Elohim Bijbel

Numeri 10

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De zilveren trompetten en het vertrek van de Sinaï

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zilveren trompetten

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Maak twee trompetten van zilver. Van gedreven werk moet je ze maken. Ze zijn voor jou om de gemeenschap op te roepen en voor het verder trekken van de kampen.
עֲשֵׂ֣ה
(ase)
maak
לְךָ֗
(lekha)
voor jou
שְׁתֵּי֙
(shetei)
twee
חֲצֽוֹצְרֹ֣ת
(chatsotserot)
trompetten van
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
מִקְשָׁ֖ה
(miqsha)
gedreven werk
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
je zult ze maken
אֹתָ֑ם
(otam)
ze
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
לְמִקְרָ֣א
(lemiqra)
voor het oproepen van
הָֽעֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
וּלְמַסַּ֖ע
(ulemasa)
en voor het verder trekken van
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמַּחֲנֽוֹת
(hamachanot)
de kampen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲצוֹצְרָה (chatsotserah), ‘trompet’: een recht, smal blaasinstrument van zilver.

Het is een signaalinstrument, geen muziekinstrument.

3Wanneer men op beide blaast, moet heel de gemeenschap bij je samenkomen, bij de ingang van de tent van samenkomst.
וְתָקְע֖וּ
(vetaqeu)
en zij zullen blazen
בָּהֵ֑ן
(bahen)
op beide
וְנֽוֹעֲד֤וּ
(venoadu)
en zij zullen samenkomen
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
bij jou
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
אֶל
(el)
naar
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Als men op één blaast, moeten de leiders, de hoofden van de duizendtallen van Israël, bij je samenkomen.
וְאִם
(veim)
en als
בְּאַחַ֖ת
(beachat)
op één
יִתְקָ֑עוּ
(yitqau)
zij blazen
וְנוֹעֲד֤וּ
(venoadu)
en zij zullen samenkomen
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
bij jou
הַנְּשִׂיאִ֔ים
(hanesiim)
de leiders
רָאשֵׁ֖י
(rashei)
hoofden van
אַלְפֵ֥י
(alfei)
duizendtallen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Wanneer jullie een schallend signaal blazen, trekken de kampen verder die aan de oostkant liggen.
וּתְקַעְתֶּ֖ם
(uteqatem)
en jullie zullen blazen
תְּרוּעָ֑ה
(terua)
schallend signaal
וְנָֽסְעוּ֙
(venaseu)
en zij trekken verder
הַֽמַּחֲנ֔וֹת
(hamachanot)
de kampen
הַחֹנִ֖ים
(hachonim)
die gelegerd zijn
קֵֽדְמָה
(qedema)
oostwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרוּעָה (teru’ah), ‘schallend signaal’: een kort, luid, herhaald geluid, anders dan een gewone, lange stoot (vers 3, 4 en 7).

Bij het eerste schallende signaal trekken de kampen aan de oostkant verder (Juda, Issachar, Zebulon), bij het tweede die aan de zuidkant (Ruben, Simeon, Gad).

6Wanneer jullie een tweede keer een schallend signaal blazen, trekken de kampen verder die aan de zuidkant liggen. Voor hun tochten moeten zij een schallend signaal blazen.
וּתְקַעְתֶּ֤ם
(uteqatem)
en jullie zullen blazen
תְּרוּעָה֙
(terua)
schallend signaal
שֵׁנִ֔ית
(shenit)
tweede
וְנָֽסְעוּ֙
(venaseu)
en zij trekken verder
הַֽמַּחֲנ֔וֹת
(hamachanot)
de kampen
הַחֹנִ֖ים
(hachonim)
die gelegerd zijn
תֵּימָ֑נָה
(teimana)
zuidwaarts
תְּרוּעָ֥ה
(terua)
schallend signaal
יִתְקְע֖וּ
(yitqeu)
zij zullen blazen
לְמַסְעֵיהֶֽם
(lemaseihem)
voor hun tochten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Wanneer jullie de vergadering bijeenroepen, moeten jullie blazen, maar geen schallend signaal geven.
וּבְהַקְהִ֖יל
(uvehaqhil)
en bij het bijeenroepen van
אֶת
(et)
(obj.)
הַקָּהָ֑ל
(haqahal)
de vergadering
תִּתְקְע֖וּ
(titqeu)
jullie zullen blazen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תָרִֽיעוּ
(tariu)
jullie zullen een signaal geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De zonen van Aäron, de priesters, moeten op de trompetten blazen. Dit is een eeuwig voorschrift voor jullie, voor al jullie generaties.
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en de zonen van
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
יִתְקְע֖וּ
(yitqeu)
zij zullen blazen
בַּֽחֲצֹצְר֑וֹת
(bachatsotserot)
op de trompetten
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
לְחֻקַּ֥ת
(lechuqat)
tot een voorschrift van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwig
לְדֹרֹתֵיכֶֽם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Wanneer jullie in jullie land ten strijde trekken tegen de vijand die jullie benauwt, moeten jullie een schallend signaal blazen op de trompetten. Dan wordt er aan jullie gedacht voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim, en worden jullie gered van jullie vijanden.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
תָבֹ֨אוּ
(tavou)
jullie komen
מִלְחָמָ֜ה
(milchama)
ten strijde
בְּאַרְצְכֶ֗ם
(beartsekhem)
in jullie land
עַל
(al)
tegen
הַצַּר֙
(hatsar)
de vijand
הַצֹּרֵ֣ר
(hatsorer)
die benauwt
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וַהֲרֵעֹתֶ֖ם
(vahareotem)
en jullie zullen een signaal geven
בַּחֲצֹצְר֑וֹת
(bachatsotserot)
op de trompetten
וֲנִזְכַּרְתֶּ֗ם
(vanizkartem)
en er zal gedacht worden aan jullie
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְנוֹשַׁעְתֶּ֖ם
(venoshatem)
en jullie zullen gered worden
מֵאֹיְבֵיכֶֽם
(meoyeveikhem)
van jullie vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Ook op de dag van jullie vreugde, op jullie feesten en bij het begin van jullie maanden moeten jullie op de trompetten blazen. Doe dat bij jullie brandoffers en bij jullie vredeoffers. Ze zullen voor jullie een gedachtenis zijn voor het aangezicht van jullie Elohim. Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”
וּבְי֨וֹם
(uveyom)
en op de dag van
שִׂמְחַתְכֶ֥ם
(simchatkhem)
jullie vreugde
וּֽבְמוֹעֲדֵיכֶם֮
(uvemoadeikhem)
en op jullie feesten
וּבְרָאשֵׁ֣י
(uverashei)
en bij het begin van
חָדְשֵׁיכֶם֒
(chadesheikhem)
jullie maanden
וּתְקַעְתֶּ֣ם
(uteqatem)
en jullie zullen blazen
בַּחֲצֹֽצְרֹ֗ת
(bachatsotserot)
op de trompetten
עַ֚ל
(al)
bij
עֹלֹ֣תֵיכֶ֔ם
(oloteikhem)
jullie brandoffers
וְעַ֖ל
(veal)
en bij
זִבְחֵ֣י
(zivchei)
de slachtoffers van
שַׁלְמֵיכֶ֑ם
(shalmeikhem)
jullie vredeoffers
וְהָי֨וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לָכֶ֤ם
(lakhem)
voor jullie
לְזִכָּרוֹן֙
(lezikaron)
tot een gedachtenis
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹעֲדִים (mo’adim), ‘feesten’: de vastgestelde tijden van Yahweh.

Het begin van de maanden is de dag van de nieuwe maan.

Israël trekt verder uit de woestijn Sinaï

11In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste van de maand, steeg de wolk op van boven de tabernakel van het getuigenis.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het gebeurde
בַּשָּׁנָ֧ה
(bashana)
in het jaar
הַשֵּׁנִ֛ית
(hashenit)
het tweede
בַּחֹ֥דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשֵּׁנִ֖י
(hasheni)
de tweede
בְּעֶשְׂרִ֣ים
(beesrim)
op de twintigste
בַּחֹ֑דֶשׁ
(bachodesh)
van de maand
נַעֲלָה֙
(naala)
steeg op
הֶֽעָנָ֔ן
(heanan)
de wolk
מֵעַ֖ל
(meal)
van boven
מִשְׁכַּ֥ן
(mishkan)
de tabernakel van
הָעֵדֻֽת
(haedut)
het getuigenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Na bijna een jaar bij de berg Sinaï (zie Exod. 19:1) breekt Israël nu op.

De wolk, die in Num. 9:15–23 het teken is, stijgt op.

12De zonen van Israël trokken verder, volgens hun tochten, uit de woestijn Sinaï. De wolk kwam tot rust in de woestijn Paran.
וַיִּסְע֧וּ
(vayisu)
en zij trokken verder
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
לְמַסְעֵיהֶ֖ם
(lemaseihem)
volgens hun tochten
מִמִּדְבַּ֣ר
(mimidbar)
uit de woestijn van
סִינָ֑י
(sinay)
Sinaï
וַיִּשְׁכֹּ֥ן
(vayishkon)
en rustte
הֶעָנָ֖ן
(heanan)
de wolk
בְּמִדְבַּ֥ר
(bemidbar)
in de woestijn van
פָּארָֽן
(paran)
Paran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De woestijn Paran ligt ten noorden van het Sinaïschiereiland, in het zuiden van het huidige Israël en het noordoosten van Egypte.

De precieze grenzen zijn niet bekend.

13Zij trokken voor het eerst verder, op bevel van Yahweh, door Mozes.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij trokken verder
בָּרִאשֹׁנָ֑ה
(barishona)
voor het eerst
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De volgorde van de stammen

14Als eerste trok het vaandel van het kamp van de zonen van Juda verder, volgens hun legerscharen. Over zijn leger was Nachsjon, de zoon van Amminadab.
וַיִּסַּ֞ע
(vayisa)
en trok verder
דֶּ֣גֶל
(degel)
het vaandel van
מַחֲנֵ֧ה
(machane)
het kamp van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
בָּרִאשֹׁנָ֖ה
(barishona)
als eerste
לְצִבְאֹתָ֑ם
(letsivotam)
volgens hun legerscharen
וְעַל
(veal)
en over
צְבָא֔וֹ
(tsevao)
zijn leger
נַחְשׁ֖וֹן
(nachshon)
Nachsjon
בֶּן
(ben)
zoon van
עַמִּינָדָֽב
(aminadav)
Amminadab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דֶּגֶל (degel), ‘vaandel’: de groep van drie stammen die samen onder één teken trok.

De volgorde van de stammen is dezelfde als in Num. 7: Juda, Issachar, Zebulon; Ruben, Simeon, Gad; Efraïm, Manasse, Benjamin; Dan, Aser, Naftali.

15Over het leger van de stam van de zonen van Issachar was Netanel, de zoon van Zuar.
וְעַ֨ל
(veal)
en over
צְבָ֔א
(tseva)
het leger van
מַטֵּ֖ה
(mate)
de stam van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשָׂשכָ֑ר
(yisashkhar)
Issachar
נְתַנְאֵ֖ל
(netanel)
Netanel
בֶּן
(ben)
zoon van
צוּעָֽר
(tsuar)
Zuar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Over het leger van de stam van de zonen van Zebulon was Eliab, de zoon van Chelon.
וְעַ֨ל
(veal)
en over
צְבָ֔א
(tseva)
het leger van
מַטֵּ֖ה
(mate)
de stam van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
זְבוּלֻ֑ן
(zevulun)
Zebulon
אֱלִיאָ֖ב
(eliav)
Eliab
בֶּן
(ben)
zoon van
חֵלֽוֹן
(chelon)
Chelon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Toen werd de tabernakel afgebroken, en de zonen van Gersjon en de zonen van Merari trokken verder, de dragers van de tabernakel.
וְהוּרַ֖ד
(vehurad)
en werd afgebroken
הַמִּשְׁכָּ֑ן
(hamishkan)
de tabernakel
וְנָסְע֤וּ
(venaseu)
en zij trokken verder
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
גֵרְשׁוֹן֙
(gereshon)
Gersjon
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
מְרָרִ֔י
(merari)
Merari
נֹשְׂאֵ֖י
(noseei)
dragers van
הַמִּשְׁכָּֽן
(hamishkan)
de tabernakel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Gersjonieten en de Merarieten droegen de tabernakel zelf (Num. 7:7–8), en trokken dus na het eerste vaandel, zodat de tabernakel opgericht kon zijn bij de komst van de Kehatieten (vers 21).

18Daarna trok het vaandel van het kamp van Ruben verder, volgens hun legerscharen. Over zijn leger was Elizur, de zoon van Sjedeür.
וְנָסַ֗ע
(venasa)
en trok verder
דֶּ֛גֶל
(degel)
het vaandel van
מַחֲנֵ֥ה
(machane)
het kamp van
רְאוּבֵ֖ן
(reuven)
Ruben
לְצִבְאֹתָ֑ם
(letsivotam)
volgens hun legerscharen
וְעַל
(veal)
en over
צְבָא֔וֹ
(tsevao)
zijn leger
אֱלִיצ֖וּר
(elitsur)
Elizur
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁדֵיאֽוּר
(shedeiur)
Sjedeür
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Over het leger van de stam van de zonen van Simeon was Sjelumiël, de zoon van Zurisjaddai.
וְעַ֨ל
(veal)
en over
צְבָ֔א
(tseva)
het leger van
מַטֵּ֖ה
(mate)
de stam van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
שִׁמְע֑וֹן
(shimon)
Simeon
שְׁלֻֽמִיאֵ֖ל
(shelumiel)
Sjelumiël
בֶּן
(ben)
zoon van
צוּרִֽי
(tsuri)
Suri-
שַׁדָּֽי
(shaday)
-saddai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Over het leger van de stam van de zonen van Gad was Eljasaf, de zoon van Deüel.
וְעַל
(veal)
en over
צְבָ֖א
(tseva)
het leger van
מַטֵּ֣ה
(mate)
de stam van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
גָ֑ד
(gad)
Gad
אֶלְיָסָ֖ף
(elyasaf)
Eljasaf
בֶּן
(ben)
zoon van
דְּעוּאֵֽל
(deuel)
Deüel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21De Kehatieten trokken verder, de dragers van het heiligdom. De anderen richtten de tabernakel op tegen de tijd dat zij aankwamen.
וְנָסְעוּ֙
(venaseu)
en zij trokken verder
הַקְּהָתִ֔ים
(haqehatim)
de Kehatieten
נֹשְׂאֵ֖י
(noseei)
dragers van
הַמִּקְדָּ֑שׁ
(hamiqdash)
het heiligdom
וְהֵקִ֥ימוּ
(veheqimu)
en zij richtten op
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
עַד
(ad)
tot
בֹּאָֽם
(boam)
hun komst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Kehatieten droegen de heilige voorwerpen (Num. 7:9).

Zij trokken pas na de Gersjonieten en de Merarieten, die de tabernakel eerder opzetten.

22Daarna trok het vaandel van het kamp van de zonen van Efraïm verder, volgens hun legerscharen. Over zijn leger was Elisjama, de zoon van Ammihud.
וְנָסַ֗ע
(venasa)
en trok verder
דֶּ֛גֶל
(degel)
het vaandel van
מַחֲנֵ֥ה
(machane)
het kamp van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
לְצִבְאֹתָ֑ם
(letsivotam)
volgens hun legerscharen
וְעַל
(veal)
en over
צְבָא֔וֹ
(tsevao)
zijn leger
אֱלִישָׁמָ֖ע
(elishama)
Elisjama
בֶּן
(ben)
zoon van
עַמִּיהֽוּד
(amihud)
Ammihud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Over het leger van de stam van de zonen van Manasse was Gamliël, de zoon van Pedazur.
וְעַ֨ל
(veal)
en over
צְבָ֔א
(tseva)
het leger van
מַטֵּ֖ה
(mate)
de stam van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
מְנַשֶּׁ֑ה
(menashe)
Manasse
גַּמְלִיאֵ֖ל
(gamliel)
Gamliël
בֶּן
(ben)
zoon van
פְּדָה
(peda)
Peda-
צֽוּר
(tsur)
-zur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Over het leger van de stam van de zonen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.
וְעַ֨ל
(veal)
en over
צְבָ֔א
(tseva)
het leger van
מַטֵּ֖ה
(mate)
de stam van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
אֲבִידָ֖ן
(avidan)
Abidan
בֶּן
(ben)
zoon van
גִּדְעוֹנִֽי
(gidoni)
Gideoni
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Het vaandel van het kamp van de zonen van Dan trok verder, als achterhoede van alle kampen, volgens hun legerscharen. Over zijn leger was Achiëzer, de zoon van Ammisjaddai.
וְנָסַ֗ע
(venasa)
en trok verder
דֶּ֚גֶל
(degel)
het vaandel van
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
דָ֔ן
(dan)
Dan
מְאַסֵּ֥ף
(measef)
achterhoede
לְכָל
(lekhal)
voor alle
הַֽמַּחֲנֹ֖ת
(hamachanot)
de kampen
לְצִבְאֹתָ֑ם
(letsivotam)
volgens hun legerscharen
וְעַל
(veal)
en over
צְבָא֔וֹ
(tsevao)
zijn leger
אֲחִיעֶ֖זֶר
(achiezer)
Achiëzer
בֶּן
(ben)
zoon van
עַמִּישַׁדָּֽי
(amishaday)
Ammisjaddai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Over het leger van de stam van de zonen van Aser was Pagiël, de zoon van Ochran.
וְעַל
(veal)
en over
צְבָ֔א
(tseva)
het leger van
מַטֵּ֖ה
(mate)
de stam van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אָשֵׁ֑ר
(asher)
Aser
פַּגְעִיאֵ֖ל
(pagiel)
Pagiël
בֶּן
(ben)
zoon van
עָכְרָֽן
(akheran)
Ochran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Over het leger van de stam van de zonen van Naftali was Achira, de zoon van Enan.
וְעַ֨ל
(veal)
en over
צְבָ֔א
(tseva)
het leger van
מַטֵּ֖ה
(mate)
de stam van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
נַפְתָּלִ֑י
(naftali)
Naftali
אֲחִירַ֖ע
(achira)
Achira
בֶּן
(ben)
zoon van
עֵינָֽן
(einan)
Enan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Dit waren de tochten van de zonen van Israël, volgens hun legerscharen. Zo trokken zij verder.
אֵ֛לֶּה
(ele)
dit
מַסְעֵ֥י
(masei)
de tochten van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְצִבְאֹתָ֑ם
(letsivotam)
volgens hun legerscharen
וַיִּסָּֽעוּ
(vayisau)
en zij trokken verder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mozes vraagt Chobab mee te gaan

29Chobab was de zoon van Reüel, de Midianiet, de schoonvader van Mozes. Mozes zei tot hem: „Wij trekken naar de plaats waarvan Yahweh heeft gezegd: ‘Ik zal die aan jullie geven.’ Ga met ons mee, dan zullen wij je goed doen, want Yahweh heeft het goede over Israël gesproken.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
לְ֠חֹבָב
(lechovav)
tot Chobab
בֶּן
(ben)
zoon van
רְעוּאֵ֣ל
(reuel)
Reüel
הַמִּדְיָנִי֮
(hamidyani)
de Midianiet
חֹתֵ֣ן
(choten)
schoonvader van
מֹשֶׁה֒
(moshe)
Mozes
נֹסְעִ֣ים
(noseim)
wij trekken verder
אֲנַ֗חְנוּ
(anachnu)
wij
אֶל
(el)
naar
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarvan
אָמַ֣ר
(amar)
zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֖וֹ
(oto)
die
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
לָכֶ֑ם
(lakhem)
aan jullie
לְכָ֤ה
(lekha)
ga
אִתָּ֨נוּ֙
(itanu)
met ons
וְהֵטַ֣בְנוּ
(vehetavnu)
en wij zullen goed doen
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
כִּֽי
(ki)
want
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֶּר
(diber)
heeft gesproken
ט֖וֹב
(tov)
het goede
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Chobab (חֹבָב) is de zoon van Reüel (רְעוּאֵל), de Midianiet.

In het Hebreeuws kan ‘de schoonvader van Mozes’ bij Chobab of bij Reüel horen; wij laten dat zo staan.

Vergelijk Exod. 2:18 en 18:1–27.

Lezing

De woorden van Yahweh, ‘Ik zal die aan jullie geven’, staan hier als citaat in de woorden van Mozes en zijn daarom rood.

Vergelijk Gen. 12:7.

30Hij zei tot hem: „Ik ga niet. Ik ga alleen naar mijn land en naar mijn geboorteland.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
לֹ֣א
(lo)
niet
אֵלֵ֑ךְ
(elekh)
ik zal gaan
כִּ֧י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
אֶל
(el)
naar
אַרְצִ֛י
(artsi)
mijn land
וְאֶל
(veel)
en naar
מוֹלַדְתִּ֖י
(moladti)
mijn geboorteland
אֵלֵֽךְ
(elekh)
ik zal gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Mozes zei: „Verlaat ons alsjeblieft niet, want je weet hoe wij ons in de woestijn legeren. Wees voor ons als ogen.
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַל
(al)
niet
נָ֖א
(na)
alsjeblieft
תַּעֲזֹ֣ב
(taazov)
verlaat
אֹתָ֑נוּ
(otanu)
ons
כִּ֣י
(ki)
want
עַל
(al)
omdat
כֵּ֣ן
(ken)
zo
יָדַ֗עְתָּ
(yadata)
je weet
חֲנֹתֵ֨נוּ֙
(chanotenu)
ons legeren
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְהָיִ֥יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
לָּ֖נוּ
(lanu)
voor ons
לְעֵינָֽיִם
(leeinayim)
als ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes vraagt Chobab om hun ‘ogen’ te zijn: iemand die de woestijn kent en de beste plaatsen om te kamperen weet.

De wolk wijst Israël de weg (Num. 9:15–23), maar Mozes vraagt ook om deze hulp.

32Als je met ons meegaat, dan zal het zo zijn: het goede dat Yahweh ons zal doen, dat zullen wij ook jou doen.”
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּי
(ki)
wanneer
תֵלֵ֣ךְ
(telekh)
je meegaat
עִמָּ֑נוּ
(imanu)
met ons
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַטּ֣וֹב
(hatov)
het goede
הַה֗וּא
(hahu)
dat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יֵיטִ֧יב
(yeitiv)
Hij goed zal doen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּ֖נוּ
(imanu)
met ons
וְהֵטַ֥בְנוּ
(vehetavnu)
en wij zullen goed doen
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De ark gaat voorop

33Zij trokken verder van de berg van Yahweh, een reis van drie dagen. De ark van het verbond van Yahweh trok een reis van drie dagen voor hen uit, om een rustplaats voor hen te zoeken.
וַיִּסְעוּ֙
(vayisu)
en zij trokken verder
מֵהַ֣ר
(mehar)
van de berg van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
een reis van
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וַאֲר֨וֹן
(vaaron)
en de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
נֹסֵ֣עַ
(nosea)
trok verder
לִפְנֵיהֶ֗ם
(lifneihem)
voor hen uit
דֶּ֚רֶךְ
(derekh)
een reis van
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
לָת֥וּר
(latur)
om te zoeken
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
מְנוּחָֽה
(menucha)
een rustplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

‘De berg van Yahweh’ is de Sinaï (Exod. 19:11).

De traditionele ligging is Jebel Musa, in het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte); dit is niet zeker.

Uitleg

בְּרִית (berit), ‘verbond’: de ark van het verbond bevat de stenen tafelen (Exod. 25:16 en 25:21).

תּוּר (tur), ‘zoeken, verkennen’: de ark gaat voor het volk uit om een plaats van rust voor hen uit te zoeken.

34De wolk van Yahweh was overdag boven hen wanneer zij uit het kamp verder trokken.
וַעֲנַ֧ן
(vaanan)
en de wolk van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
boven hen
יוֹמָ֑ם
(yomam)
overdag
בְּנָסְעָ֖ם
(benaseam)
bij hun verder trekken
מִן
(min)
uit
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Telkens als de ark verder trok, zei Mozes: „Sta op, Yahweh! Laat Uw vijanden uiteengedreven worden en laat wie U haten vluchten voor Uw aangezicht.”
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het gebeurde
בִּנְסֹ֥עַ
(binsoa)
bij het verder trekken van
הָאָרֹ֖ן
(haaron)
de ark
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
קוּמָ֣ה
(quma)
sta op
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיָפֻ֨צוּ֙
(veyafutsu)
en laat uiteengedreven worden
אֹֽיְבֶ֔יךָ
(oyeveikha)
Uw vijanden
וְיָנֻ֥סוּ
(veyanusu)
en laat vluchten
מְשַׂנְאֶ֖יךָ
(mesaneikha)
wie U haten
מִפָּנֶֽיךָ
(mipaneikha)
van Uw aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes’ woorden bij het vertrek van de ark lijken op Ps. 68:2.

Wij noteren ze hier als zijn eigen woorden: hij spreekt Yahweh aan met ‘U’.

36Wanneer de ark tot rust kwam, zei hij: „Keer terug, Yahweh, naar de tienduizenden en duizenden van Israël.”
וּבְנֻחֹ֖ה
(uvenucho)
en bij zijn rusten
יֹאמַ֑ר
(yomar)
hij zei
שׁוּבָ֣ה
(shuva)
keer terug
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
רִֽבְב֖וֹת
(rivvot)
tienduizenden
אַלְפֵ֥י
(alfei)
duizenden van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)