Titus 3
Gedrag tegenover overheid en alle mensen; gered door Zijn barmhartigheid; goede werken en twistvragen; opdrachten en groeten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Gedrag tegenover overheid en alle mensen
ἀρχαί (archai), ‘overheden’, en ἐξουσίαι (exousiai), ‘gezagsdragers’: zoals in Luc. 12:11. ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderschikken’. πειθαρχέω (peitharcheo), ‘gehoorzamen’. ἕτοιμος (hetoimos), ‘bereid’.
De opdracht over de overheid staat ook in Rom. 13:1–7.
De Griekse zin loopt in de verzen 1–2 door; de persoonsvorm is ‘herinner’.
Bij het woord ἀρχαῖς (archais), ‘overheden’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 13:1–7; 1 Petr. 2:13–17; Luc. 12:11.
βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’: ook ‘kwaadspreken’. ἄμαχος (amachos), ‘niet twistziek’, letterlijk ‘zonder twist’. ἐπιεικής (epieikes), ‘inschikkelijk’: redelijk, toegeeflijk. πραΰτης (prautes), ‘zachtmoedigheid’. ἐνδείκνυμι (endeiknymi), ‘tonen’.
Zie ook 1 Tim. 3:3; 2 Tim. 2:24–25.
Vroeger en nu
ἀνόητος (anoetos), ‘onverstandig’; ἀπειθής (apeithes), ‘ongehoorzaam’; πλανάω (planao), ‘dwalen’. δουλεύω (douleuo), ‘als slaaf dienen’. ἡδονή (hedone), ‘genieting, genot’. κακία (kakia), ‘slechtheid’; φθόνος (fthonos), ‘afgunst’. στυγητός (stygetos), ‘haatwekkend’: wie door anderen gehaat en verafschuwd wordt.
‘Ook wij’: Paulus rekent zich bij hen.
Zie ook Ef. 2:1–3; Kol. 3:7; 1 Kor. 6:11.
χρηστότης (chrestotes), ‘goedheid’: zoals in Rom. 2:4. φιλανθρωπία (filanthropia), ‘mensenliefde’: liefde voor de mensen; vergelijk Hand. 28:2. ἐπιφαίνω (epifaino), ‘verschijnen’: zoals in 2:11.
‘Onze Redder, Elohim’: zie 1:3.
De verzen 4–7 vormen één Griekse zin; wij houden de volgorde en splitsen niet, omdat de gedachte doorloopt.
Zie ook Tit. 1:3; Tit. 2:11; Rom. 2:4.
ἔργα ἐν δικαιοσύνῃ (erga en dikaiosyne), ‘werken in gerechtigheid’: werken die wij als rechtvaardig gedaan zouden hebben. ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’. λουτρόν (loutron), ‘bad, wassing’: ook in Ef. 5:26. παλιγγενεσία (paliggenesia), ‘wedergeboorte’: letterlijk ‘opnieuw geboren worden’; hetzelfde woord staat in Matt. 19:28 voor de vernieuwing van alles. ἀνακαίνωσις (anakainosis), ‘vernieuwing’.
‘Door het bad van wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest’: het Grieks laat open of ‘van de Heilige Geest’ alleen bij ‘vernieuwing’ hoort of ook bij ‘wedergeboorte’; de tekst noemt de doop niet met zoveel woorden.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord ἅ (ha), ‘die’, en bij de woorden τὸ αὐτοῦ ἔλεος (to autou eleos), ‘Zijn barmhartigheid’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ef. 5:26; Matt. 19:28; Rom. 12:2; 2 Tim. 1:9.
ἐκχέω (ekcheo), ‘uitgieten’: de Geest wordt uitgegoten, zoals beloofd in Joël 3:1 (NL 2:28) en vervuld in Hand. 2:17, 33. πλουσίως (plousios), ‘rijkelijk’.
‘Die’ (οὗ, hou) verwijst naar de Heilige Geest uit vers 5.
Zie ook Joël 3:1; Hand. 2:17; Hand. 2:33; Hand. 10:45; Rom. 5:5.
δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’. χάρις (charis), ‘genade’: ἐκείνου (ekeinou), ‘Zijn’: wijst terug op de Redder Yeshua de Messias uit vers 6 of op Elohim uit vers 4; de tekst zegt het niet. κληρονόμος (kleronomos), ‘erfgenaam’. ἐλπίς (elpis), ‘hoop’: ‘naar de hoop’ kan ook ‘volgens een hoop’ betekenen: wij zijn erfgenamen in hoop op eeuwig leven.
Bij het werkwoord γενηθῶμεν (genethomen), ‘wij zouden worden’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 3:24; Gal. 2:16; Rom. 8:17; Tit. 1:2.
Goede werken en nutteloze twistvragen
Πιστὸς ὁ λόγος (pistos ho logos), ‘betrouwbaar is het woord’: de formule, zoals in 1 Tim. 1:15; 3:1; 4:9 en 2 Tim. 2:11.
Zij kan wijzen op wat voorafgaat (verzen 4–7) en op wat volgt (de opdracht in vers 8). διαβεβαιόομαι (diabebaioomai), ‘stellig beweren’. φροντίζω (frontizo), ‘zich bekommeren om, erop bedacht zijn’. προΐστημι (proistemi), ‘zich toeleggen op’, letterlijk ‘voorop staan in’: ook ‘beoefenen’. ὠφέλιμος (ofelimos), ‘nuttig’.
Bij het werkwoord ἐστίν (estin), ‘is’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 1:15; 1 Tim. 3:1; 1 Tim. 4:9; 2 Tim. 2:11.
μωρὰ ζήτησις (mora zetesis), ‘dwaze twistvraag’: zoals in 2 Tim. 2:23. γενεαλογία (genealogia), ‘geslachtsregister’: zoals in 1 Tim. 1:4. ἔρις (eris), ‘ruzie’: zoals in 1 Tim. 6:4 (in Gal. 5:20 staat hetzelfde woord als ‘twist’, in een lijst van werken van het vlees). μάχη (mache), ‘twist’. μάχαι νομικαί (machai nomikai), ‘twisten over de wet’: ruzies over wat de wet (νόμος, tora) zegt of vereist. περιΐστημι (periistemi), ‘mijden’ (hier met de zin van ‘zich ervan afwenden’): zoals in 2 Tim. 2:16. ἀνωφελής (anofeles), ‘nutteloos’; μάταιος (mataios), ‘ijdel’.
Bij het woord ἔρεις (ereis), ‘twisten’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 1:4; 2 Tim. 2:16, 2:23; Gal. 5:20.
αἱρετικός (hairetikos), ‘partijzuchtig’: van αἵρεσις (hairesis), ‘keuze, partij, richting’; het woord is hier niet het latere ‘ketter’.
In Gal. 5:20 staat αἵρεσις als ‘partijschap’; in Hand. 24:14 als ‘richting’. νουθεσία (nouthesia), ‘vermaning’. παραιτέομαι (paraiteomai), ‘afwijzen’: de tekst zegt niet hoe; zie ook 2 Tim. 2:23.
Zie ook Gal. 5:20; Hand. 24:14; Matt. 18:15–17; 2 Tim. 2:23.
ἐκστρέφω (ekstrefo), ‘verdraaien’: van het rechte pad afgebracht. αὐτοκατάκριτος (autokatakritos), ‘door zichzelf veroordeeld’: hij velt zijn eigen vonnis; het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor.
Opdrachten en groeten
Zie Nikopolis (ligging onzeker): Nikopolis (‘stad van de overwinning’) lag aan de westkust van Griekenland, bij de Ambrakische Golf (Epirus).
Er waren meer steden met die naam; de brief zegt niet welke bedoeld is, dus de ligging is onzeker.
Artemas wordt alleen hier genoemd.
Tychicus: zie 2 Tim. 4:12, Hand. 20:4, Ef. 6:21, Kol. 4:7.
Nikopolis (Νικόπολις, ‘stad van de overwinning’): er waren meerdere steden met die naam; de tekst zegt niet welke bedoeld is. παραχειμάζω (paracheimazo), ‘overwinteren’. κρίνω (krino), ‘besluiten’, letterlijk ‘beoordelen’.
Zie ook 2 Tim. 4:12; Hand. 20:4; Ef. 6:21; Kol. 4:7; 2 Tim. 4:9, 4:21.
Zenas, ‘de wetgeleerde’ (νομικός, nomikos): iemand die zich met de wet bezighoudt; zijn beroep is niet nader aangeduid.
Apollos: zie Hand. 18:24, 1 Kor. 1:12 en 16:12. προπέμπω (propempo), ‘op weg helpen’: voorzien van wat nodig is voor de reis.
Bij de naam Ἀπολλῶν (Apollon), ‘Apollos’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 18:24; 1 Kor. 1:12; 1 Kor. 16:12.
‘De onzen’ (οἱ ἡμέτεροι, hoi hemeteroi): de mensen die bij ons horen, de gelovigen om Paulus en Titus. καλὰ ἔργα (kala erga), ‘goede werken’. ἀναγκαῖος (anankaios), ‘noodzakelijk’; χρεία (chreia), ‘behoefte’: de tekst noemt niet om welke behoeften het gaat. ἄκαρπος (akarpos), ‘onvruchtbaar’.
Zie ook Tit. 2:14; Tit. 3:8.
Een slotgroet, zoals in andere brieven van Paulus; ‘jullie allen’ (ὑμῶν, hymon) is meervoud: ook de gemeente hoort de brief. φιλέω (fileo), ‘liefhebben’.
‘Allen die bij mij zijn’: Paulus noemt geen namen.
Bij het woord ὑμῶν (hymon), ‘jullie’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Kol. 4:18; 2 Tim. 4:22.