Elohim Bijbel

1 Koningen 10

12345678910111213141516171819202122

De koningin van Sjeba en de rijkdom van Salomo

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De koningin van Sjeba bij Salomo

1De koningin van Sjeba hoorde van de faam van Salomo, in verband met de naam van Yahweh. Ze kwam om hem te beproeven met raadsels.
וּמַֽלְכַּת
(umalkat)
en koningin van
שְׁבָ֗א
(sheva)
Sjeba
שֹׁמַ֛עַת
(shomaat)
hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֥מַע
(shema)
faam van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְשֵׁ֣ם
(leshem)
in verband met de naam van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתָּבֹ֥א
(vatavo)
en ze kwam
לְנַסֹּת֖וֹ
(lenasoto)
om hem te beproeven
בְּחִידֽוֹת
(bechidot)
met raadsels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sjeba (שְׁבָא) lag in het zuidwesten van Arabië, waarschijnlijk in het huidige Jemen.

De afstand naar Jeruzalem is meer dan 2.000 kilometer.

De precieze ligging is niet zeker.

Uitleg

לְשֵׁם יְהוָה (leshem Yahweh), ‘in verband met de naam van Yahweh’: de tekst zegt niet precies wat bedoeld wordt.

Salomo’s faam hing samen met de naam van Yahweh, die in het huis in Jeruzalem woont (9:3).

חִידוֹת (chidot), ‘raadsels’: moeilijke vragen en spreuken, om te toetsen of iemand echt wijs is.

2Ze kwam naar Jeruzalem met een zeer groot gevolg: kamelen met specerijen, heel veel goud en edelstenen. Ze kwam bij Salomo en sprak met hem over alles wat ze op haar hart had.
וַתָּבֹ֣א
(vatavo)
en ze kwam
יְרוּשָׁלְַ֗מָה
(yerushalaema)
naar Jeruzalem
בְּחַיִל֮
(bechayil)
met gevolg
כָּבֵ֣ד
(kaved)
zwaar
מְאֹד֒
(meod)
zeer
גְּ֠מַלִּים
(gemalim)
kamelen
נֹשְׂאִ֨ים
(noseim)
dragend
בְּשָׂמִ֧ים
(besamim)
specerijen
וְזָהָ֛ב
(vezahav)
en goud
רַב
(rav)
veel
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וְאֶ֣בֶן
(veeven)
en steen
יְקָרָ֑ה
(yeqara)
kostbare
וַתָּבֹא֙
(vatavo)
en ze kwam
אֶל
(el)
naar
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
וַתְּדַבֵּ֣ר
(vatedaber)
en ze sprak
אֵלָ֔יו
(elav)
met hem
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
הָיָ֖ה
(haya)
was
עִם
(im)
met
לְבָבָֽהּ
(levavah)
haar hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

3Salomo gaf haar uitleg over alles wat ze zei. Er was niets wat voor de koning verborgen bleef en wat hij haar niet kon uitleggen.
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en hij legde uit
לָ֥הּ
(lah)
haar
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דְּבָרֶ֑יהָ
(devareiha)
haar woorden
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֤ה
(haya)
was
דָּבָר֙
(davar)
zaak
נֶעְלָ֣ם
(nelam)
verborgen
מִן
(min)
van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
לֹ֦א
(lo)
niet
הִגִּ֖יד
(higid)
hij legde uit
לָֽהּ
(lah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4De koningin van Sjeba zag al de wijsheid van Salomo en het huis dat hij gebouwd had,
וַתֵּ֨רֶא֙
(vatere)
en zag
מַֽלְכַּת
(malkat)
koningin van
שְׁבָ֔א
(sheva)
Sjeba
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
חָכְמַ֣ת
(chakhemat)
wijsheid van
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וְהַבַּ֖יִת
(vehabayit)
en het huis
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בָּנָֽה
(bana)
hij had gebouwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

5het eten op zijn tafel, de zitplaatsen van zijn dienaren, het staan van zijn bedienden en hun kleding, zijn schenkers en zijn brandoffer dat hij opbracht in het huis van Yahweh. Toen was er geen adem meer in haar.
וּמַאֲכַ֣ל
(umaakhal)
en het voedsel van
שֻׁלְחָנ֡וֹ
(shulchano)
zijn tafel
וּמוֹשַׁ֣ב
(umoshav)
en het zitten van
עֲבָדָיו֩
(avadav)
zijn dienaren
וּמַעֲמַ֨ד
(umaamad)
en het staan van
מְשָׁרְתָ֜יו
(mesharetav)
zijn bedienden
וּמַלְבֻּֽשֵׁיהֶם֙
(umalbusheihem)
en hun kleding
וּמַשְׁקָ֔יו
(umashqav)
en zijn schenkers
וְעֹ֣לָת֔וֹ
(veolato)
en zijn brandoffer
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
hij bracht op
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֥יָה
(haya)
was
בָ֛הּ
(bah)
in haar
ע֖וֹד
(od)
nog
רֽוּחַ
(ruach)
adem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘adem, geest’: ‘er was geen adem meer in haar’ betekent dat ze overweldigd was en geen woord kon uitbrengen.

Lezing

וְעֹלָתוֹ (ve’olato), ‘en zijn brandoffer’.

Sommige oude vertalingen lezen ‘zijn opgang’ (de trap waarlangs hij naar het huis van Yahweh opging).

Wij volgen de Masoretische tekst.

6Ze zei tegen de koning: „Het was waar wat ik in mijn land gehoord heb over uw woorden en uw wijsheid.
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֱמֶת֙
(emet)
waar
הָיָ֣ה
(haya)
was
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׁמַ֖עְתִּי
(shamati)
ik hoorde
בְּאַרְצִ֑י
(beartsi)
in mijn land
עַל
(al)
over
דְּבָרֶ֖יךָ
(devareikha)
uw woorden
וְעַל
(veal)
en over
חָכְמָתֶֽךָ
(chakhematekha)
uw wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Ik geloofde de woorden niet, tot ik kwam en mijn eigen ogen het zagen. En zie, de helft is mij niet verteld. U overtreft het gerucht dat ik gehoord heb, in wijsheid en goeds.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הֶאֱמַ֣נְתִּי
(heemanti)
ik geloofde
לַדְּבָרִ֗ים
(ladevarim)
de woorden
עַ֤ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֨אתִי֙
(bati)
ik kwam
וַתִּרְאֶ֣ינָה
(vatireina)
en zagen
עֵינַ֔י
(einay)
mijn ogen
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
לֹֽא
(lo)
niet
הֻגַּד
(hugad)
is verteld
לִ֖י
(li)
aan mij
הַחֵ֑צִי
(hachetsi)
de helft
הוֹסַ֤פְתָּ
(hosafta)
u hebt toegevoegd
חָכְמָה֙
(chakhema)
wijsheid
וָט֔וֹב
(vatov)
en goeds
אֶל
(el)
aan
הַשְּׁמוּעָ֖ה
(hashemua)
het gerucht
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׁמָֽעְתִּי
(shamati)
ik hoorde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig zijn deze dienaren van u, die voortdurend voor u staan en uw wijsheid horen!
אַשְׁרֵ֣י
(ashrei)
gelukkig
אֲנָשֶׁ֔יךָ
(anasheikha)
uw mannen
אַשְׁרֵ֖י
(ashrei)
gelukkig
עֲבָדֶ֣יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze
הָֽעֹמְדִ֤ים
(haomedim)
die staan
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor u
תָּמִ֔יד
(tamid)
voortdurend
הַשֹּׁמְעִ֖ים
(hashomeim)
die horen
אֶת
(et)
(obj.)
חָכְמָתֶֽךָ
(chakhematekha)
uw wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Gezegend zij Yahweh, uw Elohim, die vreugde in u heeft gehad en u op de troon van Israël heeft gezet. Omdat Yahweh Israël voor altijd liefheeft, heeft Hij u tot koning gemaakt, om recht en gerechtigheid te doen.”
יְהִ֨י
(yehi)
moge zijn
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
uw Elohim
בָּר֔וּךְ
(barukh)
gezegend
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
חָפֵ֣ץ
(chafets)
vreugde had
בְּךָ֔
(bekha)
in u
לְתִתְּךָ֖
(letitekha)
om u te zetten
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
troon van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בְּאַהֲבַ֨ת
(beahavat)
in liefde van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
voor
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְעֹלָ֔ם
(leolam)
tot eeuwig
וַיְשִֽׂימְךָ֣
(vaysimekha)
en Hij zette u
לְמֶ֔לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָֽה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Ze gaf de koning 120 talent goud, heel veel specerijen en edelstenen. Zoveel specerijen als de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf, zijn er nooit meer gekomen.
וַתִּתֵּ֨ן
(vatiten)
en ze gaf
לַמֶּ֜לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֣ים
(veesrim)
en twintig
כִּכַּ֣ר
(kikar)
talent
זָהָ֗ב
(zahav)
goud
וּבְשָׂמִ֛ים
(uvesamim)
en specerijen
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
veel
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וְאֶ֣בֶן
(veeven)
en steen
יְקָרָ֑ה
(yeqara)
kostbare
לֹא
(lo)
niet
בָא֩
(ba)
kwam
כַבֹּ֨שֶׂם
(kabosem)
zoals specerij
הַה֥וּא
(hahu)
die
עוֹד֙
(od)
nog
לָרֹ֔ב
(larov)
in menigte
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתְנָ֥ה
(natena)
gaf
מַֽלְכַּת
(malkat)
koningin van
שְׁבָ֖א
(sheva)
Sjeba
לַמֶּ֥לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram. 120 talent is dus ongeveer 4.100 kilogram goud.

בְּשָׂמִים (besamim), ‘specerijen’: welriekende stoffen, zoals wierook en balsem, die men ook voor zalfolie en offers gebruikte.

11Ook de vloot van Hiram, die goud uit Ofir haalde, bracht uit Ofir heel veel almoeghout en edelstenen.
וְגַם֙
(vegam)
en ook
אֳנִ֣י
(oni)
de vloot van
חִירָ֔ם
(chiram)
Hiram
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָשָׂ֥א
(nasa)
droeg
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
מֵאוֹפִ֑יר
(meofir)
uit Ofir
הֵבִ֨יא
(hevi)
bracht
מֵאֹפִ֜יר
(meofir)
uit Ofir
עֲצֵ֧י
(atsei)
hout van
אַלְמֻגִּ֛ים
(almugim)
almoeg
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
veel
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וְאֶ֥בֶן
(veeven)
en steen
יְקָרָֽה
(yeqara)
kostbare
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ofir: zie bij 9:28.

Uitleg

אַלְמֻגִּים (almuggim), ‘almoeghout’: een kostbare houtsoort.

Welke boom het was, weten wij niet zeker.

Daarom houden wij het Hebreeuwse woord.

12De koning maakte van het almoeghout steunen voor het huis van Yahweh en voor het huis van de koning. Ook maakte hij lieren en harpen voor de zangers. Zulk almoeghout is nooit meer gekomen en nooit meer gezien, tot op deze dag.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en maakte
הַ֠מֶּלֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצֵ֨י
(atsei)
hout van
הָאַלְמֻגִּ֜ים
(haalmugim)
de almoegen
מִסְעָ֤ד
(misad)
steunen
לְבֵית
(leveit)
voor het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּלְבֵ֣ית
(uleveit)
en voor het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכִנֹּר֥וֹת
(vekhinorot)
en lieren
וּנְבָלִ֖ים
(unevalim)
en harpen
לַשָּׁרִ֑ים
(lasharim)
voor de zangers
לֹ֣א
(lo)
niet
בָֽא
(ba)
kwam
כֵ֞ן
(ken)
zo
עֲצֵ֤י
(atsei)
hout van
אַלְמֻגִּים֙
(almugim)
almoeg
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נִרְאָ֔ה
(nira)
werd gezien
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִסְעָד (mis’ad), ‘steunen’: een woord dat verder niet voorkomt.

Het kan steunbalken, leuningen of een trap betekenen.

De betekenis is onzeker.

כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’, en נֵבֶל (nevel), ‘harp’: twee snaarinstrumenten, zoals in 2 Sam. 6:5 en 1 Kron. 13:8 (daar met andere instrumenten).

Lezing

לַשָּׁרִים (lashsharim) kan ‘voor de zangers’ of ‘voor de leiders’ betekenen.

Omdat het om muziekinstrumenten gaat, kiezen wij ‘zangers’.

13Koning Salomo gaf de koningin van Sjeba alles wat ze wenste, alles wat ze vroeg. Dat kwam bovenop wat hij haar gaf naar de gulle hand van koning Salomo. Toen keerde ze om en ging naar haar land, zij en haar dienaren.
וְהַמֶּ֨לֶךְ
(vehamelekh)
en koning
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
נָתַ֣ן
(natan)
gaf
לְמַֽלְכַּת
(lemalkat)
aan koningin van
שְׁבָ֗א
(sheva)
Sjeba
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
חֶפְצָהּ֙
(cheftsah)
haar wens
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁאָ֔לָה
(shaala)
ze vroeg
מִלְּבַד֙
(milevad)
afgezien van
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
נָֽתַן
(natan)
hij gaf
לָ֔הּ
(lah)
haar
כְּיַ֖ד
(keyad)
naar de hand van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וַתֵּ֛פֶן
(vatefen)
en ze keerde om
וַתֵּ֥לֶךְ
(vatelekh)
en ze ging
לְאַרְצָ֖הּ
(leartsah)
naar haar land
הִ֥יא
(hi)
zij
וַעֲבָדֶֽיהָ
(vaavadeiha)
en haar dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

כְּיַד (keyad), ‘naar de hand van’: wat Salomo uit eigen koninklijke mildheid gaf, boven wat ze vroeg.

De rijkdom van Salomo

14Het gewicht van het goud dat in één jaar bij Salomo binnenkwam, was 666 talent goud,
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en was
מִשְׁקַ֣ל
(mishqal)
gewicht van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֥א
(ba)
kwam
לִשְׁלֹמֹ֖ה
(lishlomo)
aan Salomo
בְּשָׁנָ֣ה
(beshana)
in jaar
אֶחָ֑ת
(echat)
één
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
מֵא֛וֹת
(meot)
honderd
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
וָשֵׁ֖שׁ
(vashesh)
en zes
כִּכַּ֥ר
(kikar)
talent
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

666 talent is ongeveer 22.600 kilogram goud.

15afgezien van wat kwam van de handelsreizigers, van de handel van de kooplieden, van alle koningen van Arabië en van de landvoogden van het land.
לְבַד֙
(levad)
afgezien van
מֵאַנְשֵׁ֣י
(meanshei)
de mannen van
הַתָּרִ֔ים
(hatarim)
de handelsreizigers
וּמִסְחַ֖ר
(umischar)
en de handel van
הָרֹכְלִ֑ים
(harokhelim)
de kooplieden
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
הָעֶ֖רֶב
(haerev)
Arabië
וּפַח֥וֹת
(ufachot)
en landvoogden van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël.

De grenzen zijn niet scherp te trekken.

16Koning Salomo maakte 200 grote schilden van geslagen goud. Er ging 600 sikkel goud op elk schild.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en maakte
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
צִנָּ֖ה
(tsina)
grote schilden
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
שָׁח֑וּט
(shachut)
geslagen
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
ging op
עַל
(al)
op
הַצִּנָּ֥ה
(hatsina)
het schild
הָאֶחָֽת
(haechat)
het ene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִנָּה (tsinnah), ‘groot schild’, dat het hele lichaam bedekt, en מָגֵן (magen), ‘klein schild’ (vers 17).

Het Hebreeuws noemt bij ‘600’ geen eenheid. Wij vullen ‘sikkel’ aan, want alleen zo is het getal te lezen. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram; 600 sikkel is dus ongeveer 6,8 kilogram.

17Hij maakte ook 300 kleine schilden van geslagen goud. Op elk klein schild ging 3 mina goud. De koning plaatste ze in het Huis van het Woud van de Libanon.
וּשְׁלֹשׁ
(ushelosh)
en drie
מֵא֤וֹת
(meot)
honderd
מָֽגִנִּים֙
(maginim)
kleine schilden
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
שָׁח֔וּט
(shachut)
geslagen
שְׁלֹ֤שֶׁת
(sheloshet)
drie
מָנִים֙
(manim)
mina
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
ging op
עַל
(al)
op
הַמָּגֵ֣ן
(hamagen)
het schild
הָאֶחָ֑ת
(haechat)
het ene
וַיִּתְּנֵ֣ם
(vayitenem)
en plaatste ze
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בֵּ֖ית
(beit)
huis van
יַ֥עַר
(yaar)
woud van
הַלְּבָנֽוֹן
(halevanon)
de Libanon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Huis van het Libanonwoud (Jeruzalem; ligging onzeker): Het Huis van het Libanonwoud was een gebouw van Salomo, vermoedelijk in Jeruzalem; het had zijn naam van het cederhout van de Libanon.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

מָנֶה (maneh), ‘mina’: een gewicht van ongeveer 570 gram (50 sikkel); de grootte van de mina wisselde. 3 mina is dus ongeveer 1,7 kilogram.

בֵּית יַעַר הַלְּבָנוֹן (beit ya’ar haLevanon), ‘Huis van het Woud van de Libanon’: een gebouw van Salomo in Jeruzalem. De naam komt van de cederhouten pilaren; zie hoofdstuk 7.

De ivoren troon

18De koning maakte ook een grote troon van ivoor en bekleedde die met gezuiverd goud.
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en maakte
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּסֵּא
(kise)
troon van
שֵׁ֖ן
(shen)
ivoor
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
וַיְצַפֵּ֖הוּ
(vaytsapehu)
en bekleedde hem
זָהָ֥ב
(zahav)
goud
מוּפָֽז
(mufaz)
gezuiverd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוּפָז (mufaz), ‘zuiver goud’ of ‘goud uit Ufaz’: de betekenis is onzeker.

Wij vertalen ‘gezuiverd goud’.

Het is een ander woord dan ‘zuiver goud’ in vers 21 (6:20).

19De troon had zes treden. Aan de achterkant van de troon was een kalfskop. Aan beide kanten van de zitplaats waren armleuningen, en twee leeuwen stonden naast de armleuningen.
שֵׁ֧שׁ
(shesh)
zes
מַעֲל֣וֹת
(maalot)
treden
לַכִּסֵּ֗ה
(lakise)
voor de troon
וְרֹאשׁ
(verosh)
en kop van
עָגֹ֤ל
(agol)
kalf
לַכִּסֵּה֙
(lakise)
voor de troon
מֵאַֽחֲרָ֔יו
(meacharav)
aan de achterkant
וְיָדֹ֛ת
(veyadot)
en armleuningen
מִזֶּ֥ה
(mize)
van hier
וּמִזֶּ֖ה
(umize)
en van daar
אֶל
(el)
bij
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
הַשָּׁ֑בֶת
(hashavet)
de zitting
וּשְׁנַ֣יִם
(ushenayim)
en twee
אֲרָי֔וֹת
(arayot)
leeuwen
עֹמְדִ֖ים
(omedim)
staande
אֵ֥צֶל
(etsel)
naast
הַיָּדֽוֹת
(hayadot)
de armleuningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָדוֹת (yadot), letterlijk ‘handen’: armleuningen, waar de armen op rusten.

Lezing

רֹאשׁ־עֵגֶל (rosh-egel), ‘kalfskop’.

Sommige oude vertalingen lezen hier een andere vorm, met de betekenis ‘rond’ (עָגֹל, agol): dan was de achterkant van de troon rond.

Wij volgen de Masoretische tekst.

20Twaalf leeuwen stonden daar op de zes treden, aan beide kanten. Zoiets was voor geen enkel koninkrijk gemaakt.
וּשְׁנֵ֧ים
(usheneim)
en twee
עָשָׂ֣ר
(asar)
tien
אֲרָיִ֗ים
(arayim)
leeuwen
עֹמְדִ֥ים
(omedim)
staande
שָׁ֛ם
(sham)
daar
עַל
(al)
op
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
הַֽמַּעֲל֖וֹת
(hamaalot)
de treden
מִזֶּ֣ה
(mize)
van hier
וּמִזֶּ֑ה
(umize)
en van daar
לֹֽא
(lo)
niet
נַעֲשָׂ֥ה
(naasa)
werd gemaakt
כֵ֖ן
(ken)
zo
לְכָל
(lekhal)
voor alle
מַמְלָכֽוֹת
(mamlakhot)
koninkrijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Alle drinkvaten van koning Salomo waren van goud. Alle vaten van het Huis van het Woud van de Libanon waren van zuiver goud. Er was geen zilver: in de dagen van Salomo werd het voor niets gerekend.
וְ֠כֹל
(vekhol)
en alle
כְּלֵ֞י
(kelei)
vaten van
מַשְׁקֵ֨ה
(mashqe)
drinken van
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וְכֹ֗ל
(vekhol)
en alle
כְּלֵ֛י
(kelei)
vaten van
בֵּֽית
(beit)
huis van
יַ֥עַר
(yaar)
woud van
הַלְּבָנ֖וֹן
(halevanon)
de Libanon
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
סָג֑וּר
(sagur)
zuiver
אֵ֣ין
(ein)
er was niet
כֶּ֗סֶף
(kesef)
zilver
לֹ֥א
(lo)
niet
נֶחְשָׁ֛ב
(nechshav)
werd gerekend
בִּימֵ֥י
(bimei)
in de dagen van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לִמְאֽוּמָה
(limuma)
voor iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Huis van het Libanonwoud (Jeruzalem; ligging onzeker): Het Huis van het Libanonwoud was een gebouw van Salomo, vermoedelijk in Jeruzalem; het had zijn naam van het cederhout van de Libanon.

De precieze plaats is niet bekend.

22Want de koning had een Tarsis-vloot op zee, samen met de vloot van Hiram. Eén keer in de drie jaar kwam de Tarsis-vloot en bracht goud, zilver, ivoor, apen en pauwen.
כִּי֩
(ki)
want
אֳנִ֨י
(oni)
vloot van
תַרְשִׁ֤ישׁ
(tarshish)
Tarsis
לַמֶּ֨לֶךְ֙
(lamelekh)
voor de koning
בַּיָּ֔ם
(bayam)
op zee
עִ֖ם
(im)
met
אֳנִ֣י
(oni)
vloot van
חִירָ֑ם
(chiram)
Hiram
אַחַת֩
(achat)
eens
לְשָׁלֹ֨שׁ
(leshalosh)
per drie
שָׁנִ֜ים
(shanim)
jaar
תָּב֣וֹא
(tavo)
kwam
אֳנִ֣י
(oni)
vloot van
תַרְשִׁ֗ישׁ
(tarshish)
Tarsis
נֹֽשְׂאֵת֙
(noseet)
dragend
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
וָכֶ֔סֶף
(vakhesef)
en zilver
שֶׁנְהַבִּ֥ים
(shenhabim)
ivoor
וְקֹפִ֖ים
(veqofim)
en apen
וְתֻכִּיִּֽים
(vetukiyim)
en pauwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tarsis (תַּרְשִׁישׁ) is een ver land aan de zee.

De ligging is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan het zuiden van Spanje; andere voorstellen zijn Sardinië en een plaats in Afrika.

‘Tarsis-vloot’ (אֳנִי תַרְשִׁישׁ) kan ook een soort schip voor lange zeereizen zijn.

Uitleg

שֶׁנְהַבִּים (shenhabbim), ‘ivoor’; קֻפִּים (qofim), ‘apen’; תֻכִּיִּים (tukkiyyim), ‘pauwen’.

Het laatste woord is onzeker; het kan ook een andere exotische vogel zijn, zoals een papegaai.

Salomo, groter dan alle koningen

23Koning Salomo werd groter dan alle koningen van de aarde, in rijkdom en in wijsheid.
וַיִּגְדַּל֙
(vayigdal)
en werd groot
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
מִכֹּ֖ל
(mikol)
boven alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
לְעֹ֖שֶׁר
(leosher)
in rijkdom
וּלְחָכְמָֽה
(ulechakhema)
en in wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De hele aarde zocht Salomo op om zijn wijsheid te horen, die Elohim in zijn hart had gelegd.
וְכָ֨ל
(vekhal)
en heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
מְבַקְשִׁ֖ים
(mevaqshim)
zocht
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
לִשְׁמֹ֨עַ֙
(lishmoa)
om te horen
אֶת
(et)
(obj.)
חָכְמָת֔וֹ
(chakhemato)
zijn wijsheid
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
בְּלִבּֽוֹ
(belibo)
in zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Zij brachten ieder hun geschenk mee: zilveren vaten en gouden vaten, kleren, wapens, specerijen, paarden en muildieren. Zo ging het jaar na jaar.
וְהֵ֣מָּה
(vehema)
en zij
מְבִאִ֣ים
(meviim)
brengend
אִ֣ישׁ
(ish)
man
מִנְחָת֡וֹ
(minchato)
zijn geschenk
כְּלֵ֣י
(kelei)
vaten van
כֶסֶף֩
(kesef)
zilver
וּכְלֵ֨י
(ukhelei)
en vaten van
זָהָ֤ב
(zahav)
goud
וּשְׂלָמוֹת֙
(uselamot)
en kleren
וְנֵ֣שֶׁק
(venesheq)
en wapens
וּבְשָׂמִ֔ים
(uvesamim)
en specerijen
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
וּפְרָדִ֑ים
(uferadim)
en muildieren
דְּבַר
(devar)
aandeel van
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
בְּשָׁנָֽה
(beshana)
in het jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחָה (minchah): hier niet het graanoffer, maar een geschenk dat men een koning brengt.

Wij vertalen ‘geschenk’.

Wagens en paarden

26Salomo verzamelde wagens en ruiters. Hij had 1.400 wagens en 12.000 ruiters. Hij liet ze achter in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.
וַיֶּאֱסֹ֣ף
(vayeesof)
en verzamelde
שְׁלֹמֹה֮
(shelomo)
Salomo
רֶ֣כֶב
(rekhev)
wagens
וּפָרָשִׁים֒
(ufarashim)
en ruiters
וַיְהִי
(vayhi)
en er waren
ל֗וֹ
(lo)
aan hem
אֶ֤לֶף
(elef)
duizend
וְאַרְבַּע
(vearba)
en vier
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
רֶ֔כֶב
(rekhev)
wagens
וּשְׁנֵים
(usheneim)
en twee
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
פָּֽרָשִׁ֑ים
(parashim)
ruiters
וַיַּנְחֵם֙
(vayanchem)
en hij legde ze neer
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in steden van
הָרֶ֔כֶב
(harekhev)
de wagens
וְעִם
(veim)
en bij
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

27De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo gewoon als stenen. De cederbomen maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen in de Sefela.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en maakte
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֛סֶף
(hakesef)
het zilver
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כָּאֲבָנִ֑ים
(kaavanim)
als stenen
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
הָאֲרָזִ֗ים
(haarazim)
de cederen
נָתַ֛ן
(natan)
maakte
כַּשִּׁקְמִ֥ים
(kashiqmim)
als wilde vijgenbomen
אֲשֶׁר
(asher)
die
בַּשְּׁפֵלָ֖ה
(bashefela)
in de Sefela
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Sefela (הַשְּׁפֵלָה) is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda, in het zuidwesten van Israël.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: een boom met zacht hout die in groten getale in het laagland groeide.

28De paarden van Salomo kwamen uit Egypte en uit Kewe. De kooplieden van de koning kochten ze in Kewe tegen betaling.
וּמוֹצָ֧א
(umotsa)
en uitvoer van
הַסּוּסִ֛ים
(hasusim)
de paarden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לִשְׁלֹמֹ֖ה
(lishlomo)
voor Salomo
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וּמִקְוֵ֕ה
(umiqve)
en uit Kewe
סֹחֲרֵ֣י
(socharei)
kooplieden van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יִקְח֥וּ
(yiqchu)
namen
מִקְוֵ֖ה
(miqve)
uit Kewe
בִּמְחִֽיר
(bimchir)
voor een prijs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kewe (קוּה) is waarschijnlijk Cilicië, aan de zuidkust van het huidige Turkije.

De ligging is onzeker.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

מִקְוֵה (miqveh) kan ook ‘verzameling’ betekenen.

Dan staat er dat de kooplieden de paarden ‘in een groep’ kochten.

Wij nemen een plaatsnaam.

29Een wagen kwam uit Egypte en kostte 600 sikkel zilver, een paard 150. Zo werden ze door hun handen ook uitgevoerd naar alle koningen van de Hethieten en naar de koningen van Aram.
וַֽ֠תַּעֲלֶה
(vataale)
en kwam op
וַתֵּצֵ֨א
(vatetse)
en ging uit
מֶרְכָּבָ֤ה
(merkava)
wagen
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
uit Egypte
בְּשֵׁ֣שׁ
(beshesh)
voor zes
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
וְס֖וּס
(vesus)
en paard
בַּחֲמִשִּׁ֣ים
(bachamishim)
voor vijftig
וּמֵאָ֑ה
(umea)
en honderd
וְ֠כֵן
(vekhen)
en zo
לְכָל
(lekhal)
voor alle
מַלְכֵ֧י
(malkhei)
koningen van
הַחִתִּ֛ים
(hachitim)
de Hethieten
וּלְמַלְכֵ֥י
(ulemalkhei)
en voor koningen van
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
בְּיָדָ֥ם
(beyadam)
door hun hand
יֹצִֽאוּ
(yotsiu)
gingen uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

Het Hebreeuws noemt bij 600 en 150 geen eenheid.

Wij vullen ‘sikkel’ aan. 600 sikkel zilver is ongeveer 6,8 kilogram; 150 sikkel ongeveer 1,7 kilogram.