Elohim Bijbel

Jesaja 2

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

De berg van Yahweh en de dag tegen alle hoogmoed

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, zag over Juda en Jeruzalem.
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
חָזָ֔ה
(chaza)
zag
יְשַֽׁעְיָ֖הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶּן
(ben)
zoon van
אָמ֑וֹץ
(amots)
Amoz
עַל
(al)
over
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָֽם
(virushaliam)
en Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit is een tweede opschrift, dicht bij Jes. 1:1.

Hier staat דָּבָר (davar), ‘woord’, daar חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: beide zijn wat de profeet ‘zag’.

De berg van het huis van Yahweh

2Het zal gebeuren in de laatste dagen. De berg van het huis van Yahweh zal vaststaan op de top van de bergen en verheven zijn boven de heuvels. Alle volken zullen naar hem toe stromen.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּאַחֲרִ֣ית
(beacharit)
in het laatste van
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
de dagen
נָכ֨וֹן
(nakhon)
vaststaand
יִֽהְיֶ֜ה
(yihye)
zal zijn
הַ֤ר
(har)
de berg van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
op de top van
הֶהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
וְנִשָּׂ֖א
(venisa)
en verheven
מִגְּבָע֑וֹת
(migevaot)
boven heuvels
וְנָהֲר֥וּ
(venaharu)
en zullen stromen
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem toe
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de toekomst die nog komt, zoals in Hos. 3:5.

Het gaat om een tijd waarin Yahweh Zijn plan voltooit.

Deze drie verzen (2:2–4) staan met dezelfde Hebreeuwse woorden in Micha 4:1–3. Wij houden de vertaling gelijk.

נָכוֹן (nakhon), ‘vaststaan’: onwrikbaar gegrondvest. De berg van het huis van Yahweh is de tempelberg in Jeruzalem; zij wordt de belangrijkste berg, hoewel zij niet de hoogste is.

נָהֲרוּ (naharu), ‘zij zullen stromen’: de volken komen als een rivier omhoog naar de berg.

3Vele volken zullen gaan en zeggen: „Kom, laten wij opgaan naar de berg van Yahweh, naar het huis van de Elohim van Jakob. Hij zal ons onderwijzen over Zijn wegen, en wij zullen op Zijn paden gaan. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van Yahweh uit Jeruzalem.”
וְֽהָלְכ֞וּ
(vehalekhu)
en zullen gaan
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
רַבִּ֗ים
(rabim)
vele
וְאָמְרוּ֙
(veameru)
en zullen zeggen
לְכ֣וּ
(lekhu)
komt
וְנַעֲלֶ֣ה
(venaale)
en laten wij opgaan
אֶל
(el)
naar
הַר
(har)
de berg van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
בֵּית֙
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְיֹרֵ֨נוּ֙
(veyorenu)
en Hij zal ons onderwijzen
מִדְּרָכָ֔יו
(miderakhav)
over Zijn wegen
וְנֵלְכָ֖ה
(venelekha)
en laten wij gaan
בְּאֹרְחֹתָ֑יו
(beorechotav)
op Zijn paden
כִּ֤י
(ki)
want
מִצִּיּוֹן֙
(mitsiyon)
uit Sion
תֵּצֵ֣א
(tetse)
zal uitgaan
תוֹרָ֔ה
(tora)
wet
וּדְבַר
(udevar)
en het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִירוּשָׁלִָֽם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.

Uit Sion komt het onderwijs van Yahweh, voor alle volken.

וְיֹרֵנוּ (veyorenu), ‘Hij zal ons onderwijzen’: van hetzelfde werkwoord als torah.

De volken spreken hier zelf; hun woorden staan in aanhalingstekens.

4Hij zal rechtspreken tussen de volken en vele volken terechtwijzen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Volk zal tegen volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.
וְשָׁפַט֙
(veshafat)
en Hij zal rechtspreken
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וְהוֹכִ֖יחַ
(vehokhiach)
en zal terechtwijzen
לְעַמִּ֣ים
(leamim)
volken
רַבִּ֑ים
(rabim)
vele
וְכִתְּת֨וּ
(vekhitetu)
en zij zullen omsmeden
חַרְבוֹתָ֜ם
(charvotam)
hun zwaarden
לְאִתִּ֗ים
(leitim)
tot ploegscharen
וַחֲנִיתֽוֹתֵיהֶם֙
(vachanitoteihem)
en hun speren
לְמַזְמֵר֔וֹת
(lemazmerot)
tot snoeimessen
לֹא
(lo)
niet
יִשָּׂ֨א
(yisa)
zal opheffen
ג֤וֹי
(goy)
volk
אֶל
(el)
tegen
גּוֹי֙
(goy)
volk
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וְלֹא
(velo)
en niet
יִלְמְד֥וּ
(yilmedu)
zullen leren
ע֖וֹד
(od)
meer
מִלְחָמָֽה
(milchama)
oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְשָׁפַט (veshafat), ‘Hij zal rechtspreken’, en וְהוֹכִיחַ (vehokhiach), ‘terechtwijzen’: Yahweh is de rechter tussen de volken.

Zij leggen hun geschillen bij Hem neer in plaats van bij de wapens.

אִתִּים (ittim), ‘ploegscharen’, en מַזְמֵרוֹת (mazmerot), ‘snoeimessen’: werktuigen voor akker en wijngaard. In Joël 4:10 staat het omgekeerde: ploegscharen worden zwaarden.

Kom, laten wij gaan in het licht van Yahweh

5Huis van Jakob, kom, laten wij gaan in het licht van Yahweh.
בֵּ֖ית
(beit)
huis van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
לְכ֥וּ
(lekhu)
komt
וְנֵלְכָ֖ה
(venelekha)
en laten wij gaan
בְּא֥וֹר
(beor)
in het licht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een land vol nietige goden

6Want U hebt Uw volk verlaten, het huis van Jakob. Want zij zijn vol van het oosten. Zij zijn tekenduiders zoals de Filistijnen en slaan de handen ineen met kinderen van vreemden.
כִּ֣י
(ki)
want
נָטַ֗שְׁתָּה
(natashta)
U hebt verlaten
עַמְּךָ֙
(amekha)
Uw volk
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
כִּ֤י
(ki)
want
מָלְאוּ֙
(maleu)
zij zijn vol
מִקֶּ֔דֶם
(miqedem)
van het oosten
וְעֹֽנְנִ֖ים
(veonenim)
en tekenduiders
כַּפְּלִשְׁתִּ֑ים
(kapelishtim)
zoals de Filistijnen
וּבְיַלְדֵ֥י
(uveyaldei)
en met kinderen van
נָכְרִ֖ים
(nakherim)
vreemden
יַשְׂפִּֽיקוּ
(yaspiqu)
slaan zij de handen ineen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf dit vers spreekt de profeet tot Yahweh.

Daarom staat er ‘U’ en ‘Uw’.

מִקֶּדֶם (miqqedem), ‘van het oosten’: het Hebreeuws zegt niet waarvan zij vol zijn. Men denkt aan gebruiken en waarzeggerij uit het oosten.

עֹנְנִים (onenim), ‘tekenduiders’: zoals in Deut. 18:10.

יַשְׂפִּיקוּ (yaspiqu), ‘zij slaan de handen ineen’: de betekenis is onzeker. Mogelijk gaat het om een verbond of om zich overgeven aan vreemde gebruiken.

7Zijn land is vol zilver en goud, en aan zijn schatten is geen einde. Zijn land is vol paarden, en aan zijn wagens is geen einde.
וַתִּמָּלֵ֤א
(vatimale)
en is vol
אַרְצוֹ֙
(artso)
zijn land
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֔ב
(vezahav)
en goud
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
קֵ֖צֶה
(qetse)
einde
לְאֹצְרֹתָ֑יו
(leotserotav)
aan zijn schatten
וַתִּמָּלֵ֤א
(vatimale)
en is vol
אַרְצוֹ֙
(artso)
zijn land
סוּסִ֔ים
(susim)
paarden
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
קֵ֖צֶה
(qetse)
einde
לְמַרְכְּבֹתָֽיו
(lemarkevotav)
aan zijn wagens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zijn land is vol nietige goden. Voor het werk van zijn handen buigen zij zich neer, voor wat zijn vingers hebben gemaakt.
וַתִּמָּלֵ֥א
(vatimale)
en is vol
אַרְצ֖וֹ
(artso)
zijn land
אֱלִילִ֑ים
(elilim)
nietige goden
לְמַעֲשֵׂ֤ה
(lemaase)
voor het werk van
יָדָיו֙
(yadav)
zijn handen
יִֽשְׁתַּחֲו֔וּ
(yishtachavu)
zij buigen zich neer
לַאֲשֶׁ֥ר
(laasher)
voor wat
עָשׂ֖וּ
(asu)
zij hebben gemaakt
אֶצְבְּעֹתָֽיו
(etsbeotav)
zijn vingers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלִילִים (elilim), ‘nietige goden’: zoals in Lev. 19:4 en 26:1.

Het woord klinkt als אַל (al), ‘niet’; het zijn ‘niets-goden’.

9De mens wordt gebogen en de man wordt vernederd. Vergeef hun niet!
וַיִּשַּׁ֥ח
(vayishach)
en wordt gebogen
אָדָ֖ם
(adam)
mens
וַיִּשְׁפַּל
(vayishpal)
en wordt vernederd
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וְאַל
(veal)
en niet
תִּשָּׂ֖א
(tisa)
vergeef
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאַל־תִּשָּׂא לָהֶם (ve’al tissa lahem), ‘Vergeef hun niet’: het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent ‘dragen’, ‘optillen’ en ‘vergeven’.

Hier kan het ook zijn: ‘Til hen niet op’.

Wij kiezen ‘vergeef’, met de aanspreking van de profeet tot Yahweh.

Het Hebreeuws zegt אָדָם (adam), ‘mens’, en אִישׁ (ish), ‘man’: twee woorden voor iedereen.

10Ga de rots in en verberg je in het stof, voor de schrik van Yahweh en voor de luister van Zijn majesteit.
בּ֣וֹא
(bo)
ga
בַצּ֔וּר
(batsur)
in de rots
וְהִטָּמֵ֖ן
(vehitamen)
en verberg je
בֶּֽעָפָ֑ר
(beafar)
in het stof
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
voor
פַּ֣חַד
(pachad)
de schrik van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמֵהֲדַ֖ר
(umehadar)
en voor de luister van
גְּאֹנֽוֹ
(geono)
Zijn majesteit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf dit vers volgt het oordeel over de hoogmoed.

De oproep om zich in de rots te verbergen komt terug in vers 19 en 21.

פַּחַד יְהוָה (pachad Yahweh), ‘de schrik van Yahweh’: de schrik die Hij bij mensen wekt.

הֲדַר גְּאֹנוֹ (hadar ge’ono), ‘de luister van Zijn majesteit’: Zijn verheven aanwezigheid.

11De hoogmoedige ogen van de mens zijn neergeslagen en de trots van de mensen is gebogen. Yahweh alleen zal verheven zijn op die dag.
עֵינֵ֞י
(einei)
ogen van
גַּבְה֤וּת
(gavhut)
hoogmoed van
אָדָם֙
(adam)
de mens
שָׁפֵ֔ל
(shafel)
zijn neergeslagen
וְשַׁ֖ח
(veshach)
en gebogen
ר֣וּם
(rum)
trots van
אֲנָשִׁ֑ים
(anashim)
mensen
וְנִשְׂגַּ֧ב
(venisgav)
en verheven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבַדּ֖וֹ
(levado)
alleen
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een dag tegen alle hoogmoed

12Want er is een dag van Yahweh van de legermachten tegen alles wat trots en hoog is, en tegen alles wat verheven en laag is,
כִּ֣י
(ki)
want
י֞וֹם
(yom)
dag
לַיהוָ֧ה
(laYahweh)
van Yahweh
צְבָא֛וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עַ֥ל
(al)
tegen
כָּל
(kal)
alles
גֵּאֶ֖ה
(gee)
wat trots is
וָרָ֑ם
(varam)
en hoog
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alles
נִשָּׂ֥א
(nisa)
wat verheven is
וְשָׁפֵֽל
(veshafel)
en laag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹם לַיהוָה צְבָאוֹת (yom la-Yahweh Tsevaot), ‘een dag van Yahweh van de legermachten’: de dag van Yahweh, waarop Hij ingrijpt; zie Amos 5:18–20 en Joël 2:1.

Hier richt de dag zich tegen alle hoogmoed.

וְשָׁפֵל (veshafel), ‘en laag’: het Hebreeuws zegt hier ‘laag’, bedoeld wordt wat verheven is en laag gemaakt wordt. Sommige oude vertalingen lezen anders.

13en tegen alle cederen van de Libanon, de hoge en verheven cederen, en tegen alle eiken van Basan,
וְעַל֙
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
אַרְזֵ֣י
(arzei)
cederen van
הַלְּבָנ֔וֹן
(halevanon)
de Libanon
הָרָמִ֖ים
(haramim)
de hoge
וְהַנִּשָּׂאִ֑ים
(vehanisaim)
en verheven
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
אַלּוֹנֵ֥י
(alonei)
eiken van
הַבָּשָֽׁן
(habashan)
Basan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De cederen van de Libanon en de eiken van Basan zijn de grootste en sterkste bomen van het land.

Zij zijn hier het beeld van de trotse en machtige mensen.

14en tegen alle hoge bergen en tegen alle verheven heuvels,
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
הֶהָרִ֣ים
(heharim)
de bergen
הָרָמִ֑ים
(haramim)
de hoge
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
הַגְּבָע֥וֹת
(hagevaot)
de heuvels
הַנִּשָּׂאֽוֹת
(hanisaot)
de verheven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15en tegen elke hoge toren en tegen elke versterkte muur,
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
מִגְדָּ֣ל
(migdal)
torens
גָּבֹ֑הַ
(gavoha)
hoge
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
חוֹמָ֥ה
(choma)
muur
בְצוּרָֽה
(betsura)
versterkte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJes 25:12
16en tegen alle schepen van Tarsis en tegen alle kostbare pronkstukken.
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
אֳנִיּ֣וֹת
(oniyot)
schepen van
תַּרְשִׁ֑ישׁ
(tarshish)
Tarsis
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
שְׂכִיּ֥וֹת
(sekhiyot)
pronkstukken
הַחֶמְדָּֽה
(hachemda)
de kostbare
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.

Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.

Uitleg

אָנִיּוֹת תַּרְשִׁישׁ (oniyyot Tarshish), ‘schepen van Tarsis’: grote zeeschepen; zie 1 Kon. 10:22 en Jona 1:3.

De ligging van Tarsis is onzeker.

שְׂכִיּוֹת הַחֶמְדָּה (sekhiyyot hachemdah), ‘kostbare pronkstukken’: het woord שְׂכִיּוֹת (sekhiyyot) komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker. Sommigen denken aan ‘schepen’, anderen aan ‘kunstwerken, beelden’.

17De hoogmoed van de mens zal gebogen worden en de trots van de mensen zal vernederd worden. Yahweh alleen zal verheven zijn op die dag.
וְשַׁח֙
(veshach)
en wordt gebogen
גַּבְה֣וּת
(gavhut)
hoogmoed van
הָאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
וְשָׁפֵ֖ל
(veshafel)
en wordt vernederd
ר֣וּם
(rum)
trots van
אֲנָשִׁ֑ים
(anashim)
mensen
וְנִשְׂגַּ֧ב
(venisgav)
en verheven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבַדּ֖וֹ
(levado)
alleen
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18En de nietige goden zullen helemaal verdwijnen.
וְהָאֱלִילִ֖ים
(vehaelilim)
en de nietige goden
כָּלִ֥יל
(kalil)
geheel
יַחֲלֹֽף
(yachalof)
verdwijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Zij zullen gaan in de grotten van de rotsen en in de gaten van het stof, voor de schrik van Yahweh en voor de luister van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te doen beven.
וּבָ֨אוּ֙
(uvau)
en zij zullen komen
בִּמְעָר֣וֹת
(bimarot)
in grotten van
צֻרִ֔ים
(tsurim)
rotsen
וּבִמְחִלּ֖וֹת
(uvimchilot)
en in gaten van
עָפָ֑ר
(afar)
stof
מִפְּנֵ֞י
(mipenei)
voor
פַּ֤חַד
(pachad)
de schrik van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּמֵהֲדַ֣ר
(umehadar)
en voor de luister van
גְּאוֹנ֔וֹ
(geono)
Zijn majesteit
בְּקוּמ֖וֹ
(bequmo)
wanneer Hij opstaat
לַעֲרֹ֥ץ
(laarots)
om te doen beven
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Op die dag zal de mens zijn zilveren nietige goden en zijn gouden nietige goden, die men voor hem gemaakt had om zich ervoor neer te buigen, weggooien voor de mollen en de vleermuizen,
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
יַשְׁלִ֣יךְ
(yashlikh)
zal weggooien
הָאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֱלִילֵ֣י
(elilei)
nietige goden van
כַסְפּ֔וֹ
(kaspo)
zijn zilver
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
אֱלִילֵ֣י
(elilei)
nietige goden van
זְהָב֑וֹ
(zehavo)
zijn goud
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
עָֽשׂוּ
(asu)
men maakte
לוֹ֙
(lo)
voor hem
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֔ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
לַחְפֹּ֥ר
(lachpor)
naar graven
פֵּר֖וֹת
(perot)
gaten
וְלָעֲטַלֵּפִֽים
(velaatalefim)
en de vleermuizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַחְפֹּר פֵּרוֹת (lachpor perot), ‘voor de mollen’: de betekenis van de beide woorden is onzeker.

Vaak worden ze gelezen als één woord voor een dier dat in de grond graaft, de mol.

21om te gaan in de spleten van de rotsen en in de kloven van de klippen, voor de schrik van Yahweh en voor de luister van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te doen beven.
לָבוֹא֙
(lavo)
om te gaan
בְּנִקְר֣וֹת
(beniqrot)
in spleten van
הַצֻּרִ֔ים
(hatsurim)
de rotsen
וּבִסְעִפֵ֖י
(uvisifei)
en in kloven van
הַסְּלָעִ֑ים
(haselaim)
de klippen
מִפְּנֵ֞י
(mipenei)
voor
פַּ֤חַד
(pachad)
de schrik van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּמֵהֲדַ֣ר
(umehadar)
en voor de luister van
גְּאוֹנ֔וֹ
(geono)
Zijn majesteit
בְּקוּמ֖וֹ
(bequmo)
wanneer Hij opstaat
לַעֲרֹ֥ץ
(laarots)
om te doen beven
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Laat af van de mens

22Laat af van de mens, wiens adem in zijn neus is. Want waarvoor wordt hij gehouden?
חִדְל֤וּ
(chidlu)
laat af
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
מִן
(min)
van
הָ֣אָדָ֔ם
(haadam)
de mens
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wiens
נְשָׁמָ֖ה
(neshama)
adem
בְּאַפּ֑וֹ
(beapo)
in zijn neus
כִּֽי
(ki)
want
בַמֶּ֥ה
(bame)
waarvoor
נֶחְשָׁ֖ב
(nechshav)
wordt gehouden
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשָׁמָה (neshamah), ‘adem’: zoals in Gen. 2:7, waar Elohim ‘de adem van leven’ in de neus van de mens blaast.

De mens leeft maar zolang hij ademt.

בַּמֶּה נֶחְשָׁב הוּא (bameh nechshav hu), ‘waarvoor wordt hij gehouden?’: de vraag kan ook ‘waarin is hij te rekenen?’ of ‘waar is hij waard om te vertrouwen?’ betekenen. Het Hebreeuws is kort.