1 Petrus 3
Vrouwen en mannen; lijden om het goede; de Messias, de geesten in de gevangenis en de doop
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Vrouwen en mannen
γυναῖκες (gynaikes), ‘vrouwen’: het Grieks gebruikt hetzelfde woord voor ‘vrouwen’ en ‘echtgenotes’; ἄνδρες (andres) voor ‘mannen’ en ‘echtgenoten’. ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderschikken’: zoals in 2:13 en Ef. 5:22. ἀπειθέω (apeitheo), ‘ongehoorzaam zijn’: zoals in 2:8. κερδαίνω (kerdaino), ‘winnen’.
‘Het woord’ is de boodschap; ‘zonder woord’ betekent zonder te spreken.
Bij ‘op dezelfde manier’ en bij ‘ook’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ef. 5:22; Kol. 3:18.
ἐποπτεύω (epopteuo), ‘aanschouwen’: zoals in 2:12. ἁγνός (hagnos), ‘rein’.
‘In vrees’ kan bij de levenswandel horen (een levenswandel in ontzag) of bij het aanschouwen; het Grieks laat dat open.
ἐμπλοκή (emploke), ‘vlechtwerk’; περίθεσις (perithesis), ‘omhangen’; ἔνδυσις (endysis), ‘aantrekken’. κόσμος (kosmos), ‘versiering’: hetzelfde woord betekent ook ‘wereld’.
Het Grieks zet ‘de uiterlijke’ versiering tegenover ‘de verborgen mens van het hart’ in vers 4.
Zie ook 1 Tim. 2:9–10.
ὁ κρυπτὸς τῆς καρδίας ἄνθρωπος (ho kryptos tes kardias anthropos), ‘de verborgen mens van het hart’: de mens zoals hij van binnen is. ἄφθαρτος (afthartos), ‘onvergankelijk’: zie 1:4. πραΰς (praus), ‘zachtmoedig’ en ἡσύχιος (hesychios), ‘rustig’. πολυτελής (polyteles), ‘zeer kostbaar’.
Bij ‘zachtmoedige en rustige’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
‘De heilige vrouwen’ zijn vrouwen uit de geschiedenis van Israël, zoals het volgende vers met Sarah laat zien. ἐλπίζω (elpizo), ‘hopen’.
Bij ‘op’ (εἰς) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Sarah noemt Abraham ‘mijn heer’ in Gen. 18:12; het Grieks schrijft κύριος (kyrios), met kleine letter ‘heer’. πτόησις (ptoesis), ‘schrik’: wat iemand angst aanjaagt.
‘Haar kinderen zijn jullie geworden’: het Grieks laat open of dit de lezers zijn als zij goed doen, of dat zij daardoor haar kinderen blijken te zijn.
Bij ‘gehoorzaamde’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Gen. 18:12.
συνοικέω (synoikeo), ‘samenwonen’. κατὰ γνῶσιν (kata gnosin), ‘naar kennis’: het Grieks zegt niet welke kennis; mogelijk kennis van elkaar of van de wil van Elohim. σκεῦος (skeuos), ‘vat’: een voorwerp of gereedschap, hier gezegd van een mens.
‘Het zwakkere vat, het vrouwelijke’: de tekst zegt niet waarin de zwakte ligt; in 1 Tess. 4:4 heet ook ieder zelf een ‘vat’. ἀπονέμω (aponemo), ‘toekennen’. τιμή (time), ‘eer’. συγκληρονόμος (sygkleronomos), ‘medeërfgenaam’. ἐγκόπτω (egkopto), ‘belemmeren’.
Bij ‘medeërfgenamen’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tess. 4:4.
Eensgezind en zegenend
Vijf bijvoeglijke naamwoorden: ὁμόφρων (homofron), ‘eensgezind’; συμπαθής (sympathes), ‘medelevend’; φιλάδελφος (filadelfos), ‘vol broederliefde’; εὔσπλαγχνος (eusplagchnos), ‘hartelijk’, letterlijk ‘met goede ingewanden’, de zetel van gevoelens; ταπεινόφρων (tapeinofron), ‘nederig van gezindheid’.
Bij ‘nederig van gezindheid’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
ἀποδίδωμι (apodidomi), ‘vergelden’; λοιδορία (loidoria), ‘schelden’; εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’; κληρονομέω (kleronomeo), ‘erven’.
Bij ‘zegenend’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Matt. 5:44; Luc. 6:28; Rom. 12:17.
Verzen 10–12 citeren Ps. 34:13–17 (in de Nederlandse telling 34:12–16).
Ons Hebreeuws heeft in Ps. 34:13: ‘Wie is de man die het leven wil, die dagen liefheeft om het goede te zien?’
De Griekse tekst maakt daarvan een opdracht: ‘Wie het leven wil … laat hij …’.
Het citaat begint met ‘Want’.
De psalmdichter spreekt, niet Yahweh in de eerste persoon; het staat dus zwart.
Bij ‘tong’ en bij ‘lippen’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ps. 34:13–14.
Ps. 34:15: ‘Wijk af van het kwaad en doe het goede.
Zoek vrede en jaag erop na.’ διώκω (dioko), ‘najagen’: zoals een jager of een soldaat.
Bij ‘maar’ (δέ) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ps. 34:15.
Ps. 34:16–17.
Ons Hebreeuws heeft hier de Naam: ‘de ogen van Yahweh’ en ‘het aangezicht van Yahweh’; daarom schrijven wij Yahweh.
Ons Hebreeuws heeft ‘hun hulpgeroep’ (δέησις, deesis, ‘smeking’) en vervolgt: ‘om hun gedachtenis van de aarde weg te snijden’; Petrus haalt dat deel niet aan.
Zie ook Ps. 34:16–17.
Lijden om het goede
κακόω (kakoo), ‘kwaad doen’: kwaad aandoen, mishandelen. ζηλωτής (zelotes), ‘ijveraar’: iemand die vol ijver is.
Bij ‘ijveraars’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: zoals in Matt. 5:10.
De woorden ‘Vrees niet wat zij vrezen en raak niet in verwarring’ lijken op Jes. 8:12.
Het Grieks τὸν φόβον αὐτῶν (ton fobon auton), ‘hun vrees’, kan ook ‘de angst voor hen’ betekenen. ταράσσω (tarasso), ‘in verwarring brengen’.
Zie ook Matt. 5:10; Jes. 8:12.
ἁγιάζω (hagiazo), ‘heilig houden’: als heilig behandelen.
In Jes. 8:13 staat: ‘Yahweh van de legermachten, Hem moeten jullie heilig houden’; hier staat ‘de Heer, de Messias’. ἀπολογία (apologia), ‘verdediging’: het antwoord aan iemand die iets vraagt. λόγον (logon), ‘rekenschap’: letterlijk ‘woord’.
Bij ‘de Messias’ (Χριστόν) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jes. 8:13.
πραΰτης (prautes), ‘zachtmoedigheid’; συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’: zoals in 2:19. ἐπηρεάζω (epereazo), ‘beschimpen’: kwetsend aanvallen. καταλαλέω (katalaleo), ‘kwaad praten’: zoals in 2:12. ἐν Χριστῷ (en Christo), ‘in de Messias’.
Bij ‘maar’ en bij ‘er wordt kwaad gepraat’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
De Griekse wens (θέλοι, theloi) is voorwaardelijk: ‘als de wil van Elohim dat zou willen’.
Lijden hoeft niet; vergelijk 4:19.
Zie ook 1 Petr. 4:19.
De Messias heeft geleden
ἅπαξ (hapax), ‘eens voor altijd’: een enkele keer, genoeg voor altijd. δίκαιος ὑπὲρ ἀδίκων (dikaios hyper adikon), ‘een rechtvaardige voor onrechtvaardigen’. προσάγω (prosago), ‘brengen tot’: toegang geven; zie Rom. 5:2. θανατόω (thanatoo), ‘doden’; ζῳοποιέω (zoopoieo), ‘levend maken’.
Het Grieks heeft twee tegenover elkaar staande datieven: σαρκί (sarki) en πνεύματι (pneumati).
Dat kan zijn ‘in het vlees, in de geest’ (op die twee gebieden) of ‘naar het vlees’ en ‘door de Geest’.
Wij schrijven ‘in het vlees’ en ‘in de geest’, met kleine letter.
Bij ‘leed’ (ἔπαθεν) en bij ‘jullie’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 5:2; Rom. 6:10; Hebr. 9:28.
De geesten in de gevangenis
ἐν ᾧ (en ho), ‘waarin’: het kan terugwijzen naar ‘de geest’ uit vers 18 of de toestand van Yeshua. κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’: als een heraut uitroepen; het woord zegt niet dat de boodschap een goede boodschap was (dan staat er εὐαγγελίζομαι).
Wie ‘de geesten in de gevangenis’ zijn, zegt het Grieks niet; vers 20 zegt dat zij eens ongehoorzaam waren in de dagen van Noach.
Er zijn verschillende opvattingen: gestorven mensen uit die tijd, of de engelen uit Gen. 6:1–4.
Wij kiezen niet.
Vergelijk Henoch 10:11–12 en Henoch 21:10, waar engelen in een gevangenis worden vastgehouden; vergelijk ook 2 Petr. 2:4.
Zie ook Gen. 6:1–4; Henoch 10:11–12; Henoch 21:10; 2 Petr. 2:4.
ἀπεκδέχομαι (apekdechomai), ‘afwachten’: geduldig wachten. μακροθυμία (makrothymia), ‘geduld’; dezelfde stam als in 2 Petr. 3:9. κιβωτός (kibotos), ‘ark’.
‘Acht zielen’: Noach, zijn vrouw, zijn drie zonen en hun vrouwen (Gen. 7:7). ψυχή (psyche), ‘ziel’: hier ‘mensen’. δι’ ὕδατος (di hydatos), ‘door water’: ‘door het water heen’ of ‘dankzij het water’.
Zie ook Gen. 6:14–22; Gen. 7:7; Matt. 24:37–38; Luc. 17:26–27; 2 Petr. 2:5.
ἀντίτυπον (antitypon), ‘tegenbeeld’: wat past bij een afbeelding.
Het Grieks laat open waarop ‘wat’ (ὅ) terugslaat: op het water of op de redding in de ark. βάπτισμα (baptisma), ‘doop’. ῥύπος (rypos), ‘vuil’. ἐπερώτημα (eperotema), ‘vraag’: het woord wordt ook opgevat als ‘beroep’ of ‘belofte’; de doop is dan het beroep op Elohim of de belofte aan Elohim van een goed geweten. συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’.
Zie ook Rom. 6:3–4; Kol. 2:12.
‘Aan de rechterhand van Elohim’ verwijst naar Ps. 110:1. ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderwerpen’: zoals in vers 1 en 5, maar hier in de zin van onder gezag gebracht worden. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’, in het meervoud ‘gezagsmachten’ zoals in Kol. 2:15, en δύναμις (dynamis), ‘kracht’, zoals in Ef. 1:21.
Bij ‘rechterhand’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ps. 110:1; Ef. 1:20–21; Kol. 2:15.