Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jonatan sluit een verbond met David
1Toen David klaar was met spreken tot Saul, werd de ziel van Jonatan verbonden met de ziel van David. Jonatan had hem lief als zijn eigen ziel.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כְּכַלֹּתוֹ֙
(kekhaloto)
toen hij klaar was
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
met spreken
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וְנֶ֨פֶשׁ֙
(venefesh)
en de ziel van
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
נִקְשְׁרָ֖ה
(niqshera)
werd verbonden
בְּנֶ֣פֶשׁ
(benefesh)
met de ziel van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיֶּאֱהָבֵ֥הוּ
(vayeehavehu)
en hij had hem lief
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
כְּנַפְשֽׁוֹ
(kenafsho)
als zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het diepste van een mens, zijn leven.
Jonatans leven werd aan dat van David vastgebonden.
Wij vertalen steeds ‘ziel’ (ook in vers 3).
Lezing
Sommige oude vertalingen zijn in dit hoofdstuk korter dan de Masoretische tekst.
5David ging overal heen waarheen Saul hem zond. Hij had succes. Saul stelde hem aan over de krijgslieden. Dat was goed in de ogen van heel het volk, en ook in de ogen van de dienaren van Saul.
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en hij ging uit
דָוִ֜ד
(david)
David
בְּכֹל֩
(bekhol)
overal
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarheen
יִשְׁלָחֶ֤נּוּ
(yishlachenu)
hij hem zond
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
יַשְׂכִּ֔יל
(yaskil)
hij had succes
וַיְשִׂמֵ֣הוּ
(vaysimehu)
en hij stelde hem aan
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
עַ֖ל
(al)
over
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
הַמִּלְחָמָ֑ה
(hamilchama)
de oorlog
וַיִּיטַב֙
(vayitav)
en het was goed
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
כָל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְגַ֕ם
(vegam)
en ook
בְּעֵינֵ֖י
(beeinei)
in de ogen van
עַבְדֵ֥י
(avdei)
de dienaren van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יַשְׂכִּיל (yaskil), ‘succes hebben’, ook ‘verstandig handelen’.
Wij vertalen steeds ‘succes hebben’ (ook in vers 14, 15 en 30).
6Zij kwamen terug toen David terugkeerde van het verslaan van de Filistijn. De vrouwen uit alle steden van Israël gingen naar buiten om koning Saul tegemoet te gaan. Zij zongen en dansden, met tamboerijnen, met vreugde en met triangels.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בְּבוֹאָ֗ם
(bevoam)
bij hun komen
בְּשׁ֤וּב
(beshuv)
bij het terugkeren van
דָּוִד֙
(david)
David
מֵהַכּ֣וֹת
(mehakot)
van het verslaan van
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
וַתֵּצֶ֨אנָה
(vatetsena)
en ze gingen uit
הַנָּשִׁ֜ים
(hanashim)
de vrouwen
מִכָּל
(mikal)
uit alle
עָרֵ֤י
(arei)
steden van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לָשִׁ֣יר
(lashir)
om te zingen
וְהַמְּחֹל֔וֹת
(vehamecholot)
en te dansen
לִקְרַ֖את
(liqrat)
tegemoet
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּתֻפִּ֥ים
(betupim)
met tamboerijnen
בְּשִׂמְחָ֖ה
(besimcha)
met vreugde
וּבְשָׁלִשִֽׁים
(uveshalishim)
en met triangels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Saul werd zeer boos. Dit woord was kwaad in zijn ogen. Hij zei: „Aan David hebben zij tienduizenden gegeven. Aan mij hebben zij de duizenden gegeven. Nu mist hij alleen nog het koningschap.”
וַיִּ֨חַר
(vayichar)
en hij werd boos
לְשָׁא֜וּל
(leshaul)
voor Saul
מְאֹ֗ד
(meod)
zeer
וַיֵּ֤רַע
(vayera)
en het was kwaad
בְּעֵינָיו֙
(beeinav)
in zijn ogen
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נָתְנ֤וּ
(natenu)
ze hebben gegeven
לְדָוִד֙
(ledavid)
aan David
רְבָב֔וֹת
(revavot)
tienduizenden
וְלִ֥י
(veli)
en aan mij
נָתְנ֖וּ
(natenu)
ze hebben gegeven
הָאֲלָפִ֑ים
(haalafim)
de duizenden
וְע֥וֹד
(veod)
en nog
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
אַ֥ךְ
(akh)
alleen
הַמְּלוּכָֽה
(hamelukha)
het koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Saul begrijpt wat het lied zegt: er blijft voor David nog maar één ding over, het koningschap.
10De volgende dag kwam een boze geest van Elohim met kracht over Saul. Hij profeteerde in het huis. David speelde met zijn hand, zoals elke dag. Saul had de speer in zijn hand.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
מִֽמָּחֳרָ֗ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַתִּצְלַ֣ח
(vatitslach)
en kwam met kracht
רוּחַ֩
(ruach)
de geest van
אֱלֹהִ֨ים
(Elohim)
Elohim
רָעָ֤ה
(raa)
boze
אֶל
(el)
over
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וַיִּתְנַבֵּ֣א
(vayitnabe)
en hij profeteerde
בְתוֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וְדָוִ֛ד
(vedavid)
en David
מְנַגֵּ֥ן
(menagen)
spelend
בְּיָד֖וֹ
(beyado)
met zijn hand
כְּי֣וֹם
(keyom)
zoals dag
בְּי֑וֹם
(beyom)
op dag
וְהַחֲנִ֖ית
(vehachanit)
en de speer
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Saul zei tegen David: „Zie, mijn oudste dochter Merab. Haar geef ik je tot vrouw. Wees alleen dapper voor mij en voer de oorlogen van Yahweh.” Want Saul zei: „Mijn hand zal niet tegen hem zijn. De hand van de Filistijnen zal tegen hem zijn.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֗ד
(david)
David
הִנֵּה֩
(hine)
zie
בִתִּ֨י
(biti)
mijn dochter
הַגְּדוֹלָ֤ה
(hagedola)
de oudste
מֵרַב֙
(merav)
Merab
אֹתָהּ֙
(otah)
haar
אֶתֶּן
(eten)
zal ik geven
לְךָ֣
(lekha)
aan jou
לְאִשָּׁ֔ה
(leisha)
tot vrouw
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
הֱיֵה
(heye)
wees
לִּ֣י
(li)
voor mij
לְבֶן
(leven)
een zoon van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
וְהִלָּחֵ֖ם
(vehilachem)
en voer
מִלְחֲמ֣וֹת
(milchamot)
de oorlogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשָׁא֣וּל
(veshaul)
en Saul
אָמַ֗ר
(amar)
zei
אַל
(al)
niet
תְּהִ֤י
(tehi)
zal zijn
יָדִי֙
(yadi)
mijn hand
בּ֔וֹ
(bo)
tegen hem
וּתְהִי
(utehi)
en zal zijn
ב֖וֹ
(bo)
tegen hem
יַד
(yad)
de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
בֶּן־חַיִל (ben chayil), letterlijk ‘zoon van kracht’: een dappere man.
21Saul zei: „Ik zal haar aan hem geven. Zij zal een valstrik voor hem zijn, en de hand van de Filistijnen zal tegen hem zijn.” Saul zei tegen David: „Door de tweede kun je vandaag mijn schoonzoon worden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶתְּנֶ֤נָּה
(etenena)
ik zal haar geven
לּוֹ֙
(lo)
aan hem
וּתְהִי
(utehi)
en ze zal zijn
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
לְמוֹקֵ֔שׁ
(lemoqesh)
tot valstrik
וּתְהִי
(utehi)
en zal zijn
ב֖וֹ
(bo)
tegen hem
יַד
(yad)
de hand van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
בִּשְׁתַּ֛יִם
(bishtayim)
door de tweede
תִּתְחַתֵּ֥ן
(titchaten)
zul je schoonzoon worden
בִּ֖י
(bi)
van mij
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Lezing
בִּשְׁתַּיִם (bishtayim), letterlijk ‘in twee’.
De betekenis is niet zeker.
Het kan zijn: ‘door de tweede’ (de tweede dochter, na Merab, of de tweede kans).
22Saul gaf zijn dienaren opdracht: „Spreek in het geheim met David. Zeg: ‘Zie, de koning heeft behagen in je, en al zijn dienaren hebben je lief. Word nu de schoonzoon van de koning.’”
וַיְצַ֨ו
(vaytsav)
en hij gaf opdracht
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדָ֗ו
(avadav)
zijn dienaren
דַּבְּר֨וּ
(daberu)
spreekt
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֤ד
(david)
David
בַּלָּט֙
(balat)
in het geheim
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
חָפֵ֤ץ
(chafets)
heeft behagen
בְּךָ֙
(bekha)
in je
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en al
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
אֲהֵב֑וּךָ
(ahevukha)
hebben je lief
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
הִתְחַתֵּ֥ן
(hitchaten)
word schoonzoon
בַּמֶּֽלֶךְ
(bamelekh)
van de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De dienaren van Saul spraken deze woorden in de oren van David. David zei: „Is het gering in jullie ogen om de schoonzoon van de koning te worden? Ik ben een arme man en onbelangrijk.”
וַֽיְדַבְּר֞וּ
(vaydaberu)
en ze spraken
עַבְדֵ֤י
(avdei)
de dienaren van
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
דָוִ֔ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֗ד
(david)
David
הַֽנְקַלָּ֤ה
(hanqala)
is het gering
בְעֵֽינֵיכֶם֙
(beeineikhem)
in jullie ogen
הִתְחַתֵּ֣ן
(hitchaten)
om schoonzoon te worden
בַּמֶּ֔לֶךְ
(bamelekh)
van de koning
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
אִֽישׁ
(ish)
een man
רָ֥שׁ
(rash)
arm
וְנִקְלֶֽה
(veniqle)
en onbelangrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָשׁ (rash), ‘arm’: David noemt zichzelf en zijn familie arm.
24De dienaren van Saul vertelden hem: „Dit zijn de woorden die David heeft gesproken.”
וַיַּגִּ֜דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
עַבְדֵ֥י
(avdei)
de dienaren van
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כַּדְּבָרִ֥ים
(kadevarim)
zoals de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Saul zei: „Zeg dit tegen David: ‘De koning wil geen bruidsprijs. Hij wil alleen honderd voorhuiden van de Filistijnen, om wraak te nemen op de vijanden van de koning.’” Saul wilde David laten vallen door de hand van de Filistijnen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמְר֣וּ
(tomru)
zul je zeggen
לְדָוִ֗ד
(ledavid)
tegen David
אֵֽין
(ein)
niet
חֵ֤פֶץ
(chefets)
verlangen
לַמֶּ֨לֶךְ֙
(lamelekh)
de koning
בְּמֹ֔הַר
(bemohar)
naar een bruidsprijs
כִּ֗י
(ki)
maar
בְּמֵאָה֙
(bemea)
naar honderd
עָרְל֣וֹת
(arelot)
voorhuiden van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
לְהִנָּקֵ֖ם
(lehinaqem)
om wraak te nemen
בְּאֹיְבֵ֣י
(beoyevei)
op de vijanden van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְשָׁא֣וּל
(veshaul)
en Saul
חָשַׁ֔ב
(chashav)
dacht
לְהַפִּ֥יל
(lehapil)
te laten vallen
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖ד
(david)
David
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
מֹהַר (mohar), ‘bruidsprijs’: het bedrag dat de bruidegom aan de familie van de bruid geeft.
Zie Gen. 34:12 en Exod. 22:16.
ערלות (arlot), ‘voorhuiden’: de voorhuiden zijn het bewijs dat David de Filistijnen heeft gedood. Filistijnen waren onbesneden.
26Zijn dienaren vertelden David deze woorden. Het woord was goed in de ogen van David, om de schoonzoon van de koning te worden. De dagen waren nog niet voorbij.
וַיַּגִּ֨דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
עֲבָדָ֤יו
(avadav)
zijn dienaren
לְדָוִד֙
(ledavid)
aan David
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וַיִּשַׁ֤ר
(vayishar)
en het was goed
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
דָוִ֔ד
(david)
David
לְהִתְחַתֵּ֖ן
(lehitchaten)
om schoonzoon te worden
בַּמֶּ֑לֶךְ
(bamelekh)
van de koning
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָלְא֖וּ
(maleu)
waren vol
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27David stond op en ging, hij en zijn mannen. Hij versloeg 200 man van de Filistijnen. David bracht hun voorhuiden en telde ze vol voor de koning, om de schoonzoon van de koning te worden. Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en hij stond op
דָּוִ֜ד
(david)
David
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
ה֣וּא
(hu)
hij
וַאֲנָשָׁ֗יו
(vaanashav)
en zijn mannen
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en hij versloeg
בַּפְּלִשְׁתִּים֮
(bapelishtim)
onder de Filistijnen
מָאתַ֣יִם
(matayim)
tweehonderd
אִישׁ֒
(ish)
man
וַיָּבֵ֤א
(vayave)
en hij bracht
דָוִד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
עָרְלֹ֣תֵיהֶ֔ם
(areloteihem)
hun voorhuiden
וַיְמַלְא֣וּם
(vaymalum)
en ze maakten ze vol
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
לְהִתְחַתֵּ֖ן
(lehitchaten)
om schoonzoon te worden
בַּמֶּ֑לֶךְ
(bamelekh)
van de koning
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֥וֹ
(lo)
aan hem
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
מִיכַ֥ל
(mikhal)
Michal
בִּתּ֖וֹ
(bito)
zijn dochter
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Lezing
Het Hebreeuws zegt ‘tweehonderd’.
In 2 Sam. 3:14 spreekt David over honderd voorhuiden.
30De vorsten van de Filistijnen trokken ten strijde. Telkens als zij uittrokken, had David meer succes dan alle dienaren van Saul. Zijn naam werd zeer hoog geacht.
וַיֵּצְא֖וּ
(vayetseu)
en ze trokken uit
שָׂרֵ֣י
(sarei)
vorsten van
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
מִדֵּ֣י
(midei)
telkens
צֵאתָ֗ם
(tsetam)
hun uittrekken
שָׂכַ֤ל
(sakhal)
had succes
דָּוִד֙
(david)
David
מִכֹּל֙
(mikol)
meer dan alle
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיִּיקַ֥ר
(vayiqar)
en het werd kostbaar
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.