De ark wordt door de Levieten naar Jeruzalem gebracht
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David maakt een plaats klaar voor de ark
1David maakte huizen voor zichzelf in de stad van David. Hij maakte een plaats klaar voor de ark van Elohim en spande er een tent voor op.
וַיַּֽעַשׂ
(vayaas)
en maakte
ל֥וֹ
(lo)
voor zich
בָתִּ֖ים
(batim)
huizen
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיָּ֤כֶן
(vayakhen)
en maakte gereed
מָקוֹם֙
(maqom)
een plaats
לַֽאֲר֣וֹן
(laaron)
voor de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
וַיֶּט
(vayet)
en spande uit
ל֖וֹ
(lo)
voor haar
אֹֽהֶל
(ohel)
een tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De stad van David is het oudste deel van Jeruzalem, op de zuidoostelijke heuvel (nu Silwan, Oost-Jeruzalem).
Uitleg
Vers 1–24 hebben geen parallel in Samuël.
Vers 25–29 lopen parallel met 2 Sam. 6:12–16.
De tent komt ook voor in 2 Sam. 6:17 en 1 Kron. 16:1.
2Toen zei David: „Niemand mag de ark van Elohim dragen, behalve de Levieten. Want hen heeft Yahweh gekozen om de ark van Yahweh te dragen en om Hem te dienen tot in eeuwigheid.”
אָ֚ז
(az)
toen
אָמַ֣ר
(amar)
zei
דָּוִ֔יד
(david)
David
לֹ֤א
(lo)
niet
לָשֵׂאת֙
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
כִּ֖י
(ki)
dan
אִם
(im)
alleen
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
כִּי
(ki)
want
בָ֣ם
(bam)
hen
בָּחַ֣ר
(bachar)
koos
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לָשֵׂ֞את
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֧וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וּֽלְשָׁרְת֖וֹ
(uleshareto)
en om Hem te dienen
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David bedoelt dat alleen de Levieten de ark mogen dragen, zoals de wet zegt (Num. 4:15; 7:9; Deut. 10:8; 31:25).
Bij de eerste poging stond de ark op een wagen (1 Kron. 13:7).
12Hij zei tegen hen: „Jullie zijn de familiehoofden van de Levieten. Maak jullie heilig, jullie en jullie broeders. Breng de ark van Yahweh, de Elohim van Israël, omhoog naar de plaats die ik voor haar heb klaargemaakt.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
רָאשֵׁ֥י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֖וֹת
(haavot)
de vaders
לַלְוִיִּ֑ם
(lalviyim)
van de Levieten
הִֽתְקַדְּשׁוּ֙
(hitqadeshu)
maak jullie heilig
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
וַאֲחֵיכֶ֔ם
(vaacheikhem)
en jullie broeders
וְהַֽעֲלִיתֶ֗ם
(vehaalitem)
en breng omhoog
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲר֤וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הֲכִינ֖וֹתִי
(hakhinoti)
wat ik heb klaargemaakt
לֽוֹ
(lo)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De zonen van de Levieten droegen de ark van Elohim, zoals Mozes had geboden volgens het woord van Yahweh. Dat deden zij op hun schouders, met de draagstokken erop.
וַיִּשְׂא֣וּ
(vayisu)
en droegen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּכְתֵפָ֥ם
(bikhtefam)
op hun schouders
בַּמֹּט֖וֹת
(bamotot)
met draagstokken
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּמֹּטוֹת (bammotot), ‘met draagstokken’: de draagstokken van de ark (Exod. 25:13–15).
Wat Mozes heeft geboden staat in Num. 4:15 en 7:9.
16David zei tegen de hoofden van de Levieten dat zij hun broeders, de zangers, moesten opstellen. Zij moesten spelen met instrumenten voor het lied: harpen, lieren en bekkens. Zij moesten ze laten klinken en hun stem verheffen met vreugde.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִיד֮
(david)
David
לְשָׂרֵ֣י
(lesarei)
tegen de hoofden van
הַלְוִיִּם֒
(halviyim)
de Levieten
לְהַֽעֲמִ֗יד
(lehaamid)
om te laten staan
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחֵיהֶם֙
(acheihem)
hun broeders
הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(hamshorerim)
de zangers
בִּכְלֵי
(bikhlei)
met instrumenten van
שִׁ֛יר
(shir)
lied
נְבָלִ֥ים
(nevalim)
harpen
וְכִנֹּר֖וֹת
(vekhinorot)
en lieren
וּמְצִלְתָּ֑יִם
(umetsiltayim)
en bekkens
מַשְׁמִיעִ֥ים
(mashmiim)
die laten klinken
לְהָרִֽים
(leharim)
door te verheffen
בְּק֖וֹל
(beqol)
met stem
לְשִׂמְחָֽה
(lesimcha)
van vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּלֵי שִׁיר (kele shir), ‘instrumenten voor het lied’: nevel (נֶבֶל), ‘harp’; kinnor (כִּנּוֹר), ‘lier’; metsiltayim (מְצִלְתַּיִם), ‘bekkens’.
מַשְׁמִיעִים (mashmiim), ‘die laten klinken’: dit gaat over de zangers en hun instrumenten.
17De Levieten stelden Heman op, de zoon van Joël. Van zijn broeders stelden zij Asaf op, de zoon van Berechjahu. Van de zonen van Merari, hun broeders, stelden zij Etan op, de zoon van Kusaja.
וַיַּעֲמִ֣ידוּ
(vayaamidu)
en lieten staan
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הֵימָ֣ן
(heiman)
Heman
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאֵ֔ל
(yoel)
Joël
וּמִ֨ן
(umin)
en van
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broeders
אָסָ֖ף
(asaf)
Asaf
בֶּן
(ben)
zoon van
בֶּֽרֶכְיָ֑הוּ
(berekhyahu)
Berechjahu
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
מְרָרִי֙
(merari)
Merari
אֲחֵיהֶ֔ם
(acheihem)
hun broeders
אֵיתָ֖ן
(eitan)
Etan
בֶּן
(ben)
zoon van
קֽוּשָׁיָֽהוּ
(qushayahu)
Kusaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Heman, Asaf en Etan zijn de drie leiders van de zangers.
Zij horen bij de families van Kehat, Gersjon en Merari.
Zie ook 1 Kron. 6:16–32 (Hebreeuwse telling).
Lezing
Asaf, de zoon van Berechjahu (בֶּרֶכְיָהוּ), staat ook in 1 Kron. 6:24.
18Bij hen waren hun broeders van de tweede rang. Dat waren Zacharia, Ben, Jaäziël, Sjemiramot, Jechiël, Uni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Eliflehu, Mikneja, Obed-Edom en Jeïël, de poortwachters.
וְעִמָּהֶ֖ם
(veimahem)
en met hen
אֲחֵיהֶ֣ם
(acheihem)
hun broeders
הַמִּשְׁנִ֑ים
(hamishnim)
de tweede
זְכַרְיָ֡הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
בֵּ֡ן
(ben)
Ben
וְיַֽעֲזִיאֵ֡ל
(veyaaziel)
en Jaäziël
וּשְׁמִֽירָמ֡וֹת
(ushemiramot)
en Sjemiramot
וִיחִיאֵ֣ל
(vichiel)
en Jechiël
וְעֻנִּ֡י
(veuni)
en Uni
אֱלִיאָ֡ב
(eliav)
Eliab
וּבְנָיָ֡הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
וּמַֽעֲשֵׂיָ֡הוּ
(umaaseyahu)
en Maäseja
וּמַתִּתְיָהוּ֩
(umatityahu)
en Mattitja
וֶאֱלִ֨יפְלֵ֜הוּ
(veelifelehu)
en Eliflehu
וּמִקְנֵיָ֨הוּ
(umiqneyahu)
en Mikneja
וְעֹבֵ֥ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֛ם
(edom)
Edom
וִֽיעִיאֵ֖ל
(viiel)
en Jeïël
הַשֹּׁעֲרִֽים
(hashoarim)
de poortwachters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמִּשְׁנִים (hamishnim), ‘van de tweede rang’: letterlijk ‘de tweede’.
Het zijn de Levieten die na de leiders komen.
Lezing
בֵּן (ben), ‘Ben’: wij nemen dit als een eigennaam, omdat de rest van de lijst alleen uit namen bestaat.
In vers 20 staat deze naam niet.
Het woord kan ook ‘zoon’ betekenen.
De tekst is hier moeilijk.
In vers 18 staat Jaäziël (יַעֲזִיאֵל); in vers 20 staat Azziël (עֻזִּיאֵל). Waarschijnlijk is het dezelfde man. Wij vertalen beide zoals zij staan.
24De priesters Sjebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zacharia, Benaja en Eliëzer bliezen op de trompetten voor de ark van Elohim. Obed-Edom en Jechia waren poortwachters voor de ark.
וּשְׁבַנְיָ֡הוּ
(ushevanyahu)
en Sjebanja
וְיֽוֹשָׁפָ֡ט
(veyoshafat)
en Josafat
וּנְתַנְאֵ֡ל
(unetanel)
en Netanel
וַעֲמָשַׂ֡י
(vaamasay)
en Amasai
וּ֠זְכַרְיָהוּ
(uzekharyahu)
en Zacharia
וּבְנָיָ֤הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
וֶֽאֱלִיעֶ֨זֶר֙
(veeliezer)
en Eliëzer
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
מַחְצְרִים֙
(machtserim)
die bliezen
בַּחֲצֹ֣צְר֔וֹת
(bachatsotserot)
op trompetten
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וְעֹבֵ֤ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹם֙
(edom)
Edom
וִֽיחִיָּ֔ה
(vichiya)
en Jechia
שֹׁעֲרִ֖ים
(shoarim)
poortwachters
לָאָרֽוֹן
(laaron)
voor de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het geschreven woord (ketiv) is מחצצרים (machtsetsrim), ‘die op trompetten bliezen’.
De voorgelezen vorm (qere) is מַחְצְרִים (machtserim).
Wij volgen de qere; de betekenis is hetzelfde.
Obed-Edom komt in vers 18, 21 en 24 voor. De tekst zegt niet of dit dezelfde man is als de Gattiet uit 1 Kron. 13:13. Zie ook 1 Kron. 16:38.
25David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over de duizenden gingen op weg. Zij brachten de ark van het verbond van Yahweh met vreugde omhoog uit het huis van Obed-Edom.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דָוִ֛יד
(david)
David
וְזִקְנֵ֥י
(veziqnei)
en de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en de bevelhebbers van
הָאֲלָפִ֑ים
(haalafim)
de duizenden
הַהֹֽלְכִ֗ים
(haholekhim)
die gingen
לְֽהַעֲל֞וֹת
(lehaalot)
om omhoog te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֧וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מִן
(min)
uit
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
עֹבֵֽד
(oved)
Obed
אֱדֹ֖ם
(edom)
Edom
בְּשִׂמְחָֽה
(besimcha)
met vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27David was gehuld in een mantel van fijn linnen. Dat gold ook voor alle Levieten die de ark droegen, voor de zangers en voor Kenanja, het hoofd van het dragen bij de zangers. David droeg ook een linnen efod.
וְדָוִ֞יד
(vedavid)
en David
מְכֻרְבָּ֣ל
(mekhurbal)
gehuld
בִּמְעִ֣יל
(bimil)
in een mantel van
בּ֗וּץ
(buts)
fijn linnen
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
Levieten
הַנֹּשְׂאִ֣ים
(hanoseim)
die droegen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָר֔וֹן
(haaron)
de ark
וְהַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וּכְנַנְיָ֛ה
(ukhenanya)
en Kenanja
הַשַּׂ֥ר
(hasar)
het hoofd van
הַמַּשָּׂ֖א
(hamasa)
het dragen
הַמְשֹֽׁרְרִ֑ים
(hamshorerim)
de zangers
וְעַל
(veal)
en op
דָּוִ֖יד
(david)
David
אֵפ֥וֹד
(efod)
een efod
בָּֽד
(bad)
linnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְכֻרְבָּל (mekhurbal), ‘gehuld’: dit woord komt maar één keer voor.
מְעִיל בּוּץ (meil buts), ‘een mantel van fijn linnen’.
אֵפוֹד בָּד (efod bad), ‘een linnen efod’: een eenvoudig linnen kleed, niet de efod van de hogepriester (Exod. 28). Zie ook 2 Sam. 6:14.
Het laatste woord van de lijst (‘de zangers’) staat achter ‘het hoofd van het dragen’. Wij lezen dat als bijvoeging: Kenanja was het hoofd van het dragen bij de zangers.
28Heel Israël bracht de ark van het verbond van Yahweh omhoog, met gejuich, met het geluid van de ramshoorn, met trompetten en bekkens. Er klonken harpen en lieren.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מַעֲלִים֙
(maalim)
brengend omhoog
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּתְרוּעָה֙
(bitrua)
met gejuich
וּבְק֣וֹל
(uveqol)
en met geluid van
שׁוֹפָ֔ר
(shofar)
ramshoorn
וּבַחֲצֹצְר֖וֹת
(uvachatsotserot)
en met trompetten
וּבִמְצִלְתָּ֑יִם
(uvimtsiltayim)
en met bekkens
מַשְׁמִעִ֕ים
(mashmiim)
die lieten klinken
בִּנְבָלִ֖ים
(binvalim)
met harpen
וְכִנֹּרֽוֹת
(vekhinorot)
en lieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Toen de ark van het verbond van Yahweh de stad van David binnenkwam, keek Michal, de dochter van Saul, door het raam naar buiten. Zij zag koning David dansen en spelen. Zij verachtte hem in haar hart.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אֲרוֹן֙
(aron)
de ark van
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֖א
(ba)
komend
עַד
(ad)
tot
עִ֣יר
(ir)
de stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וּמִיכַ֨ל
(umikhal)
en Michal
בַּת
(bat)
de dochter van
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
נִשְׁקְפָ֣ה
(nishqefa)
keek uit
בְּעַ֣ד
(bead)
door
הַחַלּ֗וֹן
(hachalon)
het raam
וַתֵּ֨רֶא
(vatere)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִיד֙
(david)
David
מְרַקֵּ֣ד
(meraqed)
dansend
וּמְשַׂחֵ֔ק
(umesacheq)
en spelend
וַתִּ֥בֶז
(vativez)
en verachtte
ל֖וֹ
(lo)
hem
בְּלִבָּֽהּ
(belibah)
in haar hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
2 Sam. 6:16 zegt: ‘springen en ronddraaien’.
Kronieken zegt: ‘dansen en spelen’ (מְרַקֵּד וּמְשַׂחֵק, merakked umesachek).
Het gesprek tussen Michal en David (2 Sam. 6:20–23) staat niet in Kronieken.