Elohim Bijbel

1 Samuël 18

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Jonatan, Saul en David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jonatan sluit een verbond met David

1Toen David klaar was met spreken tot Saul, werd de ziel van Jonatan verbonden met de ziel van David. Jonatan had hem lief als zijn eigen ziel.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כְּכַלֹּתוֹ֙
(kekhaloto)
toen hij klaar was
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
met spreken
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וְנֶ֨פֶשׁ֙
(venefesh)
en de ziel van
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
נִקְשְׁרָ֖ה
(niqshera)
werd verbonden
בְּנֶ֣פֶשׁ
(benefesh)
met de ziel van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיֶּאֱהָבֵ֥הוּ
(vayeehavehu)
en hij had hem lief
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
כְּנַפְשֽׁוֹ
(kenafsho)
als zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het diepste van een mens, zijn leven.

Jonatans leven werd aan dat van David vastgebonden.

Wij vertalen steeds ‘ziel’ (ook in vers 3).

Lezing

Sommige oude vertalingen zijn in dit hoofdstuk korter dan de Masoretische tekst.

Wij volgen de Masoretische tekst.

2Saul nam hem op die dag bij zich. Hij liet hem niet terugkeren naar het huis van zijn vader.
וַיִּקָּחֵ֥הוּ
(vayiqachehu)
en hij nam hem
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נְתָנ֔וֹ
(netano)
hij liet hem
לָשׁ֖וּב
(lashuv)
terugkeren
בֵּ֥ית
(beit)
naar het huis van
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Jonatan sloot een verbond met David, omdat hij hem liefhad als zijn eigen ziel.
וַיִּכְרֹ֧ת
(vayikhrot)
en hij sloot
יְהוֹנָתָ֛ן
(yehonatan)
Jonatan
וְדָוִ֖ד
(vedavid)
en David
בְּרִ֑ית
(berit)
een verbond
בְּאַהֲבָת֥וֹ
(beahavato)
in zijn liefde
אֹת֖וֹ
(oto)
voor hem
כְּנַפְשֽׁוֹ
(kenafsho)
als zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרִית (berit), ‘verbond’: een plechtige afspraak voor Yahweh.

Jonatan en David sluiten dit verbond opnieuw in 1 Sam. 20:8, 20:16–17 en 23:18.

4Jonatan trok de mantel uit die hij aanhad en gaf hem aan David. Hij gaf hem ook zijn legerkleding, en zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn riem.
וַיִּתְפַּשֵּׁ֣ט
(vayitpashet)
en hij trok uit
יְהוֹנָתָ֗ן
(yehonatan)
Jonatan
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַמְּעִיל֙
(hameil)
de mantel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָלָ֔יו
(alav)
aan hem
וַֽיִּתְּנֵ֖הוּ
(vayitenehu)
en hij gaf hem
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
aan David
וּמַדָּ֕יו
(umadav)
en zijn legerkleding
וְעַד
(vead)
en zelfs
חַרְבּ֥וֹ
(charbo)
zijn zwaard
וְעַד
(vead)
en zelfs
קַשְׁתּ֖וֹ
(qashto)
zijn boog
וְעַד
(vead)
en zelfs
חֲגֹרֽוֹ
(chagoro)
zijn riem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst zegt niet waarom Jonatan zijn mantel en wapens geeft.

Het is in elk geval een groot geschenk van de zoon van de koning aan David.

5David ging overal heen waarheen Saul hem zond. Hij had succes. Saul stelde hem aan over de krijgslieden. Dat was goed in de ogen van heel het volk, en ook in de ogen van de dienaren van Saul.
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en hij ging uit
דָוִ֜ד
(david)
David
בְּכֹל֩
(bekhol)
overal
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarheen
יִשְׁלָחֶ֤נּוּ
(yishlachenu)
hij hem zond
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
יַשְׂכִּ֔יל
(yaskil)
hij had succes
וַיְשִׂמֵ֣הוּ
(vaysimehu)
en hij stelde hem aan
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
עַ֖ל
(al)
over
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
הַמִּלְחָמָ֑ה
(hamilchama)
de oorlog
וַיִּיטַב֙
(vayitav)
en het was goed
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
כָל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְגַ֕ם
(vegam)
en ook
בְּעֵינֵ֖י
(beeinei)
in de ogen van
עַבְדֵ֥י
(avdei)
de dienaren van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַשְׂכִּיל (yaskil), ‘succes hebben’, ook ‘verstandig handelen’.

Wij vertalen steeds ‘succes hebben’ (ook in vers 14, 15 en 30).

Het lied van de vrouwen

6Zij kwamen terug toen David terugkeerde van het verslaan van de Filistijn. De vrouwen uit alle steden van Israël gingen naar buiten om koning Saul tegemoet te gaan. Zij zongen en dansden, met tamboerijnen, met vreugde en met triangels.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בְּבוֹאָ֗ם
(bevoam)
bij hun komen
בְּשׁ֤וּב
(beshuv)
bij het terugkeren van
דָּוִד֙
(david)
David
מֵהַכּ֣וֹת
(mehakot)
van het verslaan van
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
וַתֵּצֶ֨אנָה
(vatetsena)
en ze gingen uit
הַנָּשִׁ֜ים
(hanashim)
de vrouwen
מִכָּל
(mikal)
uit alle
עָרֵ֤י
(arei)
steden van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לָשִׁ֣יר
(lashir)
om te zingen
וְהַמְּחֹל֔וֹת
(vehamecholot)
en te dansen
לִקְרַ֖את
(liqrat)
tegemoet
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּתֻפִּ֥ים
(betupim)
met tamboerijnen
בְּשִׂמְחָ֖ה
(besimcha)
met vreugde
וּבְשָׁלִשִֽׁים
(uveshalishim)
en met triangels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלִשִׁים (shalishim), ‘triangels’: letterlijk ‘drietallen’.

Het is een muziekinstrument.

Wat voor instrument precies, is onzeker.

Mogelijk een driehoekig of driesnarig instrument.

Lezing

In het geschreven Hebreeuws staat לשור (lashur).

De voorgelezen tekst heeft לָשִׁיר (lashir), ‘om te zingen’.

Wij volgen de voorgelezen tekst.

7De vrouwen zongen elkaar toe terwijl zij speelden. Zij zeiden: „Saul versloeg zijn duizenden, en David zijn tienduizenden.”
וַֽתַּעֲנֶ֛ינָה
(vataaneina)
en ze zongen elkaar toe
הַנָּשִׁ֥ים
(hanashim)
de vrouwen
הַֽמְשַׂחֲק֖וֹת
(hamsachaqot)
de spelende
וַתֹּאמַ֑רְןָ
(vatomarna)
en ze zeiden
הִכָּ֤ה
(hika)
versloeg
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
בַּאֲלָפָ֔יו
(baalafav)
zijn duizenden
וְדָוִ֖ד
(vedavid)
en David
בְּרִבְבֹתָֽיו
(berivvotav)
zijn tienduizenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een lied met twee regels die op elkaar antwoorden: duizenden en tienduizenden.

Het keert terug in 1 Sam. 21:12 en 29:5.

8Saul werd zeer boos. Dit woord was kwaad in zijn ogen. Hij zei: „Aan David hebben zij tienduizenden gegeven. Aan mij hebben zij de duizenden gegeven. Nu mist hij alleen nog het koningschap.”
וַיִּ֨חַר
(vayichar)
en hij werd boos
לְשָׁא֜וּל
(leshaul)
voor Saul
מְאֹ֗ד
(meod)
zeer
וַיֵּ֤רַע
(vayera)
en het was kwaad
בְּעֵינָיו֙
(beeinav)
in zijn ogen
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נָתְנ֤וּ
(natenu)
ze hebben gegeven
לְדָוִד֙
(ledavid)
aan David
רְבָב֔וֹת
(revavot)
tienduizenden
וְלִ֥י
(veli)
en aan mij
נָתְנ֖וּ
(natenu)
ze hebben gegeven
הָאֲלָפִ֑ים
(haalafim)
de duizenden
וְע֥וֹד
(veod)
en nog
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
אַ֥ךְ
(akh)
alleen
הַמְּלוּכָֽה
(hamelukha)
het koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Saul begrijpt wat het lied zegt: er blijft voor David nog maar één ding over, het koningschap.

Vergelijk 1 Sam. 15:28.

9Vanaf die dag keek Saul David met argwaan aan.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
עוֹיֵ֣ן
(oyen)
kijkend met argwaan naar
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֑ד
(david)
David
מֵהַיּ֥וֹם
(mehayom)
vanaf de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
וָהָֽלְאָה
(vahalea)
en verder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De voorgelezen tekst heeft עוֹיֵן (oyen).

Dat woord komt van עַיִן (ayin), ‘oog’: Saul keek hem kritisch en wantrouwig aan.

In het geschreven Hebreeuws staat de letterreeks עון (avon).

Wij volgen de voorgelezen tekst.

Saul werpt de speer

10De volgende dag kwam een boze geest van Elohim met kracht over Saul. Hij profeteerde in het huis. David speelde met zijn hand, zoals elke dag. Saul had de speer in zijn hand.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
מִֽמָּחֳרָ֗ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַתִּצְלַ֣ח
(vatitslach)
en kwam met kracht
רוּחַ֩
(ruach)
de geest van
אֱלֹהִ֨ים
(Elohim)
Elohim
רָעָ֤ה
(raa)
boze
אֶל
(el)
over
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וַיִּתְנַבֵּ֣א
(vayitnabe)
en hij profeteerde
בְתוֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וְדָוִ֛ד
(vedavid)
en David
מְנַגֵּ֥ן
(menagen)
spelend
בְּיָד֖וֹ
(beyado)
met zijn hand
כְּי֣וֹם
(keyom)
zoals dag
בְּי֑וֹם
(beyom)
op dag
וְהַחֲנִ֖ית
(vehachanit)
en de speer
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ אֱלֹהִים רָעָה (ruach elohim ra'ah), ‘een boze geest van Elohim’.

Zie ook 1 Sam. 16:14–16 en 16:23.

וַיִּתְנַבֵּא (vayitnabbe), ‘hij profeteerde’: Saul raakt buiten zichzelf en spreekt of beweegt onbeheerst. De tekst noemt hier geen boodschap.

וַתִּצְלַח (vattitslach), ‘kwam met kracht’: zoals de geest van Yahweh over Simson kwam (Richt. 14:6).

11Saul wierp de speer. Hij zei: „Ik zal David en de muur treffen.” David week twee keer voor hem uit.
וַיָּ֤טֶל
(vayatel)
en hij wierp
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַחֲנִ֔ית
(hachanit)
de speer
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַכֶּ֥ה
(ake)
ik zal treffen
בְדָוִ֖ד
(bedavid)
David
וּבַקִּ֑יר
(uvaqir)
en de muur
וַיִּסֹּ֥ב
(vayisov)
en hij week uit
דָּוִ֛ד
(david)
David
מִפָּנָ֖יו
(mipanav)
voor hem
פַּעֲמָֽיִם
(paamayim)
twee keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde aanval staat in 1 Sam. 19:10.

12Saul was bang voor David, want Yahweh was met hem. Maar van Saul was Hij weggegaan.
וַיִּרָ֥א
(vayira)
en hij was bang
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
voor het aangezicht van
דָוִ֑ד
(david)
David
כִּֽי
(ki)
want
הָיָ֤ה
(haya)
was
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וּמֵעִ֥ם
(umeim)
en van bij
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
סָֽר
(sar)
was Hij weggegaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Met ‘Hij’ bedoelt de tekst Yahweh.

Zie 1 Sam. 16:14.

13Saul stuurde hem bij zich weg. Hij stelde hem aan als aanvoerder over duizend. David ging uit en kwam binnen, aan het hoofd van het volk.
וַיְסִרֵ֤הוּ
(vaysirehu)
en hij liet hem weggaan
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
מֵֽעִמּ֔וֹ
(meimo)
van zich
וַיְשִׂמֵ֥הוּ
(vaysimehu)
en hij stelde hem aan
ל֖וֹ
(lo)
voor zich
שַׂר
(sar)
aanvoerder van
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en hij ging uit
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam binnen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂר אָלֶף (sar alef), ‘aanvoerder van duizend’: zie 1 Sam. 17:18.

וַיֵּצֵא וַיָּבֹא (vayyetse vayyavo), ‘hij ging uit en kwam binnen’: het gewone beeld voor een leider van het volk in de strijd. Zie Num. 27:17.

14David had succes op al zijn wegen, en Yahweh was met hem.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דָוִ֛ד
(david)
David
לְכָל
(lekhal)
in al
דָּרְכָ֖ו
(darekhav)
zijn wegen
מַשְׂכִּ֑יל
(maskil)
had succes
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Saul zag dat hij zeer veel succes had. Hij huiverde voor hem.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en hij zag
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֲשֶׁר
(asher)
dat
ה֖וּא
(hu)
hij
מַשְׂכִּ֣יל
(maskil)
succes had
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיָּ֖גָר
(vayagar)
en hij huiverde
מִפָּנָֽיו
(mipanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Heel Israël en Juda hadden David lief, want hij ging uit en kwam binnen aan hun hoofd.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וִיהוּדָ֔ה
(vihuda)
en Juda
אֹהֵ֖ב
(ohev)
had lief
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֑ד
(david)
David
כִּֽי
(ki)
want
ה֛וּא
(hu)
hij
יוֹצֵ֥א
(yotse)
uitging
וָבָ֖א
(vava)
en binnenkwam
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hun aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Merab en Michal

17Saul zei tegen David: „Zie, mijn oudste dochter Merab. Haar geef ik je tot vrouw. Wees alleen dapper voor mij en voer de oorlogen van Yahweh.” Want Saul zei: „Mijn hand zal niet tegen hem zijn. De hand van de Filistijnen zal tegen hem zijn.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֗ד
(david)
David
הִנֵּה֩
(hine)
zie
בִתִּ֨י
(biti)
mijn dochter
הַגְּדוֹלָ֤ה
(hagedola)
de oudste
מֵרַב֙
(merav)
Merab
אֹתָהּ֙
(otah)
haar
אֶתֶּן
(eten)
zal ik geven
לְךָ֣
(lekha)
aan jou
לְאִשָּׁ֔ה
(leisha)
tot vrouw
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
הֱיֵה
(heye)
wees
לִּ֣י
(li)
voor mij
לְבֶן
(leven)
een zoon van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
וְהִלָּחֵ֖ם
(vehilachem)
en voer
מִלְחֲמ֣וֹת
(milchamot)
de oorlogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשָׁא֣וּל
(veshaul)
en Saul
אָמַ֗ר
(amar)
zei
אַל
(al)
niet
תְּהִ֤י
(tehi)
zal zijn
יָדִי֙
(yadi)
mijn hand
בּ֔וֹ
(bo)
tegen hem
וּתְהִי
(utehi)
en zal zijn
ב֖וֹ
(bo)
tegen hem
יַד
(yad)
de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

בֶּן־חַיִל (ben chayil), letterlijk ‘zoon van kracht’: een dappere man.

מִלְחֲמוֹת יהוה (milchamot Yahweh), ‘de oorlogen van Yahweh’: zie Num. 21:14.

18David zei tegen Saul: „Wie ben ik, en wat is mijn leven? Wat is de familie van mijn vader in Israël, dat ik de schoonzoon van de koning zou worden?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
מִ֤י
(mi)
wie
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
ik
וּמִ֣י
(umi)
en wie
חַיַּ֔י
(chayay)
mijn leven
מִשְׁפַּ֥חַת
(mishpachat)
de familie van
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
כִּֽי
(ki)
dat
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
ik zal worden
חָתָ֖ן
(chatan)
schoonzoon van
לַמֶּֽלֶךְ
(lamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִי חַיָּי (mi chayyai), ‘wat is mijn leven’: de woorden zijn moeilijk.

Sommigen lezen ‘wat is mijn familie’.

Wij vertalen letterlijk.

19Toen de tijd kwam om Merab, de dochter van Saul, aan David te geven, werd zij als vrouw gegeven aan Adriël, de Mecholatiet.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בְּעֵ֥ת
(beet)
in de tijd
תֵּ֛ת
(tet)
om te geven
אֶת
(et)
(obj.)
מֵרַ֥ב
(merav)
Merab
בַּת
(bat)
dochter van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
aan David
וְהִ֧יא
(vehi)
en zij
נִתְּנָ֛ה
(nitena)
werd gegeven
לְעַדְרִיאֵ֥ל
(leadriel)
aan Adriël
הַמְּחֹלָתִ֖י
(hamecholati)
de Mecholatiet
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Mechola, ook Abel-Mechola, ligt waarschijnlijk in het Jordaandal (Westelijke Jordaanoever of Jordanië).

De ligging is onzeker.

Adriël komt ook voor in 2 Sam. 21:8.

20Michal, de dochter van Saul, had David lief. Men vertelde het aan Saul, en het was goed in zijn ogen.
וַתֶּאֱהַ֛ב
(vateehav)
en ze had lief
מִיכַ֥ל
(mikhal)
Michal
בַּת
(bat)
dochter van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיַּגִּ֣דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
לְשָׁא֔וּל
(leshaul)
aan Saul
וַיִּשַׁ֥ר
(vayishar)
en het was goed
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
בְּעֵינָֽיו
(beeinav)
in zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Saul zei: „Ik zal haar aan hem geven. Zij zal een valstrik voor hem zijn, en de hand van de Filistijnen zal tegen hem zijn.” Saul zei tegen David: „Door de tweede kun je vandaag mijn schoonzoon worden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶתְּנֶ֤נָּה
(etenena)
ik zal haar geven
לּוֹ֙
(lo)
aan hem
וּתְהִי
(utehi)
en ze zal zijn
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
לְמוֹקֵ֔שׁ
(lemoqesh)
tot valstrik
וּתְהִי
(utehi)
en zal zijn
ב֖וֹ
(bo)
tegen hem
יַד
(yad)
de hand van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
בִּשְׁתַּ֛יִם
(bishtayim)
door de tweede
תִּתְחַתֵּ֥ן
(titchaten)
zul je schoonzoon worden
בִּ֖י
(bi)
van mij
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Lezing

בִּשְׁתַּיִם (bishtayim), letterlijk ‘in twee’.

De betekenis is niet zeker.

Het kan zijn: ‘door de tweede’ (de tweede dochter, na Merab, of de tweede kans).

Het kan ook zijn: ‘met twee dingen’.

Wij vertalen ‘door de tweede’.

22Saul gaf zijn dienaren opdracht: „Spreek in het geheim met David. Zeg: ‘Zie, de koning heeft behagen in je, en al zijn dienaren hebben je lief. Word nu de schoonzoon van de koning.’”
וַיְצַ֨ו
(vaytsav)
en hij gaf opdracht
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדָ֗ו
(avadav)
zijn dienaren
דַּבְּר֨וּ
(daberu)
spreekt
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֤ד
(david)
David
בַּלָּט֙
(balat)
in het geheim
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
חָפֵ֤ץ
(chafets)
heeft behagen
בְּךָ֙
(bekha)
in je
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en al
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
אֲהֵב֑וּךָ
(ahevukha)
hebben je lief
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
הִתְחַתֵּ֥ן
(hitchaten)
word schoonzoon
בַּמֶּֽלֶךְ
(bamelekh)
van de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De dienaren van Saul spraken deze woorden in de oren van David. David zei: „Is het gering in jullie ogen om de schoonzoon van de koning te worden? Ik ben een arme man en onbelangrijk.”
וַֽיְדַבְּר֞וּ
(vaydaberu)
en ze spraken
עַבְדֵ֤י
(avdei)
de dienaren van
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
דָוִ֔ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֗ד
(david)
David
הַֽנְקַלָּ֤ה
(hanqala)
is het gering
בְעֵֽינֵיכֶם֙
(beeineikhem)
in jullie ogen
הִתְחַתֵּ֣ן
(hitchaten)
om schoonzoon te worden
בַּמֶּ֔לֶךְ
(bamelekh)
van de koning
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
אִֽישׁ
(ish)
een man
רָ֥שׁ
(rash)
arm
וְנִקְלֶֽה
(veniqle)
en onbelangrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָשׁ (rash), ‘arm’: David noemt zichzelf en zijn familie arm.

24De dienaren van Saul vertelden hem: „Dit zijn de woorden die David heeft gesproken.”
וַיַּגִּ֜דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
עַבְדֵ֥י
(avdei)
de dienaren van
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כַּדְּבָרִ֥ים
(kadevarim)
zoals de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Saul zei: „Zeg dit tegen David: ‘De koning wil geen bruidsprijs. Hij wil alleen honderd voorhuiden van de Filistijnen, om wraak te nemen op de vijanden van de koning.’” Saul wilde David laten vallen door de hand van de Filistijnen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמְר֣וּ
(tomru)
zul je zeggen
לְדָוִ֗ד
(ledavid)
tegen David
אֵֽין
(ein)
niet
חֵ֤פֶץ
(chefets)
verlangen
לַמֶּ֨לֶךְ֙
(lamelekh)
de koning
בְּמֹ֔הַר
(bemohar)
naar een bruidsprijs
כִּ֗י
(ki)
maar
בְּמֵאָה֙
(bemea)
naar honderd
עָרְל֣וֹת
(arelot)
voorhuiden van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
לְהִנָּקֵ֖ם
(lehinaqem)
om wraak te nemen
בְּאֹיְבֵ֣י
(beoyevei)
op de vijanden van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְשָׁא֣וּל
(veshaul)
en Saul
חָשַׁ֔ב
(chashav)
dacht
לְהַפִּ֥יל
(lehapil)
te laten vallen
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖ד
(david)
David
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

מֹהַר (mohar), ‘bruidsprijs’: het bedrag dat de bruidegom aan de familie van de bruid geeft.

Zie Gen. 34:12 en Exod. 22:16.

ערלות (arlot), ‘voorhuiden’: de voorhuiden zijn het bewijs dat David de Filistijnen heeft gedood. Filistijnen waren onbesneden.

26Zijn dienaren vertelden David deze woorden. Het woord was goed in de ogen van David, om de schoonzoon van de koning te worden. De dagen waren nog niet voorbij.
וַיַּגִּ֨דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
עֲבָדָ֤יו
(avadav)
zijn dienaren
לְדָוִד֙
(ledavid)
aan David
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וַיִּשַׁ֤ר
(vayishar)
en het was goed
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
דָוִ֔ד
(david)
David
לְהִתְחַתֵּ֖ן
(lehitchaten)
om schoonzoon te worden
בַּמֶּ֑לֶךְ
(bamelekh)
van de koning
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָלְא֖וּ
(maleu)
waren vol
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27David stond op en ging, hij en zijn mannen. Hij versloeg 200 man van de Filistijnen. David bracht hun voorhuiden en telde ze vol voor de koning, om de schoonzoon van de koning te worden. Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en hij stond op
דָּוִ֜ד
(david)
David
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
ה֣וּא
(hu)
hij
וַאֲנָשָׁ֗יו
(vaanashav)
en zijn mannen
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en hij versloeg
בַּפְּלִשְׁתִּים֮
(bapelishtim)
onder de Filistijnen
מָאתַ֣יִם
(matayim)
tweehonderd
אִישׁ֒
(ish)
man
וַיָּבֵ֤א
(vayave)
en hij bracht
דָוִד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
עָרְלֹ֣תֵיהֶ֔ם
(areloteihem)
hun voorhuiden
וַיְמַלְא֣וּם
(vaymalum)
en ze maakten ze vol
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
לְהִתְחַתֵּ֖ן
(lehitchaten)
om schoonzoon te worden
בַּמֶּ֑לֶךְ
(bamelekh)
van de koning
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֥וֹ
(lo)
aan hem
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
מִיכַ֥ל
(mikhal)
Michal
בִּתּ֖וֹ
(bito)
zijn dochter
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Lezing

Het Hebreeuws zegt ‘tweehonderd’.

In 2 Sam. 3:14 spreekt David over honderd voorhuiden.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Saul wordt een vijand van David

28Saul zag en wist dat Yahweh met David was. Ook Michal, de dochter van Saul, had hem lief.
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en hij zag
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וַיֵּ֔דַע
(vayeda)
en hij wist
כִּ֥י
(ki)
dat
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עִם
(im)
met
דָּוִ֑ד
(david)
David
וּמִיכַ֥ל
(umikhal)
en Michal
בַּת
(bat)
dochter van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
אֲהֵבַֽתְהוּ
(ahevathu)
had hem lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Saul werd nog banger voor David. Saul bleef al die dagen een vijand van David.
וַיֹּ֣אסֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
לֵרֹ֛א
(lero)
te vrezen
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor het aangezicht van
דָוִ֖ד
(david)
David
ע֑וֹד
(od)
nog
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en hij was
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
אֹיֵ֥ב
(oyev)
vijand van
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖ד
(david)
David
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30De vorsten van de Filistijnen trokken ten strijde. Telkens als zij uittrokken, had David meer succes dan alle dienaren van Saul. Zijn naam werd zeer hoog geacht.
וַיֵּצְא֖וּ
(vayetseu)
en ze trokken uit
שָׂרֵ֣י
(sarei)
vorsten van
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
מִדֵּ֣י
(midei)
telkens
צֵאתָ֗ם
(tsetam)
hun uittrekken
שָׂכַ֤ל
(sakhal)
had succes
דָּוִד֙
(david)
David
מִכֹּל֙
(mikol)
meer dan alle
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיִּיקַ֥ר
(vayiqar)
en het werd kostbaar
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.