Open in de app Alle boeken Spreuken ← 4 6 → Spreuken 5 Waarschuwing tegen de vreemde vrouw; trouw aan de vrouw van je jeugd
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Waarschuwing tegen de vreemde vrouw 1 Mijn zoon, let op mijn wijsheid. Buig je oor naar mijn verstand.
לְחָכְמָתִ֣י
(lechakhemati)
op mijn wijsheid
הַקְשִׁ֑יבָה
(haqshiva)
let op
לִ֝תְבוּנָתִ֗י
(litvunati)
op mijn verstand
אָזְנֶֽךָ
(azenekha)
je oor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: het vermogen om zaken uit elkaar te halen en goed te beoordelen.
Het staat hier naast ‘wijsheid’ (chokmah).
2 Zo bewaar je doordachtheid, en je lippen zullen kennis bewaken.
לִשְׁמֹ֥ר
(lishmor)
om te bewaren
מְזִמּ֑וֹת
(mezimot)
doordachtheid
וְ֝דַ֗עַת
(vedaat)
en kennis
שְׂפָתֶ֥יךָ
(sefateikha)
je lippen
יִנְצֹֽרוּ
(yintsoru)
zullen bewaken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְזִמּוֹת (mezimmot), ‘doordachtheid’: weloverwogen plannen en bedachtzaamheid.
In slechte zin zijn het ‘listige plannen’; hier is het goed bedoeld.
3 Want honing druipt van de lippen van een vreemde vrouw, en haar gehemelte is gladder dan olie.
תִּ֭טֹּפְנָה
(titofena)
druipt
שִׂפְתֵ֣י
(siftei)
lippen van
וְחָלָ֖ק
(vechalaq)
en glad
מִשֶּׁ֣מֶן
(mishemen)
dan olie
חִכָּֽהּ
(chikah)
haar gehemelte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זָרָה (zarah), ‘vreemde vrouw’: een vrouw die niet de eigen vrouw is.
Het woord kan ook ‘buitenlandse vrouw’ betekenen.
Zij wordt ook genoemd in Spr. 2:16, 6:24–35 en 7.
נֹפֶת (nofet), ‘honing’: honing die uit de raat druipt.
4 Maar haar einde is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
וְֽ֭אַחֲרִיתָהּ
(veacharitah)
en haar einde
כַֽלַּעֲנָ֑ה
(kalaana)
als alsem
כְּחֶ֣רֶב
(kecherev)
als een zwaard van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּיּוֹת (piyyot), ‘monden’: letterlijk ‘zwaard van monden’.
Het Hebreeuwse woord voor ‘mond’ wordt ook gebruikt voor de snijkant van een zwaard; het gaat om een zwaard met twee scherpe kanten.
5 Haar voeten dalen af naar de dood. Haar stappen houden Sjeol vast.
רַ֭גְלֶיהָ
(ragleiha)
haar voeten
יֹרְד֣וֹת
(yoredot)
dalen af
צְעָדֶ֥יהָ
(tseadeiha)
haar stappen
יִתְמֹֽכוּ
(yitmokhu)
houden vast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאוֹל (sheol), ‘Sjeol’: het verblijf van de doden.
Wij schrijven steeds ‘Sjeol’.
יִתְמֹכוּ (yitmokhu), ‘houden vast’: haar stappen grijpen Sjeol vast, dat wil zeggen: zij leiden er rechtstreeks heen.
6 Het pad van het leven overweegt zij niet. Haar sporen dwalen af, en zij weet het niet.
תְּפַלֵּ֑ס
(tefales)
zij overweegt
מַ֝עְגְּלֹתֶ֗יהָ
(mageloteiha)
haar sporen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פַּלֵּס (palles): ‘afwegen, overwegen, effen maken’.
Vergelijk Spr. 4:26 en 5:21.
Lezing
פֶּן תְּפַלֵּס (pen tefalles): het Hebreeuws is hier moeilijk.
Het woord ‘pen’ betekent ‘opdat niet’.
Het werkwoord is vrouwelijk of tweede persoon: ‘zij overweegt’ of ‘je overweegt’.
Wij volgen ‘zij’, de vreemde vrouw: zij let niet op het pad van het leven, en zij weet niet dat haar sporen afdwalen.
Een andere lezing is: ‘Opdat je het pad van het leven niet overweegt, dwalen haar sporen af, zonder dat je het weet.’
Blijf ver van haar huis 7 Nu dan, zonen, luister naar mij en wijk niet af van de woorden van mijn mond.
תָּ֝ס֗וּרוּ
(tasuru)
wijk af
מֵאִמְרֵי
(meimrei)
van de woorden van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Houd je weg ver van haar vandaan. Kom niet dichtbij de ingang van haar huis.
הַרְחֵ֣ק
(harcheq)
houd ver
מֵעָלֶ֣יהָ
(mealeiha)
van haar
דַרְכֶּ֑ךָ
(darkekha)
je weg
תִּ֝קְרַ֗ב
(tiqrav)
kom dichtbij
פֶּ֥תַח
(petach)
de ingang van
בֵּיתָֽהּ
(beitah)
haar huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Anders geef je anderen je waardigheid en je jaren aan een wrede.
לַאֲחֵרִ֣ים
(laacherim)
aan anderen
הוֹדֶ֑ךָ
(hodekha)
je waardigheid
וּ֝שְׁנֹתֶ֗יךָ
(ushenoteikha)
en je jaren
לְאַכְזָרִֽי
(leakhzari)
aan een wrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹד (hod), ‘waardigheid’: glans, luister, aanzien.
Het gaat om wat een man waardevol en eervol maakt.
אַכְזָרִי (akhzari), ‘wrede’: iemand zonder medelijden.
10 Anders worden vreemden verzadigd van je kracht, en je zwoegen gaat naar het huis van een vreemde.
יִשְׂבְּע֣וּ
(yisbeu)
worden verzadigd
כֹּחֶ֑ךָ
(kochekha)
van je kracht
וַ֝עֲצָבֶ֗יךָ
(vaatsaveikha)
en je zwoegen
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
נָכְרִֽי
(nakheri)
een vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲצָבֶיךָ (atsavekha), ‘je zwoegen’: moeizaam werk of wat je er met pijn voor verdiend hebt.
In het Hebreeuws staat hier geen werkwoord.
Wij vullen ‘gaat naar’ aan.
11 Dan zul je kreunen als het einde komt, wanneer je lichaam en je vlees verteerd zijn.
וְנָהַמְתָּ֥
(venahamta)
en je zult kreunen
בְאַחֲרִיתֶ֑ךָ
(beacharitekha)
bij je einde
בִּכְל֥וֹת
(bikhlot)
bij het verteren van
בְּ֝שָׂרְךָ֗
(besarekha)
je lichaam
וּשְׁאֵרֶֽךָ
(usheerekha)
en je vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּשָׂרְךָ וּשְׁאֵרֶךָ (besarekha ushe’erekha), ‘je lichaam en je vlees’: beide woorden betekenen ‘vlees’.
Samen bedoelen ze heel je lijf.
12 Dan zul je zeggen: „Hoe heb ik de tucht gehaat, en heeft mijn hart de terechtwijzing veracht!
וְֽאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en je zult zeggen
שָׂנֵ֣אתִי
(saneti)
ik heb gehaat
וְ֝תוֹכַ֗חַת
(vetokhachat)
en terechtwijzing
נָאַ֥ץ
(naats)
heeft veracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 12 tot en met 14 zijn de woorden van de man die te laat inziet wat hij gedaan heeft.
תּוֹכַחַת (tokhachat), ‘terechtwijzing’: hoort bij het werkwoord ‘aanspreken, terechtwijzen’.
13 Ik heb niet geluisterd naar de stem van mijn leraren, en mijn oor niet geneigd naar mijn onderwijzers.
שָׁ֭מַעְתִּי
(shamati)
ik heb geluisterd
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
מוֹרָ֑י
(moray)
mijn leraren
וְ֝לִֽמְלַמְּדַ֗י
(velimlameday)
en naar mijn onderwijzers
הִטִּ֥יתִי
(hititi)
ik heb geneigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Bijna was ik in alle kwaad beland, midden in de vergadering en de gemeenschap.”
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
in het midden van
וְעֵדָֽה
(veeda)
en gemeenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Drink uit je eigen put 15 Drink water uit je eigen put en stromend water uit het midden van je eigen bron.
מִבּוֹרֶ֑ךָ
(miborekha)
uit je put
וְ֝נֹזְלִ֗ים
(venozelim)
en stromend water
מִתּ֥וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
בְּאֵרֶֽךָ
(beerekha)
je bron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De beelden van put, bron en wel (vers 15–18) gaan over de eigen vrouw: zie vers 18, ‘de vrouw van je jeugd’.
בּוֹר (bor), ‘put’: een ondergrondse regenput. בְּאֵר (be’er), ‘bron’: een gegraven put met water.
16 Zullen je wellen naar buiten uitstromen, waterbeken op de pleinen?
יָפ֣וּצוּ
(yafutsu)
zullen uitstromen
מַעְיְנֹתֶ֣יךָ
(mayenoteikha)
je wellen
ח֑וּצָה
(chutsa)
naar buiten
בָּ֝רְחֹב֗וֹת
(barechovot)
op de pleinen
פַּלְגֵי
(palgei)
beken van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws heeft hier geen vraagteken.
Wij lezen het als vraag, passend bij vers 17: de bron is alleen voor jou.
Het kan ook een uitspraak of wens zijn: ‘Je wellen zullen buiten overstromen’ of ‘mogen je wellen…’.
17 Laat ze alleen voor jou zijn, en niet voor vreemden naast jou.
יִֽהְיוּ
(yihyu)
laten zijn
לְבַדֶּ֑ךָ
(levadekha)
jou alleen
לְזָרִ֣ים
(lezarim)
voor vreemden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18 Je springbron zij gezegend, en verheug je in de vrouw van je jeugd.
מְקוֹרְךָ֥
(meqorekha)
je springbron
וּ֝שְׂמַ֗ח
(usemach)
en verheug je
מֵאֵ֥שֶׁת
(meeshet)
in de vrouw van
נְעוּרֶֽךָ
(neurekha)
je jeugd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְקוֹרְךָ (meqorkha), ‘je springbron’: het beeld voor de eigen vrouw en voor de gezinsband.
De vrouw van je jeugd is de vrouw met wie je als jonge man trouwde.
19 Een hinde van liefde en een steenbokje van gunst: haar borsten laven je op elk moment. In haar liefde raak je voortdurend in vervoering.
אַיֶּ֥לֶת
(ayelet)
hinde van
וְֽיַעֲלַ֫ת
(veyaalat)
en steenbokje van
דַּ֭דֶּיהָ
(dadeiha)
haar borsten
יְרַוֻּ֣ךָ
(yeravukha)
laven je
בְּ֝אַהֲבָתָ֗הּ
(beahavatah)
in haar liefde
תִּשְׁגֶּ֥ה
(tishge)
raak je in vervoering
תָמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַיֶּלֶת אֲהָבִים (ayyelet ahavim), ‘hinde van liefde’, en יַעֲלַת חֵן (ya’alat chen), ‘steenbokje van gunst’: lieflijke, bevallige dieren, een beeld voor de geliefde vrouw.
תִּשְׁגֶּה (tishgeh), ‘raak je in vervoering’: het werkwoord שָׁגָה (shagah) betekent ‘dwalen’ of ‘rondzwalken’. Hier gaat het om een gelukkig verdwaald zijn in liefde. In vers 20 en 23 staat hetzelfde woord, maar in slechte zin: ‘dwalen’.
20 Waarom zou je in vervoering raken door een vreemde, mijn zoon, en de boezem van een vreemde vrouw omarmen?
וְלָ֤מָּה
(velama)
en waarom
תִשְׁגֶּ֣ה
(tishge)
zou je in vervoering raken
בְזָרָ֑ה
(bezara)
door een vreemde
וּ֝תְחַבֵּ֗ק
(utechabeq)
en zou je omarmen
נָכְרִיָּֽה
(nakheriya)
een vreemde vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָכְרִיָּה (nokhriyah) en זָרָה (zarah) betekenen beide ‘vreemde’.
Zie Spr. 2:16.
Yahweh ziet alle wegen 21 Want recht voor de ogen van Yahweh liggen de wegen van een man, en al zijn sporen weegt Hij af.
נֹ֨כַח
(nokhach)
recht voor
עֵינֵ֣י
(einei)
de ogen van
דַּרְכֵי
(darkhei)
de wegen van
מַעְגְּלֹתָ֥יו
(magelotav)
zijn sporen
מְפַלֵּֽס
(mefales)
weegt Hij af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְפַלֵּס (mefalles), ‘weegt af’: Yahweh weegt elk pad van een man en maakt het vlak.
Het is dezelfde stam als in Spr. 4:26.
22 Zijn eigen ongerechtigheden vangen hem, de goddeloze, en in de touwen van zijn zonde wordt hij vastgehouden.
עַֽווֹנוֹתָ֗יו
(avonotav)
zijn ongerechtigheden
יִלְכְּדֻנ֥וֹ
(yilkeduno)
vangen hem
הָרָשָׁ֑ע
(harasha)
de goddeloze
וּבְחַבְלֵ֥י
(uvechavlei)
en met de touwen van
חַ֝טָּאת֗וֹ
(chatato)
zijn zonde
יִתָּמֵֽךְ
(yitamekh)
wordt hij vastgehouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲוֺנוֹתָיו (avonotav), ‘ongerechtigheden’: het woord kan ook ‘schuld’ betekenen, omdat de straf bij de ongerechtigheid hoort.
23 Hij zal sterven door gebrek aan tucht, en door zijn grote zotheid dwalen.
יָ֭מוּת
(yamut)
zal sterven
בְּאֵ֣ין
(beein)
door gebrek aan
וּבְרֹ֖ב
(uverov)
en door de grootte van
אִוַּלְתּ֣וֹ
(ivalto)
zijn zotheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִוֶּלֶת (ivvelet), ‘zotheid’: hoort bij אֱוִיל (evil), ‘zot’.
De zotheid is hier een gebrek aan tucht.
Het werkwoord ‘dwalen’ (shagah) is hetzelfde als in vers 19 en 20.