Elohim Bijbel

1 Kronieken 15

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De ark wordt door de Levieten naar Jeruzalem gebracht

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David maakt een plaats klaar voor de ark

1David maakte huizen voor zichzelf in de stad van David. Hij maakte een plaats klaar voor de ark van Elohim en spande er een tent voor op.
וַיַּֽעַשׂ
(vayaas)
en maakte
ל֥וֹ
(lo)
voor zich
בָתִּ֖ים
(batim)
huizen
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיָּ֤כֶן
(vayakhen)
en maakte gereed
מָקוֹם֙
(maqom)
een plaats
לַֽאֲר֣וֹן
(laaron)
voor de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
וַיֶּט
(vayet)
en spande uit
ל֖וֹ
(lo)
voor haar
אֹֽהֶל
(ohel)
een tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De stad van David is het oudste deel van Jeruzalem, op de zuidoostelijke heuvel (nu Silwan, Oost-Jeruzalem).

Uitleg

Vers 1–24 hebben geen parallel in Samuël.

Vers 25–29 lopen parallel met 2 Sam. 6:12–16.

De tent komt ook voor in 2 Sam. 6:17 en 1 Kron. 16:1.

2Toen zei David: „Niemand mag de ark van Elohim dragen, behalve de Levieten. Want hen heeft Yahweh gekozen om de ark van Yahweh te dragen en om Hem te dienen tot in eeuwigheid.”
אָ֚ז
(az)
toen
אָמַ֣ר
(amar)
zei
דָּוִ֔יד
(david)
David
לֹ֤א
(lo)
niet
לָשֵׂאת֙
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
כִּ֖י
(ki)
dan
אִם
(im)
alleen
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
כִּי
(ki)
want
בָ֣ם
(bam)
hen
בָּחַ֣ר
(bachar)
koos
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לָשֵׂ֞את
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֧וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וּֽלְשָׁרְת֖וֹ
(uleshareto)
en om Hem te dienen
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David bedoelt dat alleen de Levieten de ark mogen dragen, zoals de wet zegt (Num. 4:15; 7:9; Deut. 10:8; 31:25).

Bij de eerste poging stond de ark op een wagen (1 Kron. 13:7).

3David verzamelde heel Israël in Jeruzalem om de ark van Yahweh omhoog te brengen naar haar plaats, die hij voor haar had klaargemaakt.
וַיַּקְהֵ֥ל
(vayaqhel)
en verzamelde
דָּוִ֛יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לְהַעֲלוֹת֙
(lehaalot)
om omhoog te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמ֖וֹ
(meqomo)
haar plaats
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵכִ֥ין
(hekhin)
had klaargemaakt
לֽוֹ
(lo)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

De Levieten worden bijeengeroepen

4David riep de zonen van Aäron en de Levieten bijeen.
וַיֶּאֱסֹ֥ף
(vayeesof)
en verzamelde
דָּוִ֛יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
אַֽהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Van de zonen van Kehat: Uriël, het hoofd, en zijn broeders: 120.
לִבְנֵ֖י
(livnei)
van de zonen van
קְהָ֑ת
(qehat)
Kehat
אוּרִיאֵ֣ל
(uriel)
Uriël
הַשָּׂ֔ר
(hasar)
het hoofd
וְאֶחָ֖יו
(veechav)
en zijn broeders
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִֽים
(veesrim)
en twintig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In vers 5–10 staan zes families van de Levieten.

Kehat, Merari en Gersjon zijn de drie zonen van Levi (Num. 3:17).

Elizafan, Hebron en Uzziël horen bij Kehat (Exod. 6:18, 22; Num. 3:19, 30).

Hier worden zij apart genoemd, naast de zonen van Kehat.

הַשָּׂר (hasar), ‘het hoofd’: de aanvoerder van de familie.

6Van de zonen van Merari: Asaja, het hoofd, en zijn broeders: 220.
לִבְנֵ֖י
(livnei)
van de zonen van
מְרָרִ֑י
(merari)
Merari
עֲשָׂיָ֣ה
(asaya)
Asaja
הַשָּׂ֔ר
(hasar)
het hoofd
וְאֶחָ֖יו
(veechav)
en zijn broeders
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
וְעֶשְׂרִֽים
(veesrim)
en twintig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Van de zonen van Gersjon: Joël, het hoofd, en zijn broeders: 130.
לִבְנֵ֖י
(livnei)
van de zonen van
גֵּרְשׁ֑וֹם
(gereshom)
Gersjon
יוֹאֵ֣ל
(yoel)
Joël
הַשָּׂ֔ר
(hasar)
het hoofd
וְאֶחָ֖יו
(veechav)
en zijn broeders
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וּשְׁלֹשִֽׁים
(usheloshim)
en dertig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּרְשׁוֹם (gershom): in Kronieken staat de naam van de Levietenfamilie hier met een slot-ם.

Het gaat om Gersjon, de zoon van Levi (Num. 3:17).

Wij schrijven overal ‘Gersjon’.

De zoon van Mozes heet Gersom (Exod. 2:22) en is een andere man.

8Van de zonen van Elizafan: Sjemaja, het hoofd, en zijn broeders: 200.
לִבְנֵ֖י
(livnei)
van de zonen van
אֱלִֽיצָפָ֑ן
(elitsafan)
Elizafan
שְׁמַֽעְיָ֥ה
(shemaya)
Sjemaja
הַשָּׂ֖ר
(hasar)
het hoofd
וְאֶחָ֥יו
(veechav)
en zijn broeders
מָאתָֽיִם
(matayim)
tweehonderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 6:22
9Van de zonen van Hebron: Eliël, het hoofd, en zijn broeders: 80.
לִבְנֵ֖י
(livnei)
van de zonen van
חֶבְר֑וֹן
(chevron)
Hebron
אֱלִיאֵ֥ל
(eliel)
Eliël
הַשָּׂ֖ר
(hasar)
het hoofd
וְאֶחָ֥יו
(veechav)
en zijn broeders
שְׁמוֹנִֽים
(shemonim)
tachtig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Van de zonen van Uzziël: Amminadab, het hoofd, en zijn broeders: 112.
לִבְנֵ֖י
(livnei)
van de zonen van
עֻזִּיאֵ֑ל
(uziel)
Uzziël
עַמִּינָדָ֣ב
(aminadav)
Amminadab
הַשָּׂ֔ר
(hasar)
het hoofd
וְאֶחָ֕יו
(veechav)
en zijn broeders
מֵאָ֖ה
(mea)
honderd
וּשְׁנֵ֥ים
(usheneim)
en twee
עָשָֽׂר
(asar)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11David riep de priesters Zadok en Abjatar bij zich, en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Sjemaja, Eliël en Amminadab.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
דָוִ֔יד
(david)
David
לְצָד֥וֹק
(letsadoq)
Zadok
וּלְאֶבְיָתָ֖ר
(uleevyatar)
en Abjatar
הַכֹּֽהֲנִ֑ים
(hakohanim)
de priesters
וְלַלְוִיִּ֗ם
(velalviyim)
en de Levieten
לְאֽוּרִיאֵ֤ל
(leuriel)
Uriël
עֲשָׂיָה֙
(asaya)
Asaja
וְיוֹאֵ֣ל
(veyoel)
en Joël
שְׁמַֽעְיָ֔ה
(shemaya)
Sjemaja
וֶאֱלִיאֵ֖ל
(veeliel)
en Eliël
וְעַמִּינָדָֽב
(veaminadav)
en Amminadab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zadok en Abjatar zijn de twee priesters van David (2 Sam. 8:17; 15:24–29).

12Hij zei tegen hen: „Jullie zijn de familiehoofden van de Levieten. Maak jullie heilig, jullie en jullie broeders. Breng de ark van Yahweh, de Elohim van Israël, omhoog naar de plaats die ik voor haar heb klaargemaakt.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
רָאשֵׁ֥י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֖וֹת
(haavot)
de vaders
לַלְוִיִּ֑ם
(lalviyim)
van de Levieten
הִֽתְקַדְּשׁוּ֙
(hitqadeshu)
maak jullie heilig
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
וַאֲחֵיכֶ֔ם
(vaacheikhem)
en jullie broeders
וְהַֽעֲלִיתֶ֗ם
(vehaalitem)
en breng omhoog
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲר֤וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הֲכִינ֖וֹתִי
(hakhinoti)
wat ik heb klaargemaakt
לֽוֹ
(lo)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Want de eerste keer waren jullie er niet. Yahweh, onze Elohim, maakte toen een doorbraak onder ons, omdat wij Hem niet zochten volgens het recht.”
כִּ֛י
(ki)
want
לְמַ
(lema)
op de
בָּרִ֥אשׁוֹנָ֖ה
(barishona)
eerste keer
לֹ֣א
(lo)
niet
אַתֶּ֑ם
(atem)
jullie
פָּרַ֨ץ
(parats)
heeft doorbroken
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
בָּ֔נוּ
(banu)
onder ons
כִּי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
דְרַשְׁנֻ֖הוּ
(derashnuhu)
hebben wij Hem gezocht
כַּמִּשְׁפָּֽט
(kamishpat)
volgens het recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּרִאשֹׁנָה (barishonah), ‘de eerste keer’: het Hebreeuws schrijft dit woord in twee delen (לְמַ en בָּרִאשֹׁנָה).

Het gaat om de eerste poging, toen Uzza stierf (1 Kron. 13:9–11).

כְּמִשְׁפָּט (kamishpat), ‘volgens het recht’: volgens de voorgeschreven wijze (mishpat), zoals Mozes heeft geboden.

14De priesters en de Levieten maakten zich heilig om de ark van Yahweh, de Elohim van Israël, omhoog te brengen.
וַיִּֽתְקַדְּשׁ֔וּ
(vayitqadeshu)
en maakten zich heilig
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֑ם
(vehalviyim)
en de Levieten
לְהַעֲל֕וֹת
(lehaalot)
om omhoog te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De zonen van de Levieten droegen de ark van Elohim, zoals Mozes had geboden volgens het woord van Yahweh. Dat deden zij op hun schouders, met de draagstokken erop.
וַיִּשְׂא֣וּ
(vayisu)
en droegen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּכְתֵפָ֥ם
(bikhtefam)
op hun schouders
בַּמֹּט֖וֹת
(bamotot)
met draagstokken
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּמֹּטוֹת (bammotot), ‘met draagstokken’: de draagstokken van de ark (Exod. 25:13–15).

Wat Mozes heeft geboden staat in Num. 4:15 en 7:9.

De zangers en de muzikanten

16David zei tegen de hoofden van de Levieten dat zij hun broeders, de zangers, moesten opstellen. Zij moesten spelen met instrumenten voor het lied: harpen, lieren en bekkens. Zij moesten ze laten klinken en hun stem verheffen met vreugde.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִיד֮
(david)
David
לְשָׂרֵ֣י
(lesarei)
tegen de hoofden van
הַלְוִיִּם֒
(halviyim)
de Levieten
לְהַֽעֲמִ֗יד
(lehaamid)
om te laten staan
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחֵיהֶם֙
(acheihem)
hun broeders
הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(hamshorerim)
de zangers
בִּכְלֵי
(bikhlei)
met instrumenten van
שִׁ֛יר
(shir)
lied
נְבָלִ֥ים
(nevalim)
harpen
וְכִנֹּר֖וֹת
(vekhinorot)
en lieren
וּמְצִלְתָּ֑יִם
(umetsiltayim)
en bekkens
מַשְׁמִיעִ֥ים
(mashmiim)
die laten klinken
לְהָרִֽים
(leharim)
door te verheffen
בְּק֖וֹל
(beqol)
met stem
לְשִׂמְחָֽה
(lesimcha)
van vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלֵי שִׁיר (kele shir), ‘instrumenten voor het lied’: nevel (נֶבֶל), ‘harp’; kinnor (כִּנּוֹר), ‘lier’; metsiltayim (מְצִלְתַּיִם), ‘bekkens’.

מַשְׁמִיעִים (mashmiim), ‘die laten klinken’: dit gaat over de zangers en hun instrumenten.

17De Levieten stelden Heman op, de zoon van Joël. Van zijn broeders stelden zij Asaf op, de zoon van Berechjahu. Van de zonen van Merari, hun broeders, stelden zij Etan op, de zoon van Kusaja.
וַיַּעֲמִ֣ידוּ
(vayaamidu)
en lieten staan
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הֵימָ֣ן
(heiman)
Heman
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאֵ֔ל
(yoel)
Joël
וּמִ֨ן
(umin)
en van
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broeders
אָסָ֖ף
(asaf)
Asaf
בֶּן
(ben)
zoon van
בֶּֽרֶכְיָ֑הוּ
(berekhyahu)
Berechjahu
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
מְרָרִי֙
(merari)
Merari
אֲחֵיהֶ֔ם
(acheihem)
hun broeders
אֵיתָ֖ן
(eitan)
Etan
בֶּן
(ben)
zoon van
קֽוּשָׁיָֽהוּ
(qushayahu)
Kusaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Heman, Asaf en Etan zijn de drie leiders van de zangers.

Zij horen bij de families van Kehat, Gersjon en Merari.

Zie ook 1 Kron. 6:16–32 (Hebreeuwse telling).

Lezing

Asaf, de zoon van Berechjahu (בֶּרֶכְיָהוּ), staat ook in 1 Kron. 6:24.

Etan heet hier de zoon van Kusaja (קוּשָׁיָהוּ).

In 1 Kron. 6:29 heet hij de zoon van Kisji.

Wij vertalen de tekst zoals hij hier staat.

18Bij hen waren hun broeders van de tweede rang. Dat waren Zacharia, Ben, Jaäziël, Sjemiramot, Jechiël, Uni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Eliflehu, Mikneja, Obed-Edom en Jeïël, de poortwachters.
וְעִמָּהֶ֖ם
(veimahem)
en met hen
אֲחֵיהֶ֣ם
(acheihem)
hun broeders
הַמִּשְׁנִ֑ים
(hamishnim)
de tweede
זְכַרְיָ֡הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
בֵּ֡ן
(ben)
Ben
וְיַֽעֲזִיאֵ֡ל
(veyaaziel)
en Jaäziël
וּשְׁמִֽירָמ֡וֹת
(ushemiramot)
en Sjemiramot
וִיחִיאֵ֣ל
(vichiel)
en Jechiël
וְעֻנִּ֡י
(veuni)
en Uni
אֱלִיאָ֡ב
(eliav)
Eliab
וּבְנָיָ֡הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
וּמַֽעֲשֵׂיָ֡הוּ
(umaaseyahu)
en Maäseja
וּמַתִּתְיָהוּ֩
(umatityahu)
en Mattitja
וֶאֱלִ֨יפְלֵ֜הוּ
(veelifelehu)
en Eliflehu
וּמִקְנֵיָ֨הוּ
(umiqneyahu)
en Mikneja
וְעֹבֵ֥ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֛ם
(edom)
Edom
וִֽיעִיאֵ֖ל
(viiel)
en Jeïël
הַשֹּׁעֲרִֽים
(hashoarim)
de poortwachters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמִּשְׁנִים (hamishnim), ‘van de tweede rang’: letterlijk ‘de tweede’.

Het zijn de Levieten die na de leiders komen.

Lezing

בֵּן (ben), ‘Ben’: wij nemen dit als een eigennaam, omdat de rest van de lijst alleen uit namen bestaat.

In vers 20 staat deze naam niet.

Het woord kan ook ‘zoon’ betekenen.

De tekst is hier moeilijk.

In vers 18 staat Jaäziël (יַעֲזִיאֵל); in vers 20 staat Azziël (עֻזִּיאֵל). Waarschijnlijk is het dezelfde man. Wij vertalen beide zoals zij staan.

19De zangers Heman, Asaf en Etan lieten koperen bekkens klinken.
וְהַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(vehamshorerim)
en de zangers
הֵימָ֥ן
(heiman)
Heman
אָסָ֖ף
(asaf)
Asaf
וְאֵיתָ֑ן
(veeitan)
en Etan
בִּמְצִלְתַּ֥יִם
(bimtsiltayim)
met bekkens van
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
koper
לְהַשְׁמִֽיעַ
(lehashmia)
om te laten klinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Zacharia, Azziël, Sjemiramot, Jechiël, Uni, Eliab, Maäseja en Benaja speelden op harpen, volgens de alamot.
וּזְכַרְיָ֨ה
(uzekharya)
en Zacharia
וַעֲזִיאֵ֜ל
(vaaziel)
en Azziël
וּשְׁמִֽירָמ֤וֹת
(ushemiramot)
en Sjemiramot
וִֽיחִיאֵל֙
(vichiel)
en Jechiël
וְעֻנִּ֣י
(veuni)
en Uni
וֶֽאֱלִיאָ֔ב
(veeliav)
en Eliab
וּמַעֲשֵׂיָ֖הוּ
(umaaseyahu)
en Maäseja
וּבְנָיָ֑הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
בִּנְבָלִ֖ים
(binvalim)
met harpen
עַל
(al)
volgens
עֲלָמֽוֹת
(alamot)
alamot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲלָמוֹת (alamot), ‘alamot’: dit woord betekent letterlijk ‘meisjes’.

Het gaat waarschijnlijk om een hoge toonsoort of stem.

De betekenis is niet zeker.

Het woord staat ook boven Psalm 46.

21Mattitja, Eliflehu, Mikneja, Obed-Edom, Jeïël en Azazja speelden op lieren, volgens de sjeminit, om de leiding te geven.
וּמַתִּתְיָ֣הוּ
(umatityahu)
en Mattitja
וֶאֱלִֽיפְלֵ֗הוּ
(veelifelehu)
en Eliflehu
וּמִקְנֵיָ֨הוּ֙
(umiqneyahu)
en Mikneja
וְעֹבֵ֣ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹ֔ם
(edom)
Edom
וִֽיעִיאֵ֖ל
(viiel)
en Jeïël
וַעֲזַזְיָ֑הוּ
(vaazazyahu)
en Azazja
בְּכִנֹּר֥וֹת
(bekhinorot)
met lieren
עַל
(al)
volgens
הַשְּׁמִינִ֖ית
(hasheminit)
de sjeminit
לְנַצֵּֽחַ
(lenatseach)
om de leiding te geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְּׁמִינִית (hashminit), ‘de sjeminit’: het woord betekent ‘de achtste’.

Het gaat waarschijnlijk om een lage toonsoort of een instrument met acht snaren.

De betekenis is niet zeker.

Het woord staat ook boven Psalm 6 en Psalm 12.

לְנַצֵּחַ (lenatsetsach), ‘om de leiding te geven’: het werkwoord betekent ‘leiden’ of ‘toezicht houden’. Het staat ook boven veel psalmen.

22Kenanja was het hoofd van de Levieten bij het dragen. Hij gaf leiding bij het dragen, want hij was kundig.
וּכְנַנְיָ֥הוּ
(ukhenanyahu)
en Kenanja
שַֽׂר
(sar)
hoofd van
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
בְּמַשָּׂ֑א
(bemasa)
bij het dragen
יָסֹר֙
(yasor)
gaf leiding
בַּמַּשָּׂ֔א
(bamasa)
bij het dragen
כִּ֥י
(ki)
want
מֵבִ֖ין
(mevin)
kundig
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַשָּׂא (massa), ‘het dragen’: het woord kan ook ‘uitspraak’ of ‘lied’ betekenen.

Het hoofd van de Levieten zou dan de leider van de zang zijn.

Wij vertalen ‘het dragen’, zoals in vers 27, omdat het hoofdstuk over het dragen van de ark gaat.

יָסֹר (yasor), ‘gaf leiding’: de medeklinkers kunnen ook ‘onderrichten’ betekenen. De betekenis is niet helemaal zeker.

23Berechja en Elkana waren poortwachters voor de ark.
וּבֶֽרֶכְיָה֙
(uverekhya)
en Berechja
וְאֶלְקָנָ֔ה
(veelqana)
en Elkana
שֹׁעֲרִ֖ים
(shoarim)
poortwachters
לָאָרֽוֹן
(laaron)
voor de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De priesters Sjebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zacharia, Benaja en Eliëzer bliezen op de trompetten voor de ark van Elohim. Obed-Edom en Jechia waren poortwachters voor de ark.
וּשְׁבַנְיָ֡הוּ
(ushevanyahu)
en Sjebanja
וְיֽוֹשָׁפָ֡ט
(veyoshafat)
en Josafat
וּנְתַנְאֵ֡ל
(unetanel)
en Netanel
וַעֲמָשַׂ֡י
(vaamasay)
en Amasai
וּ֠זְכַרְיָהוּ
(uzekharyahu)
en Zacharia
וּבְנָיָ֤הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
וֶֽאֱלִיעֶ֨זֶר֙
(veeliezer)
en Eliëzer
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
מַחְצְרִים֙
(machtserim)
die bliezen
בַּחֲצֹ֣צְר֔וֹת
(bachatsotserot)
op trompetten
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הָֽאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
וְעֹבֵ֤ד
(veoved)
en Obed
אֱדֹם֙
(edom)
Edom
וִֽיחִיָּ֔ה
(vichiya)
en Jechia
שֹׁעֲרִ֖ים
(shoarim)
poortwachters
לָאָרֽוֹן
(laaron)
voor de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het geschreven woord (ketiv) is מחצצרים (machtsetsrim), ‘die op trompetten bliezen’.

De voorgelezen vorm (qere) is מַחְצְרִים (machtserim).

Wij volgen de qere; de betekenis is hetzelfde.

Obed-Edom komt in vers 18, 21 en 24 voor. De tekst zegt niet of dit dezelfde man is als de Gattiet uit 1 Kron. 13:13. Zie ook 1 Kron. 16:38.

De ark komt naar de stad van David

25David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over de duizenden gingen op weg. Zij brachten de ark van het verbond van Yahweh met vreugde omhoog uit het huis van Obed-Edom.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דָוִ֛יד
(david)
David
וְזִקְנֵ֥י
(veziqnei)
en de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en de bevelhebbers van
הָאֲלָפִ֑ים
(haalafim)
de duizenden
הַהֹֽלְכִ֗ים
(haholekhim)
die gingen
לְֽהַעֲל֞וֹת
(lehaalot)
om omhoog te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֧וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מִן
(min)
uit
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
עֹבֵֽד
(oved)
Obed
אֱדֹ֖ם
(edom)
Edom
בְּשִׂמְחָֽה
(besimcha)
met vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Elohim hielp de Levieten die de ark van het verbond van Yahweh droegen. Zij offerden 7 stieren en 7 rammen.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בֶּעְזֹ֣ר
(bezor)
bij het helpen door
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
אֶ֨ת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
נֹשְׂאֵ֖י
(noseei)
dragers van
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּזְבְּח֥וּ
(vayizbechu)
en zij offerden
שִׁבְעָֽה
(shiva)
zeven
פָרִ֖ים
(parim)
stieren
וְשִׁבְעָ֥ה
(veshiva)
en zeven
אֵילִֽים
(eilim)
rammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

2 Sam. 6:13 zegt dat David na zes stappen ‘een rund en een gemest dier’ offerde.

Kronieken noemt 7 stieren en 7 rammen.

Wij vertalen beide teksten zoals zij staan.

27David was gehuld in een mantel van fijn linnen. Dat gold ook voor alle Levieten die de ark droegen, voor de zangers en voor Kenanja, het hoofd van het dragen bij de zangers. David droeg ook een linnen efod.
וְדָוִ֞יד
(vedavid)
en David
מְכֻרְבָּ֣ל
(mekhurbal)
gehuld
בִּמְעִ֣יל
(bimil)
in een mantel van
בּ֗וּץ
(buts)
fijn linnen
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
Levieten
הַנֹּשְׂאִ֣ים
(hanoseim)
die droegen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָר֔וֹן
(haaron)
de ark
וְהַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וּכְנַנְיָ֛ה
(ukhenanya)
en Kenanja
הַשַּׂ֥ר
(hasar)
het hoofd van
הַמַּשָּׂ֖א
(hamasa)
het dragen
הַמְשֹֽׁרְרִ֑ים
(hamshorerim)
de zangers
וְעַל
(veal)
en op
דָּוִ֖יד
(david)
David
אֵפ֥וֹד
(efod)
een efod
בָּֽד
(bad)
linnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְכֻרְבָּל (mekhurbal), ‘gehuld’: dit woord komt maar één keer voor.

מְעִיל בּוּץ (meil buts), ‘een mantel van fijn linnen’.

אֵפוֹד בָּד (efod bad), ‘een linnen efod’: een eenvoudig linnen kleed, niet de efod van de hogepriester (Exod. 28). Zie ook 2 Sam. 6:14.

Het laatste woord van de lijst (‘de zangers’) staat achter ‘het hoofd van het dragen’. Wij lezen dat als bijvoeging: Kenanja was het hoofd van het dragen bij de zangers.

28Heel Israël bracht de ark van het verbond van Yahweh omhoog, met gejuich, met het geluid van de ramshoorn, met trompetten en bekkens. Er klonken harpen en lieren.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מַעֲלִים֙
(maalim)
brengend omhoog
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּתְרוּעָה֙
(bitrua)
met gejuich
וּבְק֣וֹל
(uveqol)
en met geluid van
שׁוֹפָ֔ר
(shofar)
ramshoorn
וּבַחֲצֹצְר֖וֹת
(uvachatsotserot)
en met trompetten
וּבִמְצִלְתָּ֑יִם
(uvimtsiltayim)
en met bekkens
מַשְׁמִעִ֕ים
(mashmiim)
die lieten klinken
בִּנְבָלִ֖ים
(binvalim)
met harpen
וְכִנֹּרֽוֹת
(vekhinorot)
en lieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Toen de ark van het verbond van Yahweh de stad van David binnenkwam, keek Michal, de dochter van Saul, door het raam naar buiten. Zij zag koning David dansen en spelen. Zij verachtte hem in haar hart.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אֲרוֹן֙
(aron)
de ark van
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֖א
(ba)
komend
עַד
(ad)
tot
עִ֣יר
(ir)
de stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וּמִיכַ֨ל
(umikhal)
en Michal
בַּת
(bat)
de dochter van
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
נִשְׁקְפָ֣ה
(nishqefa)
keek uit
בְּעַ֣ד
(bead)
door
הַחַלּ֗וֹן
(hachalon)
het raam
וַתֵּ֨רֶא
(vatere)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִיד֙
(david)
David
מְרַקֵּ֣ד
(meraqed)
dansend
וּמְשַׂחֵ֔ק
(umesacheq)
en spelend
וַתִּ֥בֶז
(vativez)
en verachtte
ל֖וֹ
(lo)
hem
בְּלִבָּֽהּ
(belibah)
in haar hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

2 Sam. 6:16 zegt: ‘springen en ronddraaien’.

Kronieken zegt: ‘dansen en spelen’ (מְרַקֵּד וּמְשַׂחֵק, merakked umesachek).

Het gesprek tussen Michal en David (2 Sam. 6:20–23) staat niet in Kronieken.