Een groot licht, een kind is ons geboren, en de hand die uitgestrekt blijft
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een groot licht
1Het volk dat in de duisternis liep, heeft een groot licht gezien. Wie in het land van diepe schaduw woonden: over hen heeft licht geschenen.
הָעָם֙
(haam)
het volk
הַהֹלְכִ֣ים
(haholekhim)
dat liep
בַּחֹ֔שֶׁךְ
(bachoshekh)
in duisternis
רָא֖וּ
(rau)
heeft gezien
א֣וֹר
(or)
een licht
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
יֹשְׁבֵי֙
(yoshevei)
die woonden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
צַלְמָ֔וֶת
(tsalmavet)
diepe schaduw
א֖וֹר
(or)
licht
נָגַ֥הּ
(nagah)
heeft geschenen
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is in de Nederlandse telling Jes. 9:2.
Hebr. 8:23 = NL 9:1, en Hebr. 9:1–20 = NL 9:2–21.
Wij volgen de Hebreeuwse telling.
Zie ook Matt. 4:15–16.
צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’: ook ‘schaduw van de dood’. Vergelijk Amos 5:8 en Ps. 23:4.
De werkwoorden staan in de verleden tijd (‘heeft gezien’, ‘heeft geschenen’). Dat blijft zo tot en met vers 5.
2U hebt het volk talrijk gemaakt, U hebt voor hem de vreugde groot gemaakt. Zij verheugen zich voor Uw aangezicht, zoals men zich verheugt in de oogst, zoals men juicht wanneer men de buit verdeelt.
הִרְבִּ֣יתָ
(hirbita)
U hebt talrijk gemaakt
הַגּ֔וֹי
(hagoy)
het volk
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
הִגְדַּ֣לְתָּ
(higdalta)
U hebt groot gemaakt
הַשִּׂמְחָ֑ה
(hasimcha)
de vreugde
שָׂמְח֤וּ
(samechu)
zij verheugen zich
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
כְּשִׂמְחַ֣ת
(kesimchat)
zoals de vreugde bij
בַּקָּצִ֔יר
(baqatsir)
de oogst
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
יָגִ֖ילוּ
(yagilu)
men juicht
בְּחַלְּקָ֥ם
(bechaleqam)
bij hun verdelen van
שָׁלָֽל
(shalal)
buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft לֹא (lo), ‘niet’: ‘U hebt het volk talrijk gemaakt, maar de vreugde niet groot’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft לוֹ (lo), ‘voor hem’.
5Want een kind is ons geboren. Een zoon is ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouder. Zijn naam wordt genoemd: Wonderbare Raadsman, Sterke El, Vader van de Eeuwigheid, Overste van de Vrede.
כִּי
(ki)
want
יֶ֣לֶד
(yeled)
een kind
יֻלַּד
(yulad)
is geboren
לָ֗נוּ
(lanu)
ons
בֵּ֚ן
(ben)
een zoon
נִתַּן
(nitan)
is gegeven
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en zal zijn
הַמִּשְׂרָ֖ה
(hamisra)
de heerschappij
עַל
(al)
op
שִׁכְמ֑וֹ
(shikhmo)
zijn schouder
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en genoemd wordt
שְׁמ֜וֹ
(shemo)
zijn naam
פֶּ֠לֶא
(pele)
Wonder
יוֹעֵץ֙
(yoets)
Raadsman
אֵ֣ל
(el)
El
גִּבּ֔וֹר
(gibor)
Sterke
אֲבִי
(avi)
Vader van
עַ֖ד
(ad)
de eeuwigheid
שַׂר
(sar)
Overste van
שָׁלֽוֹם
(shalom)
de vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De naam heeft vier delen: פֶּלֶא יוֹעֵץ (Pele Yoetz), ‘Wonderbare Raadsman’, letterlijk ‘wonder, raadsman’; אֵל גִּבּוֹר (El Gibbor), ‘Sterke El’, zoals in Deut. 10:17; אֲבִי עַד (Avi Ad), ‘Vader van de Eeuwigheid’; en שַׂר שָׁלוֹם (Sar Shalom), ‘Overste van de Vrede’.
Het Hebreeuws zegt ‘zijn naam’ in het enkelvoud: één naam met vier delen.
Lezing
וַיִּקְרָא (vayyiqra), letterlijk ‘en hij riep’ of ‘men riep’.
6Aan de groei van de heerschappij en aan de vrede komt geen einde, op de troon van David en over zijn koninkrijk. Om het vast te stellen en te steunen met recht en gerechtigheid, van nu af en voor eeuwig. De ijver van Yahweh van de legermachten zal dit doen.
לְמַרְבֵּ֨ה
(lemarbe)
tot de groei van
הַמִּשְׂרָ֜ה
(hamisra)
de heerschappij
וּלְשָׁל֣וֹם
(uleshalom)
en tot de vrede
אֵֽין
(ein)
geen
קֵ֗ץ
(qets)
einde
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֤א
(kise)
de troon van
דָוִד֙
(david)
David
וְעַל
(veal)
en over
מַמְלַכְתּ֔וֹ
(mamlakhto)
zijn koninkrijk
לְהָכִ֤ין
(lehakhin)
om vast te stellen
אֹתָהּ֙
(otah)
het
וּֽלְסַעֲדָ֔הּ
(ulesaadah)
en om het te steunen
בְּמִשְׁפָּ֖ט
(bemishpat)
door recht
וּבִצְדָקָ֑ה
(uvitsdaqa)
en door gerechtigheid
מֵעַתָּה֙
(meata)
van nu af
וְעַד
(vead)
en tot
עוֹלָ֔ם
(olam)
voor eeuwig
קִנְאַ֛ת
(qinat)
de ijver van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
תַּעֲשֶׂה
(taase)
zal doen
זֹּֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂר (sar), ‘overste’: zoals in Amos 1:15.
מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, zijn de grondslag van deze heerschappij.
De belofte aan David staat in 2 Sam. 7:13 en 7:16.
קִנְאַת (qin’at), ‘ijver’: ook ‘naijver’. Het is de ijver van Yahweh voor Zijn volk en Zijn naam. Dezelfde zin staat in Jes. 37:32; vergelijk 2 Kon. 19:31 (daar zonder Tsevaot).
Het Hebreeuws heeft hier één lange zin. Wij splitsen hem na ‘koninkrijk’. ‘Om het vast te stellen en te steunen’ staat daarna als aparte zin.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat in het eerste woord, לםרבה, een gesloten mem (ם) midden in het woord.
De voorgelezen tekst (qere) leest לְמַרְבֵּה (lemarbeh), ‘tot de groei van’.
11Aram van voren en de Filistijnen van achteren: zij verslinden Israël met volle mond. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.
אֲרָ֣ם
(aram)
Aram
מִקֶּ֗דֶם
(miqedem)
van voren
וּפְלִשְׁתִּים֙
(ufelishtim)
en Filistijnen
מֵֽאָח֔וֹר
(meachor)
van achteren
וַיֹּאכְל֥וּ
(vayokhlu)
en zij verslinden
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּכָל
(bekhal)
met heel
פֶּ֑ה
(pe)
de mond
בְּכָל
(bekhal)
bij heel
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
is afgewend
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְע֖וֹד
(veod)
en nog
יָד֥וֹ
(yado)
Zijn hand
נְטוּיָֽה
(netuya)
uitgestrekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
מִקֶּדֶם (miqqedem), ‘van voren’: letterlijk ‘van het oosten’.
Wie naar het oosten kijkt, heeft het oosten voor zich en het westen achter zich.
Aram ligt ten noordoosten van Israël, de Filistijnen liggen in het westen.
בְּכָל זֹאת לֹא שָׁב אַפּוֹ וְעוֹד יָדוֹ נְטוּיָה (bechol zot lo shav appo veod yado netuyah), ‘Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt’: een refrein. Het staat ook in Jes. 5:25 en keert terug in 9:16, 9:20 en 10:4.
16Daarom verheugt de Heer Zich niet over zijn jongemannen. Hij ontfermt Zich niet over zijn wezen en zijn weduwen. Want zij zijn allemaal goddeloos en kwaaddoeners, en elke mond spreekt dwaasheid. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֨ן
(ken)
(zo)
עַל
(al)
over
בַּחוּרָ֜יו
(bachurav)
zijn jongemannen
לֹֽא
(lo)
niet
יִשְׂמַ֣ח
(yismach)
verheugt Zich
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
de Heer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְתֹמָ֤יו
(yetomav)
zijn wezen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַלְמְנֹתָיו֙
(almenotav)
zijn weduwen
לֹ֣א
(lo)
niet
יְרַחֵ֔ם
(yerachem)
ontfermt Hij Zich
כִּ֤י
(ki)
want
כֻלּוֹ֙
(kulo)
allen
חָנֵ֣ף
(chanef)
goddeloos
וּמֵרַ֔ע
(umera)
en kwaaddoener
וְכָל
(vekhal)
en elke
פֶּ֖ה
(pe)
mond
דֹּבֵ֣ר
(dover)
spreekt
נְבָלָ֑ה
(nevala)
dwaasheid
בְּכָל
(bekhal)
bij heel
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
is afgewend
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְע֖וֹד
(veod)
en nog
יָד֥וֹ
(yado)
Zijn hand
נְטוּיָֽה
(netuya)
uitgestrekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Zijn jongemannen’, ‘zijn wezen’ en ‘zijn weduwen’: ‘zijn’ gaat hier over het volk van vers 15, niet over de Heer.
Wezen en weduwen zijn de weerlozen die Yahweh beschermt (Exod. 22:21–23).
חָנֵף (chanef), ‘goddeloos’: ook ‘ontrouw’ of ‘vervuild’. נְבָלָה (nevalah), ‘dwaasheid’: ook ‘schandelijkheid’.
17Want de goddeloosheid brandt als vuur. Ze verteert doornstruiken en doornen. Ze steekt het dichte struikgewas van het woud in brand, en het rolt omhoog als een kolom van rook.
כִּֽי
(ki)
want
בָעֲרָ֤ה
(baara)
brandt
כָאֵשׁ֙
(kaesh)
als vuur
רִשְׁעָ֔ה
(risha)
goddeloosheid
שָׁמִ֥יר
(shamir)
doornstruiken
וָשַׁ֖יִת
(vashayit)
en doornen
תֹּאכֵ֑ל
(tokhel)
verteert het
וַתִּצַּת֙
(vatitsat)
en steekt het in brand
בְּסִֽבְכֵ֣י
(besivkhei)
in de dichtste struiken van
הַיַּ֔עַר
(hayaar)
het woud
וַיִּֽתְאַבְּכ֖וּ
(vayitabekhu)
en zij rollen omhoog
גֵּא֥וּת
(geut)
opstijgende kolom van
עָשָֽׁן
(ashan)
rook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רִשְׁעָה (rish’ah), ‘goddeloosheid’: ook ‘kwaad’.
Het beeld: het kwaad brandt als een vuur.
Eerst verteert het onkruid (doornstruiken en doornen) en dan het hele woud.
גֵּאוּת עָשָׁן (ge’ut ashan), ‘kolom van rook’: de uitdrukking is onzeker.
20Manasse verslindt Efraïm, en Efraïm Manasse. Samen zijn zij tegen Juda. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
אֶת
(et)
(obj.)
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
וְאֶפְרַ֨יִם֙
(veefrayim)
en Efraïm
אֶת
(et)
(obj.)
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
יַחְדָּ֥ו
(yachdav)
samen
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
עַל
(al)
tegen
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
בְּכָל
(bekhal)
bij heel
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
is afgewend
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְע֖וֹד
(veod)
en nog
יָד֥וֹ
(yado)
Zijn hand
נְטוּיָֽה
(netuya)
uitgestrekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Manasse en Efraïm zijn de twee zonen van Jozef (Gen. 48:5).
Hun stammen vormen samen het hart van het noordelijke rijk.