Elohim Bijbel

Hosea 13

1234567891011121314

Efraïms schuld en het oordeel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Efraïm sterft door de Baäl

1Als Efraïm sprak, was er beving. Hij verhief zich in Israël. Maar hij werd schuldig door de Baäl en stierf.
כְּדַבֵּ֤ר
(kedaber)
als sprak
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
רְתֵ֔ת
(retet)
beving
נָשָׂ֥א
(nasa)
verhief zich
ה֖וּא
(hu)
hij
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וַיֶּאְשַׁ֥ם
(vayesham)
en hij werd schuldig
בַּבַּ֖עַל
(babaal)
door de Baäl
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶפְרַיִם (Efrayim), ‘Efraïm’: de grootste stam van het noordelijke rijk; Hosea gebruikt de naam voor het hele noordelijke Israël.

Jerobeam, de eerste koning van dat rijk, was een Efratiet (1 Kon. 11:26).

רְתֵת (retet), ‘beving’: dit woord komt nergens anders voor, dus de betekenis is onzeker. Het gaat waarschijnlijk om ontzag voor wat Efraïm zei.

בַּבַּעַל (babaal), ‘door de Baäl’: letterlijk ‘in de Baäl’. Zie 1 Kon. 16:31–32 voor de verering van de Baäl in Samaria.

2Nu blijven zij zondigen. Zij maken zich een gegoten beeld van hun zilver, afgodsbeelden naar hun eigen vernuft, alles werk van vaklieden. Over hen zeggen zij: „Mensen die offeren, kussen kalveren.”
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
יוֹסִ֣פוּ
(yosifu)
zij blijven
לַחֲטֹ֗א
(lachato)
zondigen
וַיַּעְשׂ֣וּ
(vayasu)
en zij maken
לָהֶם֩
(lahem)
voor zich
מַסֵּכָ֨ה
(masekha)
een gegoten beeld
מִכַּסְפָּ֤ם
(mikaspam)
van hun zilver
כִּתְבוּנָם֙
(kitvunam)
naar hun vernuft
עֲצַבִּ֔ים
(atsabim)
afgodsbeelden
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
חָרָשִׁ֖ים
(charashim)
vaklieden
כֻּלֹּ֑ה
(kulo)
alles
לָהֶם֙
(lahem)
over hen
הֵ֣ם
(hem)
zij
אֹמְרִ֔ים
(omerim)
zeggen
זֹבְחֵ֣י
(zovechei)
offeraars van
אָדָ֔ם
(adam)
mensen
עֲגָלִ֖ים
(agalim)
kalveren
יִשָּׁקֽוּן
(yishaqun)
zij kussen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֹבְחֵי אָדָם עֲגָלִים יִשָּׁקוּן (zovche adam agalim yishaqun): letterlijk ‘offeraars van mensen, kalveren kussen zij’.

De zin is kort en kan op meer manieren worden gelezen: ‘mensen die offeren, kussen kalveren’, ‘wie mensen offert, kust kalveren’ of ‘laat de offeraars kalveren kussen’.

Wij houden de volgorde van het Hebreeuws.

Kussen was een teken van eerbied voor een beeld (1 Kon. 19:18).

Zie ook de kalveren in 1 Kon. 12:28 en Hos. 8:5–6.

מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’, en עֲצַבִּים (atsabbim), ‘afgodsbeelden’: wij houden deze twee woorden bij vaste weergaven.

3Daarom zullen zij zijn als een wolk in de morgen en als dauw die vroeg verdwijnt. Zij zullen zijn als kaf dat van de dorsvloer wordt weggeblazen en als rook uit een luik.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
יִֽהְיוּ֙
(yihyu)
zij zullen zijn
כַּעֲנַן
(kaanan)
als een wolk van
בֹּ֔קֶר
(boqer)
de morgen
וְכַטַּ֖ל
(vekhatal)
en als dauw
מַשְׁכִּ֣ים
(mashkim)
die vroeg
הֹלֵ֑ךְ
(holekh)
verdwijnt
כְּמֹץ֙
(kemots)
als kaf
יְסֹעֵ֣ר
(yesoer)
dat wordt weggeblazen
מִגֹּ֔רֶן
(migoren)
van de dorsvloer
וּכְעָשָׁ֖ן
(ukheashan)
en als rook
מֵאֲרֻבָּֽה
(mearuba)
uit een luik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het beeld van de wolk en de dauw die snel verdwijnen staat ook in Hos. 6:4.

אֲרֻבָּה (arubbah), ‘luik’: een opening waardoor de rook uit een huis trekt. Hetzelfde woord als ‘luiken’ van de hemel in Gen. 7:11.

Yahweh, de enige redder

4„Maar Ik ben Yahweh, je Elohim, van het land Egypte af. Een god buiten Mij ken je niet, en een redder is er niet behalve Mij.
וְאָנֹכִ֛י
(veanokhi)
en Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
van het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte af
וֵאלֹהִ֤ים
(vElohim)
en een god
זֽוּלָתִי֙
(zulati)
buiten Mij
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵדָ֔ע
(teda)
ken je
וּמוֹשִׁ֥יעַ
(umoshia)
en een redder
אַ֖יִן
(ayin)
er is niet
בִּלְתִּֽי
(bilti)
behalve Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Vanaf dit vers spreekt Yahweh zelf.

Vergelijk Exod. 20:2–3 en Hos. 12:10.

מוֹשִׁיעַ (moshia), ‘redder’: wie redt uit nood. Alleen Yahweh is dat.

וֵאלֹהִים (velohim), ‘een god’: hier gaat het om andere goden. Wij schrijven daarom ‘god’ met een kleine letter.

5Ik heb jou gekend in de woestijn, in het land van de droogte.
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְדַעְתִּ֖יךָ
(yedatikha)
heb je gekend
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
תַּלְאֻבֽוֹת
(taluvot)
droogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְדַעְתִּיךָ (yeda’tikha), ‘Ik heb je gekend’: ‘kennen’ is hier zorg dragen voor.

Vergelijk Deut. 2:7.

תַּלְאֻבוֹת (tal’uvot), ‘droogte’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker: ‘droogte’ of ‘verschroeiende hitte’.

6Zoals hun weide was, werden zij verzadigd. Zij werden verzadigd, en hun hart verhief zich. Daarom hebben zij Mij vergeten.
כְּמַרְעִיתָם֙
(kemaritam)
zoals hun weide
וַיִּשְׂבָּ֔עוּ
(vayisbau)
en zij werden verzadigd
שָׂבְע֖וּ
(saveu)
zij werden verzadigd
וַיָּ֣רָם
(vayaram)
en verhief zich
לִבָּ֑ם
(libam)
hun hart
עַל
(al)
daarom
כֵּ֖ן
(ken)
(zo)
שְׁכֵחֽוּנִי
(shekhechuni)
zij hebben Mij vergeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּמַרְעִיתָם (kemar’itam), ‘zoals hun weide’: hoe rijk de weide was, zo vol werden zij.

Vergelijk Deut. 8:12–14, waar een vol hart tot vergeten leidt.

Yahweh wordt een roofdier

7Ik werd voor hen als een leeuw; als een luipaard loer Ik langs de weg.
וָאֱהִ֥י
(vaehi)
en Ik werd
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
כְּמוֹ
(kemo)
als
שָׁ֑חַל
(shachal)
een leeuw
כְּנָמֵ֖ר
(kenamer)
als een luipaard
עַל
(al)
langs
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
de weg
אָשֽׁוּר
(ashur)
Ik loer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁחַל (shachal), ‘leeuw’, en נָמֵר (namer), ‘luipaard’: roofdieren die op hun prooi wachten.

Lezing

אָשׁוּר (ashur): de medeklinkers (אשור) zijn dezelfde als die van ‘Assyrië’.

De klinkers die later zijn toegevoegd, maken er het werkwoord שׁוּר (shur), ‘loeren’ van.

Wij volgen de klinkers en vertalen ‘Ik loer’.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘op de weg naar Assyrië’.

8Ik val hen aan als een berin die haar jongen kwijt is. Ik scheur open wat hun hart omsluit. Daar verslind Ik hen als een leeuwin; het dier van het veld zal hen verscheuren.
אֶפְגְּשֵׁם֙
(efgeshem)
Ik val hen aan
כְּדֹ֣ב
(kedov)
als een beer
שַׁכּ֔וּל
(shakul)
beroofd
וְאֶקְרַ֖ע
(veeqra)
en Ik scheur open
סְג֣וֹר
(segor)
wat omsluit
לִבָּ֑ם
(libam)
hun hart
וְאֹכְלֵ֥ם
(veokhelem)
en Ik verslind hen
שָׁם֙
(sham)
daar
כְּלָבִ֔יא
(kelavi)
als een leeuwin
חַיַּ֥ת
(chayat)
dier van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
תְּבַקְּעֵֽם
(tevaqeem)
zal hen verscheuren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶפְגְּשֵׁם (efgeshem), ‘Ik val hen aan’: het werkwoord פָּגַשׁ (pagash) betekent ‘ontmoeten’, ook in vijandige zin.

דֹּב שַׁכּוּל (dov shakkul), ‘een beroofde beer’: de beer is van haar jongen beroofd. Vergelijk 2 Sam. 17:8.

סְגוֹר לִבָּם (segor libbam), ‘wat hun hart omsluit’: letterlijk ‘de sluiting van hun hart’. Wij denken aan de borstkas.

9Je verderf, Israël, is dat je tegen Mij bent, tegen je helper.
שִֽׁחֶתְךָ֥
(shichetkha)
je verderf
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
dat
בִ֥י
(bi)
tegen Mij
בְעֶזְרֶֽךָ
(beezrekha)
tegen je helper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁחֶתְךָ (shichetkha): de zin is kort en de vorm kan als ‘Hij heeft je vernietigd’ of ‘Je verderf’ worden gelezen.

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Het is je verderf, Israël, want in Mij, in je helper.’

Wij vullen ‘dat je tegen Mij bent’ aan.

עֶזֶר (ezer), ‘helper’: een titel van Yahweh, zie Ps. 33:20. Sommige oude vertalingen lezen deze zin anders.

Waar is je koning?

10Waar is dan je koning, dat hij je redt in al je steden? Waar zijn je rechters, over wie je zei: ‘Geef mij een koning en vorsten’?
אֱהִ֤י
(ehi)
waar
מַלְכְּךָ֙
(malkekha)
je koning
אֵפ֔וֹא
(efo)
dan
וְיוֹשִֽׁיעֲךָ֖
(veyoshiakha)
dat hij je redt
בְּכָל
(bekhal)
in al
עָרֶ֑יךָ
(areikha)
je steden
וְשֹׁ֣פְטֶ֔יךָ
(veshofeteikha)
en je rechters
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
over wie
אָמַ֔רְתָּ
(amarta)
je zei
תְּנָה
(tena)
geef
לִּ֖י
(li)
mij
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
een koning
וְשָׂרִֽים
(vesarim)
en vorsten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱהִי (ehi), ‘waar’: een vraagwoord, ook in vers 14.

שָׂרִים (sarim), ‘vorsten’: de leiders onder de koning.

Het verzoek om een koning staat in 1 Sam. 8:5–6.

11Ik gaf je een koning in Mijn toorn, en Ik nam hem weg in Mijn woede.”
אֶֽתֶּן
(eten)
Ik geef
לְךָ֥
(lekha)
jou
מֶ֨לֶךְ֙
(melekh)
een koning
בְּאַפִּ֔י
(beapi)
in Mijn toorn
וְאֶקַּ֖ח
(veeqach)
en Ik neem weg
בְּעֶבְרָתִֽי
(beevrati)
in Mijn woede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De werkwoorden staan in de onvoltooide tijd: ‘Ik geef … en Ik neem’.

Dat kan een steeds terugkerende gang van zaken zijn of naar het verleden verwijzen (vergelijk 1 Sam. 8 en 15).

Wij vertalen in de verleden tijd.

In het Hebreeuws heeft ‘Ik nam weg’ geen voorwerp; ‘hem’ is door ons aangevuld.

De schuld van Efraïm

12De schuld van Efraïm is vastgebonden. Zijn zonde is opgeslagen.
צָרוּר֙
(tsarur)
vastgebonden
עֲוֺ֣ן
(avon)
de schuld van
אֶפְרָ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
צְפוּנָ֖ה
(tsefuna)
opgeslagen
חַטָּאתֽוֹ
(chatato)
zijn zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָרוּר (tsarur), ‘vastgebonden’, en צְפוּנָה (tsefunah), ‘opgeslagen’: de schuld ligt bewaard, als in een bundel of voorraad, tot de dag van afrekening.

Vergelijk Deut. 32:34.

13De weeën van een barende vrouw komen over hem. Hij is een zoon die niet wijs is. Want als het tijd is, blijft hij niet staan in de geboorteopening van kinderen.
חֶבְלֵ֥י
(chevlei)
de weeën van
יֽוֹלֵדָ֖ה
(yoleda)
een barende vrouw
יָבֹ֣אוּ
(yavou)
zullen komen
ל֑וֹ
(lo)
over hem
הוּא
(hu)
hij
בֵן֙
(ben)
een zoon
לֹ֣א
(lo)
niet
חָכָ֔ם
(chakham)
wijs
כִּֽי
(ki)
want
עֵ֥ת
(et)
een tijd
לֹֽא
(lo)
niet
יַעֲמֹ֖ד
(yaamod)
blijft hij staan
בְּמִשְׁבַּ֥ר
(bemishbar)
in de geboorteopening van
בָּנִֽים
(banim)
kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁבָּר (mishbar), ‘geboorteopening’: letterlijk ‘plaats van breken’.

Dezelfde uitdrukking staat in 2 Kon. 19:3: kinderen komen tot de geboorteopening, maar er is geen kracht om te baren.

Efraïm is als een kind dat niet geboren wil worden.

Sjeol en de dood

14„Uit de hand van Sjeol zal Ik hen vrijkopen, van de dood zal Ik hen verlossen. Waar zijn je plagen, dood? Waar is je verderf, Sjeol? Medelijden is voor Mijn ogen verborgen.”
מִיַּ֤ד
(miyad)
uit de hand van
שְׁאוֹל֙
(sheol)
Sjeol
אֶפְדֵּ֔ם
(efdem)
Ik zal vrijkopen hen
מִמָּ֖וֶת
(mimavet)
van de dood
אֶגְאָלֵ֑ם
(egalem)
Ik zal verlossen hen
אֱהִ֨י
(ehi)
waar
דְבָרֶיךָ֜
(devareikha)
je plagen
מָ֗וֶת
(mavet)
dood
אֱהִ֤י
(ehi)
waar
קָֽטָבְךָ֙
(qatavekha)
je verderf
שְׁא֔וֹל
(sheol)
Sjeol
נֹ֖חַם
(nocham)
medelijden
יִסָּתֵ֥ר
(yisater)
is verborgen
מֵעֵינָֽי
(meeinay)
voor Mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk.

Zie ook Ps. 6:6.

פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, en גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: woorden uit het losgeldrecht, zie Lev. 25:25.

דְּבָרֶיךָ (devarekha), ‘je plagen’: het Hebreeuwse dever betekent ‘pest, plaag’. קֹטֶב (qotev), ‘verderf’: vernietiging.

נֹחַם (nocham), ‘medelijden’: het woord kan ook ‘berouw’ of ‘troost’ betekenen.

Het Hebreeuws heeft hier geen vraagwoord. De eerste twee zinnen kunnen als belofte (‘Ik zal hen vrijkopen’) of als vraag (‘Zou Ik hen vrijkopen?’) worden gelezen. Wij lezen een belofte. De aanroep aan de dood wordt aangehaald in 1 Kor. 15:55.

De oostenwind

15Hoewel hij vrucht draagt tussen broers, zal er een oostenwind komen, de wind van Yahweh, die uit de woestijn opstijgt. Zijn bron zal verdorren en zijn waterbron zal opdrogen. Hij zal de schat plunderen, alle kostbare voorwerpen.
כִּ֣י
(ki)
want
ה֔וּא
(hu)
hij
בֵּ֥ן
(ben)
tussen
אַחִ֖ים
(achim)
broers
יַפְרִ֑יא
(yafri)
draagt vrucht
יָב֣וֹא
(yavo)
zal komen
קָדִים֩
(qadim)
een oostenwind
ר֨וּחַ
(ruach)
wind van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמִּדְבָּ֣ר
(mimidbar)
uit de woestijn
עֹלֶ֗ה
(ole)
opstijgend
וְיֵב֤וֹשׁ
(veyevosh)
en zal verdorren
מְקוֹרוֹ֙
(meqoro)
zijn bron
וְיֶחֱרַ֣ב
(veyecherav)
en zal opdrogen
מַעְיָנ֔וֹ
(mayano)
zijn waterbron
ה֣וּא
(hu)
hij
יִשְׁסֶ֔ה
(yishse)
zal plunderen
אוֹצַ֖ר
(otsar)
de schat van
כָּל
(kal)
alle
כְּלִ֥י
(keli)
voorwerpen van
חֶמְדָּֽה
(chemda)
kostbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַפְרִיא (yafri), ‘draagt vrucht’: een woordspeling op Efraïm (vergelijk Gen. 41:52).

קָדִים (qadim), ‘oostenwind’: een hete droge wind uit de woestijn, vergelijk Exod. 14:21.

Het Hebreeuws zegt niet wie ‘hij’ is die de schat plundert: de wind of de vijand die met de wind komt.