Elohim Bijbel

Jesaja 9

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Een groot licht, een kind is ons geboren, en de hand die uitgestrekt blijft

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een groot licht

1Het volk dat in de duisternis liep, heeft een groot licht gezien. Wie in het land van diepe schaduw woonden: over hen heeft licht geschenen.
הָעָם֙
(haam)
het volk
הַהֹלְכִ֣ים
(haholekhim)
dat liep
בַּחֹ֔שֶׁךְ
(bachoshekh)
in duisternis
רָא֖וּ
(rau)
heeft gezien
א֣וֹר
(or)
een licht
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
יֹשְׁבֵי֙
(yoshevei)
die woonden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
צַלְמָ֔וֶת
(tsalmavet)
diepe schaduw
א֖וֹר
(or)
licht
נָגַ֥הּ
(nagah)
heeft geschenen
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is in de Nederlandse telling Jes. 9:2.

Hebr. 8:23 = NL 9:1, en Hebr. 9:1–20 = NL 9:2–21.

Wij volgen de Hebreeuwse telling.

Zie ook Matt. 4:15–16.

צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’: ook ‘schaduw van de dood’. Vergelijk Amos 5:8 en Ps. 23:4.

De werkwoorden staan in de verleden tijd (‘heeft gezien’, ‘heeft geschenen’). Dat blijft zo tot en met vers 5.

2U hebt het volk talrijk gemaakt, U hebt voor hem de vreugde groot gemaakt. Zij verheugen zich voor Uw aangezicht, zoals men zich verheugt in de oogst, zoals men juicht wanneer men de buit verdeelt.
הִרְבִּ֣יתָ
(hirbita)
U hebt talrijk gemaakt
הַגּ֔וֹי
(hagoy)
het volk
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
הִגְדַּ֣לְתָּ
(higdalta)
U hebt groot gemaakt
הַשִּׂמְחָ֑ה
(hasimcha)
de vreugde
שָׂמְח֤וּ
(samechu)
zij verheugen zich
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
כְּשִׂמְחַ֣ת
(kesimchat)
zoals de vreugde bij
בַּקָּצִ֔יר
(baqatsir)
de oogst
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
יָגִ֖ילוּ
(yagilu)
men juicht
בְּחַלְּקָ֥ם
(bechaleqam)
bij hun verdelen van
שָׁלָֽל
(shalal)
buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft לֹא (lo), ‘niet’: ‘U hebt het volk talrijk gemaakt, maar de vreugde niet groot’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft לוֹ (lo), ‘voor hem’.

Wij volgen de qere.

3Want het juk van zijn last, de staf op zijn schouder en de knuppel van zijn drijver: die hebt U verbrijzeld, zoals op de dag van Midian.
כִּ֣י
(ki)
want
אֶת
(et)
(obj.)
עֹ֣ל
(ol)
het juk van
סֻבֳּל֗וֹ
(subolo)
zijn last
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
מַטֵּ֣ה
(mate)
de staf van
שִׁכְמ֔וֹ
(shikhmo)
zijn schouder
שֵׁ֖בֶט
(shevet)
de knuppel van
הַנֹּגֵ֣שׂ
(hanoges)
de drijver
בּ֑וֹ
(bo)
over hem
הַחִתֹּ֖תָ
(hachitota)
U hebt verbrijzeld
כְּי֥וֹם
(keyom)
zoals op de dag van
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹל (ol), ‘juk’, מַטֵּה (matteh), ‘staf’, en שֵׁבֶט (shevet), ‘knuppel’: drie beelden van onderdrukking.

נֹגֵשׂ (noges), ‘drijver’: zoals de drijvers in Egypte (Exod. 3:7).

‘De dag van Midian’ verwijst naar de overwinning van Gideon (Richt. 7:15–25).

4Want elke laars die dreunend stampt en elke mantel die in bloed is gerold, zal tot brand worden, tot voedsel voor het vuur.
כִּ֤י
(ki)
want
כָל
(kal)
elke
סְאוֹן֙
(seon)
laars van
סֹאֵ֣ן
(soen)
de stampende
בְּרַ֔עַשׁ
(beraash)
met dreun
וְשִׂמְלָ֖ה
(vesimla)
en mantel
מְגוֹלָלָ֣ה
(megolala)
gerold
בְדָמִ֑ים
(bedamim)
in bloed
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en zij zal zijn
לִשְׂרֵפָ֖ה
(lisrefa)
tot brand
מַאֲכֹ֥לֶת
(maakholet)
voedsel van
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְאוֹן (se’on), ‘laars’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet zeker.

Het gaat om het schoeisel van een soldaat die stampend marcheert.

De hele oorlogsuitrusting gaat in het vuur.

Een kind is ons geboren

5Want een kind is ons geboren. Een zoon is ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouder. Zijn naam wordt genoemd: Wonderbare Raadsman, Sterke El, Vader van de Eeuwigheid, Overste van de Vrede.
כִּי
(ki)
want
יֶ֣לֶד
(yeled)
een kind
יֻלַּד
(yulad)
is geboren
לָ֗נוּ
(lanu)
ons
בֵּ֚ן
(ben)
een zoon
נִתַּן
(nitan)
is gegeven
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en zal zijn
הַמִּשְׂרָ֖ה
(hamisra)
de heerschappij
עַל
(al)
op
שִׁכְמ֑וֹ
(shikhmo)
zijn schouder
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en genoemd wordt
שְׁמ֜וֹ
(shemo)
zijn naam
פֶּ֠לֶא
(pele)
Wonder
יוֹעֵץ֙
(yoets)
Raadsman
אֵ֣ל
(el)
El
גִּבּ֔וֹר
(gibor)
Sterke
אֲבִי
(avi)
Vader van
עַ֖ד
(ad)
de eeuwigheid
שַׂר
(sar)
Overste van
שָׁלֽוֹם
(shalom)
de vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De naam heeft vier delen: פֶּלֶא יוֹעֵץ (Pele Yoetz), ‘Wonderbare Raadsman’, letterlijk ‘wonder, raadsman’; אֵל גִּבּוֹר (El Gibbor), ‘Sterke El’, zoals in Deut. 10:17; אֲבִי עַד (Avi Ad), ‘Vader van de Eeuwigheid’; en שַׂר שָׁלוֹם (Sar Shalom), ‘Overste van de Vrede’.

Het Hebreeuws zegt ‘zijn naam’ in het enkelvoud: één naam met vier delen.

Lezing

וַיִּקְרָא (vayyiqra), letterlijk ‘en hij riep’ of ‘men riep’.

Wie noemt, staat er niet.

Wij vertalen: ‘wordt genoemd’.

6Aan de groei van de heerschappij en aan de vrede komt geen einde, op de troon van David en over zijn koninkrijk. Om het vast te stellen en te steunen met recht en gerechtigheid, van nu af en voor eeuwig. De ijver van Yahweh van de legermachten zal dit doen.
לְמַרְבֵּ֨ה
(lemarbe)
tot de groei van
הַמִּשְׂרָ֜ה
(hamisra)
de heerschappij
וּלְשָׁל֣וֹם
(uleshalom)
en tot de vrede
אֵֽין
(ein)
geen
קֵ֗ץ
(qets)
einde
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֤א
(kise)
de troon van
דָוִד֙
(david)
David
וְעַל
(veal)
en over
מַמְלַכְתּ֔וֹ
(mamlakhto)
zijn koninkrijk
לְהָכִ֤ין
(lehakhin)
om vast te stellen
אֹתָהּ֙
(otah)
het
וּֽלְסַעֲדָ֔הּ
(ulesaadah)
en om het te steunen
בְּמִשְׁפָּ֖ט
(bemishpat)
door recht
וּבִצְדָקָ֑ה
(uvitsdaqa)
en door gerechtigheid
מֵעַתָּה֙
(meata)
van nu af
וְעַד
(vead)
en tot
עוֹלָ֔ם
(olam)
voor eeuwig
קִנְאַ֛ת
(qinat)
de ijver van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
תַּעֲשֶׂה
(taase)
zal doen
זֹּֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂר (sar), ‘overste’: zoals in Amos 1:15.

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, zijn de grondslag van deze heerschappij.

De belofte aan David staat in 2 Sam. 7:13 en 7:16.

קִנְאַת (qin’at), ‘ijver’: ook ‘naijver’. Het is de ijver van Yahweh voor Zijn volk en Zijn naam. Dezelfde zin staat in Jes. 37:32; vergelijk 2 Kon. 19:31 (daar zonder Tsevaot).

Het Hebreeuws heeft hier één lange zin. Wij splitsen hem na ‘koninkrijk’. ‘Om het vast te stellen en te steunen’ staat daarna als aparte zin.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat in het eerste woord, לםרבה, een gesloten mem (ם) midden in het woord.

De voorgelezen tekst (qere) leest לְמַרְבֵּה (lemarbeh), ‘tot de groei van’.

Wij volgen de qere.

Het woord tegen Jakob

7De Heer heeft een woord gestuurd tegen Jakob. Het is neergevallen in Israël.
דָּבָ֛ר
(davar)
een woord
שָׁלַ֥ח
(shalach)
heeft gestuurd
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
de Heer
בְּיַעֲקֹ֑ב
(beyaaqov)
tegen Jakob
וְנָפַ֖ל
(venafal)
en het is neergevallen
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Jakob’ en ‘Israël’ zijn hier het noordelijke rijk.

In vers 8 heet het ‘Efraïm’ en ‘Samaria’.

8Heel het volk zal het weten: Efraïm en wie in Samaria woont. Zij zeggen in hoogmoed en met een trots hart:
וְיָדְעוּ֙
(veyadeu)
en zullen weten
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
כֻּלּ֔וֹ
(kulo)
geheel
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
וְיוֹשֵׁ֣ב
(veyoshev)
en de bewoner van
שֹׁמְר֑וֹן
(shomeron)
Samaria
בְּגַאֲוָ֛ה
(begaava)
in hoogmoed
וּבְגֹ֥דֶל
(uvegodel)
en in grootheid van
לֵבָ֖ב
(levav)
hart
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

9„Bakstenen zijn gevallen. Wij zullen bouwen met gehouwen steen. Wilde vijgenbomen zijn omgehakt. Wij zullen ze door cederbomen vervangen.”
לְבֵנִ֥ים
(levenim)
bakstenen
נָפָ֖לוּ
(nafalu)
zijn gevallen
וְגָזִ֣ית
(vegazit)
en gehouwen steen
נִבְנֶ֑ה
(nivne)
wij zullen bouwen
שִׁקְמִ֣ים
(shiqmim)
wilde vijgenbomen
גֻּדָּ֔עוּ
(gudau)
zijn omgehakt
וַאֲרָזִ֖ים
(vaarazim)
en cederbomen
נַחֲלִֽיף
(nachalif)
wij zullen verwisselen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּזִית (gazit), ‘gehouwen steen’: duurzame bouwsteen.

שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: zoals in Amos 7:14.

Cederhout is veel kostbaarder.

Men wil beter herbouwen dan het was; dat is hoogmoed.

10Yahweh heeft de tegenstanders van Rezin tegen hem verheven. Zijn vijanden zal Hij opruien.
וַיְשַׂגֵּ֧ב
(vaysagev)
en heeft verheven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
צָרֵ֥י
(tsarei)
de tegenstanders van
רְצִ֖ין
(retsin)
Rezin
עָלָ֑יו
(alav)
tegen hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֹיְבָ֖יו
(oyevav)
zijn vijanden
יְסַכְסֵֽךְ
(yesakhsekh)
zal opruien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סִכְסֵךְ (sikhsekh), ‘opruien’: een zeldzaam werkwoord.

De betekenis is onzeker.

Lezing

Wie met ‘hem’ en ‘zijn vijanden’ bedoeld is, staat er niet bij.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

11Aram van voren en de Filistijnen van achteren: zij verslinden Israël met volle mond. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.
אֲרָ֣ם
(aram)
Aram
מִקֶּ֗דֶם
(miqedem)
van voren
וּפְלִשְׁתִּים֙
(ufelishtim)
en Filistijnen
מֵֽאָח֔וֹר
(meachor)
van achteren
וַיֹּאכְל֥וּ
(vayokhlu)
en zij verslinden
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּכָל
(bekhal)
met heel
פֶּ֑ה
(pe)
de mond
בְּכָל
(bekhal)
bij heel
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
is afgewend
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְע֖וֹד
(veod)
en nog
יָד֥וֹ
(yado)
Zijn hand
נְטוּיָֽה
(netuya)
uitgestrekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

מִקֶּדֶם (miqqedem), ‘van voren’: letterlijk ‘van het oosten’.

Wie naar het oosten kijkt, heeft het oosten voor zich en het westen achter zich.

Aram ligt ten noordoosten van Israël, de Filistijnen liggen in het westen.

בְּכָל פֶּה (bechol peh), ‘met volle mond’: letterlijk ‘met heel de mond’.

בְּכָל זֹאת לֹא שָׁב אַפּוֹ וְעוֹד יָדוֹ נְטוּיָה (bechol zot lo shav appo veod yado netuyah), ‘Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt’: een refrein. Het staat ook in Jes. 5:25 en keert terug in 9:16, 9:20 en 10:4.

12Maar het volk keerde niet terug tot Hem die het sloeg. Yahweh van de legermachten zochten zij niet.
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֖ב
(shav)
is teruggekeerd
עַד
(ad)
tot
הַמַּכֵּ֑הוּ
(hamakehu)
Hem die het sloeg
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לֹ֥א
(lo)
niet
דָרָֽשׁוּ
(darashu)
hebben zij gezocht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּרַשׁ (darash), ‘zoeken’: zich tot Yahweh wenden en Hem raadplegen.

Zie ook Amos 5:4.

Hoofd en staart

13Yahweh sneed van Israël hoofd en staart af, palmtak en bies, op één dag.
וַיַּכְרֵ֨ת
(vayakhret)
en sneed af
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
מִיִּשְׂרָאֵ֗ל
(miyisrael)
van Israël
רֹ֧אשׁ
(rosh)
hoofd
וְזָנָ֛ב
(vezanav)
en staart
כִּפָּ֥ה
(kipa)
palmtak
וְאַגְמ֖וֹן
(veagmon)
en bies
י֥וֹם
(yom)
dag
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּפָּה (kippah), ‘palmtak’, en אַגְמוֹן (agmon), ‘bies’: de bovenkant en onderkant van het riet.

Het is een ander beeld voor ‘hoog en laag’, zoals ‘hoofd en staart’.

14De oudste en wie in aanzien staat: dat is het hoofd. De profeet die leugen onderwijst: dat is de staart.
זָקֵ֥ן
(zaqen)
de oudste
וּנְשׂוּא
(unesu)
en hij die opgeheven is van
פָנִ֖ים
(panim)
aangezicht
ה֣וּא
(hu)
hij
הָרֹ֑אשׁ
(harosh)
het hoofd
וְנָבִ֥יא
(venavi)
en de profeet
מֽוֹרֶה
(more)
die onderwijst
שֶּׁ֖קֶר
(sheqer)
leugen
ה֥וּא
(hu)
hij
הַזָּנָֽב
(hazanav)
de staart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשׂוּא פָנִים (nesu panim), ‘wie in aanzien staat’: letterlijk ‘opgeheven van gezicht’.

15De leiders van dit volk laten het dwalen, en wie door hen geleid worden, worden verslonden.
וַיִּֽהְי֛וּ
(vayihyu)
en zijn
מְאַשְּׁרֵ֥י
(measherei)
de leiders van
הָֽעָם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
מַתְעִ֑ים
(matim)
die laten dwalen
וּמְאֻשָּׁרָ֖יו
(umeusharav)
en wie door hen geleid worden
מְבֻלָּעִֽים
(mevulaim)
verslonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְאַשְּׁרֵי (me’ashsherey), ‘de leiders’: het werkwoord אָשַׁר (ashar) betekent ‘leiden’ en ook ‘gelukkig prijzen’.

Het woordspel wijst op leiders die het volk gelukkig noemen terwijl zij het op een dwaalspoor brengen.

מְבֻלָּעִים (mevulla’im), ‘verslonden’: ook ‘in verwarring gebracht’.

16Daarom verheugt de Heer Zich niet over zijn jongemannen. Hij ontfermt Zich niet over zijn wezen en zijn weduwen. Want zij zijn allemaal goddeloos en kwaaddoeners, en elke mond spreekt dwaasheid. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֨ן
(ken)
(zo)
עַל
(al)
over
בַּחוּרָ֜יו
(bachurav)
zijn jongemannen
לֹֽא
(lo)
niet
יִשְׂמַ֣ח
(yismach)
verheugt Zich
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
de Heer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְתֹמָ֤יו
(yetomav)
zijn wezen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַלְמְנֹתָיו֙
(almenotav)
zijn weduwen
לֹ֣א
(lo)
niet
יְרַחֵ֔ם
(yerachem)
ontfermt Hij Zich
כִּ֤י
(ki)
want
כֻלּוֹ֙
(kulo)
allen
חָנֵ֣ף
(chanef)
goddeloos
וּמֵרַ֔ע
(umera)
en kwaaddoener
וְכָל
(vekhal)
en elke
פֶּ֖ה
(pe)
mond
דֹּבֵ֣ר
(dover)
spreekt
נְבָלָ֑ה
(nevala)
dwaasheid
בְּכָל
(bekhal)
bij heel
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
is afgewend
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְע֖וֹד
(veod)
en nog
יָד֥וֹ
(yado)
Zijn hand
נְטוּיָֽה
(netuya)
uitgestrekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zijn jongemannen’, ‘zijn wezen’ en ‘zijn weduwen’: ‘zijn’ gaat hier over het volk van vers 15, niet over de Heer.

Wezen en weduwen zijn de weerlozen die Yahweh beschermt (Exod. 22:21–23).

חָנֵף (chanef), ‘goddeloos’: ook ‘ontrouw’ of ‘vervuild’. נְבָלָה (nevalah), ‘dwaasheid’: ook ‘schandelijkheid’.

De goddeloosheid brandt als vuur

17Want de goddeloosheid brandt als vuur. Ze verteert doornstruiken en doornen. Ze steekt het dichte struikgewas van het woud in brand, en het rolt omhoog als een kolom van rook.
כִּֽי
(ki)
want
בָעֲרָ֤ה
(baara)
brandt
כָאֵשׁ֙
(kaesh)
als vuur
רִשְׁעָ֔ה
(risha)
goddeloosheid
שָׁמִ֥יר
(shamir)
doornstruiken
וָשַׁ֖יִת
(vashayit)
en doornen
תֹּאכֵ֑ל
(tokhel)
verteert het
וַתִּצַּת֙
(vatitsat)
en steekt het in brand
בְּסִֽבְכֵ֣י
(besivkhei)
in de dichtste struiken van
הַיַּ֔עַר
(hayaar)
het woud
וַיִּֽתְאַבְּכ֖וּ
(vayitabekhu)
en zij rollen omhoog
גֵּא֥וּת
(geut)
opstijgende kolom van
עָשָֽׁן
(ashan)
rook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִשְׁעָה (rish’ah), ‘goddeloosheid’: ook ‘kwaad’.

Het beeld: het kwaad brandt als een vuur.

Eerst verteert het onkruid (doornstruiken en doornen) en dan het hele woud.

גֵּאוּת עָשָׁן (ge’ut ashan), ‘kolom van rook’: de uitdrukking is onzeker.

18Door de woede van Yahweh van de legermachten staat het land in brand, en het volk is als voedsel voor het vuur. Niemand spaart zijn broer.
בְּעֶבְרַ֛ת
(beevrat)
in de woede van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
נֶעְתַּ֣ם
(netam)
is in brand
אָ֑רֶץ
(arets)
het land
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en is
הָעָם֙
(haam)
het volk
כְּמַאֲכֹ֣לֶת
(kemaakholet)
als voedsel van
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
אִ֥ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
tegen
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broer
לֹ֥א
(lo)
niet
יַחְמֹֽלוּ
(yachmolu)
spaart hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶעְתַּם (ne’tam), ‘staat in brand’: dit werkwoord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker; ook ‘is verduisterd’ of ‘is verschroeid’ is mogelijk.

עֶבְרָה (evrah), ‘woede’: een uitbarsting van toorn.

19Men snijdt af aan de rechterkant en blijft hongerig. Men eet aan de linkerkant en wordt niet verzadigd. Ieder eet het vlees van zijn arm.
וַיִּגְזֹ֤ר
(vayigzor)
en men snijdt af
עַל
(al)
aan
יָמִין֙
(yamin)
de rechterkant
וְרָעֵ֔ב
(veraev)
en is hongerig
וַיֹּ֥אכַל
(vayokhal)
en men eet
עַל
(al)
aan
שְׂמֹ֖אול
(semovl)
de linkerkant
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׂבֵ֑עוּ
(saveu)
zijn verzadigd
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
בְּשַׂר
(besar)
het vlees van
זְרֹע֖וֹ
(zeroo)
zijn arm
יֹאכֵֽלוּ
(yokhelu)
eet men
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּגְזֹר (vayigzor), ‘men snijdt af’: ook ‘men grijpt’ of ‘men hapt’.

Rechts en links betekent: overal.

Lezing

זְרֹעוֹ (zero’o), ‘zijn arm’.

Met andere klinkers staat er ‘zijn nakomeling’.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

20Manasse verslindt Efraïm, en Efraïm Manasse. Samen zijn zij tegen Juda. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
אֶת
(et)
(obj.)
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
וְאֶפְרַ֨יִם֙
(veefrayim)
en Efraïm
אֶת
(et)
(obj.)
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
יַחְדָּ֥ו
(yachdav)
samen
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
עַל
(al)
tegen
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
בְּכָל
(bekhal)
bij heel
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
is afgewend
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְע֖וֹד
(veod)
en nog
יָד֥וֹ
(yado)
Zijn hand
נְטוּיָֽה
(netuya)
uitgestrekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Manasse en Efraïm zijn de twee zonen van Jozef (Gen. 48:5).

Hun stammen vormen samen het hart van het noordelijke rijk.

Nu keren zij zich tegen elkaar.