Elohim Bijbel

Deuteronomium 10

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

De nieuwe tafelen, de ark, Levi en wat Yahweh van Israël vraagt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De nieuwe tafelen en de ark

1In die tijd zei Yahweh tot mij: „Houw twee stenen tafelen uit, zoals de eerste, en kom naar Mij op de berg. Maak ook een houten ark.
בָּעֵ֨ת
(baet)
in die
הַהִ֜וא
(hahi)
tijd
אָמַ֧ר
(amar)
zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
פְּסָל
(pesal)
houw uit
לְךָ֞
(lekha)
voor jou
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
לֻוחֹ֤ת
(luvchot)
tafelen van
אֲבָנִים֙
(avanim)
stenen
כָּרִ֣אשֹׁנִ֔ים
(karishonim)
zoals de eerste
וַעֲלֵ֥ה
(vaale)
en klim
אֵלַ֖י
(elay)
naar Mij
הָהָ֑רָה
(hahara)
naar de berg
וְעָשִׂ֥יתָ
(veasita)
en maak
לְּךָ֖
(lekha)
voor jou
אֲר֥וֹן
(aron)
ark van
עֵֽץ
(ets)
hout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit herhaalt Exod. 34:1.

De nieuwe tafelen komen na het breken van de eerste (Deut. 9:17).

De ark die Mozes hier laat maken, is vermoedelijk de ark van het getuigenis (Exod. 25:10–22; 37:1–9). Het Hebreeuws zegt dat niet uitdrukkelijk.

2Ik zal op de tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die je gebroken hebt. Leg ze in de ark.”
וְאֶכְתֹּב֙
(veekhtov)
en Ik zal schrijven
עַל
(al)
op
הַלֻּחֹ֔ת
(haluchot)
de tafelen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָי֛וּ
(hayu)
waren
עַל
(al)
op
הַלֻּחֹ֥ת
(haluchot)
de tafelen
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eerste
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שִׁבַּ֑רְתָּ
(shibarta)
je brak
וְשַׂמְתָּ֖ם
(vesamtam)
en je zult ze leggen
בָּאָרֽוֹן
(baaron)
in de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Ik maakte een ark van acaciahout en hieuw twee stenen tafelen uit, zoals de eerste. Ik ging de berg op met de twee tafelen in mijn hand.
וָאַ֤עַשׂ
(vaaas)
en ik maakte
אֲרוֹן֙
(aron)
ark van
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֔ים
(shitim)
acacia
וָאֶפְסֹ֛ל
(vaefsol)
en ik hieuw uit
שְׁנֵי
(shenei)
twee
לֻחֹ֥ת
(luchot)
tafelen van
אֲבָנִ֖ים
(avanim)
stenen
כָּרִאשֹׁנִ֑ים
(karishonim)
zoals de eerste
וָאַ֣עַל
(vaaal)
en ik ging op
הָהָ֔רָה
(hahara)
naar de berg
וּשְׁנֵ֥י
(ushenei)
en de twee
הַלֻּחֹ֖ת
(haluchot)
tafelen
בְּיָדִֽי
(beyadi)
in mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Hij schreef op de tafelen, zoals de eerste keer geschreven was, de Tien Woorden. Yahweh had ze op de berg uit het vuur tot jullie gesproken, op de dag van de vergadering. En Yahweh gaf ze aan mij.
וַיִּכְתֹּ֨ב
(vayikhtov)
en Hij schreef
עַֽל
(al)
op
הַלֻּחֹ֜ת
(haluchot)
de tafelen
כַּמִּכְתָּ֣ב
(kamikhtav)
zoals het schrift van
הָרִאשׁ֗וֹן
(harishon)
de eerste
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
עֲשֶׂ֣רֶת
(aseret)
de Tien
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
דִּבֶּר֩
(diber)
sprak
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲלֵיכֶ֥ם
(aleikhem)
tot jullie
בָּהָ֛ר
(bahar)
op de berg
מִתּ֥וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַקָּהָ֑ל
(haqahal)
de vergadering
וַיִּתְּנֵ֥ם
(vayitenem)
en Hij gaf ze
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָֽי
(elay)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲשֶׂרֶת הַדְּבָרִים (aseret hadevarim), ‘de Tien Woorden’: zie Exod. 34:28 en Deut. 9:10.

5Ik keerde mij om en daalde van de berg af. Ik legde de tafelen in de ark die ik gemaakt had, en daar bleven zij, zoals Yahweh mij geboden had.
וָאֵ֗פֶן
(vaefen)
en ik keerde mij om
וָֽאֵרֵד֙
(vaered)
en ik daalde af
מִן
(min)
van
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וָֽאָשִׂם֙
(vaasim)
en ik legde
אֶת
(et)
(obj.)
הַלֻּחֹ֔ת
(haluchot)
de tafelen
בָּאָר֖וֹן
(baaron)
in de ark
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשִׂ֑יתִי
(asiti)
ik had gemaakt
וַיִּ֣הְיוּ
(vayihyu)
en zij waren
שָׁ֔ם
(sham)
daar
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוַּ֖נִי
(tsivani)
Hij had geboden mij
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Aärons dood en de reis

6De zonen van Israël trokken van Beërot-Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar stierf Aäron en daar werd hij begraven. Zijn zoon Eleazar werd priester in zijn plaats.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
נָֽסְע֛וּ
(naseu)
trokken
מִבְּאֵרֹ֥ת
(mibeerot)
van Beërot
בְּנֵי
(benei)
Bene
יַעֲקָ֖ן
(yaaqan)
Jaäkan
מוֹסֵרָ֑ה
(mosera)
naar Mosera
שָׁ֣ם
(sham)
daar
מֵ֤ת
(met)
stierf
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
וַיִּקָּבֵ֣ר
(vayiqaver)
en werd begraven
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וַיְכַהֵ֛ן
(vaykhahen)
en diende als priester
אֶלְעָזָ֥ר
(elazar)
Eleazar
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Beërot-Bene-Jaäkan, Mosera, Gudgoda en Jotbata zijn halteplaatsen van de tocht door de woestijn, ten zuiden en zuidoosten van het land (Num. 33:30–34).

De precieze ligging is onbekend.

Uitleg

Aäron stierf volgens Num. 20:22–29 en 33:38 op de berg Hor.

Hier staat Mosera als plaats waar hij stierf; wij laten beide staan en maken geen keuze.

7Vandaar trokken zij naar Gudgoda en van Gudgoda naar Jotbata, een land met beken vol water.
מִשָּׁ֥ם
(misham)
vandaar
נָסְע֖וּ
(naseu)
trokken zij
הַגֻּדְגֹּ֑דָה
(hagudgoda)
naar Gudgoda
וּמִן
(umin)
en van
הַגֻּדְגֹּ֣דָה
(hagudgoda)
Gudgoda
יָטְבָ֔תָה
(yatevata)
naar Jotbata
אֶ֖רֶץ
(erets)
een land van
נַ֥חֲלֵי
(nachalei)
beken van
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Levi wordt afgezonderd

8In die tijd zonderde Yahweh de stam Levi af om de ark van het verbond van Yahweh te dragen. En om voor het aangezicht van Yahweh te staan, Hem te dienen en in Zijn naam te zegenen, tot op deze dag.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in die
הַהִ֗וא
(hahi)
tijd
הִבְדִּ֤יל
(hivdil)
zonderde af
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
de stam van
הַלֵּוִ֔י
(halevi)
Levi
לָשֵׂ֖את
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲמֹד֩
(laamod)
om te staan
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לְשָֽׁרְתוֹ֙
(leshareto)
om Hem te dienen
וּלְבָרֵ֣ךְ
(ulevarekh)
en om te zegenen
בִּשְׁמ֔וֹ
(bishmo)
in Zijn naam
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: de Levieten dragen de ark (Num. 3:31; 4:15).

9Daarom heeft Levi geen deel of erfdeel met zijn broers. Yahweh is zijn erfdeel, zoals Yahweh, je Elohim, tegen hem gesproken heeft.
עַל
(al)
op
כֵּ֞ן
(ken)
zo
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֧ה
(haya)
is geweest
לְלֵוִ֛י
(lelevi)
voor Levi
חֵ֥לֶק
(cheleq)
deel
וְנַחֲלָ֖ה
(venachala)
en erfdeel
עִם
(im)
met
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ה֣וּא
(hu)
Hij
נַחֲלָת֔וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֛ר
(diber)
Hij sprak
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לֽוֹ
(lo)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh zelf is het erfdeel van Levi (Num. 18:20).

Yahweh luistert naar Mozes

10Ik zelf bleef op de berg, zoals de eerste keer, 40 dagen en 40 nachten. Ook die keer luisterde Yahweh naar mij: Yahweh wilde je niet verderven.
וְאָנֹכִ֞י
(veanokhi)
en ik
עָמַ֣דְתִּי
(amadti)
ik stond
בָהָ֗ר
(bahar)
op de berg
כַּיָּמִים֙
(kayamim)
zoals de dagen
הָרִ֣אשֹׁנִ֔ים
(harishonim)
de eerste
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
40
י֔וֹם
(yom)
dagen
וְאַרְבָּעִ֖ים
(vearbaim)
en 40
לָ֑יְלָה
(layela)
nachten
וַיִּשְׁמַ֨ע
(vayishma)
en luisterde
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
naar mij
גַּ֚ם
(gam)
ook
בַּפַּ֣עַם
(bapaam)
die keer
הַהִ֔וא
(hahi)
die
לֹא
(lo)
niet
אָבָ֥ה
(ava)
wilde
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הַשְׁחִיתֶֽךָ
(hashchitekha)
je te verderven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Yahweh zei tot mij: „Sta op, ga voor het volk uit op reis. Dan zullen zij het land binnengaan en in bezit nemen dat Ik hun vaders gezworen heb hun te geven.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
ק֛וּם
(qum)
sta op
לֵ֥ךְ
(lekh)
ga
לְמַסַּ֖ע
(lemasa)
op reis
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וְיָבֹ֨אוּ֙
(veyavou)
en zij zullen binnengaan
וְיִֽרְשׁ֣וּ
(veyirshu)
en zij zullen in bezit nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֥עְתִּי
(nishbati)
Ik zwoer
לַאֲבֹתָ֖ם
(laavotam)
aan hun vaders
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wat Yahweh van je vraagt

12En nu, Israël, wat vraagt Yahweh, je Elohim, van je? Alleen dat je ontzag hebt voor Yahweh, je Elohim, op al Zijn wegen gaat en Hem liefhebt. En dat je Yahweh, je Elohim, dient met heel je hart en heel je ziel,
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מָ֚ה
(ma)
wat
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
שֹׁאֵ֖ל
(shoel)
vraagt
מֵעִמָּ֑ךְ
(meimakh)
van jou
כִּ֣י
(ki)
tenzij
אִם
(im)
ontzag hebben voor
לְ֠יִרְאָה
(leyira)
(obj.)
אֶת
(et)
Yahweh
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
je Elohim
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
om te gaan
לָלֶ֤כֶת
(lalekhet)
op al
בְּכָל
(bekhal)
Zijn wegen
דְּרָכָיו֙
(derakhav)
en Hem lief te hebben
וּלְאַהֲבָ֣ה
(uleahava)
(obj.)
אֹת֔וֹ
(oto)
Hem
וְלַֽעֲבֹד֙
(velaavod)
en te dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָבְךָ֖
(levavekha)
je hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
je ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָרֵא (yare), ‘ontzag hebben voor’: eerbied voor Yahweh.

Het is hetzelfde woord als ‘bang zijn’ in Deut. 7:18; hier gaat het om eerbied.

13door de geboden van Yahweh en Zijn voorschriften te bewaren, die ik je vandaag gebied, tot je eigen bestwil.
לִשְׁמֹ֞ר
(lishmor)
om te bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְוֺ֤ת
(mitsvot)
de geboden van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֻקֹּתָ֔יו
(chuqotav)
Zijn voorschriften
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
מְצַוְּךָ֖
(metsavekha)
je gebied
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
לְט֖וֹב
(letov)
tot het goede
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Zie, van Yahweh, je Elohim, zijn de hemel en de hemel van de hemelen, de aarde en alles wat erin is.
הֵ֚ן
(hen)
zie
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
van Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּשְׁמֵ֣י
(ushemei)
en de hemel van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemelen
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּֽהּ
(bah)
daarin is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁמֵי הַשָּׁמָיִם (shemei hashamayim), ‘de hemel van de hemelen’: de hoogste hemel.

15Alleen aan je vaders heeft Yahweh Zich gehecht door hen lief te hebben. En hun nageslacht na hen, jullie, heeft Hij gekozen uit alle volken, zoals het vandaag is.
רַ֧ק
(raq)
alleen
בַּאֲבֹתֶ֛יךָ
(baavoteikha)
aan je vaders
חָשַׁ֥ק
(chashaq)
hechtte Zich
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְאַהֲבָ֣ה
(leahava)
om lief te hebben
אוֹתָ֑ם
(otam)
hen
וַיִּבְחַ֞ר
(vayivchar)
en Hij koos
בְּזַרְעָ֣ם
(bezaram)
hun nageslacht
אַחֲרֵיהֶ֗ם
(achareihem)
na hen
בָּכֶ֛ם
(bakhem)
jullie
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הָעַמִּ֖ים
(haamim)
de volken
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals op de dag
הַזֶּה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Besnijd de voorhuid van jullie hart en wees niet langer halsstarrig.
וּמַלְתֶּ֕ם
(umaltem)
en jullie zullen besnijden
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
עָרְלַ֣ת
(arelat)
de voorhuid van
לְבַבְכֶ֑ם
(levavkhem)
jullie hart
וְעָ֨רְפְּכֶ֔ם
(vearpekhem)
en jullie nek
לֹ֥א
(lo)
niet
תַקְשׁ֖וּ
(taqshu)
jullie zullen hard maken
עֽוֹד
(od)
nog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De voorhuid van het hart besnijden’ is een beeld: het hart moet open en gehoorzaam worden.

Hetzelfde beeld staat in Lev. 26:41.

‘Halsstarrig’ is letterlijk ‘maak jullie nek niet langer hard’ (Deut. 9:6).

17Want Yahweh, jullie Elohim, is de Elohim van de goden en de Heer van de heren. Hij is de grote, sterke en ontzagwekkende El, die niemand voortrekt en geen steekpenning aanneemt.
כִּ֚י
(ki)
want
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
ה֚וּא
(hu)
Hij
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de goden
וַאֲדֹנֵ֖י
(vaadonei)
en Heer van
הָאֲדֹנִ֑ים
(haadonim)
de heren
הָאֵ֨ל
(hael)
de El
הַגָּדֹ֤ל
(hagadol)
de grote
הַגִּבֹּר֙
(hagibor)
de sterke
וְהַנּוֹרָ֔א
(vehanora)
en de ontzagwekkende
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יִשָּׂ֣א
(yisa)
opheft
פָנִ֔ים
(panim)
het gezicht
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִקַּ֖ח
(yiqach)
neemt
שֹֽׁחַד
(shochad)
steekpenning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Elohim van de goden’ betekent: de hoogste boven alles wat men god noemt.

נָשָׂא פָנִים (nasa panim) is letterlijk ‘het gezicht opheffen’: iemand voortrekken. Wij schrijven ‘niemand voortrekken’.

18Hij schaft recht voor de wees en de weduwe en heeft de vreemdeling lief, door hem brood en kleding te geven.
עֹשֶׂ֛ה
(ose)
die doet
מִשְׁפַּ֥ט
(mishpat)
recht voor
יָת֖וֹם
(yatom)
wees
וְאַלְמָנָ֑ה
(vealmana)
en weduwe
וְאֹהֵ֣ב
(veohev)
en liefheeft
גֵּ֔ר
(ger)
de vreemdeling
לָ֥תֶת
(latet)
door te geven
ל֖וֹ
(lo)
hem
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood
וְשִׂמְלָֽה
(vesimla)
en kleding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּר (ger), ‘vreemdeling’: iemand die als gast onder het volk woont.

Zie Exod. 22:20 en 23:9.

19Heb dus de vreemdeling lief, want jullie zijn vreemdelingen geweest in het land Egypte.
וַאֲהַבְתֶּ֖ם
(vaahavtem)
en jullie zullen liefhebben
אֶת
(et)
(obj.)
הַגֵּ֑ר
(hager)
de vreemdeling
כִּֽי
(ki)
want
גֵרִ֥ים
(gerim)
vreemdelingen
הֱיִיתֶ֖ם
(heyitem)
jullie waren
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

20Voor Yahweh, je Elohim, moet je ontzag hebben. Hem moet je dienen, aan Hem moet je vasthouden en bij Zijn naam moet je zweren.
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֛יךָ
(eloheikha)
je Elohim
תִּירָ֖א
(tira)
je zult ontzag hebben voor
אֹת֣וֹ
(oto)
Hem
תַעֲבֹ֑ד
(taavod)
je zult dienen
וּב֣וֹ
(uvo)
en aan Hem
תִדְבָּ֔ק
(tidbaq)
je zult vasthouden
וּבִשְׁמ֖וֹ
(uvishmo)
en bij Zijn naam
תִּשָּׁבֵֽעַ
(tishavea)
je zult zweren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hij is je lofzang en Hij is je Elohim, die voor jou deze grote en ontzagwekkende dingen gedaan heeft die je ogen gezien hebben.
ה֥וּא
(hu)
Hij
תְהִלָּתְךָ֖
(tehilatekha)
je lofzang
וְה֣וּא
(vehu)
en Hij
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed
אִתְּךָ֗
(itekha)
met jou
אֶת
(et)
(obj.)
הַגְּדֹלֹ֤ת
(hagedolot)
de grote dingen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנּֽוֹרָאֹת֙
(hanoraot)
de ontzagwekkende dingen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
רָא֖וּ
(rau)
zagen
עֵינֶֽיךָ
(eineikha)
je ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּהִלָּה (tehillah), ‘lofzang’: Yahweh is degene die Israël prijst en over wie het zingt.

22Met 70 personen zijn je vaders naar Egypte afgedaald, en nu heeft Yahweh, je Elohim, je zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.
בְּשִׁבְעִ֣ים
(beshivim)
met zeventig
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
personen
יָרְד֥וּ
(yaredu)
daalden af
אֲבֹתֶ֖יךָ
(avoteikha)
je vaders
מִצְרָ֑יְמָהּ
(mitsrayemah)
naar Egypte
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
שָֽׂמְךָ֙
(samekha)
heeft jou gesteld
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כְּכוֹכְבֵ֥י
(kekhokhevei)
als de sterren van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Zeventig personen: Gen. 46:27 en Exod. 1:5.