2 Petrus 1
Aanhef; groeien in het geloof; ooggetuigen; het profetische woord
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
Συμεών (Symeon), ‘Simeon’: de Hebreeuwse vorm van de naam Simon; zo noemt Jakobus Petrus in Hand. 15:14. δοῦλος (doulos), ‘knecht’. ἰσότιμος (isotimos), ‘even kostbaar’: van gelijke waarde. λαγχάνω (lagchano), ‘ontvangen’: wat iemand ten deel valt.
‘Van onze Elohim en Redder, Yeshua de Messias’: in het Grieks staat één lidwoord bij beide titels.
Dat kan betekenen dat beide titels voor Yeshua gelden, of dat Elohim en Yeshua de Messias twee personen zijn; dezelfde zinsbouw staat in Tit. 2:13.
Wij zetten een komma voor ‘Yeshua de Messias’.
Bij ‘Simeon’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 15:14; Tit. 2:13.
De groet lijkt op die van 1 Petr. 1:2. ἐπίγνωσις (epignosis), ‘volle kennis’: nauwkeurige, volledige kennis; wij houden dit woord in heel de brief (1:3, 1:8, 2:20).
Zie ook 1 Petr. 1:2; Jud. 2.
Goddelijke kracht en kostbare beloften
θεῖος (theios), ‘goddelijk’: van Elohim afkomstig. δωρέομαι (doreomai), ‘schenken’. εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’: eerbied voor Elohim in het leven. ἀρετή (arete), ‘deugd’: uitmuntendheid; zie 1 Petr. 2:9.
‘Zijn’ en ‘Hem die ons geroepen heeft’ kunnen op Yeshua of op Elohim wijzen; het Grieks zegt het niet.
Bij ‘eigen heerlijkheid en deugd’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
ἐπάγγελμα (epangelma), ‘belofte’: een toegezegde gave. κοινωνός (koinonos), ‘deelgenoot’. φύσις (fysis), ‘natuur’: wat het wezen van iets bepaalt.
‘Deelgenoten van de goddelijke natuur’ staat alleen hier; het Grieks zegt niet hoe ver die deelname gaat. φθορά (fthora), ‘vergankelijkheid’: zoals in 1 Kor. 15:42; het woord keert terug in 2:12 en 2:19. ἀποφεύγω (apofeugo), ‘ontvluchten’: ook in 2:18 en 2:20.
Bij ‘kostbare’, ‘ons’, ‘aan de’ en bij ‘vergankelijkheid’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Kor. 15:42.
Groei in het geloof
σπουδή (spoude), ‘inspanning’: ijver. παρεισφέρω (pareisfero), ‘inbrengen’. ἐπιχορηγέω (epichoregeo), ‘toevoegen’: ruimhartig voorzien.
De lijst telt acht schakels: geloof, deugd, kennis, zelfbeheersing, volharding, vroomheid, broederliefde, liefde.
ἐγκράτεια (egkrateia), ‘zelfbeheersing’: zoals in Gal. 5:23. ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’; εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’.
Zie ook Gal. 5:22–23.
φιλαδελφία (filadelfia), ‘broederliefde’: liefde voor broers en zusters in het geloof; zie 1 Petr. 1:22. ἀγάπη (agape), ‘liefde’.
Zie ook 1 Petr. 1:22.
πλεονάζω (pleonazo), ‘toenemen’. ἀργός (argos), ‘werkeloos’: zoals ἀργή in Jak. 2:20. ἄκαρπος (akarpos), ‘onvruchtbaar’. ἐπίγνωσις: zie vers 2.
Zie ook Jak. 2:20.
μυωπάζω (myopazo), ‘bijziend zijn’; het woord staat in het Nieuwe Testament alleen hier. λήθη (lethe), ‘vergetelheid’. καθαρισμός (katharismos), ‘reiniging’. πάλαι (palai), ‘vroeger’.
Bij ‘zonden’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook de zusters in de gemeente (‘broers en zusters’). βέβαιος (bebaios), ‘vast’. κλῆσις (klesis), ‘roeping’ en ἐκλογή (eklogue), ‘uitverkiezing’. οὐ μή (ou me), ‘beslist niet’. πταίω (ptaio), ‘struikelen’: zoals in Jak. 2:10 en 3:2.
Zie ook Jak. 2:10.
εἴσοδος (eisodos), ‘toegang’: de weg naar binnen. ἐπιχορηγέω: zie vers 5; hier wordt de toegang ‘rijkelijk verschaft’.
‘Onze Heer en Redder, Yeshua de Messias’ staat met één lidwoord en betekent één persoon.
De herinnering van Petrus
ὑπομιμνῄσκω (hypomimnesko), ‘herinneren’. παροῦσα ἀλήθεια (parousa aletheia), ‘de waarheid die bij jullie is’: de waarheid die jullie al hebben ontvangen.
Bij ‘ik zal van plan zijn’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
σκήνωμα (skenoma), ‘tent’: beeld voor het lichaam, een tijdelijke woning; vergelijk 2 Kor. 5:1. διεγείρω (diegeiro), ‘wakker schudden’. ὑπόμνησις (hypomnesis), ‘herinnering’: ook in 3:1.
Zie ook 2 Kor. 5:1.
ἀπόθεσις (apothesis), ‘afleggen’: het wegdoen van iets, hier van de ‘tent’. ταχινός (tachinos), ‘spoedig’: ook in 2:1. ἐδήλωσεν (edeloosen), ‘heeft duidelijk gemaakt’: het Grieks zegt niet wanneer of hoe de Heer dat deed.
Vergelijk Joh. 21:18–19.
Zie ook Joh. 21:18–19.
ἔξοδος (exodos), ‘heengaan’: letterlijk ‘uitgang’; ook het woord voor de uittocht uit Egypte.
In Luc. 9:31 spreken Mozes en Elia over het ‘heengaan’ van Yeshua.
Het Grieks zegt niet hoe Petrus ervoor zorgt dat zij zich blijven herinneren.
Zie ook Luc. 9:31.
Ooggetuigen van Zijn grootheid
μῦθος (mythos), ‘fabel’: een verzonnen verhaal. σοφίζω (sofizo), ‘slim bedenken’. παρουσία (parousia), ‘komst’: letterlijk ‘aanwezigheid’; zoals in 1 Tess. 2:19. ἐπόπτης (epoptes), ‘ooggetuige’: iemand die met eigen ogen aanschouwd heeft. μεγαλειότης (megaleiotes), ‘grootheid’: zoals in Luc. 9:43.
‘Wij’: de schrijver en wie met hem bij Yeshua waren (vergelijk vers 18).
Zie ook Luc. 9:43; 1 Tess. 2:19.
Dit verwijst naar de verheerlijking op de berg (Matt. 17:1–8; Mark. 9:2–8; Luc. 9:28–36).
De stem is die van de Vader en staat daarom rood.
Het Grieks heeft: ‘Mijn Zoon, Mijn geliefde, is deze, in wie Ik behagen heb’.
De woorden doen denken aan Ps. 2:7 en Jes. 42:1. μεγαλοπρεπής (megaloprepes), ‘verheven’: een woord dat alleen hier staat. τοιᾶσδε (toiaside), ‘zo’n’: een stem van deze soort.
Bij ‘Dit’ (Ὁ), ‘is’ (ἐστιν) en bij ‘Zoon’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Matt. 17:5; Mark. 9:7; Luc. 9:35; Ps. 2:7; Jes. 42:1.
Het profetische woord
βεβαιότερον (bebaioteron), ‘vaster’: het kan betekenen dat het profetische woord door wat de apostelen zagen is bevestigd, of dat wij het als nog vaster hebben dan dat wat zij zagen. λύχνος (lychnos), ‘lamp’. αὐχμηρός (auchmeros), ‘duister’: ook ‘somber’ of ‘droog’; het woord staat alleen hier. διαυγάζω (diaugazo), ‘aanbreken’: het licht dat doorbreekt. φωσφόρος (fosforos), ‘morgenster’: letterlijk ‘lichtbrenger’; vergelijk Num. 24:17: ‘Een ster stapt op uit Jakob’.
‘In jullie harten’ kan bij ‘opgaan’ of bij ‘letten’ horen; het Grieks laat dat open.
Zie ook Num. 24:17.
ἐπίλυσις (epilysis), ‘uitleg’: het verklaren; het verwante werkwoord staat in Mark. 4:34.
‘Eigen uitleg’ kan de uitleg van de profeet zelf zijn of die van de lezer; het Grieks zegt het niet. γίνεται (ginetai), ‘komt voort’: letterlijk ‘wordt’.
Zie ook Mark. 4:34.
φέρω (fero), ‘dragen, brengen’: hetzelfde werkwoord als in vers 17 en 18 (‘gebracht’). φερόμενοι (feromenoi) betekent ‘gedreven’, zoals een schip door de wind wordt meegevoerd (Hand. 27:15). ἀπὸ θεοῦ (apo theou), ‘vanuit Elohim’.
Bij ‘profetie’, ‘ooit’ en bij ‘vanuit’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Tim. 3:16; Hand. 27:15.