוּרָתָם (reshit gevuratam), ‘het voornaamste van hun kracht’: hun boog is hun sterkste wapen.

36Ik breng over Elam de vier winden uit de vier uithoeken van de hemel. Ik verstrooi hen naar al die winden, en er zal geen volk zijn waarheen de verdrevenen van Elam niet komen.
וְהֵבֵאתִ֨י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֶל
(el)
over
עֵילָ֜ם
(eilam)
Elam
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
רוּח֗וֹת
(ruchot)
winden
מֵֽאַרְבַּע֙
(mearba)
uit de vier
קְצ֣וֹת
(qetsot)
uithoeken van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְזֵ֣רִתִ֔ים
(vezeritim)
en Ik zal hen verstrooien
לְכֹ֖ל
(lekhol)
naar al
הָרֻח֣וֹת
(haruchot)
de winden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
הַגּ֔וֹי
(hagoy)
het volk
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waarheen
לֹֽא
(lo)
niet
יָב֥וֹא
(yavo)
zullen komen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
נִדְּחֵ֥י
(nidechei)
verdrevenen van
עֵילָֽם
(eilam)
Elam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Uitleg

אַרְבַּע רוּחוֹת (arba ruchot), ‘vier winden’: de vier windstreken.

Elam wordt over de hele aarde verspreid.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) עֵילָם (Eilam), ‘Elam’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft עולם (olam), ‘eeuwigheid’, wat hier niet past.

37Ik verschrik Elam voor het aangezicht van hun vijanden en voor het aangezicht van hen die hun leven zoeken. Ik breng onheil over hen, de gloed van Mijn toorn, godsspraak van Yahweh. Ik zend het zwaard achter hen aan, totdat Ik hen heb uitgeroeid.
וְהַחְתַּתִּ֣י
(vehachtati)
en Ik zal verschrikken
אֶת
(et)
(obj.)
עֵ֠ילָם
(eilam)
Elam
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֹיְבֵיהֶ֜ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וְלִפְנֵ֣י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
wie zoeken
נַפְשָׁ֗ם
(nafsham)
hun leven
וְהֵבֵאתִ֨י
(veheveti)
en Ik zal brengen
עֲלֵיהֶ֧ם
(aleihem)
over hen
רָעָ֛ה
(raa)
onheil
אֶת
(et)
(obj.)
חֲר֥וֹן
(charon)
gloed van
אַפִּ֖י
(api)
Mijn toorn
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשִׁלַּחְתִּ֤י
(veshilachti)
en Ik zal zenden
אַֽחֲרֵיהֶם֙
(achareihem)
achter hen aan
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֔רֶב
(hacherev)
het zwaard
עַ֥ד
(ad)
totdat
כַּלּוֹתִ֖י
(kaloti)
Ik hen heb uitgeroeid
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Uitleg

וְהַחְתַּתִּי (vehachtatti), ‘Ik verschrik’: het werkwoord chatat betekent ‘ontzet zijn’ of ‘verbijsterd zijn’; hier ‘ontzet maken’.

חֲרוֹן אַפִּי (charon api), ‘de gloed van Mijn toorn’: letterlijk ‘de gloed van Mijn neus’; zo wordt de toorn beschreven.

38Ik zet Mijn troon in Elam en roei daaruit koning en oversten uit, godsspraak van Yahweh.
וְשַׂמְתִּ֥י
(vesamti)
en Ik zal zetten
כִסְאִ֖י
(kisi)
Mijn troon
בְּעֵילָ֑ם
(beeilam)
in Elam
וְהַאֲבַדְתִּ֥י
(vehaavadti)
en Ik zal uitroeien
מִשָּׁ֛ם
(misham)
daaruit
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning
וְשָׂרִ֖ים
(vesarim)
en oversten
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Uitleg

כִסְאִי (kis’i), ‘Mijn troon’: Yahweh stelt Zijn rechterstoel op in Elam en spreekt daar zelf recht.

39Maar het zal gebeuren in de laatste dagen: Ik keer het lot van Elam, godsspraak van Yahweh.”
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּאַחֲרִ֣ית
(beacharit)
in de laatste
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
dagen
אָשִׁ֛יב
(ashiv)
Ik zal keren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁב֥וּת
(shevut)
het lot van
עֵילָ֖ם
(eilam)
Elam
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Uitleg

בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de toekomst die nog komt.

Elam wordt hersteld, zoals Moab (Jer. 48:47) en Ammon (vers 6).