Elohim Bijbel

1 Kronieken 13

1234567891011121314151617181920212223242526272829

David wil de ark ophalen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David overlegt met het volk

1David overlegde met de bevelhebbers over de duizenden en de honderden, met alle leiders.
וַיִּוָּעַ֣ץ
(vayivaats)
en overlegde
דָּוִ֗יד
(david)
David
עִם
(im)
met
שָׂרֵ֧י
(sarei)
de bevelhebbers van
הָאֲלָפִ֛ים
(haalafim)
de duizenden
וְהַמֵּא֖וֹת
(vehameot)
en de honderden
לְכָל
(lekhal)
met alle
נָגִֽיד
(nagid)
leiders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

1 Kron. 13 loopt parallel met 2 Sam. 6:1–11.

Het overleg met het volk (vers 1–4) staat alleen in Kronieken.

שָׂרֵי הָאֲלָפִים וְהַמֵּאוֹת (sare haalafim vehameot), ‘de bevelhebbers over de duizenden en de honderden’: de legeraanvoerders. Zie ook Num. 31:14.

נָגִיד (nagid), ‘leider’: dit woord vertalen wij overal zo (zie 2 Sam. 6:21).

2David zei tegen heel de vergadering van Israël: „Als het goed is in jullie ogen en als het van Yahweh, onze Elohim, komt, laten wij dan overal bericht sturen naar onze broeders. Zij zijn overgebleven in alle landen van Israël. Bij hen zijn de priesters en de Levieten, in de steden met hun weidegronden. Laten zij zich bij ons verzamelen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜יד
(david)
David
לְכֹ֣ל
(lekhol)
aan heel
קְהַ֣ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אִם
(im)
als
עֲלֵיכֶ֨ם
(aleikhem)
bij jullie
ט֜וֹב
(tov)
goed
וּמִן
(umin)
en van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
נִפְרְצָה֙
(nifretsa)
laten wij ons uitbreiden
נִשְׁלְחָ֞ה
(nishlecha)
laten wij sturen
עַל
(al)
naar
אַחֵ֣ינוּ
(acheinu)
onze broeders
הַנִּשְׁאָרִ֗ים
(hanisharim)
die zijn overgebleven
בְּכֹל֙
(bekhol)
in alle
אַרְצ֣וֹת
(artsot)
landen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְעִמָּהֶ֛ם
(veimahem)
en bij hen
הַכֹּהֲנִ֥ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֖ם
(vehalviyim)
en de Levieten
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
מִגְרְשֵׁיהֶ֑ם
(migresheihem)
hun weidegronden
וְיִקָּבְצ֖וּ
(veyiqavetsu)
en laten zij zich verzamelen
אֵלֵֽינוּ
(eleinu)
bij ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִפְרְצָה (nifretsah), ‘laten wij ons uitbreiden’: het werkwoord פָּרַץ (parats) betekent ‘doorbreken’ en ook ‘zich uitbreiden’.

Samen met ‘laten wij sturen’ bedoelt David: wij sturen overal bericht heen.

מִגְרְשֵׁיהֶם (migreshehem), ‘hun weidegronden’: de grond rond de levietensteden (Num. 35:2–5; Joz. 21).

3Laten wij de ark van onze Elohim bij ons terugbrengen. Want in de dagen van Saul hebben wij haar niet gezocht.”
וְנָסֵ֛בָּה
(venaseba)
en laten wij terugbrengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
אֵלֵ֑ינוּ
(eleinu)
naar ons
כִּי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
דְרַשְׁנֻ֖הוּ
(derashnuhu)
hebben wij haar gezocht
בִּימֵ֥י
(bimei)
in de dagen van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Heel de vergadering zei dat zij het zo moesten doen, want de zaak was juist in de ogen van heel het volk.
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
כָֽל
(kal)
heel
הַקָּהָ֖ל
(haqahal)
de vergadering
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
כֵּ֑ן
(ken)
zo
כִּֽי
(ki)
want
יָשַׁ֥ר
(yashar)
juist was
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
כָל
(kal)
heel
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De ark verlaat Kirjat-Jearim

5David verzamelde heel Israël, van de Sihor van Egypte tot de toegang naar Chamat, om de ark van Elohim uit Kirjat-Jearim te brengen.
וַיַּקְהֵ֤ל
(vayaqhel)
en verzamelde
דָּוִיד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
vanaf
שִׁיח֥וֹר
(shichor)
de Sihor van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְעַד
(vead)
en tot
לְב֣וֹא
(levo)
de toegang naar
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
לְהָבִיא֙
(lehavi)
om te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
מִקִּרְיַ֖ת
(miqiryat)
uit Kirjat
יְעָרִֽים
(yearim)
Jearim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Sihor van Egypte is waarschijnlijk een arm van de Nijl of de beek van Egypte (Wadi el-Arisj).

De ligging is onzeker.

Dit is de zuidgrens van het land.

Zie ook Joz. 13:3.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem.

De toegang naar Chamat (לְבוֹא חֲמָת, levo chamat) is de noordgrens, bij de stad Chamat (nu Hama, Syrië). Zie ook 1 Kon. 8:65.

Kirjat-Jearim ligt ten westen van Jeruzalem, waarschijnlijk bij Deir el-Azhar (Israël). De ark stond daar sinds 1 Sam. 7:1–2.

6David ging met heel Israël omhoog naar Baäla, dat is Kirjat-Jearim, dat bij Juda hoort. Zij gingen de ark van Elohim Yahweh vandaar omhoog brengen. Hij troont op de cherubs. De Naam wordt erover uitgeroepen.
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en ging omhoog
דָּוִ֤יד
(david)
David
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בַּעֲלָ֔תָה
(baalata)
naar Baäla
אֶל
(el)
naar
קִרְיַ֥ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִ֖ים
(yearim)
Jearim
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לִיהוּדָ֑ה
(lihuda)
van Juda
לְהַעֲל֣וֹת
(lehaalot)
om omhoog te brengen
מִשָּׁ֗ם
(misham)
vandaar
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֧ים
(haElohim)
de Elohim
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
zittend op
הַכְּרוּבִ֖ים
(hakeruvim)
de cherubs
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִקְרָ֥א
(niqra)
wordt uitgeroepen
שֵֽׁם
(shem)
de Naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Baäla (בַּעֲלָה) is een andere naam voor Kirjat-Jearim (Joz. 15:9).

In 2 Sam. 6:2 heet de plaats Baäle-Juda.

Uitleg

אֲשֶׁר נִקְרָא שֵׁם (asher nikra shem), ‘waar de Naam over wordt uitgeroepen’: het Hebreeuws zegt niet zelf over wie of wat de Naam wordt uitgeroepen.

Het gaat om de ark, of om Yahweh die op de cherubs troont.

Wij laten dat zo staan.

In 2 Sam. 6:2 staat: ‘de Naam van Yahweh van de legermachten’.

De cherubs staan op het verzoendeksel van de ark (Exod. 25:18–22).

7Zij zetten de ark van Elohim op een nieuwe wagen, uit het huis van Abinadab. Uzza en Achjo bestuurden de wagen.
וַיַּרְכִּ֜יבוּ
(vayarkivu)
en zij lieten rijden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֤וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִים֙
(haElohim)
de Elohim
עַל
(al)
op
עֲגָלָ֣ה
(agala)
een wagen
חֲדָשָׁ֔ה
(chadasha)
nieuwe
מִבֵּ֖ית
(mibeit)
uit het huis van
אֲבִינָדָ֑ב
(avinadav)
Abinadab
וְעֻזָּ֣א
(veuza)
en Uzza
וְאַחְי֔וֹ
(veachyo)
en Achjo
נֹהֲגִ֖ים
(nohagim)
bestuurders
בָּעֲגָלָֽה
(baagala)
van de wagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲגָלָה חֲדָשָׁה (agalah chadashah), ‘een nieuwe wagen’: de wet zegt dat de Kehatieten de ark op draagstokken dragen (Exod. 25:14; Num. 4:15; 7:9).

Zie ook 1 Sam. 6:7.

וְאַחְיוֹ (veachyo), ‘en Achjo’: de medeklinkers kunnen ook ‘en zijn broeders’ betekenen. De klinkers geven hier een eigennaam, zoals in 2 Sam. 6:3. In 2 Sam. 6:3–4 staat de wagen nog een tweede keer.

8David en heel Israël speelden voor het aangezicht van Elohim met alle kracht. Zij speelden met gezang, lieren, harpen, tamboerijnen, bekkens en trompetten.
וְדָוִ֣יד
(vedavid)
en David
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מְשַׂחֲקִ֛ים
(mesachaqim)
spelend
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
בְּכָל
(bekhal)
met alle
עֹ֑ז
(oz)
kracht
וּבְשִׁירִ֤ים
(uveshirim)
en met gezang
וּבְכִנֹּרוֹת֙
(uvekhinorot)
en met lieren
וּבִנְבָלִ֣ים
(uvinvalim)
en met harpen
וּבְתֻפִּ֔ים
(uvetupim)
en met tamboerijnen
וּבִמְצִלְתַּ֖יִם
(uvimtsiltayim)
en met bekkens
וּבַחֲצֹצְרֽוֹת
(uvachatsotserot)
en met trompetten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּכָל עֹז (bechol oz), ‘met alle kracht’: 2 Sam. 6:5 heeft een andere tekst: ‘met allerlei cipressenhout’.

Wij vertalen beide teksten zoals zij staan.

שִׁירִים (shirim), ‘gezang’; כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’; נֶבֶל (nevel), ‘harp’; תֹּף (tof), ‘tamboerijn’; מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’; חֲצֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: zie Num. 10:2.

Uzza sterft

9Zij kwamen bij de dorsvloer van Kidon. Uzza strekte zijn hand uit om de ark vast te grijpen, want de runderen struikelden.
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
גֹּ֣רֶן
(goren)
de dorsvloer van
כִּידֹ֑ן
(kidon)
Kidon
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en strekte uit
עֻזָּ֜א
(uza)
Uzza
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
לֶאֱחֹז֙
(leechoz)
om vast te grijpen
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אָר֔וֹן
(haaron)
de ark
כִּ֥י
(ki)
want
שָֽׁמְט֖וּ
(shametu)
struikelden
הַבָּקָֽר
(habaqar)
de runderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De dorsvloer van Kidon (כִּידֹן): de ligging is onzeker.

In 2 Sam. 6:6 heet de plek ‘de dorsvloer van Nachon’.

Zie Dorsvloer van Kidon (ligging onzeker): De dorsvloer van Kidon (in 2 Samuël 6:6 Nachon) lag onderweg van Kirjat-Jearim naar Jeruzalem.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt hier ‘zijn hand’.

In 2 Sam. 6:6 staat dat woord niet.

שָׁמְטוּ (shamatu), ‘struikelden’: het werkwoord betekent ‘laten vallen’ of ‘laten schieten’. De betekenis is niet helemaal zeker.

Zie ook2 Sam 6:6
10Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Uzza. Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestrekt. Daar stierf hij, voor het aangezicht van Elohim.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֤ף
(af)
de toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּעֻזָּ֔א
(beuza)
tegen Uzza
וַיַּכֵּ֕הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
עַ֛ל
(al)
omdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
שָׁלַ֥ח
(shalach)
hij had uitgestrekt
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
naar
הָאָר֑וֹן
(haaron)
de ark
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en hij stierf
שָׁ֖ם
(sham)
daar
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ark is hoogheilig en mocht niet worden aangeraakt (Num. 4:15).

Zie ook Lev. 10:1–2.

Lezing

2 Sam. 6:7 heeft een ander woord voor de reden: הַשַּׁל (hashal), een woord dat maar één keer voorkomt.

Kronieken geeft hier de reden zelf: hij strekte zijn hand uit naar de ark.

11David werd kwaad, omdat Yahweh een doorbraak had gemaakt tegen Uzza. Men noemde die plaats Peres-Uzza, tot op deze dag.
וַיִּ֣חַר
(vayichar)
en ontbrandde
לְדָוִ֔יד
(ledavid)
voor David
כִּֽי
(ki)
omdat
פָרַ֧ץ
(parats)
had doorbroken
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
פֶּ֖רֶץ
(perets)
een doorbraak
בְּעֻזָּ֑א
(beuza)
tegen Uzza
וַיִּקְרָ֞א
(vayiqra)
en men noemde
לַמָּק֤וֹם
(lamaqom)
die plaats
הַהוּא֙
(hahu)
die
פֶּ֣רֶץ
(perets)
Peres
עֻזָּ֔א
(uza)
Uzza
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Peres-Uzza (פֶּרֶץ עֻזָּא) betekent ‘doorbraak van Uzza’.

De ligging is onzeker; de plek lag bij de dorsvloer.

Zie Dorsvloer van Nachon (ligging onzeker): De dorsvloer van Nachon (Peres-Uzza) lag onderweg van Kirjat-Jearim naar Jeruzalem.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

In Kronieken staat de naam van Uzza met een slot-א (עֻזָּא), in 2 Sam. 6:8 met een slot-ה (עֻזָּה).

Wij schrijven allebei ‘Uzza’.

De ark bij Obed-Edom

12David vreesde Elohim op die dag. Hij zei: „Hoe zal ik de ark van Elohim bij mij laten komen?”
וַיִּירָ֤א
(vayira)
en vreesde
דָוִיד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הֵ֚יךְ
(heikh)
hoe
אָבִ֣יא
(avi)
zal ik brengen
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13David bracht de ark niet naar zich toe, naar de stad van David. Hij liet haar afbuigen naar het huis van Obed-Edom, de Gattiet.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הֵסִ֨יר
(hesir)
liet brengen
דָּוִ֧יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָר֛וֹן
(haaron)
de ark
אֵלָ֖יו
(elav)
naar zich
אֶל
(el)
naar
עִ֣יר
(ir)
de stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיַּטֵּ֕הוּ
(vayatehu)
en liet haar afbuigen
אֶל
(el)
naar
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
עֹבֵֽד
(oved)
Obed
אֱדֹ֖ם
(edom)
Edom
הַגִּתִּֽי
(hagiti)
de Gattiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat (גַּת) was een stad van de Filistijnen.

‘De Gattiet’ kan een man uit Gat zijn, of uit Gat-Rimmon, een stad van de Levieten (Joz. 21:24).

De tekst zegt dat niet.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Obed-Edom komt later in Kronieken voor onder de Levieten (1 Kron. 15:18,21,24; 16:38; 26:4–8).

De tekst zegt niet of dit dezelfde man is.

14De ark van Elohim bleef drie maanden bij het huis van Obed-Edom, in zijn huis. Yahweh zegende het huis van Obed-Edom en alles wat van hem was.
וַיֵּשֶׁב֩
(vayeshev)
en bleef
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
הָאֱלֹהִ֜ים
(haElohim)
de Elohim
עִם
(im)
bij
בֵּ֨ית
(beit)
het huis van
עֹבֵ֥ד
(oved)
Obed
אֱדֹ֛ם
(edom)
Edom
בְּבֵית֖וֹ
(beveito)
in zijn huis
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
חֳדָשִׁ֑ים
(chodashim)
maanden
וַיְבָ֧רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
עֹבֵֽד
(oved)
Obed
אֱדֹ֖ם
(edom)
Edom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Drie maanden: de zegen over het huis van Obed-Edom laat zien dat Yahweh de ark niet afwijst.

Zie ook 2 Sam. 6:11.

Dit gaf David aanleiding om de ark weer op te halen (1 Kron. 15:25).