2 Korintiërs 6
Nu is de dag van redding, de dienst van Paulus, een open hart en het heiligdom van de levende Elohim
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Nu is de dag van redding
συνεργέω (synergeo), ‘meewerken’: het Grieks noemt niet met wie; uit 5:20 en 6:1 blijkt dat Paulus meewerkt met Elohim, die door hen oproept. παρακαλέω (parakaleo) staat hier als ‘oproepen’; het is hetzelfde Griekse woord als ‘troosten’ in 1:4 (zie de Uitleg daar). κενός (kenos), ‘leeg’: ‘tevergeefs’ ontvangen is ontvangen zonder dat het vrucht draagt.
Aanhaling van Jes. 49:8.
Ons Hebreeuws heeft: ‘In een tijd van welbehagen (בְּעֵת רָצוֹן, be-et ratson) heb Ik je geantwoord, en op een dag van redding heb Ik je geholpen.’
De Griekse tekst heeft ‘in een welaanvaarde tijd (καιρῷ δεκτῷ) heb Ik je verhoord’ (ἐπακούω, epakouo, ‘luisteren naar, verhoren’) en over de dag van redding hetzelfde als het Hebreeuws.
In Jesaja spreekt Yahweh tot Zijn knecht; daarom staat het citaat rood.
Het Grieks noemt bij ‘Hij zegt’ geen onderwerp: het is Elohim.
Het slot (‘Zie, nu is het…’) is Paulus’ eigen uitleg, daarom zwart. δεκτός (dektos), ‘welaanvaard’; εὐπρόσδεκτος (euprosdektos), ‘zeer welaanvaard’. σωτηρία (soteria), ‘redding’.
Zie ook Jes. 49:8.
De dienst van Paulus en zijn medewerkers
προσκοπή (proskope), ‘aanstoot, aanleiding om te struikelen’. μωμάομαι (momaomai), ‘laken, bekritiseren’.
De Griekse zin loopt door uit vers 1: Paulus geeft niemand aanstoot terwijl hij oproept.
Verzen 4–10 zijn een opsomming van wat Paulus en zijn medewerkers doormaken en bezitten.
De opsomming begint met ‘in’ (ἐν) en gaat over in ‘door’ (διά) en ‘als’ (ὡς). θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’; ἀνάγκη (anagke), ‘nood, dwang’; στενοχωρία (stenochoria), ‘benauwdheid’, zoals het werkwoord in 4:8.
Zie ook 2 Kor. 4:8–9; 2 Kor. 11:23–27.
πληγαί (plegai), ‘slagen’; φυλακαί (fylakai), ‘gevangenissen’; ἀκαταστασίαι (akatastasiai), ‘onrust’; κόποι (kopoi), ‘zwoegen, zware arbeid’; ἀγρυπνίαι (agrypniai), ‘waken, slapeloze nachten’; νηστεῖαι (nesteiai), ‘vasten’.
Zie ook Hand. 16:22–24; Luc. 21:9.
ἁγνότης (hagnotes), ‘reinheid’; μακροθυμία (makrothymia), ‘geduld’; χρηστότης (chrestotes), ‘vriendelijkheid’; ἀνυπόκριτος (anypokritos), ‘ongeveinsd’. ἐν πνεύματι ἁγίῳ (en pneumati hagio) staat zonder lidwoord; het kan ‘in de Heilige Geest’ betekenen of ‘in een heilige geest, in heilige gezindheid’.
Wij kiezen ‘de Heilige Geest’.
Dezelfde woorden voor geduld en vriendelijkheid staan in de vrucht van de Geest.
Zie ook Gal. 5:22.
ὅπλα τῆς δικαιοσύνης (hopla tes dikaiosynes), ‘wapens van de gerechtigheid’.
‘De rechter- en de linkerhand’ zijn de twee handen waarmee Paulus de wapens draagt.
δόξα (doxa) betekent elders in deze brief ‘heerlijkheid’; tegenover ἀτιμία (atimia), ‘oneer’, staat het hier voor ‘eer’. δυσφημία (dysfemia), ‘slechte naam, kwaad gerucht’, en εὐφημία (eufemia), ‘goede naam’. πλάνος (planos), ‘bedrieger, verleider’; ἀληθής (alethes), ‘waarachtig’.
ἀγνοέω (agnoeo), ‘niet kennen, miskennen’, tegenover ἐπιγινώσκω (epiginosko), ‘erkennen’, zoals in 1:13. παιδεύω (paideuo), ‘opvoeden, tuchtigen’.
Dit lijkt op wat de dichter van Ps. 118 zegt: Yah heeft hem getuchtigd, maar niet aan de dood overgegeven.
Zie ook Ps. 118:17–18.
πλουτίζω (ploutizo), ‘rijk maken’. κατέχω (katecho), ‘bezitten, vasthouden’.
Het slot van de opsomming is een reeks tegenstellingen: wat de wereld ziet, en wat Paulus werkelijk heeft.
Een open hart
‘Onze mond is geopend’: wij hebben vrijuit tot jullie gesproken. πλατύνω (platyno), ‘wijd maken, verruimen’: een wijd hart heeft ruimte voor de ander.
Paulus noemt de gemeente hier bij naam: Κορίνθιοι (Korinthioi), ‘Korintiërs’.
στενοχωρέω (stenochoreo), ‘benauwd zijn’, zoals in 4:8. σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’: in het Grieks de zetel van gevoelens en medelijden; wij vertalen ‘binnenste’.
ἀντιμισθία (antimisthia), ‘wederdienst, vergelding’: de gemeente mag Paulus’ open hart met een open hart beantwoorden.
De Griekse zin heeft geen woord ‘hart’; wij laten het ook weg.
Geen ongelijk span
ἑτεροζυγέω (heterozygeo), ‘in een ongelijk span lopen’: twee verschillende dieren onder één juk.
Dit lijkt op de wet dat men niet met een stier en een ezel samen mag ploegen. μετοχή (metoche), ‘deelgenootschap’; κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’; ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’; ἄπιστος (apistos), ‘ongelovige’: ook ‘wie niet trouw is’.
Zie ook Deut. 22:10; Lev. 19:19.
Βελιάρ (Beliar) is een vorm van Belial (Hebreeuws בְּלִיַּעַל, beliya’al), ‘waardeloosheid, onbetrouwbaarheid’.
In het Oude Testament staat ‘zonen van Belial’ voor slechte, wetteloze mannen.
Hier staat Beliar tegenover de Messias, als een naam voor de tegenstander. συμφώνησις (symfonesis), ‘overeenstemming’; μερίς (meris), ‘deel’.
Zie ook Deut. 13:14; Richt. 19:22; 1 Kon. 21:10.
Het heiligdom van de levende Elohim
ναός (naos), ‘heiligdom’: het eigenlijke huis van Elohim, het gebouw waarin Hij woont (tegenover ἱερόν, hieron, de tempel met de voorhoven); wij houden ‘heiligdom’ voor ναός, zoals in Mark. 14:58. εἴδωλον (eidolon), ‘afgod, beeld’.
Paulus noemt de gemeente het heiligdom van de levende Elohim.
De aanhaling is een samenvoeging.
Lev. 26:11–12 heeft: ‘Ik zal Mijn tabernakel in jullie midden zetten … Ik zal in jullie midden wandelen.
Ik zal jullie Elohim zijn en jullie zullen Mijn volk zijn.’
Ezech. 37:27 heeft: ‘Mijn woning zal bij hen zijn.
Ik zal hun Elohim zijn en zij zullen Mijn volk zijn.’
Het Grieks heeft ‘hen’ en ‘hun’ (derde persoon), zoals Ezechiël, en ‘wonen’ en ‘wandelen’, zoals beide teksten.
Hier spreekt Elohim zelf in de eerste persoon (‘Ik zal…’): daarom rood, van hier tot en met het einde van vers 18.
Zie ook Lev. 26:11–12; Ezech. 37:26–27; Mark. 14:58.
Aanhaling van Jes. 52:11.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Vertrek, vertrek, ga daar vandaan.
Raak niets onreins aan.
Ga uit haar midden weg.’
De Griekse tekst heeft ‘uit hun midden’ (niet ‘haar’) en voegt ‘laat jullie afzonderen’ toe.
In Jes. 52:11 is het een oproep aan wie de voorwerpen van Yahweh dragen.
‘Zegt Yahweh’ (λέγει κύριος) komt in dit citaat niet in Jes. 52:11 voor; het Hebreeuws heeft daar geen sprekersformule.
Wij zetten het ‘zegt Yahweh’ rood, omdat Elohim zelf wordt aangehaald. ἀφορίζω (aforizo), ‘afzonderen’. εἰσδέχομαι (eisdechomai), ‘opnemen, ontvangen’: ‘En Ik zal jullie opnemen’ staat zo niet in Jes. 52:11.
Vergelijk Ezech. 20:41, waar Yahweh zegt dat Hij hen ‘gunstig zal aannemen’.
Zie ook Jes. 52:11; Ezech. 20:41.
Aanhaling van 2 Sam. 7:14, de belofte aan David: ‘Ik zal voor hem een vader zijn, en hij zal voor Mij een zoon zijn.’
Paulus past het aan: ‘jullie’ in plaats van ‘hem’, ‘zonen’ in het meervoud en met ‘dochters’ erbij.
Dochters staan niet in 2 Sam. 7:14; vergelijk Jes. 43:6, waar Yahweh zegt: ‘Breng Mijn zonen van ver en Mijn dochters van het einde van de aarde.’ παντοκράτωρ (pantokrator), ‘heerser over alles’: in onze Hebreeuwse teksten staat in zulke formules ‘Yahweh van de legermachten’ (zie 2 Sam. 7:8); wij gebruiken die vorm.
De hele aanhaling 6:16–18 staat rood.
Zie ook 2 Sam. 7:14; 2 Sam. 7:8; Jes. 43:6.