Micha 1
Yahweh komt neer: het oordeel over Samaria en de klaagzang over de steden van Juda
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Zie Moreshet-Gat (Tel Goded?; ligging onzeker): Moreshet-Gat, de woonplaats van Micha, lag in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel Goded.
Dit is niet helemaal zeker.
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
מִיכָה (Mikhah), ‘Micha’: een korte vorm van ‘Mikayahu’, ‘wie is als Yahweh?’ (vergelijk 7:18).
הַמֹּרַשְׁתִּי (hammorashti), ‘de Moreshiet’: uit Moreset-Gat (vers 14), een plaats in het laagland van Juda.
Jotam, Achaz en Hizkia: zie 2 Kon. 15:32, 16:1 en 18:1. Samaria was de hoofdstad van het noordelijke rijk, Jeruzalem die van Juda.
חָזָה (chazah), ‘zien’: het zien van een visioen.
Yahweh komt uit Zijn tempel
אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’.
Als naam voor Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’ (zie ook Amos 1:8).
Het tweede ‘de Heer’ is alleen Adonai.
בָּכֶם (bakhem), ‘tegen jullie’: het voorzetsel kan ook ‘onder’ of ‘in’ jullie betekenen. Hier getuigt Yahweh tegen de volken en tegen Zijn eigen volk.
הֵיכַל קָדְשׁוֹ (heikhal qodsho), ‘Zijn heilige tempel’: dit kan de tempel in Jeruzalem zijn of Yahweh’s woning in de hemel; zie Ps. 11:4.
בָּמֳתֵי אָרֶץ (bamotey arets), ‘de hoogten van de aarde’: Yahweh treedt op de bergtoppen; vergelijk Amos 4:13.
Het woord בָּמוֹת (bamot) is hetzelfde als ‘hoogten’ voor offerplaatsen in vers 5.
Het geschreven woord (ketiv) is במותי; het te lezen woord (qere) is בָּמֳתֵי (bamotey), ‘hoogten van’.
De geschreven vorm is een volle spelling (met waw) van hetzelfde woord; de betekenis is gelijk.
Wij volgen het qere.
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
‘Jakob’ en ‘het huis van Israël’ zijn hier het volk van het noordelijke rijk, met Samaria als hoofdstad.
‘Juda’ heeft Jeruzalem als hoofdstad.
פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’: ook ‘opstand’. חַטָּאות (chatta’ot), ‘zonden’.
בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: de offerplaatsen op heuvels. De profeet zegt dat Jeruzalem zelf de ‘hoogte’ van Juda is: het middelpunt van de afgoderij.
Samaria wordt een puinhoop
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Vanaf dit vers spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood tot en met vers 7.
Samaria viel in 722 voor Chr.; zie 2 Kon. 17:5–6.
לְעִי הַשָּׂדֶה (le’i hassadeh), ‘tot een puinhoop op het veld’: de stad wordt een hoop stenen.
וְהִגַּרְתִּי (vehiggarti), ‘Ik giet uit’: de stenen worden de helling af gestort, in het dal.
פְּסִילִים (pesilim), ‘gesneden beelden’; אֶתְנַן (etnan), ‘hoerenloon’: het loon van een hoer (zie Deut. 23:19); עֲצַבִּים (atsabbim), ‘afgodsbeelden’.
Hoererij is hier een beeld voor afgoderij. Wat zij als loon voor hun afgoderij verzamelden, gaat opnieuw naar anderen: het keert terug tot hoerenloon.
De klaagzang van de profeet
Vanaf vers 8 spreekt de profeet zelf; vandaar ‘ik’ met kleine letter.
תַּנִּים (tannim), ‘jakhalzen’; בְּנוֹת יַעֲנָה (benot ya’anah), ‘dochters van de struisvogel’: dieren van de woestenij met een klagende roep. Vergelijk Job 30:29.
שׁוֹלָל (sholal), ‘ontkleed’: ook ‘beroofd’ of ‘barrevoets’. Het woord is zeldzaam; vergelijk Job 12:17.
Het geschreven woord (ketiv) is שילל (shilal); het te lezen woord (qere) is שׁוֹלָל (sholal).
Wij volgen het qere.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
אֲנוּשָׁה (anushah), ‘ongeneeslijk’: een wond die niet geneest.
De ramp van Samaria bereikt Juda en Jeruzalem; zie 2 Kon. 18:13.
‘Mijn volk’ klinkt hier uit de mond van de profeet.
Wentel je in het stof
Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.
Dit is niet geheel zeker.
Vers 10–16 noemen steden in het laagland van Juda.
Bij veel namen is er een woordspel met de betekenis van de naam.
Wij geven dat in de voetnoten aan.
בְּגַת אַל־תַּגִּידוּ (begat al taggidu), ‘vertel het niet in Gat’: vergelijk David in 2 Sam. 1:20. Het woord ‘Gat’ klinkt als ‘vertel’ (תַּגִּידוּ, taggidu).
בֵּית לְעַפְרָה (Bet le’Afrah), ‘Bet-le-Afra’: ‘huis van stof’. עָפָר (afar) is ‘stof’.
בְּכוּ אַל־תִּבְכּוּ (bekhu al tivku), letterlijk ‘weent, weent niet’: het Hebreeuws is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij vertalen: ‘Huil helemaal niet’.
Het geschreven woord (ketiv) is התפלשתי (hitpalashti), ‘ik wentel mij’; het te lezen woord (qere) is הִתְפַּלְשִׁי (hitpalshi), ‘wentel je’.
Wij volgen het qere.
שָׁפִיר (Shafir), ‘Safir’: ‘schoon’.
צַאֲנָן (Tsa’anan), ‘Saänan’: klinkt als ‘uittrekken’ (יָצָא, yatsa).
בֵּית הָאֵצֶל (Bet haEtsel), ‘Bet-Haëtsel’: ‘huis van de nabijheid’.
עָמְדָתוֹ (amdato), ‘zijn standplaats’: het Hebreeuws van deze zin is moeilijk; de betekenis is onzeker. Mogelijk gaat het om de steun of bescherming die Bet-Haëtsel zijn buren niet meer kan geven.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
מָרוֹת (Marot), ‘Marot’: klinkt als מָרָה (marah), ‘bitter’.
חָלָה (chalah), ‘kronkelen’: van pijn of van verwachting; het kan ook ‘wachten’ betekenen.
Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
לָרֶכֶשׁ (larekhesh), ‘het snelle paard’: het woord klinkt als לָכִישׁ (Lakhish), ‘Lachis’.
Lachis was een sterke vestingstad van Juda (2 Kon. 18:14; 2 Kron. 11:9).
רֵאשִׁית חַטָּאת (reshit chatta’t), ‘begin van de zonde’: het Hebreeuws zegt niet waarom Lachis het begin is van de zonde voor Jeruzalem.
בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: een beeld voor Jeruzalem en haar inwoners.
Zie Achzib (laagland van Juda; ligging onzeker): Dit Achzib lag in het laagland van Juda (Jozua 15:44), mogelijk bij Tel el-Beida.
Het is niet de stad Achzib aan de kust.
De ligging is niet zeker.
שִׁלּוּחִים (shilluchim), ‘afscheidsgeschenken’: de gift die een vader meegeeft als zijn dochter wegtrekt (vergelijk 1 Kon. 9:16).
Moreset-Gat wordt als het ware weggegeven.
אַכְזִיב (Akhzib), ‘Achzib’, en אַכְזָב (akhzav), ‘bedrieglijk’: een woordspel. Een ‘bedrieglijke beek’ is een beek die in de zomer droogvalt (vergelijk Jer. 15:18).
Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela.
Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.
הַיֹּרֵשׁ (hayyoresh), ‘de bezitnemer’: iemand die bezit neemt van wat van anderen was; hier de veroveraar.
Het klinkt als מָרֵשָׁה (Mareshah), ‘Maresa’.
Het kan ook ‘de erfgenaam’ betekenen.
עֲדֻלָּם (Adullam): de plaats waar David zich verborg (1 Sam. 22:1). De ‘heerlijkheid van Israël’ zijn mogelijk de leiders die daar een schuilplaats zoeken.
De woorden van Yahweh gaan tot ‘Maresa’; het slot is weer van de profeet.
Zich kaal scheren was een teken van rouw; vergelijk Job 1:20.
נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’: hier waarschijnlijk een gier met een kale kop.
De vrouw die hier wordt aangesproken is Jeruzalem of de stad Juda; haar kinderen worden in ballingschap weggevoerd.