Jefta, zijn boodschap aan Ammon, zijn gelofte en zijn dochter
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jefta, de verstoten krijger
1Jefta, de Gileadiet, was een dappere krijger. Hij was de zoon van een hoer. Gilead had Jefta verwekt.
וְיִפְתָּ֣ח
(veyiftach)
en Jefta
הַגִּלְעָדִ֗י
(hagiladi)
de Gileadiet
הָיָה֙
(haya)
was
גִּבּ֣וֹר
(gibor)
een held van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
בֶּן
(ben)
de zoon van
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
זוֹנָ֑ה
(zona)
hoer
וַיּ֥וֹלֶד
(vayoled)
en verwekte
גִּלְעָ֖ד
(gilad)
Gilead
אֶת
(et)
(obj.)
יִפְתָּֽח
(yiftach)
Jefta
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘dappere krijger’: een man met kracht en moed in de strijd.
Gilead is hier een mansnaam (de vader van Jefta) en ook de naam van het gebied ten oosten van de Jordaan.
2De vrouw van Gilead beviel van zonen voor hem. Toen de zonen van die vrouw opgroeiden, verdreven zij Jefta. Zij zeiden tegen hem: „Jij zult niet erven in het huis van onze vader, want je bent de zoon van een andere vrouw.”
וַתֵּ֧לֶד
(vateled)
en beviel
אֵֽשֶׁת
(eshet)
de vrouw van
גִּלְעָ֛ד
(gilad)
Gilead
ל֖וֹ
(lo)
hem
בָּנִ֑ים
(banim)
zonen
וַיִּגְדְּל֨וּ
(vayigdelu)
en zij groeiden op
בְֽנֵי
(benei)
de zonen van
הָאִשָּׁ֜ה
(haisha)
de vrouw
וַיְגָרְשׁ֣וּ
(vaygareshu)
en zij verdreven
אֶת
(et)
(obj.)
יִפְתָּ֗ח
(yiftach)
Jefta
וַיֹּ֤אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
לֹֽא
(lo)
niet
תִנְחַ֣ל
(tinchal)
zul je erven
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
אָבִ֔ינוּ
(avinu)
onze vader
כִּ֛י
(ki)
want
בֶּן
(ben)
de zoon van
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
אַחֶ֖רֶת
(acheret)
andere
אָֽתָּה
(ata)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
נָחַל (nachal), ‘erven’: Jefta krijgt geen deel van het erfdeel van zijn vader, omdat zijn moeder een andere vrouw is.
Zijn halfbroers noemen hem ‘de zoon van een andere vrouw’.
7Jefta zei tegen de oudsten van Gilead: „Hebben jullie mij niet gehaat en mij uit het huis van mijn vader verdreven? Waarom komen jullie nu bij mij, nu jullie in nood zijn?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יִפְתָּח֙
(yiftach)
Jefta
לְזִקְנֵ֣י
(leziqnei)
tegen de oudsten van
גִלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
הֲלֹ֤א
(halo)
niet
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
שְׂנֵאתֶ֣ם
(senetem)
hebben gehaat
אוֹתִ֔י
(oti)
mij
וַתְּגָרְשׁ֖וּנִי
(vategareshuni)
en jullie verdreven mij
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
וּמַדּ֜וּעַ
(umadua)
en waarom
בָּאתֶ֤ם
(batem)
zijn jullie gekomen
אֵלַי֙
(elay)
naar mij
עַ֔תָּה
(ata)
nu
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
toen
צַ֥ר
(tsar)
het benauwd is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
8De oudsten van Gilead zeiden tegen Jefta: „Daarom zijn wij nu naar je teruggekomen. Ga met ons mee en strijd tegen de zonen van Ammon. Dan word je ons hoofd, het hoofd van alle inwoners van Gilead.”
וַיֹּאמְרוּ֩
(vayomru)
en zeiden
זִקְנֵ֨י
(ziqnei)
de oudsten van
גִלְעָ֜ד
(gilad)
Gilead
אֶל
(el)
tot
יִפְתָּ֗ח
(yiftach)
Jefta
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
עַתָּה֙
(ata)
nu
שַׁ֣בְנוּ
(shavnu)
zijn wij teruggekeerd
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar jou
וְהָלַכְתָּ֣
(vehalakhta)
en ga
עִמָּ֔נוּ
(imanu)
met ons
וְנִלְחַמְתָּ֖
(venilchamta)
en strijd
בִּבְנֵ֣י
(bivnei)
tegen de zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
וְהָיִ֤יתָ
(vehayita)
en je wordt
לָּ֨נוּ֙
(lanu)
voor ons
לְרֹ֔אשׁ
(lerosh)
tot hoofd
לְכֹ֖ל
(lekhol)
over alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de inwoners van
גִלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
9Jefta zei tegen de oudsten van Gilead: „Als jullie mij terughalen om tegen de zonen van Ammon te strijden en Yahweh geeft hen aan mij over, dan zal ik jullie hoofd zijn.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יִפְתָּ֜ח
(yiftach)
Jefta
אֶל
(el)
tot
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
גִלְעָ֗ד
(gilad)
Gilead
אִם
(im)
als
מְשִׁיבִ֨ים
(meshivim)
terughalen
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
אוֹתִי֙
(oti)
mij
לְהִלָּחֵם֙
(lehilachem)
om te strijden
בִּבְנֵ֣י
(bivnei)
tegen de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
וְנָתַ֧ן
(venatan)
en geeft
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
לְפָנָ֑י
(lefanay)
voor mij
אָנֹכִ֕י
(anokhi)
ik
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לְרֹֽאשׁ
(lerosh)
tot hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
Jefta stelt een voorwaarde: hij wil niet alleen strijden, maar ook hoofd zijn.
11Jefta ging met de oudsten van Gilead mee. Het volk maakte hem tot hoofd en aanvoerder over zich. Jefta sprak al zijn woorden uit voor het aangezicht van Yahweh, in Mizpa.
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יִפְתָּח֙
(yiftach)
Jefta
עִם
(im)
met
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
גִלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
וַיָּשִׂ֨ימוּ
(vayasimu)
en maakten
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
אוֹת֛וֹ
(oto)
hem
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over zich
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
tot hoofd
וּלְקָצִ֑ין
(uleqatsin)
en tot aanvoerder
וַיְדַבֵּ֨ר
(vaydaber)
en sprak
יִפְתָּ֧ח
(yiftach)
Jefta
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
דְּבָרָ֛יו
(devarav)
zijn woorden
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּמִּצְפָּֽה
(bamitspa)
in Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Mizpa in Gilead ligt in het gebied ten oosten van de Jordaan.
De ligging is onzeker (zie ook Richt. 10:17).
Uitleg
‘Voor het aangezicht van Yahweh’: Jefta spreekt zijn afspraak uit voor Yahweh.
Wat daar stond (een altaar, een heilige plaats), vermeldt de tekst niet.
12Jefta stuurde boden naar de koning van de zonen van Ammon met deze woorden: „Wat hebben u en ik met elkaar te maken? U bent naar mij toe gekomen om in mijn land te strijden.”
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
יִפְתָּח֙
(yiftach)
Jefta
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מַה
(ma)
wat
לִּ֣י
(li)
voor mij
וָלָ֔ךְ
(valakh)
en voor jou
כִּֽי
(ki)
dat
בָ֥אתָ
(bata)
u bent gekomen
אֵלַ֖י
(elay)
naar mij
לְהִלָּחֵ֥ם
(lehilachem)
om te strijden
בְּאַרְצִֽי
(beartsi)
in mijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
מַה־לִּי וָלָךְ (mah li valakh), letterlijk ‘wat is er voor mij en voor jou?’: een vraag naar wat zij met elkaar te maken hebben.
Aanspreking: Jefta spreekt de koning van Ammon aan met ‘u’, omdat hij een koning is. De boden spreken in zijn naam.
13De koning van de zonen van Ammon zei tegen de boden van Jefta: „Israël heeft mijn land genomen, toen het uit Egypte optrok: van de Arnon tot de Jabbok en tot de Jordaan. Geef ze nu in vrede terug.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
de koning van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
עַמּ֜וֹן
(amon)
Ammon
אֶל
(el)
tot
מַלְאֲכֵ֣י
(malakhei)
de boden van
יִפְתָּ֗ח
(yiftach)
Jefta
כִּֽי
(ki)
want
לָקַ֨ח
(laqach)
nam
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצִי֙
(artsi)
mijn land
בַּעֲלוֹת֣וֹ
(baaloto)
bij zijn optrekken
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
מֵאַרְנ֥וֹן
(mearnon)
van de Arnon
וְעַד
(vead)
en tot
הַיַּבֹּ֖ק
(hayaboq)
de Jabbok
וְעַד
(vead)
en tot
הַיַּרְדֵּ֑ן
(hayarden)
de Jordaan
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
הָשִׁ֥יבָה
(hashiva)
geef terug
אֶתְהֶ֖ן
(ethen)
hen
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Arnon (nu Wadi Mujib) stroomt in Jordanië naar de Zoutzee.
De Jabbok (nu Zarqa) stroomt in Jordanië naar de Jordaan.
Het gebied ertussen is het land dat Israël van Sichon nam (Num. 21:24).
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Lezing
Het Hebreeuws heeft hier ‘ze’ in het vrouwelijk meervoud (אֶתְהֶן), niet ‘het’.
Waarschijnlijk zijn de steden van dat gebied bedoeld.
17Israël stuurde boden naar de koning van Edom met de woorden: ‘Laat mij toch door uw land trekken.’ Maar de koning van Edom luisterde niet. Ook naar de koning van Moab stuurde het boden, maar die wilde niet. Israël bleef in Kades.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
מַלְאָכִ֣ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
מֶלֶךְ֩
(melekh)
de koning van
אֱד֨וֹם
(edom)
Edom
לֵאמֹ֜ר
(lemor)
zeggende
אֶעְבְּרָה
(ebera)
laat mij doortrekken
נָּ֣א
(na)
toch
בְאַרְצֶ֗ךָ
(beartsekha)
door uw land
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שָׁמַע֙
(shama)
luisterde
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
אֶל
(el)
naar
מֶ֧לֶךְ
(melekh)
de koning van
מוֹאָ֛ב
(moav)
Moab
שָׁלַ֖ח
(shalach)
stuurde hij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אָבָ֑ה
(ava)
wilde hij
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en bleef
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּקָדֵֽשׁ
(beqadesh)
in Kades
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.
Uitleg
In Num. 20:14–21 vraagt Israël alleen aan Edom om toestemming.
Dat ook de koning van Moab weigerde, staat daar niet.
Deut. 2:28–29 zegt dat Edom en Moab Israël wel eten en water verkochten.
אֶעְבְּרָה (e’verah), ‘laat mij doortrekken’: Israël spreekt hier met één stem, als één man.
18Daarna ging het door de woestijn en trok om het land van Edom en het land van Moab heen. Het kwam vanuit het oosten bij het land van Moab en legerde zich aan de overkant van de Arnon. Zij kwamen niet binnen het gebied van Moab, want de Arnon is de grens van Moab.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
בַּמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
door de woestijn
וַיָּ֜סָב
(vayasav)
en trok rond
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land van
אֱדוֹם֙
(edom)
Edom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
מִמִּזְרַח
(mimizrach)
vanuit het oosten van
שֶׁ֨מֶשׁ֙
(shemesh)
de zon
לְאֶ֣רֶץ
(leerets)
naar het land van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וַֽיַּחֲנ֖וּן
(vayachanun)
en zij legerden zich
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
אַרְנ֑וֹן
(arnon)
de Arnon
וְלֹא
(velo)
en niet
בָ֨אוּ֙
(bau)
kwamen zij
בִּגְב֣וּל
(bigvul)
binnen het gebied van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
כִּ֥י
(ki)
want
אַרְנ֖וֹן
(arnon)
de Arnon
גְּב֥וּל
(gevul)
grens van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Arnon was de grens van Moab.
Israël trok langs de oostkant van Moab (nu Jordanië).
Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
19Israël stuurde boden naar Sichon, de koning van de Amorieten, de koning van Chesbon. Israël zei tegen hem: ‘Laat ons toch door uw land trekken, tot aan mijn plaats.’
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
סִיח֥וֹן
(sichon)
Sichon
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amorieten
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
חֶשְׁבּ֑וֹן
(cheshbon)
Chesbon
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נַעְבְּרָה
(nabera)
laat ons doortrekken
נָּ֥א
(na)
toch
בְאַרְצְךָ֖
(beartsekha)
door uw land
עַד
(ad)
tot
מְקוֹמִֽי
(meqomi)
mijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Chesbon is het huidige Tell Hesban in Jordanië (waarschijnlijk).
20Maar Sichon vertrouwde het niet dat Israël door zijn gebied zou trekken. Sichon verzamelde heel zijn volk en zij legerden zich bij Jahaz. Hij streed tegen Israël.
וְלֹא
(velo)
en niet
הֶאֱמִ֨ין
(heemin)
vertrouwde
סִיח֤וֹן
(sichon)
Sichon
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
עֲבֹ֣ר
(avor)
om door te trekken
בִּגְבֻל֔וֹ
(bigvulo)
door zijn gebied
וַיֶּאֱסֹ֤ף
(vayeesof)
en verzamelde
סִיחוֹן֙
(sichon)
Sichon
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַמּ֔וֹ
(amo)
zijn volk
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְּיָ֑הְצָה
(beyahetsa)
bij Jahaz
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en hij streed
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Yahweh, de Elohim van Israël, gaf Sichon en heel zijn volk in de hand van Israël. Zij versloegen hen. Israël nam heel het land van de Amorieten in bezit, die in dat land woonden.
וַ֠יִּתֵּן
(vayiten)
en gaf
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
סִיח֧וֹן
(sichon)
Sichon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַמּ֛וֹ
(amo)
zijn volk
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וַיַּכּ֑וּם
(vayakum)
en zij versloegen hen
וַיִּירַשׁ֙
(vayirash)
en nam in bezit
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
הָאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amorieten
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
die woonde
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
het land
הַהִֽיא
(hahi)
dat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Zij namen heel het gebied van de Amorieten in bezit, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan.
וַיִּ֣ירְשׁ֔וּ
(vayireshu)
en zij namen in bezit
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
גְּב֣וּל
(gevul)
het gebied van
הָאֱמֹרִ֑י
(haemori)
de Amorieten
מֵֽאַרְנוֹן֙
(mearnon)
van de Arnon
וְעַד
(vead)
en tot
הַיַּבֹּ֔ק
(hayaboq)
de Jabbok
וּמִן
(umin)
en van
הַמִּדְבָּ֖ר
(hamidbar)
de woestijn
וְעַד
(vead)
en tot
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab.
Zie Jabbok: De Jabbok is een zijrivier van de Jordaan, ten oosten van de rivier.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
25Nu dan, bent u beter dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Heeft hij werkelijk met Israël getwist? Heeft hij werkelijk tegen hen gestreden?
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הֲט֥וֹב
(hatov)
beter
טוֹב֙
(tov)
goed
אַתָּ֔ה
(ata)
bent u
מִבָּלָ֥ק
(mibalaq)
dan Balak
בֶּן
(ben)
de zoon van
צִפּ֖וֹר
(tsipor)
Sippor
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
הֲר֥וֹב
(harov)
heeft hij getwist
רָב֙
(rav)
getwist
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אִם
(im)
of
נִלְחֹ֥ם
(nilchom)
heeft hij gestreden
נִלְחַ֖ם
(nilcham)
gestreden
בָּֽם
(bam)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Uitleg
Balak, de koning van Moab, probeerde Israël niet te bestrijden maar te laten vervloeken (Num. 22–24).
26Israël woont al 300 jaar in Chesbon en de plaatsen eromheen, in Aroër en de plaatsen eromheen en in alle steden langs de Arnon. Waarom hebben jullie ze in die tijd niet bevrijd?
בְּשֶׁ֣בֶת
(beshevet)
bij het wonen van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
בְּחֶשְׁבּ֨וֹן
(becheshbon)
in Chesbon
וּבִבְנוֹתֶ֜יהָ
(uvivnoteiha)
en in haar plaatsen
וּבְעַרְע֣וֹר
(uvearor)
en in Aroër
וּבִבְנוֹתֶ֗יהָ
(uvivnoteiha)
en in haar plaatsen
וּבְכָל
(uvekhal)
en in alle
הֶֽעָרִים֙
(hearim)
de steden
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
aan
יְדֵ֣י
(yedei)
de zijde van
אַרְנ֔וֹן
(arnon)
de Arnon
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וּמַדּ֥וּעַ
(umadua)
en waarom
לֹֽא
(lo)
niet
הִצַּלְתֶּ֖ם
(hitsaltem)
hebben jullie bevrijd
בָּעֵ֥ת
(baet)
in de tijd
הַהִֽיא
(hahi)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Aroër lag aan de Arnon, bij Khirbet Ara’ir in Jordanië (waarschijnlijk).
Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.
Uitleg
Het getal 300 jaar is Jefta’s eigen aanduiding.
Zie 1 Kon. 6:1 voor een andere tijdrekening, van de uittocht tot de bouw van de tempel.
הִצַּלְתֶּם (hitsaltem), ‘jullie hebben bevrijd’: letterlijk ‘gered’. Jefta bedoelt: waarom hebben jullie de steden niet teruggenomen?
27Ik heb niet tegen u gezondigd, maar u doet mij kwaad door tegen mij te strijden. Moge Yahweh, de Rechter, vandaag rechtspreken tussen de zonen van Israël en de zonen van Ammon.”
וְאָֽנֹכִי֙
(veanokhi)
en ik
לֹֽא
(lo)
niet
חָטָ֣אתִי
(chatati)
heb gezondigd
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen u
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en u
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
doet
אִתִּ֛י
(iti)
met mij
רָעָ֖ה
(raa)
kwaad
לְהִלָּ֣חֶם
(lehilachem)
door te strijden
בִּ֑י
(bi)
tegen mij
יִשְׁפֹּ֨ט
(yishpot)
moge rechtspreken
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
הַשֹּׁפֵט֙
(hashofet)
de Rechter
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
הַשֹּׁפֵט (hashofet), ‘de Rechter’: Yahweh wordt aangeroepen om recht te spreken tussen de twee volken.
29De Geest van Yahweh kwam over Jefta. Hij trok door Gilead en Manasse. Hij trok door Mizpa in Gilead. Vanaf Mizpa in Gilead trok hij verder naar de zonen van Ammon.
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en kwam
עַל
(al)
over
יִפְתָּח֙
(yiftach)
Jefta
ר֣וּחַ
(ruach)
de Geest van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּעֲבֹ֥ר
(vayaavor)
en hij trok door
אֶת
(et)
(obj.)
הַגִּלְעָ֖ד
(hagilad)
Gilead
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מְנַשֶּׁ֑ה
(menashe)
Manasse
וַֽיַּעֲבֹר֙
(vayaavor)
en hij trok door
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְפֵּ֣ה
(mitspe)
Mizpa van
גִלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
וּמִמִּצְפֵּ֣ה
(umimitspe)
en vanuit Mizpa van
גִלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
עָבַ֖ר
(avar)
trok hij naar
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Mizpa in Gilead (ligging onzeker): Mizpa in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.
De precieze plaats is niet bekend.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
De Geest van Yahweh komt over Jefta, zoals bij andere rechters (Richt. 3:10; 6:34; 14:6).
Het wordt hier genoemd vóór de gelofte van vers 30.
31dan zal wie of wat uit de deuren van mijn huis naar buiten komt, mij tegemoet, als ik in vrede terugkeer van de zonen van Ammon, van Yahweh zijn. En ik zal het als brandoffer offeren.”
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַיּוֹצֵ֗א
(hayotse)
wat uitgaat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יֵצֵ֜א
(yetse)
uitgaat
מִדַּלְתֵ֤י
(midaltei)
uit de deuren van
בֵיתִי֙
(beiti)
mijn huis
לִקְרָאתִ֔י
(liqrati)
mij tegemoet
בְּשׁוּבִ֥י
(beshuvi)
bij mijn terugkeer
בְשָׁל֖וֹם
(beshalom)
in vrede
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהַעֲלִיתִ֖הוּ
(vehaalitihu)
en ik zal offeren hem
עוֹלָֽה
(ola)
als brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
הַיּוֹצֵא (hayyotse), ‘wie of wat naar buiten komt’: het Hebreeuws gebruikt een mannelijk deelwoord zonder aan te geven of het om een mens of om een dier gaat.
In het Nederlands bestaat daar geen enkel woord voor; daarom schrijven wij ‘wie of wat’.
Lezing
וְהַעֲלִיתִהוּ עוֹלָה (vehaalitihu olah), ‘en ik zal het als brandoffer offeren’.
Het voegwoord ‘וְ’ (ve) betekent gewoonlijk ‘en’, maar kan ook ‘of’ betekenen.
Dan staat er: ‘dat zal van Yahweh zijn, of ik zal het als brandoffer offeren’.
Ook het woord ‘het’ (de uitgang -הוּ, -hu) is mannelijk en kan een mens of een dier zijn.
33Hij versloeg hen, van Aroër tot waar je bij Minnit komt, twintig steden, en tot Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de zonen van Ammon onderworpen voor de zonen van Israël.
וַיַּכֵּ֡ם
(vayakem)
en hij versloeg hen
מֵעֲרוֹעֵר֩
(mearoer)
vanuit Aroër
וְעַד
(vead)
en tot
בּוֹאֲךָ֨
(boakha)
je komt naar
מִנִּ֜ית
(minit)
Minnit
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
עִ֗יר
(ir)
steden
וְעַד֙
(vead)
en tot
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
כְּרָמִ֔ים
(keramim)
Keramim
מַכָּ֖ה
(maka)
een slag
גְּדוֹלָ֣ה
(gedola)
grote
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיִּכָּֽנְעוּ֙
(vayikaneu)
en werden onderworpen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Aroër lag aan de Arnon (zie vers 26).
Minnit en Abel-Keramim (‘beemd van de wijngaarden’) lagen in het gebied van Ammon, in het huidige Jordanië.
34Jefta kwam in Mizpa bij zijn huis. Zie, zijn dochter kwam naar buiten, hem tegemoet, met tamboerijnen en reidansen. Zij was zijn enige kind. Behalve haar had hij geen zoon of dochter.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
יִפְתָּ֣ח
(yiftach)
Jefta
הַמִּצְפָּה֮
(hamitspa)
naar Mizpa
אֶל
(el)
naar
בֵּיתוֹ֒
(beito)
zijn huis
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
בִתּוֹ֙
(bito)
zijn dochter
יֹצֵ֣את
(yotset)
kwam uit
לִקְרָאת֔וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
בְתֻפִּ֖ים
(betupim)
met tamboerijnen
וּבִמְחֹל֑וֹת
(uvimcholot)
en met reidansen
וְרַק֙
(veraq)
en alleen
הִ֣יא
(hi)
zij
יְחִידָ֔ה
(yechida)
enig
אֵֽין
(ein)
niet
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
מִמֶּ֛נּוּ
(mimenu)
naast haar
בֵּ֖ן
(ben)
zoon
אוֹ
(o)
of
בַֽת
(bat)
dochter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
Uitleg
De dochter komt hem tegemoet met tamboerijnen en reidansen, zoals vrouwen een overwinning vierden (Exod. 15:20; 1 Sam. 18:6).
35Toen hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en zei: „Ach, mijn dochter! Je hebt mij diep gebogen. Je behoort tot hen die mij in ongeluk brengen. Want ik heb mijn mond voor Yahweh geopend en ik kan niet terug.”
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כִרְאוֹת֨וֹ
(kiroto)
bij zijn zien
אוֹתָ֜הּ
(otah)
haar
וַיִּקְרַ֣ע
(vayiqra)
en hij scheurde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֗יו
(begadav)
zijn kleren
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֲהָ֤הּ
(ahah)
ach
בִּתִּי֙
(biti)
mijn dochter
הַכְרֵ֣עַ
(hakhrea)
diep gebogen
הִכְרַעְתִּ֔נִי
(hikhratini)
je hebt mij gebogen
וְאַ֖תְּ
(veat)
en jij
הָיִ֣יתְ
(hayit)
was
בְּעֹֽכְרָ֑י
(beokheray)
onder hen die mij in ongeluk brengen
וְאָנֹכִ֗י
(veanokhi)
en ik
פָּצִ֤יתִי
(patsiti)
heb geopend
פִי֙
(pi)
mijn mond
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אוּכַ֖ל
(ukhal)
kan ik
לָשֽׁוּב
(lashuv)
terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Zijn kleren scheuren’ is een teken van diepe rouw (Gen. 37:34).
‘Ik kan niet terug’: een gelofte aan Yahweh moet worden volbracht (Num. 30:3; Deut. 23:22–24).
Lezing
עֹכְרִי (okhri), ‘die mij in ongeluk brengen’: dezelfde stam als in de naam Achan (Joz. 7:25, ‘Yahweh zal jou vandaag in ongeluk brengen’).
Jefta zegt: je hoort bij degenen die mij verdriet doen.
36Zij zei tegen hem: „Mijn vader, je hebt je mond voor Yahweh geopend. Doe met mij zoals uit je mond is gekomen, nu Yahweh je wraak heeft gegeven op je vijanden, de zonen van Ammon.”
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
פָּצִ֤יתָה
(patsita)
je hebt geopend
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֨יךָ֙
(pikha)
je mond
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲשֵׂ֣ה
(ase)
doe
לִ֔י
(li)
met mij
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
יָצָ֣א
(yatsa)
is uitgegaan
מִפִּ֑יךָ
(mipikha)
uit je mond
אַחֲרֵ֡י
(acharei)
nadat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂה֩
(asa)
heeft gedaan
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
נְקָמ֛וֹת
(neqamot)
wraak
מֵאֹיְבֶ֖יךָ
(meoyeveikha)
op je vijanden
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
De dochter spreekt haar vader aan met ‘mijn vader’.
Wij vertalen met ‘je’, zoals bij andere gesprekken tussen een vader en zijn kind.
37Zij zei tegen haar vader: „Laat dit voor mij gebeuren: laat mij twee maanden vrij. Dan ga ik de bergen in en ween ik over mijn maagdelijkheid, ik en mijn vriendinnen.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zij zei
אֶל
(el)
tot
אָבִ֔יהָ
(aviha)
haar vader
יֵעָ֥שֶׂה
(yease)
laat worden gedaan
לִּ֖י
(li)
voor mij
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
הַרְפֵּ֨ה
(harpe)
laat los
מִמֶּ֜נִּי
(mimeni)
van mij
שְׁנַ֣יִם
(shenayim)
twee
חֳדָשִׁ֗ים
(chodashim)
maanden
וְאֵֽלְכָה֙
(veelekha)
en laat mij gaan
וְיָרַדְתִּ֣י
(veyaradti)
en ik zal afdalen
עַל
(al)
op
הֶֽהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
וְאֶבְכֶּה֙
(veevke)
en ik zal wenen
עַל
(al)
over
בְּתוּלַ֔י
(betulay)
mijn maagdelijkheid
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
וְרֵעוֹתָֽי
(vereotay)
en mijn vriendinnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
וְיָרַדְתִּי (veyaradti), ‘en ik zal afdalen’: het woord ‘afdalen’ staat hier met ‘op de bergen’.
38Hij zei: „Ga.” Hij liet haar gaan, twee maanden lang. Zij ging, zij en haar vriendinnen, en weende op de bergen over haar maagdelijkheid.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֵ֔כִי
(lekhi)
ga
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en hij liet haar gaan
אוֹתָ֖הּ
(otah)
haar
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
חֳדָשִׁ֑ים
(chodashim)
maanden
וַתֵּ֤לֶךְ
(vatelekh)
en zij ging
הִיא֙
(hi)
zij
וְרֵ֣עוֹתֶ֔יהָ
(vereoteiha)
en haar vriendinnen
וַתֵּ֥בְךְּ
(vatevek)
en zij weende
עַל
(al)
over
בְּתוּלֶ֖יהָ
(betuleiha)
haar maagdelijkheid
עַל
(al)
op
הֶהָרִֽים
(heharim)
de bergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּתוּלִים (betulim), ‘maagdelijkheid’: haar toestand als ongetrouwde jonge vrouw.
Zij weent dat zij geen man en geen kinderen zal hebben.
39Na twee maanden kwam zij terug bij haar vader. Hij deed met haar volgens zijn gelofte, die hij had afgelegd. Zij had geen man gekend. Het werd een voorschrift in Israël:
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
מִקֵּ֣ץ
(miqets)
aan het einde van
שְׁנַ֣יִם
(shenayim)
twee
חֳדָשִׁ֗ים
(chodashim)
maanden
וַתָּ֨שָׁב֙
(vatashav)
en zij keerde terug
אֶל
(el)
tot
אָבִ֔יהָ
(aviha)
haar vader
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
לָ֔הּ
(lah)
met haar
אֶת
(et)
(obj.)
נִדְר֖וֹ
(nidro)
zijn gelofte
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָדָ֑ר
(nadar)
hij had afgelegd
וְהִיא֙
(vehi)
en zij
לֹא
(lo)
niet
יָדְעָ֣ה
(yadea)
had gekend
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וַתְּהִי
(vatehi)
en het werd
חֹ֖ק
(choq)
een voorschrift
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De wet verbiedt dat een kind wordt geofferd (Lev. 18:21; Deut. 12:31).
De wet regelt ook hoe een gelofte met een mens kan worden gelost (Lev. 27:1–8).
חֹק (choq), ‘voorschrift’: een vaste gewoonte of afspraak.
Lezing
Het Hebreeuws zegt alleen: ‘Hij deed met haar zijn gelofte, die hij had afgelegd.
En zij had geen man gekend.’
De tekst zegt niet met zoveel woorden wat hij deed.
Er zijn al heel lang twee opvattingen: (1) hij heeft haar als brandoffer geofferd, zoals vers 31 zegt; (2) hij heeft haar aan Yahweh gewijd, zodat zij haar hele leven ongetrouwd bleef.
Voor (1) pleit de gelofte van vers 31.
Voor (2) pleit dat de tekst zegt dat zij geen man had gekend, dat zij haar maagdelijkheid bewenen gaat (vers 37–38) en dat de dochters van Israël haar elk jaar herdenken (vers 40).
40Elk jaar gaan de dochters van Israël vier dagen om de dochter van Jefta, de Gileadiet, te beklagen.
מִיָּמִ֣ים
(miyamim)
van jaar tot jaar
יָמִ֗ימָה
(yamima)
jaar na jaar
תֵּלַ֨כְנָה֙
(telakhna)
gaan
בְּנ֣וֹת
(benot)
de dochters van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְתַנּ֕וֹת
(letanot)
om te beklagen
לְבַת
(levat)
de dochter van
יִפְתָּ֖ח
(yiftach)
Jefta
הַגִּלְעָדִ֑י
(hagiladi)
de Gileadiet
אַרְבַּ֥עַת
(arbaat)
vier
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
בַּשָּׁנָֽה
(bashana)
in het jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְתַנּוֹת (letannot), ‘beklagen’: het woord komt in dit boek nog voor in Richt. 5:11, waar het ‘bezingen’ of ‘vertellen’ betekent.
De oude vertalingen lezen hier ‘beklagen’.
Het kan dus ook ‘bezingen’ of ‘herdenken’ zijn.
מִיָּמִים יָמִימָה (miyamim yamimah), ‘van jaar tot jaar’: letterlijk ‘van dagen tot dagen’; zo wordt het jaarlijkse feest bedoeld (Richt. 21:19; 1 Sam. 1:3).